Adama van Scheltema/Boven het koren
Uit Wikisource
Boven het koren
Toen ik als kind door 't koren liep,
En tusschen korenhalmen sliep,
- Toen leek het, dat die korenaren
- Voor mij als groote menschen waren: -
Daarboven ging het leven heen,
Dat een geweldig wonder scheen -
- Doch ik lag veilig daarbeneden
- Bij al mijn kleine heerlijkheden
Ik groeide boven 't grote graan,
Mijn kleine hart kreeg vleugels aan,
- De blauwe lucht had me opgetogen -
- De akker zonk mij onder de oogen,
Ik zag het korenland benêe,
Dat golfde als een gele zee -
- Toen borst mijn hart en ging ik zingen
- Van al die eindelooze dingen.
Of ik al tusschen 't koren keer,
Nu vind ik daar mijn nest niet meer: -
- Ik ben benêe in 't graan geboren,
- Toch moet ik leven boven 't koren,
En zien hoe 't àl te zamen waait -
En groeit - en geelt, en wordt gemaaid -
- Maar mijn geluk en mijn verlangen
- Zijn aan het koren blijven hangen!