Adama van Scheltema/Verloren paradijs
Uit Wikisource
Verloren paradijs
De avond komt naar beneden
- En verguldt al dat wuivende loof, -
Nu waaien door mijn hart de gebeden
- Van een lang verloren geloof.
Daar gaan al die kronen aan 't zingen -
- En mijn lijf is met hen vervuld
Van den galm van vergane dingen,
- En van oude menschlijke schuld.
En rondom mij rijst dat Eden,
- Die tuin van geluk zonder leed -
Die droom van zóólang geleden,
- Dat geen ziel er meer iets van weet!
Zij hebbe' eeuwig geweend van verlangen
- Om dat verloren heiligdom,
Zij hebbe' er elkaar om gehangen -
- En zij hebben het nóg niet weerom!
Ach! wij zijn te vroeg geboren,
- En daarom doet het leven zoo'n pijn: -
Omdat wij God hebben verloren
- En nóg niet zijne engelen zijn!