Adama van Scheltema/Vergeten

Uit Wikisource

Ga naar: navigatie, zoeken

Vergeten

Het was 't einde van den dag,

Die was aan het bezwijken -

Ik was alleen en lag

Er stil naar te kijken.


Ik voelde mij moe

En krom van 't loopen,

En droomerig keek ik hoe

De miertjes wegkropen.


Ik voelde mij niet arm, niet rijk,

Maar een kind van de aarde,

En aan haar bloemen gelijk,

Waarover ik heenstaarde.


En zoo, zonder vreugde of zucht,

Lag 'k met niets te bemoeien,

Ik keek maar naar de lucht,

Die overal ging bloeien. -


Door die diepe avondkleur

Kwam toen een wagglende wagen,

Hoog met hooi, en vol geur,

En vol zoete vlagen.


En achter dat hooi

Kwam een meisje - zoo'n lief wezen, -

Zij was zoo mooi - zoo mooi

Als een mensch maar kan wezen!


Wij zagen naar elkaar,

Verguld van het lichten -

Wij zagen verwonderd naar

Elkanders gezichten. -


Ik bleef nog een wijl,

En zag vóór mij uit, zonder

Te zien - en onderwijl

Ging de zon onder.


Toen rees ik, en ging ik heen

Naar mijn ledige woning,

Ik voelde mij alleen

Zooals een treurige koning.




Toen ik in 't lamplicht

Mijn brood zat te eten,

Dacht ik aan dat gezicht -

Ik was het vergeten!
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "http://nl.wikisource.org/wiki/Adama_van_Scheltema/Vergeten"
Persoonlijke instellingen