Adama van Scheltema/Het edele leven
Uit Wikisource
Het edele leven
Mijn leven is een lichte boot,
- Die over diepe waters vaart -
De kiel is klein, de blik is groot,
- Die om den einder waart.
Door 't blijde en het bleeke licht
- Van 's levens vreugd en 's levens leed,
Richt ik haar steven naar den plicht,
- Dien de bewuste weet.
Schoon is de vreemde spiegel, die
- Mij draagt en wiegt, waarin ik beĆ®:
Den hemel en den bodem zie -
- Ik zie in beide mij.
En door dien wijden spiegel ijlt
- De schoonheid immer met mij mee,
Haar kring van blanke beelden zeilt
- Nevens mij door de zee.
En als mijn hand te water gaat
- En 'k spelend aan dien spiegel kom,
Is 't of zij parels achterlaat -
- Ik zie niet naar hen om.
En telkens vliedt tot aan de kim
- Uit mijne hand een levend lied -
Achter mij volgt de stille schim
- Van 't leed, dat niemand ziet.
En beeld en leed en lach verdwijnt,
- En dwerelt als het schuim mij na -
Tot in een glimlach aan het eind
- Ik met hen onderga.