Annalen I, 31-38

Uit Wikisource

Ga naar: navigatie, zoeken
Annalen - Boek I, 31 t/m 38

31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - Noten


[bewerken] Opstand in Germania

===XXXI===

1 Ongeveer in dezelfde dagen braken er om dezelfde reden onlusten uit onder de Germaanse legioenen, hoe meer, des te gewelddadiger ze waren, en er was grote hoop dat het zou gebeuren dat Germanicus Caesar de andere zijn imperium niet zou kunnen dulden en hij het bevel gaf om met zijn gehele legioenen te zullen optrekken.
2 Twee geoefende legers waren bij de oever van de Rijn: wiens naam superior was stond onder bevel van de legaat Gaius Silius, voor het inferior droeg Aulus Caecina zorg voor. Het opperbevel was in de handen van Germanicus, die toen moet worden gevonden in beslag genomen door de census in Gallia.
3 Maar diegene die geleid werden door Silius, zagen met onzekere geest naar de voorspoed van anderen hun muiterij. Plots zijn de soldaten van het inferior leger vervallen in woede, waarvan de brandhaard ontstak in het eenentwintigste en het vijfde. En dit trok ook het eerste en zelfs het twintigste legioen mee: want, in hetzelfde zomerkamp aan de grens van de Ubii zijnd, hadden ook zij vrije tijd of lichte taken.
4 Dus de velen die uit Rome afkomstig waren – onlangs was er nog een lichting van leger in de stad geweest -, toen ze het einde van Augustus hoorden, gaven zich over aan losbandigheid, verdroegen geen taken meer. Dit vervulde de ruwe geesten van enkelen: de tijd was gekomen om de veteranen op een vruchtbaar pensioen te sturen, de jongemannen meer soldij te geven. Ze eisten allen een vermindering van taken en zouden wraak nemen op de centurio’s om hun wreedheid.
5 Er was niet zo één, zoals Percennius tussen de Pannonische legioenen, noch waren het de angstige geruchten die rekening houden met de andere sterkere legers, onder de soldaten, maar wel de vele monden en stemmen van opruiing: zij hadden de Romeinse staat in handen, door hún overwinningen werd het rijk vergroot, hún cognomen namen de bevelhebbers aan.

===XXXII===

1 Geen gezant kwam hen tegemoet: immers had waanzin de meeste standvastigheid ontnomen. Plotseling stormden ze buiten zich zelf met getrokken zwaarden op de centurio’s af: zij waren de oudste en voornaamste oorzaak van woede bij de soldaten. Ze verminkten de neergeworpenen met zwepen, telkens zestig voor elk, om het aantal van de centurio’s te evenaren; vervolgens rukten ze hen uiteen en verscheurden hen en ze wierpen de eerder ontzielde delen over de wal of in de brede en diepe Rijn.
2 Septimius, hoewel hij gevlucht zou zijn en zich voor de voeten van Caecina geworpen zou hebben, zou na zo zeer aandringen naar het leger gezonden worden. Cassius Chaerea, die zich later door de moord op Gaius Caesar bij het nageslacht gedenkwaardig maakte, toen nog jong en strijdlustig van geest, ging tussen hen instaan en baande zich met het zwaard een waag door het leger.
3 Uiteindelijk kon geen enkel onderbevelhebber, noch kampprefect het zijne behouden. De nachtwachten en wachtposten bepaalden als er andere wegen waren, hoe ze te gebruiken en te verdelen. Dit is voor wie de geesten van de soldaten kan beoordelen een belangrijk aanwijzing voor grote en onverzoenlijke onlusten, want niet de bezieling van verschillenden of weinigen, maar tezamen ontstaken, tezamen zouden doven, zo gelijkmatig en standvast dat men voor een leider zou vrezen.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "http://nl.wikisource.org/wiki/Annalen_I,_31-38"
Persoonlijke instellingen