Adama van Scheltema/De nacht
Uit Wikisource
De nacht
Om het open raam lag de ledige donkere wereld,
- En ik stond vóór haar, eenzaam en naakt,
-
- En alleen met den nacht.
- En alleen met den nacht.
-
Over mij ruischte al 't onzienbare loover
- En bewogen de kronen van duistere eiken -
-
- Die waren ouder dan ik.
- Die waren ouder dan ik.
-
Aan den oneindigen windrigen hemel
- Dreven twee vale vlekken van sterren -
-
- Van verre werelden.
- Van verre werelden.
-
En om mij stonden de donkere klompen
- Van groote eenzame geboomten -
-
- Grooter - eenzamer dan ik.
- Grooter - eenzamer dan ik.
-
Toen woei 't aan mijn vleesch en bleeke leden,
- En ik voelde mij oud en deemoedig -
-
- En één van zoovelen.
- En één van zoovelen.
-
En ik luisterde en boog naar de winden: -
- Die liepen langzaam door de eeuwigheid heen -
-
- En ik zweeg en bleef achter. -
- En ik zweeg en bleef achter. -
-
En toen ik weer zag in die nachtlijke ruimten,
- Hing de onpeilbare hemel op eenmaal
-
- Vol heldere sterren!
-