Adama van Scheltema/Peinzerij bij een bloemetje

Uit Wikisource

Ga naar: navigatie, zoeken

Peinzerij bij een bloemetje

Daar heb je weer dat bloempje staan

- Ik weet niet hoe ze 't noemen -

Dat trok me als kind nou 't meeste aan

Van alle rare bloemen.


Dat zette ik op mijn kinderhoed,

Dat moest ik altijd plukken -

O! ik herinner me nog goed

Hoe vreemd dat kon verrukken!


En nou ik 't zoo bekijk, en weer

Bedenk hoe 'k dat bedoelde -

Nou weet 'k toch absoluut niet meer

Waarom ik dat zoo voelde! -


Niewaar-? we vonden 't allemaal

Als kindren heel wat wonders:-

Voor een klein kind is nou eenmaal

Een bloem iets heel bijzonders!


Toen hadde' we - weet 'k nog wel - pleizier

Om boone' in sponzedoozen -

En later zochte' we klaver-vier -

Nog later droogde' we rozen!


Dat leer je dan zoo zoetjes aan

Wel allemaal vergeten:-

Het wonder is er afgegaan,

En je ouwe ziel versleten.


En hoogstens, als je een boek doorblaart,

Vind je nog pro memorie

Zoo'n platgedrukte bloem bewaard: -

Dat was dan "de historie"! -


Toch: - ik voor mij - mij zijn altijd

In me' ouwe-mensche-leven,

Uit me' hééle-kleine-kindertijd,

Twee wondren bijgebleven;


En 'k draag ze zuinig aan mijn hart:-

Een boterham met muisjes,

En 't mooiste bloempje van de mart -

Een maandroosje met luisjes!
Persoonlijke instellingen