Adama van Scheltema/Voorbij

Uit Wikisource

Ga naar: navigatie, zoeken

Voorbij

Er ging iets moois voorbij,
Zo aan mijn hoofd voorbij,
Vlak langs mijn hart voorbij -

Ik wist niet wat.


Ik deed mijn venster dicht,
En beĆ® mijn ogen dicht,
En al mijn vingers dicht -

Of ik het had.


Ik keek mijn venster uit,
Zag naar de verte uit,
Hoog naar de hemel uit -

Of het daar stond.


Ik liep naar buiten toe,
Heel naar de verte toe,
Zo naar de hemel toe -

Of ik het vond


Daar bij de wei daar zong,
Daar door de bomen zong,
Hoog in de hemel zong -

De lente een lied.


Ik zag een kindje gaan,
En nog een beestje gaan,
En nog een meiske gaan -

Dat was het niet.


'k Zocht bij de rozeboom,
Onder de pereboom,
Onder de appelboom -

Ik zag er niets.


Toen ben ik heengegaan,
Ben ik maar weggegaan,
Ben ik naar huis gegaan -

Zo zonder iets.


Ik nam mijn eigen hart,
Keek in mijn grote hart,
Diep in mijn lege hart -

Of het daar lag.


Tot de dag henen was,
totdat het avond was,
Tot het zo donker was -

Dat ik niets zag.


Toen in de schemering,
Dacht 'k in de schemering,
Dat in de schemering -

Iemand mij riep --;


Toen heb ik zacht geschreid,
Heb ik heel stil geschreid,
Heb ik zo lang geschreid -

Totdat ik sliep.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "http://nl.wikisource.org/wiki/Adama_van_Scheltema/Voorbij"
Persoonlijke instellingen