Commentarii de bello Gallico/Boek VII

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
< Nederlandse vertaling van Commentarii de bello Gallico
Voor het ogenblik wordt aan deze vertaling gewerkt op de overlegpagina, kom gerust meehelpen!

Boek VII[bewerken]

Paragrafen in Boek VII:

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51 - 52 - 53 - 54 - 55 - 56 - 57 - 58 - 59 - 60 - 61 - 62 - 63 - 64 - 65 - 66 - 67 - 68 - 69 - 70 - 71 - 72 - 73 - 74 - 75 - 76 - 77 - 78 - 79 - 80 - 81 - 82 - 83 - 84 - 85 - 86 - 87 - 88 - 89 - 90

I[bewerken]

1. Wanneer Gallië rustig is, vertrekt Caesar, zoals hij had vastgesteld, naar Italië voor het houden van bijeenkomsten. Daar leert hij kennen over de moord op Publius Clodius en op de hoogte gesteld van het senaatsbesluit dat alle weerbare mannen van Italië samen de krijgseed moesten afleggen, begon hij een lichting te houden in de gehele provincie. 2. Die zaken worden snel overgebracht naar Gallia Transalpina. En de Galliërs zelf voegen toe en fantaseren bij de geruchten, dat hetgeen de zaak scheen te eisen, dat Caesar werd tegengehouden door de beweging van de stad, en niet dat hij kon komen in zo grote meningsverschillen bij het leger.

3. Gedreven door deze gelegenheid beginnen zij die al eerder betreurden dat zij onderworpen waren aan het gezag van het Romeinse volk vrijer en brutaler plannen te beramen over oorlog. 4. Nadat er vergaderingen waren afgesproken onderling klagen leiders van Gallië op beboste en afgelegen plaatsen over de dood van Acco; 5. ze laten zien dat dit lotgeval op hen zelf kan terugvallen; ze spreken somber over het gemeenschappelijke lot van Gallië met alle mogelijke beloften en beloningen vragen ze dringend om mensen die een begin maken met de oorlog en die met gevaar van hun eigen hoofd Gallië opeisen voor de vrijheid. 6. Ze zeggen dat er allereerst een logisch plan opgevat moet worden voordat hun geheime plannen naar buiten worden gebracht om Caesar van zijn leger af te sluiten. Dat dit gemakkelijk is, 7. omdat de legioenen het niet aandurven om bij afwezigheid van de opperbevelhebber (ablabs) uit het winterkwartier te gaan en ook de bevelhebber niet zonder bescherming bij zijn legioenen kan komen. 8. Dat het tenslotte beter is in de slaglinie gedood te worden dan om niet de oude oorlogsroem en de vrijheid die ze van hun voorouders gekregen hebben te herwinnen.

II[bewerken]

1. Nadat deze zaken behandeld waren (ablabs) verklaren de Carnuten openlijk dat zij geen enkel gevaar weigeren ter wille van het gemeenschappelijke welzijn en ze beloven dat ze als eerste van allen oorlog zullen maken. 2. En aangezien ze onderling voor het moment geen waarborgen konden geven met gijzelaars, namelijk opdat de zaak niet naar buiten wordt gebracht, vragen ze althans dat er een garantie wordt gegeven met een eed en met trouw, nadat de veldtekens bijeengebracht zijn in welke gewoonte van hen een zeer belangrijke plechtigheid besloten ligt, opdat niet, nadat er een begin gemaakt is met de oorlog zij door de overigen in de steek worden gelaten. 3. Dan, nadat een eed is gezworen door allen die aanwezig waren en nadat het tijdstip van die zaak is vastgesteld gaat men uiteen van de vergadering.

III[bewerken]

1. Zodra die dag kwam, lopen de Carnuten, onder leiding van Gutruatus en Conconnetodumnus (ablabs), mannen die tot alles in staat zijn, te hoop naar Cenabum, nadat het teken gegeven is, en Romeinse burgers die daar zich gevestigd hadden om handel te drijven, onder hen C. Fufius Cita, een achtenswaardig Romeins ridder die op bevel van Caesar de leiding had van de voedselvoorziening, doden ze en ze plunderen hun goederen. 2. Snel wordt het gerucht overgebracht naar alle stammen van Gallië. Want, zodra er een grotere en meer bijzondere zaak voorvalt duiden ze (die) aan met geschreeuw door de akkers en de streken heen: dit geschreeuw vangen anderen vervolgens op en geven het door aan de dichtstbijzijnde, zoals toen gebeurde. 3. Want dingen die te Cenabum bij zonsopkomst (abl) gedaan waren zijn voor het eind van de eerste nachtwake (dominant part.) gehoord in het gebied der Averni, hetgeen een ruimte is van ongeveer 160 mijl.

IV[bewerken]

1. Op een zelfde logische manier zet daar Vercingetorix, de zoon van Celtillus, een Arverner, een jongeman van zeer grote persoonlijke macht, wiens vader de eerste plaats van geheel Gallië had gekregen en om die reden, namelijk dat hij uit was op het koningschap, door de burgerij gedood, (de mensen) gemakkelijk in vuur en vlam nadat hij zijn cliënten bijeen had geroepen. 2. Nadat zijn plan bekend geworden is, rent men naar de wapens. Hij wordt verhinderd door Gobannitionus, zijn oom, en de overige leiders, die meenden dat dit lot niet moest worden beproefd; hij wordt verdreven uit de stad Gergovia; 3. toch houdt hij niet op en op het platteland houdt hij een lichting van behoeftigen en verlorenen. Na deze schare bijeen gebracht te hebben, brengt hij wie hij ook maar benaderd uit de burgerij tot zijn mening; 4. hij spoort aan dat ze ter wille van de gemeenschappelijke vrijheid de wapens opnemen en na grote troepen bijeen gebracht te hebben (abl) verdrijft hij zijn tegenstanders door wie hij kort tevoren eruit was gegooid, uit de stad/staat. 5. Koning wordt hij genoemd door de zijnen. Overal heen gericht stuurt hij gezantschappen weg: hij bezweert dat ze in trouw blijven. 6. Snel bindt hij aan zich de Senones, de Parisii, de Pictones, de Cadurci, de Turoni, de Aulerci, de Lemovices en de Andes, en alle overigen die de oceaan raken; met aller instemming wordt het oppercommando bij hem neergelegd.

7. Nadat deze macht was aangeboden legt hij al deze stammen gijzelaars op, hij geeft bevel een duidelijk omschreven aantal soldaten snel bij hem te brengen, 8. hij stelt vast hoeveel wapens elke stam thuis en vóór welke tijd moet organiseren; allereerst/ met name legt hij zich toe op ruiterij. 9. Aan de hoogste zorgvuldigheid voegt hij hoogste gestrengheid van macht toe (a-b-a-b); met de grootte van de straf dwingt hij de twijfelaars. 10. Want als er een groter vergrijp is begaan doodt hij (ze) met vuur en allerlei martelingen; wegens een lichtere oorzaak zendt hij (ze) naar huis terug nadat de oren zijn afgesneden of steeds één oog is uitgegraven, opdat ze voor de overigen tot voorbeeld zijn en door de grootte van de straf anderen grondig afschrikken.

V[bewerken]

VI[bewerken]

VII[bewerken]

VIII[bewerken]

IX[bewerken]

X[bewerken]

XI[bewerken]

XII[bewerken]

XIII[bewerken]

XIV[bewerken]

1. Vercingetorix, nadat er zoveel aanhoudende tegenslagen zijn opgelopen te Vellaunodunum, Cenabum en Noviodunum, roept de zijnen bijeen voor een vergadering. 2. Hij onderwijst dat op een totaal andere manier oorlog gevoerd moet worden dan er voor die tijd gevoerd is. “Dat er op alle manieren naar deze zaak gestreefd moet worden, dat de Romeinen worden afgeweerd van de aanvoer van veevoer en allerlei spullen. 3. Dat dit gemakkelijk is omdat ze zelf een overvloed hebben aan ruiterij en omdat ze worden geholpen door de tijd van het jaar. Dat het veevoer niet gemaaid kan worden; en dat noodzakelijkerwijs de vijanden (dit) verspreid uit de boerderijen haalden; dat deze allen dagelijks door (de) ruiters vernietigd konden worden. Dat bovendien ter wille van het welzijn de gemakken van het familieleven verwaarloosd moeten worden; dat gehuchten en boerderijen in brand gestoken behoren te worden waarheen ze schijnen te kunnen toegaan om veevoer in te slaan. Dat van deze dingen er voor hen zelf een voorraad voorhandig omdat ze worden geholpen door de hulpbronnen van hen in wier gebied de oorlog gevoerd wordt; Dat de Romeinen of het gebrek niet zouden verdragen of dat ze met groot gevaar (esse 2x weggelaten) verder van het kamp weg zouden gaan; en dat het niet uitmaakt of ze hen zelf doden of hen beroven van hun bagage zonder welke (abl!) een oorlog niet gevoerd kan worden. Dat bovendien de steden in brand moeten worden gestoken, die niet door versterking en door de natuur van de plaats veilig zijn van elk gevaar, opdat ze niet voor de hunnen/ zijnen opvangplaatsen zijn voor het zich onttrekken aan de krijgsdienst (ger), en niet aangeboden aan de Romeinen voor het weghalen van een voorraad/ proviand van buit. Als deze dingen ernstig of bitter schijnen, dat (dan) die andere dingen op veel ernstiger manier moeten worden geschat: dat kinderen en echtgenotes naar de slavernij worden weggesleept, en dat zij zelf (de mannen) gedood werden; dat het noodzakelijk is dat deze dingen overkomen aan overwonnenen.”

XV[bewerken]

1. Nadat met aller instemming deze mening is goedgekeurd, worden op één dag meer (dan) 20 steden der Bituriges in brand gestoken. Ditzelfde gebeurt bij de overige stammen; in alle delen (van het land) worden branden gezien. Hoewel allen deze dingen verdroegen met groot verdriet, toch stelden ze zich dit van troost voor namelijk (het feit) dat ze erop vertrouwden dat zij, nu de overwinning bijna verkend (in de zin van ontdekt) was, snel de verloren dingen terug zouden herkrijgen.

Er wordt overlegd over Avaricum, in een gemeenschappelijke vergadering, of het behaagt dat het in brand gestoken wordt of dat het verdedigd wordt. Op hun knieën liggen de Bituriges bij de voeten voor alle Galliërs (op)dat ze niet worden gedwongen de mooiste stad van bijna geheel Gallië, die zowel tot bescherming als tot sieraad is voor de stam, eigenhandig in brand te steken; ze zeggen zich gemakkelijk te zullen verdedigen door de natuur van de plaats omdat ze bijna aan alle kanten door een rivier en een moeras omgeven maar één en dan nog een zeer smalle toegang heeft. Er wordt aan de verzoekenden verlof te geven, terwijl/ waarbij Vercingetorix het eerst afraadt en later toegeeft én door de gebeden van hemzelf én door het medelijden van het gewone volk. Er worden geschikte verdedigers voor de stad gekozen.

XVI[bewerken]

1. Vercingetorix volgt Caesar op de voet langs kortere routes en kiest voor het kamp een plek uit, door moerassen en bossen versterkt, van Avaricum 16 mijlen verwijderd. Daar leerde hij via vaste verkenners voor elk deel van de dag kennen welke dingen er gebeurden bij Avaricum en beval hij wat hij wilde dat er gedaan werd. Al onze tochten om veevoer en graan te halen hield hij in de gaten, en de verspreidde mensen omdat ze noodzakelijkerwijs (bijw) nogal ver weg gingen viel hij aan en trof hij met groot ongemak hoewel er, zoveel als met logica voorzien kan worden, door de onzen tegenin werd gegaan, zodat er op onvaste tijden en langs (van elkaar) verschillende routes gegaan werd.

XVII[bewerken]

1. Nadat er een kamp geplaatst was bij dat deel van de stad dat overgeslagen door rivier en moeras een nauwe toegang had zoals we (hier) boven zeiden, begon Caesar een dam klaar te maken, loophallen te bewegen en twee torens neer te zetten; want de natuur van de plaats verhinderde te omwallen. Aangaande de korenzaak hield hij niet op de Boii en de Haedui aan te sporen; van dezen/hen (rel. aansluiting) waren de enen (H) omdat ze zonder enige ijver bezig waren niet van veel nut, en de anderen hebben vanwege de niet grote mogelijkheden, omdat de stam klein en zwak was, snel verbruikt wat ze hadden. Hoewel het leger was getroffen (abl) door de hoogste moeilijkheid van de korenzaak, vanwege de dunheid van de Boii, de on-ijver van de Haedui, de branden van de gebouwen, zozeer dat de soldaten verscheidene dagen geen graan hebben gehad en met vee uit veraf gelegen gehuchten (aangevoerd) de ergste honger te hebben verdragen, is er toch geen enkele stem uit hen gehoord die niet paste bij de verhevenheid van het Romeinse volk en de vroegere overwinningen.

Ja zelfs toen Caesar bij het werk de legioensoldaten één voor één aanriep en zei dat, als ze het gebrek te bitter droegen hij de belegering zou laten schieten, vroegen ze als één man aan hem dat hij dat niet zou doen; “dat zij zo verscheidene jaren onder zijn commando (abl) gediend hadden dat ze geen enkele schande incasseerde en nooit onverrichter zake, weggingen; dat zij dít als een schande zouden dragen: als ze een eenmaal begonnen bestorming zouden hebben laten varen; dat het beter was alle bitterheden te verdragen dan geen dodenoffers te brengen voor de Romeinse burgers die te Cenabum door de ontrouw der Galliërs waren omgekomen.” Deze zelfde dingen droeg hij op aan centurios en krijgstribunen opdat ze via werden overgebracht naar Caesar.

XVIII[bewerken]

1. Zodra de torens de muur genaderd waren, vernam Caesar van krijgsgevangene dat Vercingetorix (ACI), nadat het veevoer verbruikt was (abl), zijn kamp verplaatst had dichter bij Avaricum en dat hij zelf samen met de ruiterij en mobiele soldaten die gewoon waren te vechten tussen de ruiters, om een hinderlaag te leggen daarheen vertrokken was waar hij meende dat de onzen (ACI) de volgende dag zouden komen om veevoer te vergaren.

Nadat deze dingen vernomen waren, vertrekt hij (part. opgelost) om middernacht in stilte en kwam ’s morgens vroeg aan bij het kamp van de vijanden. Zij, nadat snel via verkenners de komst van Caesar bekend was geraakt, verborgen hun wagens en hun zware bagage in de dichtere bossen en al hun troepen stelden zich op op een verhoogde en open plaats. Nadat deze zaak bericht was beval C. snel de bagage bijeen te brengen (en) de wapens voor de dag te halen.

XIX[bewerken]

1. De heuvel was zachtjes oplopend vanaf de voet. Deze (heuvel) omringde aan bijna alle kanten een moeilijk en belemmerd moeras, niet breder dan 50 voet. Op deze heuvel (abl. loci), nadat de bruggen waren afgebroken hielden de Galliërs zich bijeen door vertrouwen op de plaats en per volk/stam hielden ze alle doorwaadbare plaatsen en overgangen van dat moeras bezet met aangewezen bewakingen zo in hun geest voorbereid dat ze, als de Romeinen zouden proberen door dat moeras heen te breken hen zouden benouwen vanuit een hoger gelegen plaats, terwijl ze vastzaten, zodat hij, die de nabijheid van plaats zou zien (irr.heden/ pot.verleden) zou denken dat ze klaarstonden om te strijden in een bijna evenwichtig gevecht, maar hij die de ongelijkheid van toestand zou doorzien zou begrijpen dat ze zich met ophef toonden in een loze nabootsing.

Caesar onderwijst zijn soldaten die verontwaardigd zijn omdat de vijanden hun aanblik konden dragen terwijl er zo’n kleine ruimte tussen lag en die het teken voor de strijd eisten, op hoe grote schade en op de dood van hoeveel dappere mannen het noodzakelijk is dat de overwinning komt te staan; “omdat hij hen zo zeer in de geest bereid ziet dat ze geen enkel gevaar weigeren voor zijn lof, dat hij moet worden veroordeeld wegens de hoogste onrechtvaardigheid als hij niet hun leven als dierbaarder heeft dan zijn eigen welzijn”. Na zo de soldaten te hebben getroost voert hij ze op dezelfde dag terug naar het kamp en begint de overige dingen die verband hielden met de bestorming van de stad te regelen.

XX[bewerken]

1. Vercingetorix, toen hij teruggekeerd was bij de zijnen, werd hij beschuldigd van verraad, omdat hij het kamp dichter bij de Romeinen had geplaatst, omdat hij met de hele ruiterij was weggegaan, omdat hij zo omvangrijke troepen had achtergelaten zonder commando, omdat door zijn weggaan de Romeinen met een zo grote geschiktheid en snelheid gekomen waren “dat al deze dingen niet toevallig of zonder plan hadden kunnen gebeuren; dat hij (illum) de heerschappij over Gallië liever wilde hebben door een gunst van Caesar dan door een weldaad van henzelf” en, op een dergelijke manier beschuldigd antwoordde hij deze dingen:

“Het feit dat hij het kamp had verplaatst; dat het gebeurd was door gebrek aan veevoer terwijl ook zij zelf daartoe aanspoorden; dat hij dichter naar de Romeinen was gegaan, dat hij daartoe was overgehaald door de gunstigheid van de plek die zichzelf zonder versterking verdedigde; dat de moeite van ruiters echter enerzijds niet (neque….et) gemist had moeten worden op een moerassige plek en anderzijds daar nuttig was geweest waarheen ze vertrokken waren. Dat hij (Vercingetorix) het oppercommando met opzet aan niemand had overgedragen bij zijn vertrek, opdat niet die man/ persoon door het streven van de massa tot strijden zou worden gedreven op welke zaak hij zag dat velen zich toelegden vanwege de zachtheid van hun geest omdat ze de inspanning niet langer konden verdragen. Als de Romeinen door toeval ten tonele zijn verschenen dat dan dank moet worden gehouden/ gehad aan een plot geroepen door de aanwijzing van iemand, dat dan dank moet worden gehad voor deze man, omdat ze niet alleen hun geringe aantal hebben kunnen leren kennen vanuit een hogere plaats, maar ook op hun/ de moed hebben kunnen neerkijken (van hen) die strijden niet gedurfd hebbend op een schandelijke wijze zich in hun kamp teruggetrokken hebben.


“Dat hij geen enkele macht van Caesar via verraad verlangt die hij kan hebben door een overwinning die inmiddels al voor hem en voor alle Galliërs vastligt; Ja, zelfs gaf hij de macht terug aan henzelf als zij schijnen aan hem meer eer toe te delen dan van hem welzijn te krijgen.” “Opdat jullie, zei hij, begrijpen dat deze dingen door mij naar waarheid worden uitgesproken, luistert naar Romeinse soldaten.” Hij haalt slaven voor de dag die hij had opgepikt bij het foerageren weinige dagen te voren en met honger en boeien had gekweld. Dezen, al van tevoren uitvoerig onderricht welke dingen ze eenmaal ondervraagd moesten uitspreken, zeggen dat ze legioen soldaten zijn; “Dat ze, daartoe gebracht door honger en gebrek heimelijk uit het kamp gegaan waren om te zien of ze iets van graan of vee op de velden konden vinden; dat het hele leger door een soort gelijk gebrek (a-b-b-a) gedrukt werd en dat niet meer de krachten voldoende waren van iemand wie dan ook en dat ze niet de inspanning van het werk konden verdragen; dat daarom de aanvoerder had besloten om, als hij niets zou zijn gevorderd bij de bestorming van de stad, in drie dagen het leger weg te halen.” Deze weldaden, zei hij, hebben jullie van mij, V, die jullie betichten van verraad, door wiens inspanning jullie zien zonder jullie bloed, een zo groot overwinnend leger door honger bijna uitgeput (;) , (rel.aansl) en daarvan is voorzien door mij dat geen enkele staat het ontvangt in zijn eigen gebied wanneer dat zich schandelijk na deze vlucht terugtrekt.

XXI[bewerken]

1. De hele menigte schreeuwt luid en maakt volgens zijn gewoonte hevig lawaai met de wapens, hetgeen zij gewoon zijn te doen bij hem wiens redevoering zij goedkeuren; “Dat Vercingetorix een topleider is, en dat er niet aan zijn trouw getwijfeld moet worden en dat niet met een grotere logica de oorlog geregeld kan worden.” Ze bepalen dat tienduizend mensen te ondersteuning vanuit alle troepen naar de stad te hulp moeten worden gezonden, en niet zijn zij van mening om het gemeenschappelijke welzijn over te laten aan de Biturigers alleen, omdat bij hen, als zij die stad zouden hebben behouden, zij inzagen dat de hoogste overwinning vaststond.