Adama van Scheltema/Dat bloemetje
Uit Wikisource
Dat bloemetje
Daar bloeide 'ns eenmaal
- Een bloempje op de hei -
Het was nog geen lente,
- Het was nog geen Mei.
In 't heel vroeg voorjaar
- Heb ik het zien staan -
Toen ben 'k nog zoo zachtjes
- Daar langsheen gegaan.
Maar een mooien morgen
- Toen was ik zoo blij -
Toen mocht ik dat bloempje
- Gaan plukken voor mij.
Lang heb ik geloopen
- En toen ik het vond -
Toen lag het verschrompeld
- En dood op den grond! -
De lente is gekomen,
- De Mei is gegaan -
Ik heb nooit meer nergens
- Dat bloempje zien staan.
De zomer die bloeide,
- De zomer ging heen -
Van dat mooie bloempje
- Was er geen één.
De hei is gaan bloeien,
- Mijn hart deed zoo zeer -
Maar dat één' mooie bloempje
- Dat vond ik niet meer.
De herfst die maakte
- Al de bladeren goud -
Mijn hoofd en mijn handen
- En mijn hart werden oud.
De sneeuw is gevallen,
- De hei die wordt wit, -
Daaronder - daaronder
- Dat bloemetje zit! -
Als 'k dood ben dan bloeit er
- Zoo'n bloempje op mij - -
Mijn lief is begraven,
- Ik lig er gauw bij!