Adama van Scheltema/Herfstavond
Uit Wikisource
Herfstavond
- Toen zonk het leven heen van elken stillen boom,
Toen rezen neevlen uit de leeggeworden hoven
Om 't laatste lichten van den zomer uit te dooven,
- En werd het oude dorp een vage dunne droom.
- Dan dwaalden stilkens door den bleeken avondstond
Al die droefgeestige en onbestemde geuren
Van eenen laten herfst voorbij de dichte deuren,
- En golfden witte drade' over den vochten grond.
- Soms huilde nog het vee in eene verre schuur,
Soms kwam een stille vrouw van eenen drempel dalen
Om witte doeken uit een boomgaard weg te halen -
- En ging weer hene' als eene heilige figuur.
- Alleen nog hier en daar, achter een leege haag,
Hingen aan magere en afgedorde ranken,
Als lange vingers van een stervensmoede kranke,
- De gele peulen stil in eenen tuin omlaag.
- Maar rondom kwam al lang de zwarte aarde bloot,
En bleef maar zelden nog een volle akker over
Van leelijk groen en zwart en afgemergeld loover,
- Of lag een boekweitland met bruin en bloedend rood.
- En langs den straatweg kwam nog maar één stap: -
Daar ging een oude man met vuile witte haren,
Die droeg een natte mand, vol arme konkelwaren,
- En om zijn dorren hals een purperrooden lap.
- Doch in de verte, door de bonte schemering,
Zakte langzamerhand de avondhemel open,
Als een gemarteld hart, dat gansch was leeggeloopen
- En vol bebloeden mist en lange rafels hing.
- Ik ga alleen - alleen - en zonder mensch of God
Door al 't barbaarsche schoon van deze neveltijden,
En om mij ruischen en verstommen de getijden -
- De ebbe en vloed van mijn onmenschelijke lot;
- En in mij hangt mijn hart, vol louter menschlijkheid,
Dat overloopt van liefde in deze leege stonden -
En juist die laatste smart van 't leven heeft gevonden: -
- Dat al 't waarachtig schoone is ééne eenzaamheid!