Edda/Vermomde en Roodspeer

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Inhoudsopgave

Godenliederen

  1. De Zending van Skirnir
  2. Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf
  3. Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg
  4. Dwerg Weetal wil vrijen
  5. De Roof van de Regendrank
  6. Godentwist
  7. Vermomde en Roodspeer
  8. Hymirs Ketel
  9. Het Feest bij Aegir
  10. Wodan bij de Waarzegster
  11. Het Voorspellied
  12. Billings Dochter
  13. Wodan bij Stormsterk
  14. De Wereldzang van de Wichelares
  15. Een Lied voor Herleving
  16. Wodans Runenlied
  17. Hoe de Standen ontstonden

Heldensagen

  1. De Welandsage
  2. Helgi, Zwaardwachts zoon
  3. Helgi, die Honding doodde
  4. De Siegfriedsage
  5. Goedroen
  6. Ortroens klacht
  7. De Zang bij de molen
  8. Verklaring van Werk en Inhoud

Koning Rauthung had twee zonen. Hun namen waren Geirrodh, dat Roodspeer

beteekent, en Agnar, de Ander. Eens, dat zij uitgevaren waren om met den hengel te visschen, werden zij overvallen door een hevigen wind. De storm stuwde hun boot voort over de wijde zee, totdat zij in een donkeren nacht op een vreemd land strandden. Daar werden zij opgenomen door een man en eene vrouw, die in de nabijheid een hut bewoonden, en zij bleven er heel den winter. De vrouw zorgde voor Agnar, de man echter voor Roodspeer en hij leerde hem vele sluwe dingen.

Toen het voorjaar gekomen was brachten de oudjes hen naar het schip, dat de man hun gegeven had. De man liep met Roodspeer alleen.

Voor gunstigen wind voeren toen beide de broeders voorspoedig naar het rijk van hun vader.

Roodspeer stond op het schip vooraan. Maar als zij aan het land gekomen waren sprong Roodspeer vlug aan wal, stiet het schip terug in de zee en riep tot zijn broeder: "Vaar ver weg in zee waar booze geesten zijn, die je halen." Ver weg in zee dreef het schip en Roodspeer ging naar den koningsburcht, waar hij goed ontvangen werd. Zijn vader was er pas gestorven en Roodspeer was machtige koning van toen af aan.

Wodan en Frigga zaten op den hoogzetel in Asengaarde en zagen over alle werelden heen. Toen sprak Wodan:

--"Ziet gij hoe Agnar, uw pleegkind, met een reuzenvrouw in het hol kinderen verwekt?--Roodspeer echter, mijn pleegkind, is koning in zijn land."

Hem antwoordde Frigga:

--"Maar een boosaard is hij, die zijn gasten plaagt, omdat hij bang is, dat er te veel zullen komen."

Wodan echter zeide, dat dit een groote leugen was, en zij gingen beiden een weddenschap aan.

Toen zond Frigga haar dienares Fulla, die haar overvloed van sieraden verzorgde, naar Roodspeer om hem den raad te geven heel voorzichtig te zijn met een tooverkundig man, die in zijn land was gekomen. En dit gaf zij hem als een kenteeken: dat geen hond, hoe woedend ook, het wagen zou tegen dien man te blaffen.

Eigenlijk was het een groote onwaarheid te beweren, dat Roodspeer niet gastvrij was, maar nu liet hij den man gevangen nemen, tegen wien de honden niet blaffen durfden. Deze man droeg een langen blauwen mantel en noemde zich Grimnir, Vermomde. Maar meer zeide hij niet over zichzelf, hoe men ook vroeg. De koning liet hem toen pijnigen om hem aan 't spreken te krijgen en hij plaatste hem tusschen twee wolken van vuur. Daar zat hij acht nachten lang.

Koning Roodspeer had een zoon, die tien winters oud was en dien hij Agnar noemde, naar zijn broeder. Agnar ging naar Vermomde en gaf hem een hoorn vol drank en zeide, dat de koning er heel erg slecht aan deed hem zoo pijn te doen zonder schuld. Vermomde dronk den hoorn leeg. Toen was het vuur zoo ver gekomen, dat zijn mantel al brandde. Vermomde sprak:

--"Vretende vlammen, wijkt terug. Reeds rooken mijn kleeren, mijn mantel verschroeit. Acht nachten al toef ik tusschen die vuren,--en niemand, die mij drinken gaf als Agnar alleen. Agnar zal koning zijn in de landen van Roodspeer."

Toen verhaalde Vermomde de wonderen van het worden der wereld vóór allen tijd:

--"Uit het vleesch van Ruischreus werd de aarde geschapen, de zee uit zijn zweet, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn haren de boomen, uit zijn tanden het gesteente. Om Midgaarde, waar de menschen wonen, bouwden de goden uit zijn wenkbrauwen een hechte verschansing tot stevigen steun, zij spanden van zijn schedel hoog den hemel, wierpen zijn hersenen als wolken in de lucht. Daar draven hijgend over wolkenwegen Vroegop en Vlugvoet voor den wagen van de zon. Viel het schitterende schild, dat de zon beschermt, dan vlogen bergen en branding in vlammenden brand.

Sköll, de wolf, snelt achter de zon tot in de schuimende zee, wild voor haar uit rent Hati langs den weg.

Ook bouwden in oude dagen Innewoonds zonen het wondere schip voor de zon: dat is het snelste van alle schepen,--Schrikesch van alle boomen de eerste,--Wodan de grootste van alle goden,--Sleipner het vlugge, vliegende paard,--Bifrôst de kunstigste van alle bruggen,--Bragi van alle zangers de beste,--Habrok de havik,--Garm de hond ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van den wereldboom, die groeit door alle tijden:

--"Schrikesch lijdt meer schade dan de menschen weten. Hol wordt het hout. Want van de kruin knabbelen herten de knoppen, aan de wortels knagen de kaken van Nijdhaag, den draak. En Knaagtand, de eekhoorn, rent op en weer neer staag langs den stam,--woorden van Arend, die hoog in den top zit, vertelt het aan Nijdhaag, den draak.

Meer monsterige maden dan menig man meent woelen krioelend om den voet van Schrikesch. Elkander omslingerend in 't slijmerige graf slurpen ze, slapend, het sap uit de wortels.

Drie wortels zijn er, die naar drie zijden dringen, tot boven Helleland de eene, een andere tot het land der Reuzen, de derde tot waar de menschen wonen.

Vele zijn de stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen. Stormen stuwen de golven, die volken omvatten, naar het land van de menschen en veel verder naar Helleland heen.

Stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen, koele, krachtige, wielende wateren vloeien den hoogheiligen Asen toe.

Thonarr waadt dagelijks door het water, als hij daar daalt naar den raad aan den Schrikesch. Dan gaat hij over de brandende godenbrug, waar fel vlamt flakkerende gloed.

Daarheen rijden ook alle de goden om te beraden, iederen dag. Goudig van glans zijn de paarden der Asen, stevig van stap,--vlug vliegen ze op hunne lichte hoeven, zilver waaien de manen in den wind ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van de woningen der goden boven alle tijden:

--"Hoog voor mijn oogen ligt het liefelijke land van Asen en Alfen. Thonarr zit in Krachtland ten troon tot de goden vergaan. Vijf honderd-en-veertig zalen weet ik in Bliksemflits' huis. Hooger dan alle huizen, die met daken gedekt zijn, is de zaal van mijn zoon.

In Vochtendal heeft de sneeuwwollige Uller zich een burcht gebouwd. Alfenland gaven de Asen aan Freyer bij 't doorbreken van den eersten tand.

De derde bouw is met zilver gedekt. Lentezaal was reeds lang geleden voor den hoogen Ase een zetel.

Koele wateren spoelen door Storteschuim, waar Wodan en Sage dagelijks drinken uit bekers van goud.

In Vreugdeburcht, de vijfde der vesten, glinstert het goud van Walhall: daar komen tot den heerscher de helden, die door staal werden gedood.

Thiassi, de stormreus, woonde in Donderland ooit,--de zesde der goddelijke zalen. Maar sedert Skadi, zijn dochter, bruid werd van Njord, is zij in het bezit van den burcht.

Ten zevende Schitteringszaal, het smettelooze huis, dat Balder zich bouwde.

Helderwit woont in Hemelenburcht, ten achtste, als wachter van de goden. Om menigen dronk mede verheugt hij er zich.

Volkerenveld, de negende woning, is Freya's bezit; uit degenen, die in den strijd zijn gevallen, kiest zij zich gasten; het andere deel komt Wodan toe.

Forsete richt rechtvaardig alle twisten in zijn Glinsterhuis--het tiende.--Op gouden zuilen steunt een zilveren dak.

Noatun is het hooge huis waar Njord heerscht, als machtige koning van mannen.

Wijdwoud, ten twaalfde, is Widars woning. Gras groeit welig waar hij van het paard springt om zijn vader te wreken ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van Walhall:

--"Vijfhonderd-en-veertig poorten weet ik in Walhall,--achthonderd verheerlijkte helden komen uit elke poort om den wolf te bevechten. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: speren zijn er de spanten, schilden het dak en pantsers staan op de banken. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: een wolf hangt voor de westelijke deur, daarboven zweeft een arend.

Donderstroom dreunt daar rondom en de vloed is niet te doorwaden. Voor de heilige poort in het water staat Walgrind, het hek: eeuwen is het oud en weinigen weten hoe het slot sluit.

Luchtkok kookt in Vuurketel den zonne-ever, die Zeezieder heet: de edele ever in de spijs in Walhalla, maar weinigen weten, waarmee men zich voedt.

Gierig en Gulzig, de wolven Wodans, krijgen het eten van den koenen kampheld, die de legers leidt,--want Wodan zelf drinkt slechts wijn.

Herdenken en Denken, de raven, vliegen iederen dag over de aarde: Denken keert, vrees ik, niet terug,--meer bang nog ben ik voor Herdenken.

Eikdoorn heet het hert, dat in Heervaders huis aan de boomknoppen knabbelt; van zijn gewei druipen aldoor druppels naar Ruischkolk, waar de stroomen ontspringen. Heidroen heet de geit, die in Heervaders huis aan de boomknoppen knaagt; in schalen schenkt zij schuimenden dronk voor de helden.

Slagvaardig en sterk zijn de meisjes, die mede schenken aan de heilige helden, en mooi; schitterend haar schilden, haar lansen lang, en helmen dekken het hoofd.

Ook mij bieden zij den beker...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wondere namen van Wodan:

--"De Dolende heet ik, de Wijze en Heer; Vlammenoog ben ik, Bliksemoog, Blindmaker van menschen, Langbaard en Haarbaard, Verwarder, Verwoester, Vader der zege, Brenger van slaap. Bevende ben ik en Bruller, Waaiende, Lucht, Ziedende, Zee, Brander en Oorlogsman, Windrig en Wensch, Goede en Gouden, Stormheer, Regengod, Waarachtig en Stout. Hoog heet ik, Evenhoog, Derde en Donderaar, Watergeest, Wakker en Bries.

Sleeper was ik toen ik sleden sleepte, Sluwe in 't geding, Speerespits voor tegenpartij, Vermomde was ik bij Roodspeer. Nu ben ik Wodan geworden."

Koning Roodspeer zat, en hield het zwaard halfuitgetrokken op zijn knieën. Toen hij nu hoorde, dat Wodan er was, stond hij op en wilde de vuren van hem wegnemen. Maar zijn zwaard viel, het gevest naar beneden. Koning Roodspeer struikelde en de punt van het zwaard stak hem een doodelijke wonde. Toen zeide Wodan:

--"Roodspeer, hebt gij te veel mede gedronken? Vele dingen leerde ik u, maar gij hebt niet geluisterd: nu zie ik rood en rookend van bloed het zwaard van mijn lieveling liggen. De gaven van goden hebt gij verbeurd, de gunst van Walhalls heilige helden en Wodan verloren. Nu kunt gij Wodan zien: Vermomde was een Verschrikker. Komt, goden, het heil is verschenen, komt in de zaal van den Zomerzeegod: het oogstfeest gaan wij er vieren. En Agnar, heil u, heil wenscht u de heerscher van helden; nooit zal een dronk nog met grooter gunsten worden vergolden."

Toen ging Wodan heen en Agnar werd koning in de landen van Roodspeer voor zeer langen tijd.