Commentarii de bello Gallico/Boek VI
| < Nederlandse vertaling van Commentarii de bello Gallico |
- Voor het ogenblik wordt aan deze vertaling gewerkt op de overlegpagina, kom gerust meehelpen!
[bewerken] Boek VI
| Paragrafen in Boek VI:
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 |
[bewerken] I
In den volgende winter - het was het consulaatsjaar van Gnaeus Pompejus en Marcus Crassus - gingen de Usipeten en de Teukteren, Germaansche stammen, in groote menigte over den Rijn, niet ver van zijn uitmonding in zee. De oorzaak daarvan was, dat zij, verscheiden jaren door de Sueben verontrust, van den oorlog te lijden hadden en in den rustigen akkerbouw werden verhinderd. De Sueben zijn verreweg de grootste en krijgshaftigste natie van alle Germanen. Men zegt, dat zij honderd gauwen hebben, waaruit zij telken jare duizend gewapenden over de grenzen zenden, om krijgstochten te ondernemen. De anderen, die thuis blijven, zorgen voor het onderhoud van zich en van hen, die zijn uitgetrokken. Het jaar daarop trekken wederom op hun beurt de achtergeblevenen uit en blijven de anderen thuis. Zoo verwaarloozen zij noch den landbouw, noch de kennis en de oefening van den oorlog. Eigen privaatgrondbezit bestaat bij hen niet; ook mag men niet langer dan een jaar op dezelfde plaats blijven wonen. Zij leven ook niet zoozeer van graan, maar grootendeels van de melk en het vleesch van hun vee; bovendien houden zij zich veel met de jacht bezig. Deze levenswijze staalt, zoowel door de soort van het voedsel als door de dagelijksche lichaamsoefeningen en de ongebonden vrijheid - want van kindsbeen af zijn zij aan plicht noch tucht gewend en doen zij volstrekt niets tegen hun zin - hun krachten en geeft hun deze reusachtige gestalte. En daarbij hebben zij zich gewend, zelfs in de koudste streken in de rivieren te baden en geen andere kleeding te dragen dan een dierenhuid, die wegens haar kortheid het lichaam toch grootendeels onbedekt laat.
[bewerken] II
Voor kooplieden staat hun land open, meer om den oorlogsbuit aan hen te verkoopen, dan om eenig artikel van invoer te bekomen. Ja zelfs vreemde paarden, die de Galliërs zoo gaarne hebben en die zij zich met groote kosten aanschaffen, gebruiken de Germanen niet, maar zij vergenoegen zich hun eigen inheemsche paarden, die, schoon slecht gebouwd en onaanzienlijk, door dagelijksche oefening in staat zijn het zwaarste werk te verrichten. Bij de ruitergevechten springen zij dikwijls van hun paarden en vechten te voet ; hun paarden hebben zij afgericht om dan op dezelfde plaats te blijven staan, waarheen de ruiters zich, als de nood dringt, weer ijlings terugbegeven. In hun oogen geldt niets voor schandelijker en weekelijker dan het gebruik van het zadel. Vandaar dat zij 't wagen, hoe weinigen in getal ook, de talrijkste schaar van ruiters op gezadelde paarden aan te vallen. De invoer van wijn is bij hen volstrekt verboden; want zij meenen, dat de menschen daardoor de kracht verliezen om vermoeienissen te verdragen en verwijfd worden.
[bewerken] III
Zij beschouwen het als den grootsten roem voor den staat, wanneer in den wijdsten omtrek van hun grenzen de akkers woest liggen; want dit bewijst, dat vele staten hun macht niet hebben kunnen weerstaan. Aan den eenen kant van het gebied der Sueben zal daar een streek van ongeveer 600 mijlen woest liggen. Aan den anderen kant zijn de Ubiërs hun naburen, wier staat eenmaal, naar Germaansche begrippen, groot en bloeiend was. Dit volk is wat beschaafder dan zijn overige stamgenooten, omdat het onmiddellijk aan den Rijn woont, een druk verkeer heeft met buitenlandsche kooplieden en wegens zijn nabuurschap Gallische zeden heeft aangenomen. Met hen hebben de Sueben vele oorlogen gevoerd en ofschoon zij hen wegens de grootte en de beteekenis van hun rijk niet uit het land hadden kunnen verdrijven, hebben zij hen toch schatplichtig gemaakt en zeer vernederd en verzwakt.
[bewerken] IV
In denzelfden toestand verkeerden de bovengenoemde Usipeten en Teukteren. Na een reeks van jaren den Sueben tegenstand te hebben geboden, waren zij echter ten laatste uit hun land verdreven en, na een rondzwerven van drie jaar hier en daar in Germanië, eindelijk aan den Rijn gekomen. Daar woonden de Menapiërs, die aan beide oevers land, hoeven en dorpen hadden. Verschrikt door de aankomst van zulk een groote menigte, verlieten de Menapiërs hun hoeven op den rechteroever, plaatsten wachtposten op den linkeroever en beletten de Germanen den overgang. Dezen beproefden al het mogelijke, om over de rivier te komen, maar uit gebrek aan schepen konden zij geen geweld aanwenden en evenmin, wegens de waakzaamheid der Menapiërs, onbemerkt overgaan. Derhalve deden zij, alsof zij naar hun vaderland terugkeerden, en marcheerden drie dagmarschen; dan keerden zij echter om, legden dezen heelen weg met hun ruiterij in één nacht af en overvielen onvermoed en onvoorziens de Menapiërs, die, op het bericht hunner verspieders, dat de Germanen waren afgetrokken, zorgeloos over den Rijn naar hun dorpen waren teruggekeerd. Dezen werden nedergehouwen, en, na bemachtiging van hun schepen, staken de vijanden de rivier over, eer de Menapiërs aan deze zijde van den Rijn daar iets van wisten. Zij maakten zich nu ook meester van al hun hoeven en leefden de rest van den winter van den voorraad der overvallen vijanden.
[bewerken] V
[bewerken] VI
[bewerken] VII
[bewerken] VIII
[bewerken] IX
[bewerken] X
[bewerken] XI
1. Hier op deze plaats aangekomen, lijkt het niet ongepast te zijn over de zeden van de Galliërs en van de Germanen en over het onderscheid tussen beide naties een en ander uiteen te zetten. 2. ...
[bewerken] XII
[bewerken] XIII
1. In heel Gallië zijn er twee soorten van mensen, die van enige tel zijn, en die enige eer hebben. Want het plebs, dat niets durft op eigen initiatief, wordt bijna behandeld als slaven, en het wordt bij geen enkele beraadslaging toegelaten. 2. De meesten bieden zich als slaaf aan, wanneer ze óf door schulden, óf door de grootte van de belastingen, óf door het onrecht van de machtigen verdrukt worden. De edelen hebben dezelfde rechten ten opzichte van hen, als meesters ten opzichte van slaven. 3. Maar van deze twee soorten is de één die van de druïden, de ander die van de ridders.
4. De eersten nemen deel aan de godsdienst, ze zorgen voor de de openbare en persoonlijke offers en ze verklaren de godsdienst. Bij hen komt een groot aantal jonge mannen samen omwille van de leer, en bij hen hebben zij (de druïden) grote eer. 5. Want zij beslissen over bijna alle openbare en persoonlijke geschillen, en als er een misdaad is begaan, als er een moord is gepleegd, als er over een erfenis of over grenzen ruzie is, beslissen zij zelf over die dingen, en bepalen zij de beloningen en straffen; 6. als één of andere burger of volk, zich niet onderwerpt aan het besluit van de druïdes, verbieden zij hen het het bijwonen van offers. Deze straf is bij hen immers de zwaarste. 7. Zij, aan wie dit zo verboden is, worden gerekend tot de goddelozen en de misdadigers, iedereen ontwijkt hen, iedereen ontvlucht een ontmoeting of een gesprek met hen, opdat ze niets van nadeel zouden opdoen uit het contact, noch wordt hen het recht teruggegeven als zij erom vragen, noch wordt hen ook maar enige ereambt toebedeeld.
8. Één, die het hoogste gezag onder hen heeft, staat aan het hoofd van alle druïden. 9. Als, bij zijn dood, iemand uit de overigen in waardigheid erboven uitsteekt, dan volgt deze hem op, of als er meerdere gelijken zijn, wordt hij door een stemming van de druïden gekozen. Af en toe strijden ze ook met wapens om het leiderschap. 10. Zij komen op een zeker moment van het jaar samen in het grondgebied van de Carnuten, de streek die beschouwd wordt als het midden van heel Gallië, op een heilige plaats. Iedereen die ruzie heeft komt van overal hierheen, en iedereen gehoorzaamt aan hun besluiten en aan hun oordelen. 11. Men meent dat de leer is uitgevonden in Brittannië en vervolgens naar Gallië is overgebracht, 12. en zij, die de leer nauwkeuriger willen leren kennen, vertrekken meestal daarheen om te studeren.
[bewerken] XIV
1. De druïden nemen veelal geen deel aan de oorlog en betalen niet mee in de belastingen; ze hebben vrijstelling van militaire dienstplicht en genieten allerlei voorrechten. 2. Door dit alles aangelokt, komen velen uit eigen beweging bij hen om hun lessen te volgen en er worden ook velen door ouders of familieleden naar hen toe gestuurd. 3. Men zegt dat ze daar een groot aantal verzen uit het hoofd moeten leren. Daarom duurt de opleiding voor sommigen wel twintig jaar. 4. Zij menen dat het tegen de wil der goden is om deze materie schriftelijk vast te leggen, terwijl ze toch meestal in alle andere gevallen, zoals bij aangelegenheden van het volk en van de burgers, het Griekse schrift te gebruiken. Dit schijnen ze voor mij om twee redenen ingesteld te hebben, namelijk omdat zij niet willen dat de leer bij het gewone volk verspreid wordt, en dat zij, die leren, zich minder ijverig toeleggen op het geheugen, vertrouwend op het schrift, wat bijna bij de meesten gebeurt, namelijk dat door de hulp van het schrift de nauwgezetheid bij het van buiten leren en hun geheugen laten verzwakken.
5. In de eerste plaats willen ze hiervan overtuigen, namelijk dat de zielen niet sterven, maar van de ene naar de andere overgaan na de dood, en zij menen dat ze hierdoor het meest aangevuurd worden tot moed, omdat ze de angst voor de dood hebben genegeerd. 6. Bovendien discussiëren ze veel over de sterren en hun beweging, de grootte van het heelal en de aarde, over de natuur, over de kracht en de macht van de onsterfelijke goden, en ze geven dit door aan de jeugd.
[bewerken] XV
1. De andere stand is die van de ruiters ("ridders"). Wanneer het nodig is en wanneer een oorlog uitbreekt - omdat dat vóór de aankomst van Caesar bijna jaarlijks gewoon was te gebeuren, dat ze ofwel zelf onrecht aandeden, ofwel het aangedane onrecht afweerden - zijn ze allemaal bezig met oorlog, 2. en hoe aanzienlijker ieder van hen is wat betreft geslacht en rijkdom, des te meer horigen en cliënten hij heeft. Dit kennen zij als enige eer en macht.
[bewerken] XVI
De volksstam van Gallie in zijn geheel is in hoge mate begaan met religieuze praktijken en om die reden offeren zij, die getroffen zijn door een nogal zware ziekte en zij die in veldslagen en gevaar verkeren, ofwel mensen in plaats van offerdieren, ofwel beloven ze deze te zullen offeren, en als tussenpersoon voor die offers gebruiken ze druiden. Omdat zij menen dat ze de goddelijke wil van de onsterfelijke goden niet kunnen bedaren tenzij er voor een mensenleven een ander mensenleven word gegeven, zij hebben dergelijke offers van staatswegen ingesteld. Sommigen stammen hebben reusachtig grote beelden waarvan zij de met twijgen gevlochten ledematen vullen met levende mensen. Nadat dit in brandgestoken is komen de mensen om omringt door vlammen. Zij menen dat de terechtstelling van hen die betrapt zijn bij een diefstal, misdaad of ander vergrijp aangenamer zijn voor de onsterfelijke goden. Maar wanneer de voorraad aan dat soort mensen uitgeput is, gaan zij zelfs over op het terechtstellen van onschuldigen.
[bewerken] XVII
Van al de goden vereren ze Mercurius het meest; want van hem zijn er zeer veel beelden, ze menen dat hij de uitvinder is van alle vaardigheden, de gids is op alle wegen en reizen en dat hij veel macht heeft over de handel en de winst. Na hem vereren ze Apollo, Mars, Jupiter en Minerva. Over hen hebben ze ongeveer dezelfde voorstelling als de overige volkeren. Apollo verdrijft de ziekten, Minerva levert de beginselen van werk en ambacht, Jupiter voert het bevel over de hemelbewoners en Mars heerst over de oorlogen. Wanneer ze beslist hebben een veldslag te leveren, beloven ze aan Mars meestal de oorlogsbuit; als ze overwinnen offeren ze de gevangen levende wezens en brengen ze de rest samen op een plaats. Bij vele volkeren kan men opgehoopte stapels van dergelijke zaken op heilige plaatsen zien. Het gebeurt bijna nooit dat iemand zijn religieus gevoel negeert en ofwel de buit durft te verbergen ofwel iets durft weg te nemen van de stapels; hierop staat voor hen immers als zeer zware straf de foltering.
[bewerken] XVIII
De Galliers verkondigen dat ze afstammen van dis pater (pluto). Dit is zo doorverteld door de druiden. Om die reden bepalen ze alle tijdsintervallen niet volgens het aantal dagen, maar volgens het aantal nachten. Ze beschouwen de verjaardagen, maanden en jaren zo, dat de dag ondervolgt op de nacht. In andere gewoontes verschillen ze vooral hierin : ze kunnen niet dulden dat hun kinderen in het openbaar bij hun vader gaat, ze vinden het een schande dat een jongen van kinderleeftijd in het publiek in het zicht van zijn vader gaat staan tenzij ze volwassen zijn of tenzij ze hun legersambt vervullen.
[bewerken] XIX
1. De mannen voegen zoveel geld uit hun eigen buit toe aan de bruidsschat als ze gekregen hebben van hun echtgenoten in de naam van een bruidsschat, nadat een schatting gemaakt is. 2. Het beheer van al dit geld werd gemeenschappelijk gehouden en de opbrengst werd bewaard. Wie van hen het langst in leven blijft, aan hen komt het deel van ieder van beide toe samen samen met de opbrengst van vorige tijden. 3. De mannen hebben over hun vrouwen zoals over hun kinderen de macht over leven en dood; en wanneer de familievader, die geboren is op een redelijk aanzienlijke plaats, gestorven is ,komen de verwanten samen en indien er over zijn dood iets verdachts zou zijn ,dan houden ze een ondervraging bij de vrouwen op de wijze als de slaven. Blijkt het vermoeden gegrond, dan worden zij verbrand, of onder allerlei martelingen ter dood gebracht. 4. De begrafenissen zijn in verhouding tot de leefwijze van de Galliërs prachtig en kostbaar. Alles, wat de doden bij hun leven dierbaar is geweest, wordt in het vuur geworpen, zelfs dieren. En nog voor korten tijd werden slaven en cliënten, die de gestorvene lief had, na afloop van de gebruikelijke begrafenis, mee verbrand.
[bewerken] XX
[bewerken] XXI
De germanen verschillen veel van deze levenswijze. Want zij hebben geen Druiden om de leiding over goddelijke zaken te hebben, en zij leggen zich niet toe op offers. Zij beschouwen alleen diegenen als goden, die zij zien en door wier macht zij ook duidelijk geholpen worden, namenlijk de Zon, Vulcanus en de Maan. Van de overigen hebben zij zelfs niet van horen zegggen gehoord. Hun gehele leven bestaat uit jachtpartijen en uit belanstelling voor militaire bezigheden; van jongs af aan leggen zij zich toe op werk en hardheid. Degenen die het langst ongehuwd zijn gebleven oogsten de hoogste lof, temidden van de hunnen. sommigen denken dat de lichaamsbouw hierdoor bevorderd wordt, anderen dat hun krachten spieren versterkt worden. Inderdaad beschouwen zij dit als zeer schandelijke daden om seksuele omgang met vrouwen te hebben gehad voor het twintigste levensjaar. Op dit gebied is er geen geheimzinnigheid, omdat zij zich en gemengd in rivieren wassen en huiden of kleine bedekkingen van pelzen gebruiken, terwijl een groot deel van hun lichamen naakt is.
[bewerken] XXII
Op landbouw leggen zij zich niet toe; hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit melk, kaas en vlees. Niemand heeft een bepaalde hoeveelheid land of eigendommen; maar de overheden en vorsten wijzen telken jaren aan de geslachten en bloedverwantschappen en aan hen, die zich tot dat doel verenigden, zooveel land, met aanduiding van de plaats, aan, als zij goedvinden, en laten hen dan het jaar daarop ergens anders heengaan. Voor deze manier van doen geven zij vele redenen aan: door voorliefde voor blijvende woonplaatsen zou de krijgshaftige zin ondergaan in den lust tot den akkerbouw; men zou er naar streven, uitgestrekte goederen te verkrijgen; de rijken zouden de armen uit hun bezittingen verdrijven; men zou bij de inrichting der huizen te nauwkeurig er op letten, zich tegen koude en hitte te beschermen; er zou hebzucht, de gewone bron van partijen en twisten, ontstaan; eindelijk, het is het beste middel, den gemeenten man tevreden te houden, als hij ziet, dat de machtigste niet meer heeft dan hij.
[bewerken] XXIII
[bewerken] XXIV
[bewerken] XXV
[bewerken] XXVI
[bewerken] XXVII
[bewerken] XXVIII
[bewerken] XXIX
[bewerken] XXX
[bewerken] XXXI
1. Of Ambiorix met opzet zijn troepen niet samengetrokken had, omdat hij een beslissende slag niet voor geraden hield, dan of hij door gebrek aan tijd of door de plotselinge aankomst van onze ruiterij daarin verhinderd was, in het geloof, dat het hoofdleger haar op de voet volgde, is twijfelachtig. 2. Maar zeker weet men, dat hij naar alle kanten boden zond, met het bevel, dat ieder voor zichzelf zou zorgen, zo goed hij kon. Zij vluchtten alzo deels naar het Ardennerwoud, deels naar de uitgebreide moerasstreken. 3. De kustbewoners verscholen zich op de eilanden, die de vloed daar bestendig vormt. 4. Velen verlieten hun vaderland en zochten met al hun have bij geheel vreemde volken bescherming. 5. Catuvolcus, de koning van de andere helft van de Eburonen, die in vereniging met Ambiorix de plannen gesmeed had, kon wegens zijn hoge ouderdom de vermoeienissen van de oorlog of van de vlucht niet uithouden; hij verwenste en vervloekte daarom Ambiorix als de eigenlijke bewerker van de beweging, en benam zich het leven door het sap van de taxusboom, die in Gallië en Germanië veelvuldig voorkomt.