Adama van Scheltema/De Schoonheid
Uit Wikisource
De Schoonheid
Toe ik heden opzag van mijn leven,
Uit de schaduw van mijn stille zorgen,
Zag ik, tot de witte diepe verte,
- Weer de Schoonheid om mij henen slaan, -
Tot haar immer onverwachte gaven,
Tot haar wijde zegenende handen,
Tot de kalme stammen van haar vruchten
- Ben ik weer gelukkig heengegaan.
Uit de schaduw van mijn stille leven,
Over de onrust van mijn blinde zorgen,
Heb ik mij naar de eindelooze verte
- Met een glimlach weder heengebukt, -
En tevreden bij haar heldre gaven,
Heb ik met mijn beide dankbre handen
Weer een groen lak vol zoete vruchten
- Van den boom des levens afgeplukt.
Wij gaan allen door het wijde leven,
Allen dragen wij zoovele zorgen,
Allen gaan wij naar de witte verte,
- Samen gaan we als blinden hand in hand, -
En wij toeven bij haar lichte gaven,
Tasten zwijgend met gewonde handen
Naar die al te schaarsche vruchten
- Aan de wegen naar 't beloofde land.