Adama van Scheltema/De stem
Uit Wikisource
De stem
Over het late wegje viel
- De warme avondgloed,
Die glans, die ook een arme ziel
- Iets schoons gevoelen doet.
De laatste kleine leeuwrik droeg
- Zijn liedje van de min
Boven een stil gelaten ploeg
- Den stillen hemel in.
Toen zweeg de wereld om ons heen,
- Geen vogel zong er meer,
Wij voelde' ons met elkaar alleen -
- En sprake' - en zwegen weer.
Doch de avond bleef in 't bloeiend hout,
- En wachtte om onzentwil,
En onze handen werden goud -
- En onze ziel zoo stil.
Toen hoorden wij die stem, die steeg,
- En toch al hooger hief - -
En van de diepe sterren zeeg
- Een stem: - heb lief! - heb lief!