Annales/Boek I

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
< Annales
Dit is een overzicht van de (vertaalde) paragrafen van boek I

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 11 - 12 - 13 - 16 - 31 - 32

(Met Latijnse tekst ernaast)

I[bewerken]

1. De stad Rome heeft vanaf het begin koningen (gehad); vrijheid en consulaat stelde L. Brutus in. Dictaturen zijn somtijds verleend; noch had meer dan twee jaar het gezag van tienmannen, noch voor lange tijd het consulaire recht van krijgstribunen kracht. Niet die van Cinna, noch die van Sulla (was) een lange heerschappij; en Pompeius' en Crassus' macht (was) spoedig voor Caesar, Lepidus' en Antonius' soldaten gingen op Augustus over, die voor allen de burgertwisten moe onder de naam van princeps het imperium aanvaardde. 2. Maar aan voor- en tegenspoed van het vroegere Romeinse volk is door beroemde schrijvers herinnerd; en voor het beschrijven van de tijd van Augustus ontbrak het niet aan gepaste genieën, totdat ze door voortwoekerende vleierij werden afgeschrikt. 3. Over Tiberius', Gaius' (Caligula), Claudius' en Nero's daden in hun bloeitijd uit vrees vervalst, is, nadat ze stierven, met recente haat geschreven. Daarom mijn voornemen weinig over Augustus en het einde te vertellen, vervolgens Tiberius' principaat en de rest, zonder wrok en naijver, waarvoor ik bijlange geen reden heb.

II[bewerken]

1. Sinds er, nadat Brutus en Cassius waren gedood geen leger meer was in dienst van de staat, sinds Pompeius bij Sicilië was verpletterd en er nadat Antonius na de uitschakeling van Lepidus was gedood, zelfs de Juliaanse partij geen andere leider overbleef dan Caesar legde ghij de titel van drieman af, gedroeg zich als een consul en stelde zich schijnbaar tevreden met de voorrechten van een tribuun om het gepeupel te beschermen zodra hij de soldaten, met geschenken, het volk met zijn graanpolitiek, allen door de weldaden van de vrede had gewonnen breidde hij langzaam zijn macht uit en eigende hij zich de taak van de senaat, van de magistraten en van de wetten toe, zonder tegenstand te ondervinden, daar de felste tegenstanders op de verschillende slagvelden af door proscriptie waren gevallen, en de overige van de aanzienlijken naarmate ze vlugger bereid waren zij tot onderdanigheid met geld en werden overstelpt en machtig geworden ten gevolge van de nieuwe stand van zaken, het veilige heden boven het vervaarlijkte verleden verkozen. 2. En de provincies weigerden niet de stand van zaken (en werden in verwarring) door het verdenken van de Senaat, de regering van het volk wegens de rivaliteit van de machthebbers en de hebzucht van de magistraten, de zwakke hulp van het onrecht (de wetten), die door geweld, kuiperij en later door geld in verwarring werden gebracht.

III[bewerken]

1. Verder verhief Augustus tot steun van zijn heerschappij Claudius Marcellus, de zoon van zijn zuster; een nog zeer jonge man tot het pontificaat en de curilische aediliteit M. Agrippa een man van nederige afkomst, maar een goed soldaat en deelgenoot in zijn overwinning [verhief hij] tot twee opeenvolgende consulaten. Later na de dood van Marcellus nam hij hem tot schoonzoon. Tiberius Nero en Claudius Drusus, zijn stiefzonen verrijkte hij met de titel van imperator hoewel zijn huis toen nog gaaf was. 2. Want de zonen van Agrippa, Gaius en Lucius had hij in het geslacht van de Caesars opgenomen en ofschoon zij de kindertoga nog niet hadden afgelegd met een weigering voor de vorm hartsgrondig verlangt dat zij aanvoerders van de riddercenturiën werden genoemd en als consuls werden aangewezen. 3. Tot Agrippa uit het leven was gescheiden en Lucius Caesar die op weg was naar de legers in Spanje, en Gaius die terugkeerde uit Armenië en door een wonde was verzwakt hetzij door een noodlottige vroegtijdige dood hetzij door een misdaad van hun stiefmoeder Livia uit het leven waren weggerukt en daar Drusus reeds lang overleden was, Nero, de enige van de stiefzonen was, richtte hij alles naar hem. Hij werd aangenomen als zoon, als collega in het imperium, als deelgenoot in de tribunicia potestas en aan alle legers voorgesteld, niet meer door duistere intriges van zijn moeder zoals vroeger maar op haar openlijke aansporing. 4. Want zij had de oude Augustus stevig onder controle, zelfs zozeer dat hij zijn enige overgebleven kleinzoon Agrippa Postumus naar het eiland Planasia verbande; hij was weliswaar dwaas en trots op zijn lichaamskracht maar van geen enkele schanddaad overtuigd. 5. Maar bij Hercules, Germanicus, de zoon van Drusus, stelde hij aan het hoofd van acht legioenen aan de Rijn ofschoon er in het huis van Tiberius een volwassen zoon was maar hij deed dat om op meer waarborgen te steunen. 6. In die tijd was er geen andere oorlog drukkender dan die tegen de Germanen, en die woedde in feite meer om de schande te wreken wegens het verlies van het leger onder Quintilius Varus, meer dan uit het verlangen het rijk uit te breiden of om noemenswaardige buit te behalen. Binnenlands heerste er rust. Dezelfde woorden golden voor de magistraten. De jongeren waren geboren na de overwinning bij Actium, ook de oude garde (ouderen) waren meestal een groot deel tussen de burgeroorlogen: Hoe weinigen waren er over die de tijd van de republiek nog hadden gezien?

IV[bewerken]

Dus toen de stand van zaken in de staat helemaal veranderd was, was er nergens nog een spoor van de oude en onbedorven zede: allen hadden de zin voor gelijkheid afgelegd en wachten slechts pop de bevelen van de keizer, zonder vrees voor de onmiddelijke toekomst zolang als Augustus in de bloei der jaren zichzelf en zijn huis en de vrede wist te handhaven. Maar toen hij reeds gevorderd was in jaren en zijn lichaam door ziekte werd ondermijnd en het einde nabij was en er hoop was op verandering, bespraken enkelen vruchteloos de voordelen van de vrijstaat, er waren er meer die bang werden voor een oorlog, anderen verlangden ernaar. Verreweg het merendeel bracht de meesters waarmee men bedreigd was door allerhande geruchten in opspraak. [...]

V[bewerken]

1. Terwijl men deze en dergelijke dingen besprak, verergerde de gezondheidstoestand van Augustus en sommigen vermoedden een misdaad van zijn echtgenote. [...] [Vanaf "Utcumque se ea res ..."] 3. Wat er ook van was, nauwelijks had Tiberius de grenzen van Illyricum overschreden of hij werd door een dringende brief van zijn moeder ontboden en het is niet voldoende bewezen of hij in de stad Nola Augustus nog leven of dood heeft aangetroffen. 4. Want Livia had het huis en de toegangswegen onder scherpe bewaking gesteld en af en toe werden er geruststellende gezondheidsbulletins gepubliceerd todat de maatregelen getroffen waren waartoe de omstandigheden aanzetten en hetzelfde bericht tegelijkertijd bekendmaakte dat “Augustus was heengegaan” en dat “Nero de macht in handen had”.

VI[bewerken]

1. De eerste daad van het nieuwe principaat was de moord op Postumus Agrippa, hoewel hij onwetend en ongewapend was, kon een centurio ondanks zijn vastberadenheid hem slechts met moeite afmaken. Met geen woord repte Tiberius hierover in de senaat. Hij wendde bevelen voor van zijn vader, waarbij deze de tribuun die als bewaker aan Agrippa was toegevoegd zou hebben “bevolen niet te aarzelen hem te doden eens dat hij zelf zijn laatste dag had vervuld.” 2. Ongetwijfeld had Augustus zich herhaaldelijk hevig beklaagd over het gedrag van de jongeman en ervoor gezorgd dat zijn verbanning door een senaatsbesluit werd bekrachtigd; maar nooit is hij in zijn hardvochtigheid zo ver gegaan dat hij één van de zijnen liet doden. En het was niet te geloven dat zijn kleinzoon gedood werd voor de gemoedsrust van zijn stiefzoon. Waarschijnlijk is het dat Tiberius en Livia, de eerste uit vrees, de laatste uit stiefmoederlijke haat de verdachte en gehate jongen haastig hebben laten vermoorden. Ľ[...]

VII[bewerken]

1. Maar te Rome stortten ze zich in de slavernij: de consuls, de senatoren, de ridders; hoe aanzienlijker men was des te huichelachtiger en haastiger ze ware en met gemaakte gelaatsuitdrukking om niet blij te schijnen bij het heengaan van de keizer en niet te bedroefd te zijn bij het begin van de nieuwe regering vermengden ze tranen met vreugde en klachten met vleierij. De consuls Sextus Pompeius en Setus Appuleius bezwoeren het eerste trouw aan Tiberius Caesar en in hun handen Seius Strabo en Gaius Turronius, de eerste praefectus van de praetoriaanse cohorte, de laatste de directeur van de graanvoorziening, vervolgens de senaat en het garnizoen en het volk. 3. Want Tiberius begon alles met de consuls, alsof de oude regeringsvorm nog bestond en alsof hij aarzelde te regeren. [...]

VIII[bewerken]

IX[bewerken]

X[bewerken]

XI[bewerken]

1. Daarop werden gebeden gericht aan Tiberius. En die betoogde afwisselend over de grootte van het rijk en zijn bescheidenheid: slechts de geest van de vergoddelijkte Augustus was ontvankelijk voor een zo grote inspanning; door zich, in een deel van bestuur door deze geroepen, door de ondervinding heeft geleerd hoe hard, hoe onderworpen aan het lot de last van het regeren van het geheel was. Daarom, in een staat bouwend op zoveel voortreffelijke mannen, zouden ze niet alles aan één aanbieden: meerderen zullen met gemeenschappelijke inspanningen de taken van de staat gemakkelijk verdragen. 2. In dergelijke uitspraak was het meer het indrukwekkende dan het overtuigende1; en Tiberius, zelfs in zaken dewelke hij niet geheimhield, gebruikte, hetzij uit karakter hetzij uit gewoonte, altijd aarzelende en terughoudende woorden; toen pas echt gedijend zodra hij zijn gevoelens volledig verborg, en ze in nog meer twijfel en ambiguïteit wikkelde. 3. Maar de senatoren, dewelken één vrees hadden indien ze zouden worden verdacht het te begrijpen2, barstten los in geweeklaag, tranen, geloftes; naar de goden, naar het beeld van Augustus, naar zijn knieën om de handen uit te strekken, toen heeft hij bevolen om een boekje te voorschijn te halen en voor te lezen. 4. Het staatsvermogen werd erin vermeld, hoeveel van de burgers en de bondgenoten onder de wapens, met hoevelen de vloten, de koninkrijken, de provincies, de directe of indirecte belastingen, en de noodzakelijke uitgaven en zelfs de giften waren. Augustus had geheel dit met eigen hand neergeschreven en had de raad van het binnen de perken houden van de grenzen van het rijk toegevoegd, misschien wel uit vrees of misschien omwille van afgunst.

XII[bewerken]

1 Ondertussen, zolang de senaat zich vooroverbuigde naar de laagste smeekbedes, heeft Tiberius zich juist3 verzet om niet even sterk in het geheel van de staatszaken te zijn, aldus, welk deel ook maar aan hem zou worden toegekend4, de zorg voor dit te zullen opnemen. 2 Toen Asinius Gallus zei, "Ik vraag u, Caesar, welke deel van de staatszaken u aan u wilt worden toegekend." Getroffen door de onverwachtte vraag, heeft hij een weinig gezwegen; dan, nadat hij terug moed had gevat, heeft hij geantwoord op geen enkele manier naar zijn eergevoel enige onderscheiding te kiezen of te vermijden uit dat, van wat hij in het geheel zou willen worden vrijgesteld. 3 Omgekeerd verzekert Gallus (immers had hij ook door de gelaatsuitdrukking de belediging vermoed) niet om die reden het te hebben gevraagd opdat hij zou scheiden wat niet zou kunnen gescheiden worden, maar opdat hij zijn bekentenis zou weerleggen dat de staatszaken één lichaam vormen en die daarbij door één geest gericht beheerd moet worden. Hij heeft een verheerlijking toegevoegd over Augustus en Tiberius en deze herinnerd aan zijn overwinningen, het voortreffelijke dat hij in toga door alle jaren heen zou hebben gedaan. 4 Daarom heeft hij diens woede niet kunnen milderen, sinds lang gehaat, als hij Vipsania, Marcus Agrippa's dochter, die ooit Tiberius' echtgenote was geweest, in het huwelijk leidde, verrichtte hij iets dat het burgerlijke oversteeg en hij had de eigenzinnigheid van zijn vader Asinius Pollio.

XIII[bewerken]

1 Na dit heeft Lucius Arruntius, niet veel verschillend van Gallus' uitlating, evenzo misnoegen opgewekt, hoewel er bij Tiberius geen enkele oude woede tegen Arruntius was; maar rijk, gevat, voortreffelijke manieren en dergelijke publieke faam, was hij verdacht. 2 Immers5 bij de laatste gesprekken had Augustus, toen hij zou behandelen wie, (eens) de eerste plaats verworven, ervoor is opgewassen maar ze zou afwijzen, of niet ertegen opgewassen is maar ze wil, of6 toch in staat zou zijn en het zou wensen, gezegd dat Marcus Lepidus7 geschikt was maar afsloeg, Gallus Asinius verlangend en onbeduidend, Lucius Arruntius niet onwaardig en, indien de zaak zich voordeed, het zal wagen. 3 Over de eerste is men het eens, in plaats van Arruntius wordt een zekere Gnaius Piso overgeleverd; en allen behalve Lepidus zijn spoedig daarop door Tiberius' ophopende verwijten in het nauw gebracht8. 4 Bovendien hebben Quintus Haterius en Mamercus Scaurus de achterdochtige9 geest beledigd10. Haterius toen hij gezegd zou hebben: "Hoelang aan één stuk zal u verduurd hebben, Caesar, dat er geen hoofd11 voor de staatszaken aanwezig is?" Scaurus omdat hij had gezegd hoop te hebben dat de smeekbeden van de senaat niet te vergeefs zijn omdat hij niet op basis van zijn tribunicia potestas bij de senaatsvoorstellen zou zijn tussen gekomen. Tegen Haterius is hij logischerwijs uitgevaren; Scaurus, tegen wie hij onverzoenlijk was, liet hij stilzwijgend voorbijgaan12. 5 En het geweeklaag van allen, het verwijt van enkelen beu, is hij geleidelijk van mening veranderd, hij zou niet toegeven dat het imperium door hem wordt opgenomen, maar hij zou ophouden om het te bestrijden en te worden gesmeekt. 6 Hij volhardt tegenover Haterius, terwijl hij, voor de zaak om vergeving komen vragen, het Palatium zou hebben betreden en tevens naar de knieën van de wandelende Tiberius vloog, haast door soldaten afgemaakt, aangezien Tiberius ofwel door 't lot, ofwel door de belemmerde val, voorovergevallen was. En toch is de beproeving van dergelijk persoon niet verminderd, totdat Haterius zou pleiten bij Augusta en zou door smeekbeden beschermd worden door haar zorgen.

XIV[bewerken]

XV[bewerken]

XVI[bewerken]

1 Zo was de stand van zaken in de stad, toen opruiing de geest van verzet bij de Pannonische legioenen heeft aangetast, door niet één enkel nieuwe reden, tenzij dat de verandering van princeps het verlof was voor opschuddingen en de hoop op buit bij oorlog voorhield. 2 De zomerkwartieren werden bezet door samen drie legioenen, onder landvoogd Iunius Blaesus was, die, over de dood van Augustus en de aanvang van Tiberius’ regering vernemend, wegens openbare rouw of vreugde de gebruikelijke klusjes had gestaakt. Dit is de oorzaak waarom de soldaten losbandig zijn, muiten, het oor lenen aan slechte mensen en hun praatjes, en dan ook verlangen naar weelde en nietsdoen, discipline en karweitjes versmaden. 3 In het kamp was een zekere Percennius, die lange tijd aanvoerder van applausmeesters bij het theater geweest was, daarna gewoon soldaat, scherpe tong en in staat een vergadering in beroering te brengen door wat hij opgestoken had van de lessen van de toneelspelers. Door hun onervaren en onzekere geesten over de toestand van posities na Augustus, brachten de een na de andere tot nachtelijke vergaderingen, of, door een kentering in de loop van de nacht terwijl de meest rechtschapene zich verstrooiden, verenigden juist de kwaadaardigste zich.

XVII[bewerken]

XVIII[bewerken]

XIX[bewerken]

XX[bewerken]

XXI[bewerken]

XXII[bewerken]

XXIII[bewerken]

XXIV[bewerken]

XXV[bewerken]

XXVI[bewerken]

XXVII[bewerken]

XXVIII[bewerken]

XXIX[bewerken]

XXX[bewerken]

XXXI[bewerken]

1 Ongeveer in dezelfde dagen braken er om dezelfde reden onlusten uit onder de Germaanse legioenen, hoe meer, des te gewelddadiger ze waren, en er was grote hoop dat het zou gebeuren dat Germanicus Caesar de andere zijn imperium niet zou kunnen dulden en hij het bevel gaf om met zijn gehele legioenen te zullen optrekken. 2 Twee geoefende legers waren bij de oever van de Rijn: wiens naam superior was stond onder bevel van de legaat Gaius Silius, voor het inferior droeg Aulus Caecina zorg voor. Het opperbevel was in de handen van Germanicus, die toen moet worden gevonden in beslag genomen door de census in Gallia. 3 Maar diegene die geleid werden door Silius, zagen met onzekere geest naar de voorspoed van anderen hun muiterij. Plots zijn de soldaten van het inferior leger vervallen in woede, waarvan de brandhaard ontstak in het eenentwintigste en het vijfde. En dit trok ook het eerste en zelfs het twintigste legioen mee: want, in hetzelfde zomerkamp aan de grens van de Ubii zijnd, hadden ook zij vrije tijd of lichte taken. 4 Dus de velen die uit Rome afkomstig waren – onlangs was er nog een lichting van leger in de stad geweest -, toen ze het einde van Augustus hoorden, gaven zich over aan losbandigheid, verdroegen geen taken meer. Dit vervulde de ruwe geesten van enkelen: de tijd was gekomen om de veteranen op een vruchtbaar pensioen te sturen, de jongemannen meer soldij te geven. Ze eisten allen een vermindering van taken en zouden wraak nemen op de centurio’s om hun wreedheid. 5 Er was niet zo één, zoals Percennius tussen de Pannonische legioenen, noch waren het de angstige geruchten die rekening houden met de andere sterkere legers, onder de soldaten, maar wel de vele monden en stemmen van opruiing: zij hadden de Romeinse staat in handen, door hún overwinningen werd het rijk vergroot, hún cognomen namen de bevelhebbers aan.

XXXII[bewerken]

1 Geen gezant kwam hen tegemoet: immers had waanzin de meeste standvastigheid ontnomen. Plotseling stormden ze buiten zich zelf met getrokken zwaarden op de centurio’s af: zij waren de oudste en voornaamste oorzaak van woede bij de soldaten. Ze verminkten de neergeworpenen met zwepen, telkens zestig voor elk, om het aantal van de centurio’s te evenaren; vervolgens rukten ze hen uiteen en verscheurden hen en ze wierpen de eerder ontzielde delen over de wal of in de brede en diepe Rijn. 2 Septimius, hoewel hij gevlucht zou zijn en zich voor de voeten van Caecina geworpen zou hebben, zou na zo zeer aandringen naar het leger gezonden worden. Cassius Chaerea, die zich later door de moord op Gaius Caesar bij het nageslacht gedenkwaardig maakte, toen nog jong en strijdlustig van geest, ging tussen hen instaan en baande zich met het zwaard een waag door het leger. 3 Uiteindelijk kon geen enkel onderbevelhebber, noch kampprefect het zijne behouden. De nachtwachten en wachtposten bepaalden als er andere wegen waren, hoe ze te gebruiken en te verdelen. Dit is voor wie de geesten van de soldaten kan beoordelen een belangrijk aanwijzing voor grote en onverzoenlijke onlusten, want niet de bezieling van verschillenden of weinigen, maar tezamen ontstaken, tezamen zouden doven, zo gelijkmatig en standvast dat men voor een leider zou vrezen.

Verantwoording vertaling[bewerken]

Kritische editie: Tacitus, Annales: I-III, ed. trad. P. Wuilleumier corr. J. Hellegouar'ch (Collection des Universités de France), Parijs, 19903.

Noot 1: A.J. Woodman, Tacitus Reviewed, Oxford, 1998, p. 47. (zie dīgnitās (8) en fidēs1 (1) in Woordenboek Latijn/Nederlands).
Noot 2: A.J. Woodman, Tacitus Reviewed, Oxford, 1998, p. 48.
Noot 3: fortĕ kan zowel bij toeval, toevallig, als juist, soms betekenen. Door A.J. Woodman (Tacitus Reviewed, Oxford, 1998) wordt er gekozen voor bij toeval, toevallig, omdat het de verandering in Tiberius' houding weergeeft. Deze stelling gaat er van uit dat Tiberius oorspronkelijk van plan was te abdiceren, maar nu een compromisvoorstel doet. Hierbij is juist de beste Nederlandse vertaling voor deze term.
Noot 4: Cf. Cassius Dio, LVII 2.4 (zie ook P. Schrömbges, Zu den angeblichen Reichsteilungsplänen des Tiberius (Dio 57, 2, 4 F.), in Rheinischen Museum 135 (1992), pp. 298 - 307.).
Noot 5: quippe (1) is vaak ironisch gebruikt (zie Woordenboek Latijn/Nederlands; zie ook E. O'Gorman, Irony and misreading in the Annals of Tacitus, Cambridge, 2000.).
Noot 6: Zie ivm. de keuze voor aut...,vel... ipv. aut...,aut... Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, pp. 185 - 187.
Noot 7: Ivm. de keuze voor Marcus (M.) ipv. de wijziging in Manius (M'.) zie Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, p. 187.
Noot 8: Zie voor de discussie over Tac., Ann. I 13. 2 - 3. Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, pp. 181 - 184; Tiberius' aandeel in deze aanklachten wordt echter door Tacitus geminimaliseerd in het vervolg (o.a. voor Lucius Arruntius: Tac., Ann. VI 47.) (zie ook Tacitus, Historiae : IV-V, ed. trad. C.H. Moore; Annales: I-III, ed. trad. J. Jackson (The Loeb Classical Library), Londen, 1931 (= 1998), p. 269, n. 1.)
Noot 9: suspicacem is een zeer zeldzaam woord, dat echter bij Tacitus het alledaagse suspiciosus vervangt dat we nergens in zijn werken vinden (zie Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, p. 188.).
Noot 10: Inf. Perf. act. poëtische 3de pers. mv. van perstingere ([1]), hier in een andere betekenis dan bij Cicero.
Noot 11: Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, p. 188.
Noot 12: Dwz. hij berispte Mamercus Scaurus niet, omdat hij het de moeite niet vond om hem van repliek te dienen (zie ook Tacitus, Annales: I-VI, comm. F.R.D. Goodyear, Cambridge, 1972, pp. 188 – 189.).
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "http://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Annales/Boek_I&oldid=34818"