Commentarii de bello Gallico/Boek I

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
< Nederlandse vertaling van Commentarii de bello Gallico
Voor het ogenblik wordt aan deze vertaling gewerkt op de overlegpagina, kom gerust meehelpen!

Boek I[bewerken]

Dit is een overzicht van de paragrafen van boek I

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51 - 52 - 53 - 54

I[bewerken]

1. Gallia is in het geheel verdeeld in drie delen. In één daarvan wonen de Belgae, de Aquitani in een ander, diegenen die in hun eigen taal Celtae, in de onze Galli genoemd worden, in het derde degenen die in hun eigen taal Kelten, in de onze Galliers heten.
2. Die verschillen allemaal onder elkaar in taal, instellingen, wetten. De rivier de Garunna scheidt de Galliërs van de Aquitaniërs, de Matrona en de Sequana (scheiden hen) van de Belgen.
3. Van hen allemaal zijn de Belgen de dappersten, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en de beschaving van de provincia, omdat er slechts zeer zelden kooplui tot bij hen reizen en die dingen invoeren, die bijdragen tot het verwekelijken van de geesten, en ze vlakbij de Germanen, die over de Rijn wonen, met wie ze voortdurend oorlog voeren, wonen.
4. Ook de Helvetiërs overtreffen de andere Galliërs in moed, omdat ze bijna dagelijks strijd voeren met de Germanen door ofwel hun eigen grondgebied te beschermen, of door oorlog te voeren in het grondgebied van de Germanen.

II[bewerken]

1. Bij de Helvetiërs was Orgetorix verreweg de aanzienlijkste en rijkste. Hij organiseerde toen M. Messala en M. Piso consul waren, gedreven door begeerte naar koningschap, een samenzwering van de adel en hij haalde zijn stam over om weg te gaan uit hun gebied met al hun troepen. 2. Hij zei dat het heel gemakkelijk was, omdat ze allen in moed overtroffen, zich meester te maken van het gezag over heel Gallië. 3. Hij haalde ze des te gemakkelijker hiertoe over, omdat de Helvetiërs overal worden ingeperkt/omgeven door de natuur van die plaats, aan 1 kant door de zeer brede en heel diepe rivier de Rijn, die het land van de Helvetiërs scheidt van de Germanen, aan de andere kant door het zeer hoge Iura gebergte, dat tussen de Sequanen en de Helvetiërs ligt, aan de 3e kant door het meer van Geneve en de rivier de Rhône, die onze provincie van de Helvetiërs scheidt. 4. Door deze zaken gebeurde het, dat zij en minder breeduit konden zwerven en minder gemakkelijk hun buren de oorlog konden aandoen; en in dit opzicht werden de mannen, begerig om oorlog te voeren, door groot verdriet bevangen. 5. Gezien immers, de menigte van mensen en gezien hun roem van oorlog en gezien de roem van hun dapperheid, meenden zij dat ze een te nauw gebied hadden, dat in de lengte over 211 mijl en in de breedte 180 mijl uitstrekte.

III[bewerken]

Geleid tot deze zaken en door het gezag van Orgetorix

IV[bewerken]

Door deze zaak zijn de Helvetiërs verdreven door een brand.

V[bewerken]

VI[bewerken]

In geheel Gallië zijn er van die mensen die van enige betekenis zijn en met enig aanzien, twee groepen. Want het gewone volk wordt bijna als slaven behandeld, dat niets zelfstandig durft, bij geen enkel besluit wordt betrokken. De meesten, wanneer ze of door schuld of door de omvang van de belastingen of door onrechtvaardig optreden van de machtigeren in het nauw worden begracht, bieden zich als slaaf aan. Voor de edelen zijn er alle dezelfde rechten, die er voor meesters zijn ten opzichte van slaven. Maar van deze twee groepen is de ene groep der Druïden, de andere groep der ridders. De eerstgenoemden houden zich bezig met godsdienstige aangelegenheden, dragen zorg voor openbare en privé-offers, behandelen godsdienstige vraagstukken. Een grote groep jongelui komt bij hen omwille van onderricht, en zij zijn bij hen van hoog aanzien. Want zij stellen dingen vast over bijna alle openbare en privégeschillen, en als er een of andere misdaad begaan is, als er een moord is gepleegd, als er onenigheid is over een erfenis, over grenzen, beslissen dezelfden, stellen schadevergoedingen en straffen vast. Als ofwel een of andere privé-persoon of een stam niet bij hun beslissing blijft, sluiten zij die uit van offers. Deze straf is bij hen de zwaarste. Voor wie het zo verboden is aan offers deel te nemen, die worden als goddelozen en misdadigers beschouwd, allen gaan hen uit de weg, vermijden een benadering van hen en een gesprek, opdat zij niet door besmetting een of ander ongeluk krijgen, noch wordt aan hen, als zij daarom vragen, recht verleend, noch enige eer betoond.


Eén staat aan het hoofd van al deze Druïden, die onder hen het hoogste gezag heeft. Als deze overleden is, volgt ofwel als er iemand onder de anderen uitblinkt in aanzien, deze op of, als er meerdere gelijken zijn, wordt hij gekozen door een stemming van de druïden; soms strijden zij zelfs met wapens om het leiderschap. Deze houden op een bepaalde tijd van het jaar zitting op een heilige plaats in het gebied van de Carnuten, welke streek beschouwd wordt als het midden van geheel Gallië. Hierheen komen overal vandaan allen samen die onenigheden hebben en gehoorzamen hun besluiten en vonissen.


Men neemt aan dat de leer in Brittanië is uitgevonden en vandaar naar Gallië is overgebracht, en nu vertrekken diegenen die die zaak nauwkeuriger willen leren kennen, meestal daar heen, om die te leren kennen. De druïden zijn gewoon zich verre te houden van de oorlog en ook betalen ze geen belastingen samen met de andere. Ze hebben vrijstelling van militaire dienst en vrijdom van allerlei zaken aangelokt door zulke grote voorrechten komen en vele uit eigen beweging in de leer bij hen en worden door hun ouders en verwanten gezonden. Er wordt van hen gezegd dat ze daar een groot aantal verzen uit het hoofd leren en daarom blijven sommige ieder twintig jaar bij hen in de leer. En zij denken dat het niet geoorloofd is om die dingen aan het schrift toe te vertrouwen. Hoewel ze meestal bij de overige zaken, namelijk publieke en particuliere aangelegenheden, Griekse letters gebruiken. Ze lijken me dat ze dit om twee redenen hebben ingesteld omdat ze niet wilden dat het onder het gewone volk werd verspreid en ook niet dat diegenen die in de leer zijn omdat ze als ze vertrouwen op het schrift zich minder toeleggen op het geheugen. Iets wat in de regel de meesten overkomt, namelijk dat ze door de hulp van het schrift hun nauwkeurigheid van buiten leren en hun geheugen laten verslappen.


In de eerste plaats willen ze (de mensen) hiervan overtuigen dat de zielen niet sterven, maar na de dood van de een op de ander overgaan, en ze menen dat de mensen hierdoor vooral worden aangezet tot moed, omdat de angstvoor de dood is verwaarloosd/geminacht. veel bovendien over de sterren en hun bewegingen, over de grootte van het heelal en landen, over de natuur, over de kracht en de macht van de onsterfelijke goden discussiëren ze en geven ze door aan de jeugd.


De andere is de groep van de ridders. Deze houden zich – wanneer er behoefte aan is een zich één of andere oorlog voor doet – wat voor de komst van Caesar bijna jaarlijks gewoon was te gebeuren namelijk dat ze ofwel zelf onrecht plegen ofwel het aangedane omrecht afweerden – alleen bezig met de oorlog en al naar gelang iemand van hen zeer aanzienlijk is in afkomst en in middelen in die mate heeft hij heeft hij zeer veel horigen en cliënten om zich heen, dit kennen ze als enige aanzien en macht.


Het hele volk van Gallie is zeer godsdienstig. En vanwege deze reden, offeren zij die door vrij ernistige ziektes zijn aangetast en zij die in gevechten en gevaren verkeren in plaats van offerdieren mensen of zij beloven dat zij zullen offeren. En als helpers daarvan gebruikte ze de druiden omdat ze menen dat als voor een mensenlven geen mensenleven wordt gegeven de macht van de onstrevelijke goden niet gunstig gestemd kan worden en van staatswege hebben zij offers ingesteld van dezelfde soort. Sommige hebben beelden met een reusachtige omvang, waarvan ze de ledematen uit takken gevlochten, vullen met mensen. Nadat deze (de beelden) zijn aangestoken streven de mensen omgeven door vlammen. Zij menen dat de terechtstellingen van hen, die bij diefstal of roverij of bij een ander vergrijp zijn betrapt, aangenamer zijn voor de onsterfelijke goden. Maar wanneer een voorraad van dit soort ontbreekt, dan nemen zij zelfs hun toevlucht tot de terechtstellingen van onschuldige mensen.


Van de goden vereren ze vooral Mercurius. Van hem hebben ze de meeste beelden; ze zien hem als de uitvinder van alle kunsten, als de wegwijzer en begeleider van reizigers, en geloven dat hij de meeste macht heft als het gaat om winst en handel. Na hem komen Apollo, Mars, Jupiter en Minerva. Over hen denken ze ongeveer hetzelfde als andere volken: dat Apollo ziekten verdrijft, Minerva de beginselen van ambachten en handwerk overdraagt, Jupiter de macht in de hemel bezit en Mars de oorlog beheerst. Wanneer ze besluiten tot een beslissende dag, zeggen ze aan deze god meestal de oorlogsbuit toe; als ze dan gewonnen hebben, offeren ze de veroverde dieren en brengen ze de voorwerpen op één plek samen. Bij veel stammen zijn er hopen van dit soort spullen te zien op gewijde plaatsen. Het gebeurt niet vaak dat iemand zich niets aantrekt van de godsdienst en het waagt om zijn buit achter te houden of iets weg te nemen van wat er is neergelegd. Hierop staat een gruwelijke vorm van marteldood. De Galliërs noemen zich allemaal nakomelingen van Dis Pater en zeggen dat dit door hun druïden zo is overgeleverd. Om die reden meten ze de tijd niet naar het aantal dagen, maar naar het aantal nachten. Voor verjaardagen en het begin van de maand of het jaar houden ze het volgende aan: eerst komt de nacht en dan de dag. Verder verschillen ze in hun leefgewoonten vooral in één ding van anderen: ze staan hun kinderen niet toe om buitenshuis in hun buurt te koen, voordat ze oud genoeg zijn voor militaire zaken. Als een nog jonge zoon ergens in het openbaar gaat staan in het zicht van zijn vader, wordt dat beschouwde als een schande.


Zo veel vermogen mannen van hun vrouwen ontvangen als bruidsschat, zoveel vroegen ze bij na de taxatie toe aan de bruidschat. Van als dit vermogen wordt gemeenschappelijk beheerd en de opbrengst wordt behouden; wie van hen beiden overleeft, aan diegene komt het del van beide met de opbrengst toe van vroegere tijden. Mannen hebben ten opzichte van hun vrouwen en ten opzichte van hun kinderen, macht over leven en dood, en wanneer een vader van de familie die van vrij aanzienlijke afkomst is overleden, dan komen zijn verwanten bijeen, en als de zaak betreffende de dood in verdenking komt dan verhoren zij de echtgenote op de wijze van slaven, en als het ontdekt is, doden ze haar na ze met vuur en allerlei andere martelingen gemarteld hebben. Begrafenissen zijn in de verhouding tot de levenswijzen va de Galliërs prachtig en kostbaar. En alles waarvan zij denken dat het de levenden aan het hart ging brengen ze in het vuur, ook dieren, en kortgeleden werden slaven en cliënten van wie vast stond dat ze door hen bemind werden, samen met hen mee verbrand nadat de normale begrafenis was afgelopen.

VII[bewerken]

VIII[bewerken]

IX[bewerken]

X[bewerken]