Adama van Scheltema/Holland
Uit Wikisource
Holland
Wat zijt gij klein Holland
Met al uw velden en vlakke wegen,
- Met uw rampzalige aardappellanden,
En uw vreeslijk droefgeestigen regen,
- En uw lage goedaardige stranden - -
Maar groot toch is de zee Holland,
Waaraan gij langzaam zijt verschenen,
- Waaruit ge als een schelp zijt geboren,
Die zingt door uw heele land henen,
- Dat elk in zijn ziel haar kan hooren!
Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw simpele wilgeboomen,
- Met al uw kleine kabblende plassen,
En die paar platte gemaklijke stroomen,
- En uw bloemen en tamme gewassen - -
Maar groot toch is uw hemel Holland
Met zijne matelooze klaarten,
- Met al zijn oneindige kleuren,
En die verandrende wolkengevaarten,
- Waarmee groote dingen gebeuren!
Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw verlegen zwijgende menschen,
- En al uw langzame stille levens,
En al uw vele denkbeeldige grenzen,
- En o! met nergens ooit iets verhevens - -
Maar groot toch is uw volk Holland,
Verwant aan uw heerlijk verleden,
- Dat tusschen uw heemle' en zeeën bleef groeien,
En tusschen die wisselende eeuwigheden
- Zich bereidt om opnieuw te gaan bloeien!