Adama van Scheltema/De Populieren
Uit Wikisource
De Populieren
Het ruischt in de' avondstond,
Het ruischt in 't zingende verbond
- Van mijne lieve donkre populieren -
Ik hoor hun koelen geest
Het winderige avondfeest
- Met eene diepe sombre vreugde vieren.
Als in den morgen nauw
Hun stammen rijzen uit den dauw,
- Zingen mijn hooge tooverige boomen -
Ik hoor hun kalme klacht
Tot in den stillen sterrennacht
- Van al hun zangerige takken stroomen.
Als ik het leven vlied
Met in mijn hart zijn jammerlied,
- Luister ik naar hun ritselende blaren -
Tot leed en wrevel vlucht,
En ik met een gelaten zucht
- Mij onder hunnen balsem voel bedaren.
Zoo 'k aan hun wortels kniel,
Als 't waait en wankelt door mijn ziel,
- Hoor 'k over mij hun rustig vrome koren -
Dan gaat mijn weenend hart
En heel mijn menschelijke smart
- Onder hun zingend gebed verloren.
Als in het morgenlicht
Ik, blijde om een droomgezicht,
- Verdwaal onder hun sombere gezangen -
Dan zwijgt mijn zwakke lach,
En blijft dien ganschen wijden dag
- Een vreemde stilte in mijn boezem hangen.
Ik weet wat mij verstomt,
Wat van hun loovers nederkomt,
- Wat daalt uit hunne wankelende kronen: -
Dat is vergetelheid -
De adem van de eeuwigheid,
- Die in die duizend blare' is blijven wonen.
Ik zit in de' avondwind,
Een stil geworden menschenkind,
- Onder mijn lieve donkre populieren -
Ik doe mijn oogen toe,
En luister eenzaam zwijgend hoe
- Zij fluisterend hun sombre vreugden vieren.