Adama van Scheltema/De dijk
Uit Wikisource
De dijk
- Tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe
Daar lag de dijk door het waterig land
- Als iets waaraan niets was te veranderen:-
De koeien en de kikkers aan de' eenen kant
- En de zilveren visschen aan de' anderen;
Zoo bleven zij ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend
- Daar tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe.
- En ónder aan den dijk daar glommen de blommen:-
Die zwierden en tierden maar overal,
- Die stonden te bloze' en te bloeien,
Die knikten en knakte', en die lachten maar al
- Om die klapperdekakkende koeien;
En de koeien, die tilden hun steerten op
En zagen nadenkende uit hunnen kop,-
- Ja ónder aan den dijk daar glommen de blommen!
- En óver den dijk daar floten de booten:-
Die toeterde' en ploeterden door de rivier,
- Die waren geweldig aan 't sleepen,
En hadden een onfatsoenlijk pleizier
- In de deftig zeilende schepen-
Die hielden zich kwasi wat achteraf,
Maar eigenlijk legden ze 't leelijk af,-
- Ja, óver den dijk daar floten de booten!
- En benéde' aan den dijk daar had je het stadje:-
Dat lag daar zoo kluchtig, zoo klein en zoo rein,
- Als was 't maar een hapje, een stapje -
Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn
- Dan een echt-Hollandsch schildersgrapje!
Maar van den toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt!-
- Ja, benéde' aan den dijk daar had je het stadje!
- En bóve' op de dijk daar voeren de boeren:-
Die holderdebolderden over den dijk
- In hun hossebossende sjeezen-
Die reden hun glanzende peerden te kijk,
- En hun wijf in heur Zondagsche wezen,
En die klapte' hunne zweep en die dachten maar: "krak,
Hoort gij die rijksdaalders wel in mienen zak!"-
- Ja bóve' op den dijk daar voeren de boeren!