Adama van Scheltema/De wilgen
Uit Wikisource
De wilgen
Daar waren eens zeven wilgen
- In ene boerenwei.
Die droegen grote pruiken op
Hun oude harde houten kop
- En stonden op een rij.
- En hunne pruik met haren
- Die kwam nooit tot bedaren-
- En hunne pruik met haren
Zij knikten al maar: "ja en neen,"
Wat dat beduidde, wist er geen!
Toen kwamen er heel veel vogeltjes-
- Die bouwden daar hun nest,
- Die woonden allen paar aan paar,
- En leefden leutig met elkaar,
- En vonden 't opperbest.
- En ieder zong een liedje-
- En ieder zong een liedje-
- Van wiede-wiede-wiede,-
Maar al de wilgen riepen: "Och,
Wat schreeuwen daar die vogels toch!"
Toen kwam de wilde wervelwind-
- Die ziet ze daar zo staan,
En draait zich driemaal om, en ziet:
"Wat's dat nou voor parmantigheid!"
- En waait zo op ze aan:-
- Eerst deden ze nog deftig.
- Eerst deden ze nog deftig.
- Maar 't werd hun gauw te heftig-
Toen riepen ze allen door mekaar:
"O jeminee wat is dat naar!"
Toen kwam een grote regenbui-
- Die keek heel boos, en zei:
"Die pruiken vind ik veel te hoog,
Dat's geen fatsoen, die zijn te droog-
- Daar moet wat water bij!"
- De wilgen snikten en steenden:
- "Wat is dat nat -- ze weenden!
- De wilgen snikten en steenden:
"O! riepen ze met 'n lang gezicht,
"Nee, dat vergeten we niet licht!"
Toen kwam een dikke bonte koe-
- Die snoof zo's en zei:"Wel
Zo'n wilgebladje mag ik graag,
Da's juit goed voor een volle maag
- En voor een zwak gestel!
- 'k Mag zeker van uw pruiken
- 'k Mag zeker van uw pruiken
- Wel 'n kleinigheid gebruiken?"-
De wilgen zuchtten elkander toe:
"Wat zeg je nou van zó een koe!"
Toen werd op 't laatst hun pruikebol
- Zo alleraakligst lang,
Dat iedereen van schrik wegliep-
De vogels riepen:"Piep piep piep"
- En werden ook al bang.
- En ieder zei:"wat vreeslijk!
- Dat's zeker ongeneeslijk!"
- En ieder zei:"wat vreeslijk!
De wilgen dachten:"Dat's juist fijn,
't Bewijst dat wij van adel zijn!"
Toen kwam de boerenkapper aan,
- Die had een lange schaar-
En knipte met een grote hap,
Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap,
- Door àl dat wilgenhaar!
- Zij schrokken zelf verbazend,
- Maar de andren lachten razend,
- Zij schrokken zelf verbazend,
En riepen allemaal brutaal:
"Wat bennen jullie nou weer kaal!"