Het verraderlijke hart

Uit Wikisource

Ga naar: navigatie, zoeken
Crystal package settings.png   Werk in uitvoering   Crystal package settings.png


Dit artikel is nog niet gereed. Het past in de huidige vorm nog niet binnen Wikisource. Mogelijk is de opmaak nog niet in orde, of ontbreken er delen van de tekst.
Iedereen, vooral ook de eerste auteur, wordt uitgenodigd om dit artikel te verbeteren.

Het verraderlijke hart (Engels: The Tell-Tale Heart) is een horrorverhaal uit 1843 van Edgar Allen Poe. Het werd voor het eerst gepubliceerd in het in Boston gevestigde blad 'The Pioneer'. Het verhaal, dat wel wordt gerekend tot de Gothic literatuur, werd vele malen herdrukt en diende als basis voor verschillende bewerkingen voor radio, film en televisie. De onderstaande Nederlandse vertaling is af en toe enigszins vrij.

[bewerken] Het verhaal

Of ik zenuwachtig was? Heel, heel erg zenuwachtig was ik en dat ben ik nog steeds. Maar waarom wilt u zeggen dat ik boos ben? De ziekte had mijn zintuigen verscherpt, niet vernietigd. Bovenal was het zintuig van het horen aanwezig. Ik hoorde alle dingen in de hemel en op aarde. Ik hoorde veel dingen in de hel. Waarom dan ben ik gek? Luister! En merk op hoe gezond en hoe rustig ik u het hele verhaal kan vertellen.

Het is onmogelijk om te zeggen hoe in eerste instantie het idee mijn brein binnenkwam, maar, eenmaal bedacht, bleef het dag en nacht in mijn geest rondspoken. Er was geen doel. Er was geen passie. Ik hield van de oude man. Hij had me nooit onrecht aangedaan. Hij had me nooit beledigd. Ik verlangde niet naar zijn kostbaarheden. Ik denk dat het zijn oog was! Ja, dat was het! Hij had het oog van een gier – een lichtblauw oog, met een waas eroverheen. Telkens wanneer zijn oog op me viel, verstijfde ik. En dus nam ik geleidelijk aan het plan op om het leven van de oude man te nemen en mijzelf dus voor altijd te verlossen van het oog.

Hier nu gaat het om. U zult me wel gek vinden. Gekken weten niets. Maar u had me moeten zien. U had moeten zien hoe verstandig ik vorderde, met welk een voorzichtigheid en met welk een vooruitziende blik. En met welk een huichelarij ging ik aan het werk! Ik was nooit aardiger tegen de oude man dan gedurende de hele week voordat ik hem vermoordde. En elke avond, om middernacht, opende ik de vergrendeling van zijn deur en opende hem oh zo zacht! En elke keer, wanneer ik een opening groot genoeg voor mijn hoofd had gemaakt, stak ik eerst een donkere lantaarn, gesloten, zodat er geen licht uitscheen, naar binnen. Daarna pas perste ik mijn hoofd door de kier. Oh, u zou hebben gelachen om te zien hoe listig ik hem naar binnen perste! Ik verplaatste hem langzaam, zeer, zeer langzaam, zodat ik de slaap van de oude man niet zou verstoren. Het kostte me een uur om mijn hele hoofd zover in de opening te krijgen dat ik de oude man op zijn bed kon zien liggen. Ha! Zou een gek zo verstandig zijn geweest? En daarna, als mijn hoofd goed en wel in de kamer was, ontstak ik de lantaarn voorzichtig, oh, zo voorzichtig, want de scharnieren kraakten. Ik dimde het licht zoveel dat er slechts een enkele dunne straal op het gierenoog viel. En dit deed ik zeven lange nachten, elke keer om middernacht. Maar ik vond het oog altijd gesloten. En dus was het onmogelijk om het werk te doen, want het was niet de oude man die me ergerde, maar zijn Boze Oog. En elke ochtend, wanneer de dag was aangebroken, ging ik dapper naar zijn kamer en sprak moedig tot hem. Ik noemde zijn naam op een hartelijke toon, en vroeg hoe hij de nacht was doorgekomen. U ziet, hij zou dus wel een zeer nadenkende oude man moeten zijn geweest – jazeker – om te kunnen vermoeden dat ik elke nacht, om twaalf uur, naar hem keek terwijl hij sliep.

In de achtste nacht was ik voorzichtiger dan anders bij het openen van de deur. De secondewijzer van een horloge bewoog sneller dan mijn hand. Nooit eerder voelde ik de omvang van mijn eigen macht, van mijn spitsvondigheid. Ik kon mijn gevoel van triomf nauwelijks bevatten. Stel u voor, ik was daar, de deur openend, beetje bij beetje, terwijl de oude man niet eens kon dromen van mijn geheime daden of gedachten. Ik gniffelde behoorlijk bij het idee. En misschien hoorde de oude man mij wel, want hij bewoog plotseling in het bed, alsof hij geschrokken was. Nu denkt u misschien dat ik mij terugtrok, maar nee hoor. Zijn kamer was zo zwart als pek omdat de luiken dicht waren gemaakt omwille van zijn angst voor overvallers. Ik wist dus dat hij de opening van de deur niet kon zien, en ik bleef gestaag tegen de deur duwen, voorzichtig en gestaag…

Ik wurmde mijn hoofd naar binnen en stond op het punt om de lantaarn te openen, toen mijn duim uitgleed op de tinnen scharnieren. De oude man zat rechtovereind en schreeuwde: ‘Wie is daar?’ Ik bleef heel stil en zei niets. Een uur lang verroerde ik geen spier, en in de tussentijd hoorde ik niet dat de oude man weer was gaan liggen. Hij zat nog steeds recht overeind in het bed te luisteren, net zoals ik dat had gedaan, nacht na nacht, luisterend naar de doodsklokken aan de wand.

Ineens hoorde ik een licht gekreun en ik wist dat het het gekreun van doodsangst was. Het was geen gekreun van pijn of verdriet, oh, nee! Het was het lage, gesmoorde geluid dat ontstaat uit het diepst van de ziel wanneer men overrompeld wordt door ontzag. Ik kende het geluid goed. Vele nachten, precies om middernacht, als de hele wereld sliep, welde het op vanuit mijn eigen boezem. Het geluid, met zijn vreselijke echo en zijn verschrikkingen die me in verwarring brachten. Ik zeg dat ik het goed kende. Ik wist wat de oude man voelde, en ik had medelijden hem, hoewel ik inwendig gniffelde. Ik wist dat hij wakker had gelegen vanaf het moment dat het eerste geluid had geklonken, waarna hij zich had omgedraaid in zijn bed. Zijn angsten waren daarna steeds groter geworden. Hij had geprobeerd ze weg te wuiven maar hij kon het niet. Hij had tegen zichzelf gezegd: ‘Het is niets anders dan de wind in de schoorsteen.’ En: ‘Het is slechts een muis die over de vloer loopt. Of ‘Het is slechts een krekel die één keer heeft getsjirpt.’ Ja, hij had geprobeerd zich te troosten met deze veronderstellingen, maar het was tevergeefs. Tevergeefs: want de dood stond, nadat hij de oude man had benaderd, met zijn zwarte schaduw vlak bij hem. En die schaduw had het slachtoffer nu bereikt en omkapselde hem. En het was de treurige invloed van de onopgemerkte schaduw die ervoor zorgde dat hij, hoewel hij mij noch zag noch hoorde, de aanwezigheid van mijn hoofd in de kamer voelde.

Nadat ik een lange tijd zeer geduldig, zonder gehoord te hebben dat de oude man was gaan liggen, had gewacht, besloot ik een zeer, zeer kleine spleet in de lantaarn te openen. U kunt zich niet voorstellen hoe tersluiks, hoe tersluiks ik hem opende. Totdat, uiteindelijk, een enkele gedimde straal, net als de draad van een spin, uit de spleet schoot en vol op het gierenoog viel.

Het was open, wijd, wijd open. En ik werd woedend terwijl ik ernaar staarde. Ik zag het perfect: een mat, blauw oog, met een afschuwelijke sluier eroverheen. Het verstijfde elke spier in mij lichaam, maar ik kon niets anders van het gezicht of het lichaam van de oude man zien. Want ik had de straal instinctief precies op de juiste verdoemde plek gericht.

En nu? Heb ik u niet gezegd dat wat men als waanzin ziet, eerder een verhevigde scherpzinnigheid van de zintuigen is? Nu, ik zeg het u, tot mijn oren kwam een laag, mat en snel geluid, zoals het geluid van een in katoen gehuld horloge. Ik kende ook dat geluid goed. Het was het kloppen van het hart van de oude man. Het vergrootte mijn woede, zoals het slaan op een trommel de moed van de soldaat vergroot.

Maar zelfs nu bedwong ik mij en hield ik mij stil. Ik ademde nauwelijks. Ik hield de lantaarn bewegingloos. Ik probeerde hoe ik de straal constant op het oog kon houden. Intussen klonk het geroffel van het hart steeds luider. Het klonk elk moment sneller, en luider en luider… De angsten van de oude man moesten vreselijk zijn geweest! Het geluid klonk luider, ik zeg het u, elk moment luider, begrijpt u me goed? Ik heb u gezegd dat ik nerveus ben en dat ben ik. En nu, op het dode uur van de nacht, temidden van de verschrikkelijke stilte van dat oude huis, dreef zo’n vreemd geluid als dit me tot onbeheersbare woede. Toch bedwong ik mij enkele minuten langer en bleef ik stil. Maar het kloppen werd luider en luider! Ik dacht dat het hart zou barsten! En toen greep een nieuwe angst mij: het geluid zou kunnen worden gehoord door een buurman! Het uur van de oude man had geslagen! Met een luide kreet, gooide ik de lantaarn open en sprong in de kamer. Hij gilde eenmaal, slechts eenmaal. In een oogwenk trok ik hem naar de vloer en plaatste het zware bed over hem heen. Vervolgens zat ik op het bed en lachte vrolijk, concluderend dat de daad tot zover was geschied. Maar vele minuten lang klopte het hart door met een mompelend geluid. Dit verdroot mij echter niet. Het zou toch niet door de muren heen gehoord kunnen worden. Uiteindelijk stopte het. De oude man was dood. Ik verwijderde het bed en onderzocht het lijk. Ja, hij was van steen, steendood. Ik plaatste mijn hand op het hart en hield hem daar een aantal minuten. Er was geen trilling. De oude man was steendood. Zijn oog zou me niets meer kunnen doen.

Indien u nog steeds denkt dat ik gek ben, zult u dat niet meer denken als ik de verstandige voorzorgsmaatregelen beschrijf die ik nam ten aanzien van het verbergen van het lichaam. De nacht verdween langzaam en ik werkte overhaast, maar in stilte. Allereerst hakte ik het lijk in stukjes. Ik sneed het hoofd, de armen en de benen eraf. Toen nam ik drie planken uit de vloer van de kamer en deponeerde alles in het gat, dat de vorm had van een wijnvat. Ik herplaatste de platen zo slim, zo listig, dat geen enkel menselijk oog – zelfs niet zíjn oog – zou kunnen ontdekken dat er iets mis was. Er was niets om weg te poetsen, geen enkele vlek van welke aard dan ook, geen bloedspat of wat dan ook. Ik was daar ook te huiverig voor geweest. Een vat had alles gevangen, ha! ha!

Toen ik klaar was met deze arbeid, was het vier uur en nog steeds zo donker als bij middernacht. Toen de klok sloeg voor het hele uur, werd er geklopt op de straatdeur. Ik ging naar beneden om de deur met een opgelucht hart te openen. Wat had ik immers te vrezen? Er kwamen drie mannen binnen die zichzelf met een perfecte vriendelijkheid voorstelden als politieagenten. Een buurman had een schreeuw in de nacht gehoord en het vermoeden van moord en doodslag was gewekt. Deze informatie had het politiebureau bereikt en zij (de agenten) waren erop uitgezonden om de geruchten te onderzoeken.

Ik glimlachte, want wat had ik te vrezen? Ik heette de heren van harte welkom. Het gegil, zei ik, was van mijzelf terwijl ik droomde. De oude man, zo merkte ik op, was weg, de stad uit. Ik leidde mijn bezoekers rond door het hele huis. Ik verzocht ze om te zoeken, om zeer goed te zoeken. Ik leidde hen uiteindelijk naar zijn kamer. Ik toonde zijn kostbaarheden, veilig en onaangeroerd. In mijn enthousiasme en vertrouwen, zette ik stoelen in de kamer en verzocht de agenten hierop uit te rusten van hun vermoeiende werk, terwijl ikzelf, wild van durf door mijn perfecte triomf, mijn eigen stoel op de plek zette waaronder het lijk van het slachtoffer lag.

De agenten waren tevreden. Mijn gedrag had ze overtuigd. Ik was bijzonder op mijn gemak. Ze zaten daar en praatten over koetjes en kalfjes terwijl ik vrolijk antwoordde. Maar na verloop van tijd voelde ik mijzelf steeds bleker worden en wilde ik dat ze weg zouden gaan. Mijn hoofd bonkte en ik ontwaarde een geluid in mijn oren. Maar zij zaten daar nog steeds en praatten maar door. Het geluid werd steeds duidelijker hoorbaar: Ik praatte steeds luchthartiger om mij te ontdoen van het gevoel, maar het geluid ging maar door en werd steeds indringender. Totdat ik na een tijdje merkte dat het lawaai niet in mijn oren zat.

Vanzelfsprekend werd ik nu heel erg bleek, maar ik sprak steeds vloeiender en met een luidere stem. Toch werd het geluid harder. Wat kon ik doen? Het was een laag, mat en snel geluid, zoals het geluid van een in katoen gehuld horloge. Ik snakte naar adem. En, vreemd, de agenten hoorden het niet. Ik praatte sneller en heftiger, maar het geluid nam gestaag toe. Ik stond op en sprak op een hoge toon en met geweldige gebaren over kleinigheidjes, maar het geluid bleef gestaag toenemen. Waarom gingen ze niet weg? Ik schreed met zware stappen heen en weer over de vloer, alsof ik zeer opgewonden was over de opmerkingen van de mannen, maar het geluid bleef gestaag toenemen. Oh God! Wat kon ik doen? Ik schuimbekte, ik raaskalde, ik zwoer! Ik zwaaide met de stoel waarop ik had gezeten en schuurde hem tegen de planken. Maar het geluid overstemde alles nam voortdurend toe. Het werd luider. Luider. Luider! En nog steeds waren de mannen lekker aan het kletsen en ze glimlachten. Was het mogelijk dat zij het niet hoorden? Almachtige God! Nee, nee! Ze hoorden het! Ze vermoedden het! Ze wisten het! Ze maakten een lachertje van mijn angst! Dit dacht ik, en dit denk ik. Maar alles beter dan deze lijdensweg! Alles was meer aanvaardbaar dan deze spot! Ik kon die hypocriete glimlachen niet langer verdragen! Ik voelde dat ik moest gillen of sterven! En toen? Opnieuw! Luister! Luider! Luider! Luider! Luider!

‘Schurken!’ schreeuwde ik, ‘Veins niet meer! Ik geef de daad toe! Doe de planken omhoog! Hier, hier! Het is het kloppen van zijn afschuwelijke hart!’

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "http://nl.wikisource.org/wiki/Het_verraderlijke_hart"
Persoonlijke instellingen