Adama van Scheltema/De glimlach
Uit Wikisource
De glimlach
Het was een avond op de heide
- En de gansche hei was leeg,
En de dichte witte hemel,
- En de heide, en 'k zelve zweeg.
Langs de wolken en de vlakte
- Ging de eenzame avondwind,
En de heide, en de hemel,
- En mijn eigen hart was blind.
Toen ging plots de hemel open -
- En een kleine plek van zon
Dreef de wijde heide over,
- Als een dof-goud medaillon.
Wat voor vriendelijke tinten,
- Wat voor zachten glans dat had,
Kan ik niet meer overzeggen -
- Maar het was een warme schat.
'n Schat van liefde uit eene wereld,
- Die daar heel ver achter lag -
Van een ander teerder wereld,
- Waarin ik op eenmaal zag.
'n Wereld vol van louter liefde,
- Die haar zegen nederliet
Als den glimlach van een moeder,
- Die haar eerste kindje ziet.
'n Glimlach over deze wereld,
- 'n Lach van liefde en van leed,
Als in vage mooie droomen,
- Waar geen morgen meer van weet.
Als een droom - dien 'k zelve droomde -
- Als een lach, dien 'k heb gezien -
Ergens in mijn eenzaam leven -
- Ergens - in een droom misschien.
En ik heb het nagekeken
- Tot den donkren horizon,
En ik heb zoolang gezeten
- Tot ik niet meer kijken kon.
Ach! toen heb ik het geweten,
- Toen 'k alleen in 't donker zat: -
't Was de glimlach van die ééne -
- Van die ik heb liefgehad!