Het verslag van mijn onderzoek/Boek I

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Crystal txt.png   Nog te hertalen
Deze tekst is (gedeeltelijk) een verouderde Nederlandse vertaling. Ze moet hertaald, of indien mogelijk zelfs opnieuw vertaald worden.

Dit is het verslag van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassus, om ervoor te zorgen dat men wat er door de mensen gedaan is niet door de tijd heen vergeten zou worden, en ook om ervoor te zorgen dat de grote en bewonderenswaardige daden, zowel door Grieken als barbaren verricht, niet roemloos zouden worden. Ook wordt behandeld waarom ze slaags geraakten met elkaar.

Boek I: Klio[bewerken]

Dit is een overzicht van de paragrafen van boek I

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51 - 52 - 53 - 54 - 55 - 56 - 57 - 58 - 59 - 60 - 61 - 62 - 63 - 64 - 65 - 66 - 67 - 68 - 69 - 70 - 71 - 72 - 73 - 74 - 75 - 76 - 77 - 78 - 79 - 80 - 81 - 82 - 83 - 84 - 85 - 86 - 87 - 88 - 89 - 90 - 91 - 92 - 93 - 94 - 95 - 96 - 97 - 98 - 99 - 100 - 101 - 102 - 103 - 104 - 105 - 106 - 107 - 108 - 109 - 110 - 111 - 112 - 113 - 114 - 115 - 116 - 117 - 118 - 119 - - 120 - 121 - 122 - 123 - 124 - 125 - 126 - 127 - 128 - 129 - 130 - 131 - 132 - 133 - 134 - 135 - 136 - 137 - 138 - 139 - 140 - 141 - 142 - 143 - 144 - 145 - 146 - 147 - 148 - 149 - 150 - 151 - 152 - 153 - 154 - 154 - 155 - 156 - 157 - 158 - 159 - 160 - 161 - 162 - 163 - 164 - 165 - 166 - 167 - 168 - 169 - 170 - 171 - 172 - 173 - 174 - 175 - 176 - 177 - 178 - 179 - 180 - 181 - 182 - 183 - 184 - 185 - 186 - 187 - 188 - 189 - 190 - 191 - 192 - 193 - 194 - 195 - 196 - 197 - 198 - 199 - 200 - 201 - 202 - 203 - 204 - 205 - 206 - 207 - 208 - 209 - 210 - 211 - 212 - 213 - 214 - 215 - 216


I[bewerken]

De Perzische geleerden zeggen dat de Feniciërs schuldig waren aan deze twist. Ze zeggen immers dat dezen van de zee, die de Rode Zee genoemd wordt, gekomen waren naar deze zee, na zich gevestigd te hebben in het land waar ze ook nu nog wonen, en zich spoedig zouden toeleggen op grote zeetochten. Hierbij zouden ze zowel Egyptische als Assyrische waar vervoeren, en ook op andere plaatsen komen, in het bijzonder in Argos. Argos stond in die tijd in alles voor op de andere steden in het land dat nu Hellas genoemd wordt. De geleerden zeiden dat toen de Feniciërs in Argos aangekomen waren, ze daar hun waar hadden uitgestald. Volgens de geleerden waren op de vijfde of de zesde dag nadat ze aangekomen waren, toen ze bijna alle waar aan hen verkocht hadden, vele verschillende vrouwen naar de zee gegaan, waaronder de dochter van de koning: zij heette, zoals ook de Grieken zeggen, Io van Inachus: ze waren dan bij de achtersteven van het schip gaan staan en hadden van de waar gekocht waar ze het meeste zin in hadden: dan hadden volgens de geleerden de Feniciërs hen na onderlinge aansporingen geroofd. Het merendeel van de vrouwen had kunnen vluchten, maar Io was onder andere geroofd. Volgens deze geleerden hadden ze hen dan op het schip gezet en waren zij haastig weggevaren naar Egypte.

II[bewerken]

De Perzen zeiden, niet zoals de Grieken, dat Io zo in Egypte aangekomen was, en dat dat het begin was geweest van de onenigheden. Ze zeiden dat daarna enkele Grieken (ze kenden hun naam immers niet) aan land gegaan waren in Tyrus, in Fenicië en daar de dochter van de koning, die Europa heette, geroofd hadden. Dat waren echter wellicht Kretenzers. Dat was hen gelijk om gelijk overkomen, zeiden ze, maar daarna waren de Grieken schuldig geworden aan het tweede onrecht: ze waren immers met een groot schip naar het Colchische Aea en naar de Phasis gevaren, en vandaar hadden ze, nadat ze gedaan hadden waarvoor ze kwamen, de dochter van de koning, Medea, geroofd. De koning van Colchis zou toen een gezant naar Griekenland hebben gestuurd om boete te vragen en zijn dochter terug te eisen. Dezen zouden geantwoord hebben dat het feit dat zij ook geen boete hadden gegeven voor de roof van Io van Argos: dus zij zouden ze zelf ook niet teruggeven.

III[bewerken]

Vervolgens zeiden ze dat twee generaties later Alexander, zoon van Priamus, die dat gehoord had, een vrouw uit Griekenland voor zich wilde roven, omdat hij heel goed wist dat hij geen boete zou moeten betalen; zij hadden er immers ook geen betaald. Toen hij zo Helena geroofd had, besloten de Grieken eerst gezanten te zenden om Helena terug te eisen en boete te vragen voor de roof. De anderen echter hielden hen, die daarmee aankwamen, de roof van Medea voor, zogezegd omdat zij ook geen boete hadden betaald en Medea niet hadden uitgeleverd wilden dat zij boete zouden krijgen van anderen.

IV[bewerken]

Ze zeiden dat er tot dan toe slechts wederzijdse roof geweest was, maar dat vanaf toen de Grieken voornamelijk de schuld geworden waren: zij waren immers eerder begonnen met een leger naar Azië op te trekken dan de Perzen zelf naar Europa. Zij achtten nu het roven van vrouwen een daad van onrechtvaardigen, er ernst van maken de geroofde dingen te wreken een van onverstandigen, en zich geen zorgen te maken over wat geroofd was een van wijzen: het was immers duidelijk dat, indien ze het zelf niet wilden, de dames niet geroofd werden. De Perzen zeiden dat zij zelf als Aziaten geen rekening hielden met de geroofde vrouwen, maar dat de Grieken omwille van een Spartaanse vrouw een grote legermacht bijeengebracht hadden en naar Azië gegaan waren om de macht van Priamus te breken. Vanaf toen werd er altijd wat hun Grieks voorkwam beschouwd als vijand. De Perzen beschouwden Azië en de barbaarse volkeren die daar woonden als deel van hen, en ze gedroegen zich verschillend van Europa en Griekenland.

V[bewerken]

Zo zeggen de Perzen dat het gebeurd is, en ze menen dat de inname van Troje voor hen het begin was van de vijandschap tegenover de Grieken. Wat Io echter betreft zijn de Feniciërs het niet eens met de Perzen: ze zeggen immers dat zij haar niet door middel van roof naar Egypte gebracht hebben, maar dat zij in Argos omgang had met de kapitein van hun schip: toen ze erachter kwam dat ze zwanger was, schaamde ze zich voor haar ouders en voer ze zo welwillend met de Feniciërs mee, opdat het niet bekend zou worden. Dat zeggen nu zowel de Perzen als de Feniciërs; ik zal niet zggen of het zo of anders gebeurd is, maar ik weet dat het begin van het onrecht van de Grieken kwam, maar terwijl ik dat vertel zal ik verder gaan naar het volgende deel van mijn verhaal, en zo kleine en grote steden van mensen bespreken. Veel wat vroeger groot was, is immers klein geworden, en wat nu groot is, was vroeger klein. Aangezien ik dus weet dat het menselijk geluk nooit bij dezelfde blijft, zal ik van beiden op gelijkaardige wijze melding maken.

VI[bewerken]

Croesus was een Lydiër van afkomst, kind van Alyattes, en heerser over de volkeren die aan zijn kant van de Halys woonden, die vanuit het zuiden door Syrië en Paphlagonië stroomt en in het noorden uitmondt in de zee die de Gastvrije Zee genoemd wordt. (nvdr: De Zwarte Zee). Die Croesus onderwierp als eerste van de barbaren waarvan wij het gezien hebben sommige Grieken, zodat ze schatting aan hem moesten betalen, en won anderen als vrienden voor zich. Hij onderwierp de Ioniërs, de Aeoliërs en de Doriërs in Azië, en hij won de Spartanen als vrienden voor zich. Voor de heerschappij van Croesus waren alle Grieken vrij: de veldtocht van de Cimmeriërs tegen Ionië, die voor Croesus' tijd was, diende immers niet tot onderwerping van de steden, maar tot de buit van de plundering.

VII[bewerken]

De heerschappij, die van de Heracliden was, ging als volgt over naar het geslacht van Croesus, dat de Mermnaden wordt genoemd.Candaules, de tiran van Sardes, die de Grieken Myrsilus noemen, was een afstammeling van Alcaeus, zoon van Hercules. Agron, zoon van Ninus, zoon van Belus, zoon van Alcaeus was immers de eerste koning van de Heracliden over Sardes; Candaules, zoon van Myrsus, de laatste. Diegenen, die voor Agron regeerden over die streek waren afstammelingen van Atys de Lydiër, en naar hem werd het hele Lydische volk ook zo genoemd; daarvoor werd het het Maeonische volk genoemd. Daarna werd de heerschappij door godspraak aan de Heracliden toevertrouwd, afstammelingen van een slavin van Jardanus en Heracles, en zij regeerden gedurende tweeëntwintig generaties, oftewel vijfhonderd en vijf jaar, waarbij de heerschappij overging van vader op zoon, tot aan Candaules, zoon van Myrsus.

VIII[bewerken]

Die Candaules nu was verliefd op zijn eigen vrouw, en omdat hij verliefd was, meende dat hij verreweg de mooiste vrouw van allemaal had. Aangezien hij dat meende (hij had immers onder zijn lansdragers Gyges, zoon van Dascylus, die hem erg beviel), legde hij aan die Gyges de belangrijkere zaken voor, waarbij in het bijzonder ook het uiterlijk van zijn vrouw prees. Korte tijd later (het moest immers wel slecht aflopen met Candaules) zei hij het volgende tegen Gyges: "Gyges, ik denk niet dat je mij gelooft wanneer ik je spreek over het uiterlijk van mijn vrouw; oren zijn immers (toevallig) voor mensen onbetrouwbaarder dan ogen, zorg daarom dat je haar naakt ziet." Deze nu riep luid: "Meester, welke onreine woorden spreekt U daar, wanneer U mij beveelt mijn meesteres naakt te zien? Samen met haar mantel legt een vrouw ook haar eergevoel af. Al vanouds zijn er goede waarden uitgedacht voor mensen, waaruit men moet leren; één daarvan is het volgende: men moet slechts kijken naar zijn eigen zaken. Ik geloof reeds dat zij de schoonste vrouw van allen is, en ik smeek U mij geen normloze dingen te vragen."

IX[bewerken]

Met die woorden protesteerde Gyges, omdat hij vreesde dat er daaruit voor hem ongeluk zou voortkomen, maar Kandaules antwoordde: Wees gerust, Gyges, en wees niet bang dat ik je met dit voorstel op de proef stel, of dat mijn vrouw je schade zou toebrengen. Vanaf het begin zal ik het immers zo regelen dat zij niet te weten komt dat jij haar bespiedt. Want ik zal je in onze slaapkamer achter de open deur plaatsen. Nadat ik binnengegaan ben, zal ook mijn vrouw de slaapkamer binnengaan. Er staat een stoel bij de ingang. Mijn vrouw zal daarop haar kledij, nadat ze ze stuk voor stuk uitgetrokken heeft, leggen en jij zal haar in alle stilte kunnen aanschouwen. Wanneer ze weggaat van de stoel, naar het bed, en met haar rug naar jou staat, moet je er vanaf dan voor zorgen dat ze jou niet door de deur ziet buitengaan.

X[bewerken]

In de mening dat hij er niet aan kon ontsnappen, gaf hij zich gewonnen. Toen het bedtijd was, troonde Kandaules Gyges mee naar de slaapkamer. Kort daarna verscheen ook zijn vrouw. Ze legde haar kleren af en werd aanschouwd door Gyges. Toen ze met haar rug naar hem stond en naar het bed ging, sloop hij van achter de deur naar buiten, maar de vrouw zag hem naar buiten gaan. In de wetenschap dat haar echtgenoot hier achter zat gilde ze niet en hoewel ze ten schande was gemaakt, liet ze niets merken, met de gedachte om Kandaules <later> te straffen. Bij de Lydiërs is het immers, evenals bij de andere niet-Grieken, bijna altijd zeer schandelijk als zelfs een man naakt gezien wordt

XI[bewerken]

Toen toonde ze op die manier niets en hield ze zich rustig. Maar zodra het dag was, bereidde ze de slaven van wie ze wist dat ze hen het meest kon vertouwen, voor en riep ze Gyges. Omdat hij geen vermoeden had dat zij iets wist van wat er gebeurd was, ging hij naar haar toen hij geroepen werd. Hij was ook immers vroeger gewoon te komen telkens als zijn meesteres hem riep. Zodra Gyges aangekomen was zei de vrouw het volgende: ‘ Er zijn voor jou nu 2 wegen aanwezig, Gyges, ik geef jou de keuze welk van beide je wil inslaan. Want ofwel moet je Kandaules doden en krijg je mij en het koningschap van Lydië, ofwel moet je dadelijk zelf sterven zonder meer, opdat je voortaan niet meer zou zien wat je niet mag zien door Kandaules in alles te gehoorzamen. Maar het is werkelijk nodig ofwel degene die dat bedacht heeft omkomt (gedood wordt) ofwel jij die mij naakt bekeken hebt en gedaan hebt wat niet gebruikelijk is. Gyges was eerst wel zeer verwonderd over wat ze gezegd had, maar vervolgens smeekte hij haar om hem niet te dwingen over zo'n keuze te beslissen. Hij kon haar dus niet overtuigen, maar hij zag dat hij werkelijk moest kiezen om ofwel zijn meester te doden, ofwel zelf gedood te worden door anderen. Hij koos om zelf in leven te blijven. Hij vroeg dus het volgende: Aangezien je mij dwingt mijn meester te doden, hoewel ik niet wil, komaan, laat mij dan horen op welke wijze wij hem dan wel zullen aanvallen. Zij nam het woord over en zei:"De aanval zal precies van op dezelfde plaats gebeuren waar ook hij met mij naakt gepronkt heeft, de aanslag zal gebeuren wanneer hij inslaapt."

XII[bewerken]

Toen ze de aanslag beraamd hadden en het nacht geworden was - Gyges onttrok zich immers niet, er was helemaal geen ontsnapping mogelijk voor hem, ofwel moest hijzelf doodgaan ofwel Kandaules - volgde hij de vrouw tot in de slaapkamer en zij verstopte hem achter dezelfde deur, nadat ze hem een dolk gegeven had. En daarna, toen Kandaules ging slapen, sloop Gyges van achter de deur te voorschijn, doodde hem en kreeg zowel de vrouw als het koningschap.

XIII[bewerken]

Zo verkreeg Gyges de heerschappij en hij werd daarin bevestigd door het orakel in Delphi. Want toen de Lydiërs vertoornd waren over wat Candaules was aangedaan, kwamen de aanhangers van Gyges en de overige Lydiërs overeen, dat wanneer het orakel hem koning van de Lydiërs verklaarde, hij heersen zou; indien niet, dat hij de heerschappij terug zou geven aan de Heracliden. En het orakel antwoordde; en zo werd Gyges koning. Maar dit zei de Pythia er nog bij, dat "voor de Heracliden wraak zou komen bij de vijfde afstammeling van Gyges". Aan deze uitspraak gaven noch de Lydiërs noch hun koningen enige aandacht, tot zij tot vervulling kwam.

XIV[bewerken]

Zo verkregen de Mermnaden de heerschappij, nadat ze deze de Heracliden ontnomen hebben ontnomen. Gyges zond, toen hij koning was geworden, wijgeschenken naar Delphi, niet gering in aantal; want de zilveren wijgeschenken in Delphi zijn merendeels van hem, en behalve het zilver wijdde hij onmetelijk veel [[w:goud|goud], zowel andere voorwerpen als wat het meest de vermelding waard is: zes mengvaten zijn daar door hem gewijd. Deze staan in de Corinthische schatkamer, en had een gewicht van dertig talenten; om de waarheid te zeggen, is deze schatkamer niet van het Corinthische volk, maar van Cypselus, zoon van Eëtion. Deze Gyges zond, de eerste van de barbaren van wie wij dat weten, wijgeschenken naar Delphi, net zoals Midas, Gordias' zoon, de koning van Phrygië. Want Midas wijdde de koninklijke zetel, op welke hij zat als hij recht sprak - een bezienswaardig werk; deze zetel staat op dezelfde plek als waar ook de mengvaten van Gyges zijn. Dit goud en het zilver, dat Gyges gewijd heeft, wordt door de Delphiërs het Gygadische genoemd, naar de naam van de schenker. Dezelfde maakte ook, toen hij heerser was geworden, een veldtocht tegen Miletus en tegen Smyrna, en veroverde de benedenstad van Colophon. Maar terwijl geen andere belangrijke daad daarna nog van hem kwam, terwijl hij achtendertig jaar regeerde, willen wij hem laten varen, na deze dingen van hem te hebben gezegd.

XV[bewerken]

Van Ardys, Gyges' zoon, die na Gyges koning was, zal ik wél melding maken. Deze nam Priëne in, en viel ook in in Miletus, en terwijl hij regeerde te Sardes, kwamen de Cimmeriërs uit hun woonplaatsen, door de Scythische nomaden verdreven, in Azië en veroverden Sardes, behalve de burcht.

XVI[bewerken]

Op Ardys, die negenenveertig jaar geregeerd had, volgde Sadyattes, zijn zoon, en regeerde twaalf jaar, en op Sadyattes volgde Alyattes. Deze voerde oorlog met Cyaxares, de afstammeling van Deioces, en de Meden; hij verdreef de Cimmeriërs uit Klein-Azië, en hij veroverde Smyrna, dat van Colophon uit gesticht was, en hij viel in in Clazomenae. Van deze plaats trok hij terug, niet zoals hij wilde, maar serieus verzwakt. Als andere zeer meldenswaardige daden heeft hij in zijn regering de volgende volbracht.

XVII[bewerken]

Hij voerde oorlog met de Milesiërs, de oorlog van zijn vader overnemende; want bij zijn inval belegerde hij Milete op de volgende manier: wanneer in het veld de vrucht rijp was, dan liet hij zijn leger een inval doen, en het trok op onder het geluid van pijpen en harpen, en ook van mannelijke en vrouwelijke fluiten. Wanneer hij nu in Milesië was gekomen, vernielde hij geen enkel huis op de velden, noch verbrandde hij ze, noch brak hij er de deuren uit, maar liet alles op zijn plaats staan; maar de bomen en de vruchten op het land, wanneer hij díé verwoest had, trok hij zich weer terug. Want over de zee waren de Milesiërs de baas, zodat een belegering van geen nut was voor het leger. De huizen verwoestte de Lydiër daarom niet, zodat de Milesiërs van dezen uit zouden kunnen gaan om het land te bezaaien en te bebouwen, en hij zelf, als de anderen het bebouwd hadden, iets had, om bij zijn inval te verwoesten.

XVIII[bewerken]

Op deze manier voerde hij elf jaar lang oorlog, waarin twee keer een grote nederlaag voor de Milesiërs voorkwam; de ene toen zij streden bij Limeneum in hun eigen gebied, de andere in de vlakte van den Maeander. Zes van de elf jaar heersde Sadyattes, Ardys' zoon, over de Lydiërs, die ook in die tijd op tochten tegen Milesië ging (want deze was het ook, die de oorlog begonnen was), maar de vijf jaren na die zes streed Alyattes, zoon van Sadyattes, die hem terwijl hij de oorlog van zijn vader overnam, zoals ik vantevoren al gemeld heb, met veel ijver voerde. Geen van de Iniërs hielp de Milesiërs in deze oorlogstijd, behalve de Chiërs. Gelijk met gelijk vergeldende stonden ze hen bij, want vroeger toch hadden de Milesiërs de Chiërs in den oorlog tegen de Erythraeërs geholpen.

XIX[bewerken]

In het twaalfde jaar, toen het koren door het leger in brand was gestoken, gebeurde het volgende: zodra het koren in brand gevlogen was, greep het brandende gewas door de wind voortgedreven de tempel van Athene, bijgenaamd de Assesische, aan en de tempel, omdat deze aangegrepen was, brandde af. En op dat ogenblik lette niemand erop, maar toen het leger in Sardes aan was gekomen, werd Alyattes ziek. En toen zijn ziekte lang duurde, zond hij boden naar Delphi om het orakel te raadplegen, hetzij op iemands aanraden, hetzij het hem zelf goed bedacht, en de god over zijn ziekte te ondervragen. Maar het orakel weigerde de Pythia te antwoorden, toen zij in Delphi gekomen waren, voor zij de tempel van Athena weer hadden opgebouwd, die zij verbrand hadden te Assesus in het Milesische gebied.

XX[bewerken]

Zo weet ik dat het gebeurd is (omdat ik het van de Delphiërs heb vernomen), maar de Milesiërs voegen er nog het volgende aan toe; dat Periander, - zoon van Cypselus - zeer nauw bevriend met Thrasybulus, op dat moment heerser van Milete, na gehoord te hebben van het aan Alyattes verstrekte antwoord, een bode aan Thrasybulus zond om het hem te melden, opdat hij het vooruit wetende naar de stand van de zaak zou kunnen overleggen. De Milesiërs zeggen, dat het zo gebeurd is.

XXI[bewerken]

En Alyattes, toen hem dat overgebracht was geworden, zond terstond een heraut naar Milete, voornemens om met Thrasybulus en de Milesiërs vrede te sluiten voor zoveel tijd, als hij de tempel bouwen zou. De gezondene dan ging naar Milete. Maar Thrasybulus, die de ganse zaak van te voren nauwkeurig vernomen had en begreep wat Alyattes zou doen, verzon het volgende: zoveel graan er in de stad was, en van hem zelf en van iedere burger, dat alles liet hij op de markt bijeen brengen, en aan de Milesiërs verkondigen, wanneer hij het teken gegeven zou hebben, dan allen te drinken en feest met elkaar te vieren.

XXII[bewerken]

Daarom deed en beval Thrasybulus dit, zodat de heraut, die uit Sardes, omdat hij een grote hoop graan opgestapeld zou zien en de mensen in weelde zou zien leven, dit aan Alyattes zou overbrengen. Wat dan ook gebeurde; want toen de heraut, na de dingen te hebben gezien en de opdracht van de Lydiër aan Thrasybulus bericht te hebben, naar Sardes was teruggekeerd, kwam, naar ik verneem, om geen andere reden de vrede tot stand. Want terwijl Alyattes verwachtte, dat er een hevig gebrek aan graan zou zijn in Milete, en dat het volk tot het uiterste van ellende geplaagd zou zijn, hoorde van de uit Milete teruggekeerde heraut totaal andere berichten dan hij zelf vermoed had. Daarna kwam er vrede tussen hen, onder de voorwaarde dat zij vrienden met elkaar zouden zijn en bondgenoten. En in plaats van één bouwde Alyattes voor Athena twee tempels in Assesus, en zelf stond hij op uit zijn ziekte. Ten opzichte van de oorlog tegen de Milesiërs en Thrasybulus ging het Alyattes zo.

XXIII[bewerken]

Periander was de zoon van Cypselus, dezelfde die aan Thrasybulus over het orakel verteld had. Heerser was Periander van Corinthus, en tegen hem zeggen de Corinthiërs (en de Lesbiërs zijn het met hen eens), dat in zijn leven het overgrote wonder is overkomen, dat Arion van Methymna op een dolfijn naar Taenarum gebracht is. Een citerspeler, geen van de toen levenden was beter, en die de eerste was van de mensen, voor zover wij weten, dat een dithyrambos dichtte, en het ook zo noemde en opvoerde in Corinthus.

XXIV[bewerken]

Zij zeggen dat deze Arion, toen hij geruime tijd bij Periander had doorgebracht, verlangde te reizen naar Italië en Sicilië, en na daar veel geld verdiend te hebben, weer naar Corinthus terug wilde keren. Hij ging dan uit van Tarentum en omdat hij niemand méér vertrouwde dan de Corinthiërs, huurde hij een schip met Corinthische bemanning; deze maakte echter op zee het plan Arion overboord te werpen en zijn geld te grijpen; toen hij dit echter bemerkte smeekte hij hen, terwijl hij hun zijn geld aanbood, maar om zijn leven bad.

Hij overreedde hen echter daarmee niet, maar de scheepslieden bevalen hem, ofwel zichzelf te doden, zodat hij een graf aan land zou krijgen, of zo spoedig mogelijk in zee te springen. Arion, tot het uiterste gebracht, smeekte hen toen, daar het door hen nu eenmaal zo besloten was, hem toe te laten, dat hij in zijn volle feestgewaad, staande op het achterschip, zingen zou; als hij gezongen had, beloofde hij, zou hij zich ombrengen. En zij, want hun kwam de lust bij het vooruitzicht de beste zanger der mensen te kunnen horen, weken van de achtersteven naar het midden van het schip. Hij ging op de roeibanken staan, na zijn volle gewaad aangetrokken en zijn cither genomen te hebben, en zong de orthische nomos helemaal door, en na het einde van de wijze wierp hij zich in zee, zoals hij was, met zijn gewaad. De anderen nu voeren naar Corinthus, maar een dolfijn nam hem op, zegt men, en bracht hem naar Taenarum. Toen hij aan land kwam, trok hij naar Corinthus met zijn gewaad, en daar aangekomen vertelde hij wat er gebeurd was. Periander hield Arion echter uit ongeloof in bewaking, liet hem geenszins vrij, en lette zorgvuldig op de zeelieden; toen zij aangekomen waren en ontboden, vroeg hij hen, of zij wat over Arion konden meêdelen. Toen zij beweerden dat hij behouden in Italië was, en zij hem in welstand in Tarentum hadden achtergelaten, verscheen plotseling Arion voor hen, zoals hij was toen hij uit het schip sprong, en zij waren zo geschrokken, dat zij overtuigd waren en niet langer konden loochenen. Dit zeggen de Corinthiërs en de Lesbiërs, en er is van Arion een ijzeren wijgeschenk, niet groot, in Taenarum; een op een dolfijn zittende man.

XXV[bewerken]

Alyattes de Lydiër, na de oorlog tegen de Milesiërs te hebben volbracht, stierf daarna, na een regering van zeven en vijftig jaren. Toen hij zijn kwaal ontvlucht was, wijdde hij, de tweede uit dat huis, een groot zilveren mengvat in Delphi, en een onderstuk uit ijzer ineengesoldeerd, bezienswaard boven al de wijgeschenken in Delphi, het werk van Glaucus de Chiër, die, als enige van alle mensen, de soldering van ijzer uitgevonden heeft.

XXVI[bewerken]

Na de dood van Alyattes nam Cresus, zoon van Alyattes, de regering over, die vijfendertig jaar oud was, en op de Ephesiërs maakte hij eerder dan op andere Hellenen een aanval. Toen nu de Ephesiërs door hem belegerd werden wijdden zij de stad aan Artemis door een snoer van de tempel naar de muur te spannen. Er is tussen de oude stad, die toen belegerd werd en de tempel een afstand van zeven stadiën. Deze dan viel Cresus het eerst aan, en daarna achter elkaar alle steden van de Ioniërs en Aeoliërs, en voor ieder voerde hij een andere reden aan, voor sommigen, als hij belangrijke gronden vinden kon, een belangrijke reden opgevend, doch bij anderen ook een onbeduidende aanvoerend.

XXVII[bewerken]

Nadat hij nu de Hellenen in Azië onderworpen had tot opbrengst van een schatting, vatte hij vervolgens het plan op schepen te bouwen, om de eilandbewoners aan te vallen. Toen echter alles gereed was tot het bouwen van schepen, zeggen sommigen, dat Bias van Priëne, anderen dat Pittacus van Mytilene, te Sardes gekomen, toen Cresus vroeg of er iets nieuws was in Hellas, hem met de volgende woorden van het schepenbouwen afgebracht heeft: "O koning, de eilanders werven een tallooze ruiterij aan, voornemens tegn Sardes en u op te trekken." En Cresus in de meening, dat hij de waarheid sprak, zeide: "Mochten de goden den eilanders dat in den geest brengen, met ruiters tegen de zonen der Lydiërs op te trekken." De ander echter ving hem op en zeide: "O koning, vurig schijnt ge mij toe te wenschen, dat ge de eilanders met de ruiterij op het vaste land aantreffen moogt, verwachtende wat wel geschieden zal; doch de eilanders, wat meent ge dat zij anders wenschen, zodra zij gehoord hebben, dat gij schepen tegen hen bouwen wilt, dan de Lydiërs op zee te vinden, dat zij wraak nemen voor de Hellenen op het vaste land, die gij in slavernij houdt?" Cresus verheugde zich zeer over deze laatste woorden, en door hen overtuigd (want hij kwam hem voor ter zake gesproken te hebben) onthield hij zich van het schepenbouwen. En zo sloot hij met de op de eilanden wonende Ioniërs een verbond.

XXVIII[bewerken]

Na verloop van tijd en toen bijna al de binnen de rivier Halys wonenden onderworpen waren, - want behalve de Ciliciërs en de Lyciërs had Cresus de andere allen onder zijn macht gebracht; [en deze zijn de Lydiërs, de Phrygiërs, de Mysiërs, de Mariandyners, de Chalybers, de Paphlagoniërs, de Thraciërs, zowel de Thynische als de Bithynische, de Cariërs, de Ioniërs, de Doriërs, de Aeoliërs, de Pamphyliërs -]

XXIX[bewerken]

Toen dezen onderworpen waren, en Cresus hen bij de Lydiërs gevoegd had, kwamen naar het door rijkdom bloeiende Sardes al de andere wijze mannen uit Hellas, die in dien tijd leefden, ieder om zijn redenen, en dan ook Solon een Athener, die voor de Atheners op hun bevel wetten gemaakt had en toen tien jaren in den vreemde was gegaan, uitgezeild onder voorwendsel van de wereld te willen zien, doch opdat hij niet gedwongen zou worden een der wetten op te heffen, die hij had ingevoerd. Want de Atheners zelven waren niet bij machte dat te doen; want door groote eeden waren zij gebonden tien jaren lang de wetten te zullen houden, die Solon hun geven zou.

XXX[bewerken]

Om deze redenen dan en ook om te zien buitenslands gegaan, kwam Solon in Egypte bij Amasis en ook dan te Sardes bij Cresus. En aangekomen werd hij in het paleis door Cresus gastvrij ontvangen. Daarna, de derde of vierde dag, voerden op bevel van Cresus dienaren Solon in de schatkamer rond en toonden alles wat daar groot en heerlijk was. En toen hij ook alles bezichtigd en onderzocht had, zoals hij gelegenheid had, vroeg Cresus hem dit: "Gastvriend Athener, tot ons toch is een groot gerucht gekomen èn over uw wijsheid èn over uw tochten, dat ge uit weetgierigheid ter bezichtiging veel land bezocht hebt: nu dan is de begeerte bij mij opgekomen om u te vragen, of ge wel iemand van allen als de gelukkigste zag?" Hij nu vroeg dit menende zelf de gelukkigste van de mensen te zijn; Solon evenwel, geenszins vleiende, doch met de waarheid te rade gaande, zei: "O koning, Tellus, de Athener." In verbazing over dit woord vroeg Cresus haastig: "Waarom dan acht gij Tellus de gelukkigste?" En deze zei: "Tellus kreeg vooreerst, bij de bloei van zijn stad, brave en dappere kinderen, en uit hen allen zag hij kinderen geboren worden, en die allen in het leven blijven, en ten tweede viel hem, nadat hij in welvaart had geleefd, naar onze mening, het schitterendste eind van het leven ten deel; want toen de Atheners met hun naburen bij Eleusis in strijd waren geraakt, kwam hij te hulp, en hij dreef de vijanden op de vlucht en stierf op het schoonst, en hem begroeven de Atheners van staatswege, waar hij gevallen was, en eerden hem op grootse wijze."

XXXI[bewerken]

Toen nu Solon de dingen van Tellus, de schoone en gelukkige, gezegd had en Cresus geprikkeld, vroeg deze, welken tweede gelukkige hij na dien gezien had, meenende zeker den tweeden prijs althans te zullen krijgen. Doch hij zeide: "Kleobis en Biton. Want dezen, Argiven van geboorte, hadden genoeg vermogen en daarbij een zodanige kracht des lichaams: prijswinnaars in den wedkamp waren beiden gelijkelijk, en zelfs wordt ook dit verhaal gezegd: toen er feest was voor Hera bij de Argiven moest hun moeder noodwendig in een wagen naar den tempel gebracht worden, doch de ossen waren niet op tijd uit het veld gekomen; gedrongen door den tijd trokken de jongelingen zelf den wagen, het juk op zich leggend, en op den wagen reed hun moeder, en vijf en veertig stadiën trokken zij haar, en bereikten den tempel. Nadat zij deze daad ten aanschouwe van de verzamelde menigte gedaan hadden, gewerd hun het beste einde des levens, en in hen toonde de god, dat het voor een mensch beter is te sterven, méér dan te leven. Want de Argiven, de omstaanden, loofden de kracht der jongelingen, doch de argivische vrouwen hun moeder, hoe groote kinderen de haren waren. De moeder nu, vol vreugde over de daad en den roem, ging voor het beeld des gods staan en smeekte: aan Kleobis en Biton, haar kinderen, die haar grootelijks geëerd hadden, zou de god geven, wat voor een mensch het beste is om te verwerven. Na dat gebed, toen zij geofferd hadden en feest gevierd, en te slapen zich gelegd hadden in den tempel zelven, stonden de jongelingen niet meer op, doch bleven bevangen in dit einde. Maar de Argiven maakten beelden van hen en wijdden die in Delphi als van hoog voortreffelijke mannen."

XXXII[bewerken]

Solon dan schonk den tweeden prijs voor geluk aan dezen, doch Cresus, opvlammend, sprak: "O gast Athener, wordt ons geluk dan door u zo tot niets verworpen, dat ge ons zelfs niet met gewone burgers gelijk maaktet?" En gene zeide: "O Cresus, mij den wetende dat al de godheid afgunstig is en verstorend, vraagt gij over de menschelijke dingen! Want in den langen tijd des levens moet men veel aanschouwen, wat men niet begeert, veel echter ook ondervinden. Want op zeventig jaren stel ik de grens des levens voor een mensch. Dezen, zeventig jaren zijnde, leveren dagen, twee honderd en vijf duizend en twintig duizend, ongerekend de schrikkelmaand; doch indien om het andere jaar een maand langer zal wezen, opdat de jaargetijden naar behooren met het jaar samentreffen, zijn de schrikkelmaanden boven de zeventig jaren vijf en dertig in getal, en de dagen uit die maanden duizend en vijftig. Van al deze dagen nu in de zeventig jaren, zijnde in getal vijftig en twee honderd en zeven duizend en tweemaal tien duizend, brengt de eene van hen voortdurend geen enkele zaak aan gelijk aan den anderen. Zóó dus, o Cresus, is de mensch geheel toeval. Gij blijkt mij zeer rijk te wezen, en koning van veel menschen; doch dat, wat ge mij vroegt, noem ik u geenszins, voor ik verneem, dat gij schoon uw leven geëindigd hebt. Want niet voorwaar is de zeer rijke gelukkiger dan die voor den dag heeft, indien hem niet het lot geworde, bij behoud van al het goede schoon zijn leven te eindigen. Want vele zeer rijken der menschen zijn niet gelukkig, velen daarentegen, matig van vermogen, voorspoedig. De zeer rijke nu, doch ongelukkige, overtreft in twee zaken enkel den voorspoedigen, doch deze den rijken en ongelukkigen in vele. De eerste kan beter zijn begeerte bevredigen en een groot onheil, als het hem treft, dragen; doch hierin overtreft hij de ander: in het dragen van onheil en lust is die ander wel niet even sterk als de eerste, doch zijn voorspoed behoedt hem voor die dingen; flink is hij van leden, zonder ziekte, vrij van rampen, met schoone kinderen en schoon van uiterlijk. Indien hij daarbij nog zijn leven goed zal eindigen, dan is hij die, welken gij zoekt: die waardig is gelukkig te heeten; voor hij evenwel gestorven is, onthoud u en noem hem geenszins gelukkig, doch voorspoedig. Dit alles nu te zamen te bezitten is voor een mensch onmogelijk, gelijk geen enkel land in staat is alles voor zich zelve voort te brengen, doch het eene heeft het, het mist het andere; wat echter het meeste bezit, dat is het beste. zo ook is geen enkel menschelijk lichaam zich zelf voldoende: want dát heeft het, iets anders ontbreekt er aan. Doch die het meeste van die dingen bezit en zo leeft en daarna goedsmoeds zijn leven eindigt, deze verdient bij mij, o koning, dien naam te dragen. Nagaan moet men van elk ding het einde, hoe het af zal loopen; want aan velen toch het geluk even toonend, heeft de god ze tot in den grond vernietigd."

XXXIII[bewerken]

Dit zeggende was hij aan Croesus gansch niet aangenaam, en deze telde hem in 't geheel niet, en zond hem weg, hem voor zeer dom houdende, die het voorhandene goed voorbijzag en het eind van ieder ding aanried na te gaan.

XXXIV[bewerken]

Na Solon's vertrek greep een groote wraak uit den God Cresus aan, naar vermoeden is, omdat hij zich zelven van alle menschen den gelukkigste achtte. Al spoedig kwam in den slaap een droom tot hem, die hem de waarheid openbaarde over de rampen die hem treffen zouden in zijn zoon. Cresus nu had twee zonen, van welke de een ondeugdelijk was, want hij was doofstom; de andere daarentegen van zijn tijdgenooten verreweg in alles de eerste; zijn naam was Atys. Dezen Atys nu duidde de droom Cresus aan, dat hij hem verliezen zou, gewond door een ijzeren lanspunt. Hij nu, toen hij ontwaakt was en bij zichzelf overwogen had, vreesde den droom en gaf zijn zoon een vrouw, en tevens zond hij hem, terwijl hij gewoon was de Lydiërs in het veld aan te voeren, niet langer uit op zulk een bezigheid, en werpspeeren en lansen en al dergelijke dingen, welke de menschen in den oorlog gebruiken, liet hij uit de mannenvertrekken wegdragen en in zijn eigen kamers bijeenbrengen, opdat niet iets, dat opgehangen was, op zijn zoon neer zou vallen.

XXXV[bewerken]

Terwijl hij bezig was met het huwlijk van zijn zoon, kwam een man te Sardes, door onheil getroffen en niet onbezoedeld van handen, een Phrygiër van geboorte en van koninklijk geslacht. Deze naar het paleis van Cresus gekomen, verzocht volgens de zeden des lands reiniging te verkrijgen, en Cresus reinigde hem. De reiniging nu is bij de Lydiërs en de Hellenen nagenoeg dezelfde. Toen Cresus het gebruikelijke gedaan had, vroeg hij, van waar en wie hij was, zeggende dit: "O mensch, wie zijt gij, en van waar uit Phrygië komt gij, die als smeekeling aan mijn haard zijt gekomen, en wien van mannen of vrouwen hebt ge gedood?" En gene antwoordde: "O koning, van Gordias, zoon van Midas, ben ik de zoon, ik heet Adrastus, en onwillig mijn broeder gedood hebbend ben ik hier, verjaagd door mijn vader en van alles beroofd." Cresus antwoordde hem met deze woorden: "Van bevriende mannen zijt ge een nakomeling en tot vrienden ook zijt ge gekomen, waar het u aan geen enkel ding zal ontbreken, als ge blijft in mijn paleis. Draag dit onheil zo licht mogelijk en ge zult het meeste voordeel hebben." zo dan hield hij zijn verblijf bij Cresus.

XXXVI[bewerken]

In dienzelfden tijd verschijnt op den mysischen Olympus een groot gevaarte van een zwijn; dit dier van dien berg afstormende verwoestte de velden der Mysiërs en de Mysiërs dikwijls er tegen uitgetrokken konden het geen kwaad doen, doch leden kwaad van het dier. Eindelijk kwamen boden van de Mysiërs tot Cresus en zeiden dit: "O koning, een geweldig gevaarte van een zwijn is in ons land verschenen, dat de velden verwoest. Wij trachtten met ijver, doch kunnen het niet vangen. Daarom dan smeeken wij u uwen zon en uitgelezen jongelingen en honden met ons te zenden, opdat wij het uit het land jagen." Zij nu vroegen om deze dingen, Cresus evenwel, den droom gedachtig, sprak tot hen de volgende woorden: "denkt aan mijn zon niet langer; niet toch zal ik hem met u zenden, jonggetrouwd toch is hij: en díe zaken gaan hem thans ter harte. Doch uitgelezenen der Lydiërs en den ganschen hondentrein zal ik mede zenden, en ik zal hen bij het vertrek bevelen zo ijverig mogelijk te wezen om met u het beest uit het land te jagen."

XXXVII[bewerken]

Dat antwoordde hij, en terwijl de Mysiërs daarmede tevreden waren, kwam de zoon van Cresus binnen, gehoord hebbende wat de Mysiërs vroegen; en toen Cresus weigerde zijn zoon met hen te zenden, zeide de jongeling dit tot hem: "o vader, vroeger was het voor ons het schoonst en het edelst om naar den oorlog en de jacht te gaan en daar te schitteren. Nu echter hebt ge mij van beide die zaken uitgesloten, zonder eenige lafheid bij mij op te letten noch onwil. En nu, met welke oogen moet ik mij vertoonen, gaande naar den markt of van den markt. Welk een man zal ik den burgers schijnen te wezen, welk een aan mijn jonggehuwde vrouw? Met welk een man zal zij meenen gehuwd te zijn? Of dus laat mij gaan naar de jacht, òf overtuig mij met bewijs, dat zóó gedaan de zaken beter voor mij zijn."

XXXVIII[bewerken]

Cresus antwoordt met deze woorden: "o zoon, niet daar ik lafheid, noch daar ik iets anders verkeerds bij u zie, doe ik dat, maar een droomgezicht in den slaap tot mij komend zeide dat gij kort van leven zoudt zijn: want door een ijzeren speerpunt zoudt gij omkomen. Om dat droomgezicht dan heb ik uw huwelijk gehaast en zend ik u niet naar de onderneming, om te trachten, of ik u ook zo lang ik leef aan het noodlot zou kunnen ontstelen. Want gij zijt mijn eenige zoon, want den anderen, die gebrekkig is van gehoor, acht ik niet te bestaan."

XXXIX[bewerken]

De jongeling antwoordt met deze woorden: "te vergeven is het u zeker, o vader, daar ge zulk een gezicht zaagt, dat ge waakt over mij. Doch wat gij niet begrijpt en wat in den droom u verborgen is gebleven, dat behoor ik u te zeggen. De droom, zegt ge, zeide dat ik door een ijzeren speerpunt zou sterven; doch welke zijn bij een zwijn de handen, welke is de ijzeren speerpunt, dien gij vreezen zoudt? Want indien hij door een tand mij wilde laten sterven, of door iets anders, wat daarop gelijkt, dan moest gij doen wat gij doet, - nu echter door een speerpunt. Daar nu niet tegen mannen onze strijd is, laat mij."

XL[bewerken]

Cresus antwoordt: "o zoon, voorwaar ge overwint mij, zóó den droom uitleggend; overwonnen dan door u verander ik mijn besluit, en laat u op de jacht gaan."

XLI[bewerken]

Na deze woorden ontbiedt Cresus den Phrygiër Adrastus en zegt hem na zijn komst het volgende: "Adrastus, ik heb u, getroffen door droevig onheil, dat ik u niet verwijt, gereinigd en u in mijn huis opgenomen, u al het noodige verschaffend. Nu dan, - want mij, die u het eerst goed gedaan heeft, behoort ge met goed te beantwoorden, - bewaker verzoek ik u van mijn zoon te wezen, die op de jacht gaat, dat niet roofzuchtige boosdoeners tot uw verderf zich vertoonen. Bovendien behoort ge ook zelf te gaan, waar ge schitteren kunt door daden; want dat erfdet gij en daarbij hebt ge de kracht."

XLII[bewerken]

Adrastus antwoordt: "O koning, niet zou ik in een ander geval naar zulk een kamp getrokken zijn, want noch past het, die door zulk een onheil gedrukt is, met gelukkige gezellen te gaan, noch ìs er het verlangen, en om vele andere redenen zou ik mij onthouden hebben. Nu echter, daar gij mij aanspoort en ik u ter wille moet wezen, - want ik behoor u met goed te beantwoorden - ben ik bereid dat te doen, en uw zoon, dien ge mij opdraagt te bewaken, verwacht dat hij ongedeerd zal terugkeeren, voor zover het van den bewaker afhangt."

XLIII[bewerken]

Toen hij met zulke woorden Cresus geantwoord had, trokken zij daarna op, wel voorzien van uitgelezen jongelingen en honden. En bij den berg Olympus gekomen zochten zij het beest, en zij vonden het en in een kring er om staande, slingerden zij hun speeren er naar heen. Toen dan was het dat de gast, deze nu de gereinigde van moord en Adrastus geheeten, een speer werpende naar het zwijn, dit miste, doch trof den zoon van Cresus. En deze dan, getroffen door den speerpunt, vervulde het woord van den droom, en iemand ging om aan Cresus het gebeurde te berichten, en te Sardes gekomen meldde hij hem het gevecht en het lot van zijn zoon.

XLIV[bewerken]

Doch Cresus, door den dood zijns zoons buiten zich zelven, jammerde nog méér, dat hij hem doodde, dien hij zelf van moord gereinigd had. En in fellen smart over zijn onheil riep hij heftig Zeus den Zoener aan, als getuige van wat hij van den gastvriend ondervonden had, en hij riep ook den Haardgod aan en den God der Vriendschap, dienzelfden god noemend: den Haardgod riep hij aan, omdat hij in zijn huis den vreemde ontvangend, onwetend den moordenaar van zijn zoon gevoed had; den God der Vriendschap, daar hij als waker hem meêzendend, hij allervijandigst hem bevonden had.

XLV[bewerken]

Daarop kwamen de Lydiërs en brachten het lijk, en daarachter volgde de moordenaar. En staande voor het lijk gaf hij zich aan Cresus, de handen uitstrekkend en verzocht hem te slachten op het lijk, zeggende zijn vorig onheil en hoe hij daarbij nog zijn reiniger ongelukkig gemaakt had, en hij niet meer leven mocht. En Cresus dit hoorende voelde medelijden met Adrastus, hoewel hij zelf in zulk een eigen ramp was, en zeide tot hem: "Ik heb, o gast, geheele voldoening van u, daar ge zelf u ter dood veroordeelt. Maar gij zijt mij niet de oorzaak van dezen ramp, behalve voor zover ge hem onwillens uitgevoerd hebt, maar een der goden die mij reeds lang te voren openbaarde, wat komen zou." Cresus begroef daarop zijn zoon naar de zede, maar Adrastus, zoon Gordias, zoon van Midas, deze dan de moordenaar van zijn eigen broeder geworden, moordenaar ook voor zijn reiniger, toen stilte van de menschen bij het graf was gekomen, beseffende van de menschen die hij kende de meest rampzalige te wezen, slachtte zich zelf op het graf.

XLVI[bewerken]

En Cresus beroofd van zijn zoon, zat twee jaren in grooten rouw ter neder. Daarna maakten de omverwerping van de heerschappij van Astyages, zoon van Cyaxares, door Cyrus, zoon van Cambyses, en de toenemende macht der Perzen een einde aan den rouw van Cresus en brachten hem op de gedachte, of hij ook vóór de Perzen groot waren geworden, hun toenemende macht zou kunnen tegen houden. Na deze overweging stelde hij terstond de orakels èn die der Hellenen èn die in Libye op de proef, overal boden zendende, sommigen naar Delphi, anderen naar Abae in Phocis, anderen naar Dodona; sommigen werden gezonden naar Amphiaraüs en naar trophonius, anderen naar Branchidae in Milesië. Deze nu zijn de Helleensche godspraken, waarheen Cresus boden zond om raad in te winnen, en naar Ammon in Libye zond hij anderen om het orakel om antwoord te vragen. Hij zond naar al die plaatsen om de orakels te onderzoeken, wat zij wisten, opdat indien zij bevonden werden de waarheid te weten, hij wederom tot hen zenden zou om te vragen, of hij den veldtocht tegen de Perzen zou ondernemen.

XLVII[bewerken]

En met de volgende opdracht zond hij de Lydiërs uit ter onderzoeking van de orakels: dat zij, van den dag, waarop zij uit Sardes wegreisden, van dien dag af de volgende dagen tellende, op den honderdsten dag de orakels zouden vragen, wat de koning der Lydiërs, Cresus, zoon van Alyattes, geviel te doen; en wat ieder der orakels antwoordde, dat zouden zij opschrijven laten, en naar hem brengen. Wat nu de andere orakels geantwoord hebben, wordt door niemand gemeld; doch in Delphi, zodra de Lydiërs in den tempel kwamen om den god te raadplegen en het bevolene vroegen, zeide de Pythia in zesvoetige verzen het volgende:

Zeggen kan ik de korrels des zands en de maten der waat'ren En den stommen versta ik, en hoor ook hem, die geen stem heeft. Tot mij dringt nu de geur van den stevig ompantserden schildpad, Daar hij in 't koperen vat tegelijk met het lamschvleesch gekookt wordt. Koper is onder zijn lijf, en koper ook dekt hem van boven.

XLVIII[bewerken]

Dit antwoord van de Pythia lieten de Lydiërs opschrijven en gingen terstond naar Sardes. Toen ook de anderen uitgezondenen terug waren met de antwoorden, vouwde Cresus alle geschriften open en zag ze in. Geen een van hen beviel hem evenwel, doch toen hij dat uit Delphi gelezen had, vereerde hij het terstond en nam het aan, meenende dat het delphische orakel het eenige was, daar het had gevonden wat hij deed. Want toen hij naar alle kanten boden had gezonden om de orakels te raadplegen, lette hij den afgesproken dag goed op en deed het volgende: verzonnen hebbend, wat onmogelijk was om te vinden en te raden, sneed hij een schildpad en een lam in stukken en kookte ze zelf in een metalen ketel, en zette er een metalen deksel op.

XLIX[bewerken]

zo werd dan te Delphi aan Cresus door het orakel geantwoord. Ten opzichte van het antwoord van het orakel van Amphiaraüs weet ik niet te zeggen, wat aan de Lydiërs geantwoord werd, toen zij in het heiligdom de gebruiken hadden verricht; en er wordt daarover ook niets gemeld, behalve dat hij ook dezen in bezit van een onbedriegelijk orakel achtte te wezen.

L[bewerken]

Daarna zocht hij met groote offers de gunst van den god in Delphi. Want hij offerde offerdieren van iedere soort drie duizend, en vergulde en verzilverde rustbedden, en goudene schalen en purperen gewaden en kleederen, dit alles tot een groote hoop opgestapeld hebbend, verbrandde hij het, hopende daardoor den god meer voor zich te zullen winnen, en aan alle Lydiërs beval hij te offeren, ieder van hen, wat hij kon. Toen hij geofferd had, en onmetelijk veel goud gesmolten, liet hij daaruit halftegels slaan, en die in de lengte zes palm, in de breedte drie palm, in de hoogte één palm maken, ten getale van honderd en zeventien, en daarvan vier van zuiver goud, wegende ieder derdehalf talent, de andere halftegels van wit goud, in gewicht twee talenten. Hij liet ook een leeuwenbeeld van zuiver goud maken, wegende tien talenten. Deze leeuw viel, toen de tempel in Delphi afbrandde, van de halftegels af, want daarop was hij geplaatst, en nu ligt hij in de schatkamer der Corinthiërs, wegende zes en een half talent, want vierdehalf talent smolt er van weg.

LI[bewerken]

Toen Cresus deze zaken voltooid had, zond hij ze naar Delphi, en daarbij tevens deze andere dingen: twee mengvaten groot van omvang, een gouden en een zilveren, van welke het goudene rechts stond van den ingang des tempels, het zilveren aan de linkerhand. Ook dezen werden tijdens den tempelbrand verplaatst, en het goudene staat nu in de schatkamer der Clazomeniërs, wegende negendehalf talent en nog twaalf mina's, het zilveren echter in den hoek van den vóórhof, en houdt zes honderd amforen in, want er wordt door de Delphiërs wijn in gemengd bij het feest van de Theophaniën. De Delphiërs zeggen, dat dit vat het werk is van Theodorus den Samiër en ik geloof het, want mij schijnt het werk niet het eerste het beste te zijn. En hij stuurde ook vier zilveren vaten, die in de schatkamer der Corinthiërs staan, en hij wijdde twee wijwatervaten, een gouden en een zilveren, van welke op het goudene geschreven is "Van de Lacedaemoniërs", die beweren dat het een wijgeschenk van hen is, niet terecht dit zeggende; want ook dit is van Cresus, maar een van de Delphiërs heeft dat er op geschreven om de Lacedaemoniërs te behagen, wiens naam ik weet, doch niet zal vermelden. Doch de knaap, door wiens hand het water loopt, is van de Lacedaemoniërs, van de beide wijwatervaten echter geen een. Ook vele andere wijgeschenken van geen bepaalde bedoeling, zond Cresus met de andere tegelijk en ronde zilveren schalen en ook een gouden standbeeld van een vrouw, drie ellen groot, dat, naar de Delphiërs zeggen, de beeltenis is van Cresus' bakkerin. Bovendien wijdde Cresus ook de halssieraden van zijn vrouw en haar gordel.

LII[bewerken]

Deze dingen zond hij naar Delphi, en aan Amphiaraüs wijdde hij, toen hij van zijn dapperheid en lijden gehoord had, een schild geheel van goud en een speer geheel van massief goud, met de schacht zowel als de punt van enkel goud, welke zaken nog in mijn tijd beiden in Thebe lagen en wel in den thebaanschen tempel van den ismenischen Apollo.

LIII[bewerken]

Den Lydiërs, die deze geschenken naar de tempels zouden brengen, droeg Cresus op de orakels te vragen of Cresus tegen de Perzen zou optrekken en of hij een bevriend leger van mannen er bij zou voegen. Toen de Lydiërs gekomen, waarheen zij gezonden waren, die wijgeschenken gewijd hadden, vroegen zij de orakels, zeggende: "Cresus, de koning der Lydiërs en van andere volkeren, meenende, dat deze orakels de eenigen zijn onder de menschen, heeft u geschenken geschonken waardig uwe vindingen, en nu vraagt hij u of hij tegen de Perzen zal optrekken en of hij eenig heer van mannen zich bondgenoot zal maken." Zij nu vroegen dit, en van beide orakels kwamen de spreuken op hetzelfde neer, daar zij aan Cresus voorspelden, dat als hij tegen de Perzen zou optrekken, hij een groot rijk zou doen vallen; en zij rieden hem zich tot vrienden te maken, wie hij van de Hellenen de machtigsten bevond te zijn.

LIV[bewerken]

Toen Cresus de overgebrachte spreuken vernomen had, verheugde hij zich sterk over die antwoorden, en vast hopende, dat hij het rijk van Cyrus zou doen vallen, zond hij wederom gezanten naar Pytho en begiftigde de Delphiërs, na onderzoek naar hun aantal, iederen man met twee staters van goud. De Delphiërs gaven daarvoor aan Cresus en de Lydiërs het recht om vóór anderen het orakel te raadplegen, en vrijdom van schatting, en plaatsen op de voorste rij bij de spelen, en dat het vrij stond, wie wilde van hen, Delphiër te worden voor allen tijd.

LV[bewerken]

Na begiftiging van de Delphiërs vroeg Cresus ten derde male om een antwoord. Want daar hij nu de waarheid van het orakel geleerd had, kon hij er niet genoeg van krijgen. Hij stelde dan aan het orakel de vraag, of zijn alleenheerschappij lang van duur zou wezen. De Pythia antwoordde hem het volgende:

Maar als over de Meden een muildier koning zal worden, Dan, weekvoetige Lyder, vlucht dan naar den steenigen Hermus; Vlucht dan en wil niet blijven, noch schroom een lafaard te wezen.

LVI[bewerken]

Bij de komst van deze woorden verheugde Cresus zich het allermeest, verwachtende dat nooit een muildier in plaats van een man koning over de Meden zou zijn, en dus noch hij zelf, noch zijn afstammelingen ooit zouden ophouden te heerschen. Daarna ging hij ernstig onderzoeken, welke der Hellenen hij zich als de machtigsten tot vrienden zou verwerven. En bij onderzoek vond hij de Lacedaemoniërs en de Atheners vooraan staan, de eersten van den dorischen stam, de anderen van den ionischen. Want dezen waren de voornaamste stammen, en zijn van oudsher, de laatste een pelasgisch, de eerste een helleensch volk. En het laatste had nooit zijn land verlaten, het eerste zeer veel rondgezworven. Want ten tijde van koning Deucalion bewoonde het 't land Phtiotis, doch onder Dorus, den zoon van Hellen, den streek aan den Ossa en den Olympus, genaamd Histiaeotis. Doch uit Histiaeotis werd het verjaagd door de Cadmeeërs, en bewoonde het Pindos en werd het Macednische volk geheeten. Van daar trok het wederom naar het land Dryopis, en uit Dryopis zo naar den Peloponnesus gekomen, werd het 't Dorische genoemd.

LVII[bewerken]

Welke taal de Pelasgen spraken, kan ik niet met zekerheid zeggen. Indien ik iets mag besluiten afgaande op de nu nog levenden van de Pelasgen, die nu boven de Tyrseniërs de stad Creston bewonen, en eertijds naburen waren met die thans Doriërs heeten, (terwijl zij toen het nu Thessaliotis genoemde land bewoonden), en op die der Pelasgen, welke in Placia en Skylace bij den Hellespont zich vestigden, en die met de Atheners samenwoonden, en op zoveel andere steden, die, oudtijds pelasgisch, hun naam veranderd hebben, - indien ik op dezen afgaand iets mag besluiten, spraken de Pelasgen een barbaarsche taal. En wanneer dit bij het geheele pelasgische volk zo was, dan heeft het attische volk, van afkomst pelasgisch, tegelijk met zijn overgang in Hellenen ook zijn taal verleerd. Want noch zijn de Crestoniaten gelijk van taal met een der om hen wonende stammen, noch de Placianers, doch met elkander gelijk van taal, en zij bewijzen daardoor, dat zij den aard der taal, die zij bij hun verhuizing naar die streken mede droegen, zorgvuldig bewaren.

LVIII[bewerken]

Het helleensche volk gebruikt, sinds het ontstond, altijd door dezelfde taal, naar het mij schijnt te zijn; evenwel, afgezonderd van de Pelasgen, was het eerst zwak, doch van een klein begin uitgaande is het aangegroeid tot een menigte volken, terwijl vooral Pelasgen zich bij hen voegden en vele andere barbaarsche volken. Want vóór die vereniging was, naar mij schijnt, ook de pelasgische stam, barbaarsch van afkomst, geenszins belangrijk toegenomen.

LIX[bewerken]

Van deze volkeren dan werd het attische gedrukt en in tweespalt gebracht, naar Cresus vernam, door Pisistratus, Hippocrates' zoon, die in dien tijd te Athene alleenheerscher was. Want aan Hippocrates, die een gewoon burger was, overkwam, toen hij de olympische spelen zag, een groot wonder; want toen hij op de gebruikelijke wijze offerde, begonnen de ketels, die daar stonden, en die van vleesch vol waren en van water, zonder vuur te koken en liepen over. En Chilon, de Lacedaemoniër, die er bij was en het teeken zag, ried Hippocrates aan, vooreerst, geen kinderbarende vrouw in zijn huis te nemen; indien hij er een had, dan zijn vrouw weg te zenden, en indien hij reeds een zoon mocht hebben, dien te verstooten. Doch dezen raad van Chilon wilde Hippocrates niet volgen, en hem gewerd daarna deze Pisistratus, die, - toen de Atheners van de kust met die van de vlakte in twist waren geraakt, en aan het hoofd van de eenen Megacles stond, zoon van Alcmaeon, van die van de vlakte daarentegen Lycurgus, zoon van Aristolaïdes, - naar de alleen-heerschappij streefde en een derde partij bijeen bracht; hij verzamelde zijn aanhangers en terwijl hij voorwendde aan het hoofd van de berglieden te staan, verzon hij het volgende: hij bracht zich een wond toe en ook aan zijn muilezel, en reed naar de markt, alsof hij aan zijn vijanden ontvlucht was, die hem op zijn rit naar het veld hadden willen vermoorden, en hij smeekte het volk hem een lijfwacht te geven, daar hij toch vroeger zich onderscheiden had in den veldtocht tegen de Megareërs, en Nisaea had genomen en andere groote daden verricht. Het atheensche volk, aldus bedrogen, gaf hem uitgekozenen uit de burgers, die wel geen lansdragers voor Pisistratus waren doch knodsdragers, want houten knodsen dragend gingen zij achter hem. Dezen nu met Pisistratus samen opgestaan, bezetten den burcht. Toen was Pisistratus heerscher over de Atheners, doch hij liet de bestaande overheidsambten ongedeerd, noch veranderde hij de wetten, maar volgens de instellingen, die er waren, bestuurde hij de stad schoon en goed.

LX[bewerken]

Niet langen tijd daarna werden de aanhangers van Megacles en die van Lycurgus eensgezind en verdreven hem. zo had Pisistratus dan Athene voor de eerste maal onder zich, en zo verloor hij zijn heerschappij weder, daar zij nog niet stevig vastgeworteld was. Doch die Pisistratus verdreven hadden, raakten opnieuw met elkander in twist. In het nauw gebracht door den strijd liet Megacles door een heraut aan Pisistratus vragen, of hij zijn dochter tot vrouw wilde hebben tegen belooning met de alleenheerschappij. Toen Pisistratus den voorslag had aangenomen en de voorwaarde goedgekeurd, verzonnen zij om hem terug te brengen, een alleronnoozelst ding, naar ik bevind, daar toch reeds sinds lang het helleensche volk losgemaakt was van het barbaarsche en veel slimmer en meer bevrijd van onnoozele dwaasheid, en genen toch toen bij de Atheners, de eersten der Hellenen in slimheid geheeten, het volgende verzinnen. In den paeanischen wijk was een vrouw, wier naam Phya was, in grootte vier ellen op drie duimen na en overigens schoon van gestalte. Deze vrouw trokken zij een volle wapenrusting aan, plaatsten haar in een wagen, en nadat zij haar eerst de houding aangewezen hadden, waardoor zij zo plechtig mogelijk zou schijnen, dreven zij haar naar de stad, als voorloopers herauten vooruitzendend, die in de stad gekomen riepen wat hun bevolen was, zeggende: "O, Atheners, ontvangt met goeden zin Pisistratus, dien Athena zelf het meest onder de menschen eert en terugvoert naar haar burcht." Zij nu zeiden dit overal heen loopend, en terstond kwam naar de buitenwijken het gerucht, dat Athena Pisistratus terugbracht, en de menschen in de stad geloofden, dat de vrouw de godin was en vereerden haar, en erkenden Pisistratus.

LXI[bewerken]

Pisistratus op de gezegde wijze weder in bezit gekomen van de alleenheerschappij, huwde, volgens den afspraak met Megacles gemaakt, Megacles' dochter. Daar hij nu reeds volwassen zonen had en de Alcmaeoniden door een vloek beladen heetten te zijn, wilde hij geen kinderen uit zijn nieuwgehuwde vrouw hebben en vereenigde zich met haar niet volgens de zede. Aanvankelijk verborg de vrouw dit wel, daarna echter, hetzij op vragen het zij niet, zeide zij het aan haar moeder, en die aan haar man. Deze nam het hoog op door Pisistratus gesmaad te worden. En in zijn toorn legde hij terstond de twist met zijn tegenstanders bij. Doch Pisistratus bemerkte wat tegen hem gedaan werd, en week met al de zijnen uit het land, en naar Eretria gekomen, overlegde hij met zijn zoons. Toen de meening nu van Hippias, om de heerschappij terug te winnen, overwon, verzamelden zij daarom giften uit de steden, die van vroeger hun dank verschuldigd waren. En onder de velen, die groote sommen schonken, waren de Thebanen de eersten door hun gift in geld. Daarna, om het met niet veel woorden te zeggen, ging eenige tijd voorbij en werd alles door hen gereed gemaakt voor de terugkeer. En er kwamen ook argeïsche huurlingen uit den peloponnesus, en uit Naxus kwam tot hen vrijwillig een man, Lygdamis van naam, die den grootsten ijver toonde, en goud en mannen medebracht.

LXII[bewerken]

Uit Eretria in het elfde jaar opbrekend kwamen zij terug. En het eerst in Attica bezetten zij Marathon. Toen zij op die plaats kampeerden, kwamen hun aanhangers uit de stad tot hen en anderen uit de buitenwijken stroomdem toe, wien de alleenheerschappij liever was dan de vrijheid. Dezen dan verzamelden zich. Maar de Atheners uit de stad, zolang Pisistratus geld bijeenbracht, en ook naderhand, toen hij Marathon bezette, sloegen geen acht op hem; toen zij evenwel vernamen dat hij uit Marathon tegen de stad optrok, toen rukten zij tegen hem uit. En zij nu gingen met hun gansche macht de terugkeerenden tegemoet, en Pisistratus en de zijnen, toen zij uit Marathon waren opgetrokken tegen de stad, ontmoetten de anderen bij den tempel van de pallenische Athena, en namen tegenover hen hun stelling. Daar kwam, door goddelijken drang gedreven, Amfilytus tot Pisistratus, de Acarnaniër, een ziener, en tot genen tredende zeide hij in zesvoetige wijze het volgende: Reeds is de koorde geworpen en 't net gespreid in het water; Gretig zwemt de thonijnschaar er heen in den nacht, daar de maan schijnt.

LXIII[bewerken]

Deze nu voorspelde hem zo in bezieling, en Pisistratus het orakel begrijpende en zeggende dat hij de spreuk aannam, voerde zijn leger naar voren. De Atheners uit de stad evenwel hadden zich in dien tijd aan het ontbijt begeven, en na het ontbijt waren verscheidenen van hen, sommigen aan de dobbelsteenen, anderen aan het slapen gegaan. Doch Pisistratus en de zijnen overvielen de Atheners en sloegen hen op de vlucht. Toen zij vluchtten, verzon Pisistratus een allerschranderst plan, opdat de Atheners zich niet meer vereenigen zouden en verspreid blijven. Hij deed zijn zoons te paard stijgen en zond hen vooruit. En zij haalden de vluchtelingen in en zeiden wat Pisistratus bevolen had: dat zij goedsmoeds zouden wezen en ieder naar zijn huis keeren.

LXIV[bewerken]

De Atheners gehoorzaamden, en Pisistratus aldus voor de derde maal Athene in zijn macht hebbende, bevestigde zijn heerschappij door vele hulptroepen en inkomsten van geld, deels uit het land zelf, deels van de rivier de Strymon, en als gijzelaars greep hij de zonen der Atheners, die gebleven waren en niet terstond gevlucht en bracht ze over naar Naxus; want dit eiland had Pisistratus door krijg onderworpen en aan Lygdamis toevertrouwd; bovendien reinigde hij ook het eiland Delos volgens de orakelspreuken, reinigend op deze wijze: zover het gezicht van den tempel uit reikte, uit al dat land groef hij de lijken op en droeg ze over naar een ander deel van Delos. En Pisistratus heerschte dan over de Atheners, van de Atheners echter waren verscheidenen in den strijd gevallen, anderen van hen met de Alcmaeoniden uit hun vaderland gevlucht.

LXV[bewerken]

De Atheners dan werden in dien tijd door zulke dingen bezig gehouden, vernam Cresus, de Lacedaemoniërs echter waren grooten rampen ontkomen en overtroffen in den krijg reeds de Tegeaten. Want ten tijde dat Leon en Hegesicles koning waren te Sparta hadden de Lacedaemoniërs in de andere oorlogen voorspoed, doch tegenover de Tegeaten alleen ongeluk. Vroeger nog hadden zij ook de slechtste wetten van bijna alle Hellenen zowel in hun onderlinge verhouding als dat zij niet met vreemden omgingen. Doch zij geraakten op de volgende wijze tot een goed bestuur: toen Lycurgus, een gezien man bij de Spartanen naar Delphi ging tot het orakel, en hij het heiligdom binnentrad, zeide de Pythia terstond het volgende: Hier dan, o gij Lycurgus, ten rijken tempel dan komt gij Dierbaar aan Zeus en aan allen, bewonend de Olympische huizen, - 'k Twijfel of ik een god, dan of ik een mensch u noeme, Doch veel eer nog een god, zou ik denken, o gij Lycurgus. Sommigen nu zeggen, dat de Pythia daarbij hem ook de nu bij de Spartanen bestaande inrichting aangegeven heeft, doch naar de Lacedaemoniërs zelf zeggen heeft Lycurgus, toen hij voogd was over Leobotas, zijn broederszoon en koning van de Spartanen, uit Creta die zaken overgebracht. Want nauwlijks was hij voogd geworden, of hij veranderde alle gebruiken, en droeg zorg, dat niemand ze zou overtreden. Daarna voerde Lycurgus instellingen voor den oorlog in, de enomotiën, de triacaden en de sussitiën en bovendien de ephoren en de ouden.

LXVI[bewerken]

zo dan veranderden zij hun instellingen en hadden zij goede wetten, en voor Lycurgus richtten zij na zijn dood een tempel op en eerden hem grootelijks. Daar zij in een goed land en in menigte van niet weinige mannen waren, schoten zij terstond op en bloeiden. En toen voldeed het hun niet meer om rustig te blijven, doch meenende sterker te zijn dan de Arcadiërs, wendden zij zich tot het orakel in Delphi met een vraag om het gansche land der Arcadiërs. En de Pythia antwoordde hun het volgende: Vraagt ge Arcadië mij? Veel vraagt ge, ik zal 't niet geven, Veel in Arkadië toch zijn de eikeletende mannen, Die 't u verhindren zullen. Toch wil ik niet alles u weig'ren, 'k Geef u te Tegea dan met voeten stampend te dansen, En ook bouwland schoon om uit te meten met snoeren. Toen de Lacedaemoniërs dit overgebrachte antwoord hoorden, onthielden zij zich van de andere Arcadiërs, doch boeien meenemende trokken zij op tegen de Tegeaten, op een bedrieglijke orakelspreuk vertrouwend, als zouden zij de Tegeaten tot slaven maken. Doch zij leden de nederlaag in het samentreffen, en zovelen van hen levend gevangen werden genomen, moesten in de boeien, die zij zelf hadden medegebracht, en met het snoer uitmetende, het land der Tegeaten bebouwen. Deze boeien, waarin zij geboeid werden, waren nog tot in mijn tijd behouden gebleven in Tegea, opgehangen rondom den tempel van Athena Alea.

LXVII[bewerken]

In dien vroegeren oorlog nu streden zij voortdurend ongelukkig tegen de Tegeaten, doch in den tijd van Cresus en toen Anaxandrides en Ariston in Lacedaemonië regeerden, waren de Spartanen reeds de meerderen in den oorlog, en op de volgende wijze zo geworden: toen zij in den oorlog voortdurend overwonnen werden door de Tegeaten, zonden zij gezanten naar Delphi en vroegen, welken der goden zij verzoenen moesten om in den krijg de meerderen van de Tegeaten te worden. De Pythia antwoordde hun: als zij de beenderen van Orestes, zoon van Agamemnon teruggebracht zouden hebben. Daar zij evenwel het graf van Orestes niet vinden konden, zonden zij wederom boden naar den god, die de plaats zouden vragen, waarin Orestes lag. Op die vraag antwoordde de Pythia den gezanten het volgende: Waar in Arcadië Tegea ligt, in de effene vlakte, Blazen er winden een tweetal, door machtige krachten gedwongen. Slag vindt terugslag steeds, en onheil valt daar op onheil. Daar dekt den zoon Agamemnons de levenwekkende aarde, Haal hem van daar, dan zijt ge van Tegea dra de beschermer. Toen de Lacedaemoniërs ook dit gehoord hadden, waren zij niets minder ver van het ontdekken af, hoewel zij alles doorzochten, totdat Lichas, een van de zogenaamde Agathurgen der Spartanen, het vond. De Agathurgen zijn burgers, en treden uit de klasse der ridders als de oudsten van dezen, ieder jaar vijf in getal, en zij moeten in het jaar, waarin zij uit de klasse der ridders treden, voor den spartaanschen staat overal heen zendingen verrichten, zonder rust te nemen.

68. Lichas nu, een van deze mannen, vond de plaats in Tegea door toeval zowel als door schranderheid. Want terwijl er in dien tijd verkeer was met de Tegeaten, kwam hij in een smidse en zag daar ijzer smeeden, en aanschouwde met verbazing wat gedaan werd. De smid hem in verbazing ziende, zeide, daar hij ophield van zijn werk: "Voorwaar, o vreemdeling Lacedaemoniër, indien gij gezien hadt, wat ik, dan zoudt ge u nog meer verbaasd hebben, daar ge nu reeds zulk een verbazing toont over de bewerking van het ijzer. Want toen ik in dezen hof een put wilde maken, stootte ik al gravende op een kist van zeven ellen; uit ongeloof, dat er ooit menschen zouden geweest zijn grooter dan die nu, maakte ik ze open, en ik bevond het lijk van gelijke lengte met de kist; en ik mat het en sloot de kist weder." Hij nu zeide, wat hij gezien had, doch de ander het gezegde overwegend, giste dat dit volgens de orakelspreuk Orestes was, op deze wijze gissende: in de beide blaasbalgen van den smid, die hij zag, vond hij de winden; in het aambeeld en den hamer den slag en den terugslag; in het smeeden van het ijzer het onheil dat op onheil valt, zóó ongeveer denkende, dat het ijzer tot ramp van den mensch is geworden. Dit nu gissende zeide hij, te Sparta teruggekeerd, de gansche zaak aan de Lacedaemoniërs. En dezen brachten hem om een voorgewenden schuld voor het gerecht en verbanden hem. Hij ging toen naar Tegea en verhaalde zijn ongeluk aan den smid en trachtte te vergeefs van den onwilligen den hof te huren. Toen hij echter na eenigen tijd hem overreed had, ging hij daar wonen; hij opende het graf, verzamelde de beenderen en bracht ze naar Sparta. En sinds dien tijd, wanneer zij hun krachten maten, waren de Lacedaemoniërs verreweg de meerderen in den oorlog; en reeds was het grootste deel van den Peloponnesus hun onderworpen.

LXIX[bewerken]

Toen Cresus dan dit alles vernomen had, zond hij boden naar Sparta, die geschenken brachten en om bondgenootschap verzochten, terwijl hij hun opdroeg wat zij zeggen moesten. En zij zeiden bij hun komst: "Ons heeft Cresus gezonden, de koning der Lydiërs en van andere volkeren, zeggende deze woorden: O Lacedaemoniërs, nu de god mij geboden heeft den Helleen tot vriend te maken, - want gij staat, naar ik verneem, aan het hoofd van Hellas, u dan noodig ik uit, gehoorzaam aan het orakel, verlangende uw vriend te wezen en bondgenoot zonder list en bedrog." Cresus dan meldde dit door zijn boden, en de Lacedaemoniërs, die zelf ook het antwoord van den god aan Cresus vernomen hadden, verheugden zich in de komst van de Lydiërs, en sloten plechtig een verdrag van vriendschap en bondgenootschap; want ook vroeger reeds waren eenige gunstbewijzen van Cresus hun ten deel gevallen. Want toen de Lacedaemoniërs naar Sardes boden zonden en goud wilden koopen voor het beeld van Apollo, dat nu in het laconische Thornax staat, gaf Cresus hun, wat zij koopen wilden, om niet.

LXX[bewerken]

Om deze redenen nu namen de Lacedaemoniërs het bondgenootschap aan, en omdat hij, boven alle Hellenen hen stellende, hen tot vrienden gekozen had. En zowel dan zouden zij gereed zijn zo hij hen opriep, als maakten zij ook een metalen mengvat, van buiten om den rand vol figuren en in grootte driehonderd amforen inhoudend en zonden dat hem, een tegengeschenk aan Cresus willende geven. Doch dit mengvat kwam niet te Sardes om redenen, die tweeërlei aldus gezegd worden: de Lacedaemoniërs nu zeggen, dat toen het mengvat op weg naar Sardes in de buurt van Samos was gekomen, de Samiërs die het vernomen hadden, met lange schepen aanvoeren en het roofden; de Samiërs zelf echter zeggen, dat de Lacedaemoniërs, die het mengvat brachten, toen zij te laat kwamen en vernamen, dat Sardes veroverd en Cresus gevangen was, het mengvat verkochten in Samos, en dat gewone burgers het kochten en wijdden in den tempel van Hera, en wellicht hadden de verkoopers, in Sparta gekomen, gezegd dat zij beroofd waren geworden door de Samiërs.

LXXI[bewerken]

zo nu ging het met het mengvat, doch Cresus den orakelspreuk misvattende, ondernam een veldtocht naar Cappadocië, in de verwachting Cyrus en de macht der Perzen omver te zullen werpen. En toen Cresus zich gereed maakte op te trekken tegen de Perzen, toen gaf een der Lydiërs, die ook te voren voor een wijs man gold, doch sinds dien raad een zeer grooten naam bij de Lydiërs had, aan Cresus den volgenden raad (zijn naam was Sandanis): "O Koning, gij rust u toe tegen zulke mannen op te trekken, die lederen broeken en ook de overige kleeding van leder dragen, en eten, niet zoveel zij willen, doch zoveel zij hebben, daar zij een ruw land bewonen. Daarbij gebruiken zij geen wijn, maar drinken water, en zij hebben geen vijgen te eten noch iets anders, dat goed is. Aan den eenen kant nu, indien gij ze overwint, wat zult ge hun ontnemen, wien immers niets is? En van den anderen kant, wordt ge overwonnen, bedenk, hoeveel goeds gij verliezen zult. Want laat hen eenmaal van onze goede dingen geproefd hebben, en zij zullen er aan blijven hangen en niet meer te verjagen zijn. Ik nu weet den goden dank, die het den Perzen niet in den geest brengen tegen de Lydiërs op te trekken." zo sprekende overreedde hij Cresus niet. Want de Perzen, voor zij de Lydiërs onderworpen hadden, bezaten niets weelderigs noch goeds.

LXXII[bewerken]

De Cappadociërs worden door de Hellenen Syriërs genoemd; en deze Syriërs waren eerst, voor de Perzen heerschten, aan de Meden onderworpen, toen echter aan Cyrus. Want de grens van het medische en van het lydische rijk was de rivier Halys, die van het armenische gebergte door de Ciliciërs heen stroomt, daarna de Matiëners aan de rechterzijde heeft, aan de andere de Phrygiërs, en dezen voorbijgaand en naar boven naar den noordewind stroomend, aan den eenen kant de syrische Cappadociërs begrenst, en links de Paphlagoniërs. zo snijdt de rivier Halys bijna geheel beneden Azië af, van de zee tegenover Cyprus tot aan de zee Euxinus; dat is de nek van dit geheele land; de lengte van den weg is voor een onbeladen man vijf dagen.

LXXIII[bewerken]

Cresus trok tegen dit Cappadocië op om deze redenen: èn uit begeerte naar land, daar hij het wilde verwerven bij zijn eigen gebied, èn vooral in vertrouwen op den orakelspreuk en daar hij Cyrus ter wille van Astyages wilde straffen. Want dezen Astyages, Cyaxareszoon, die de zwager was van Cresus, en koning der Meden, had Cyrus, de zoon van Cambyses aan zich onderworpen. Zwager van Cyrus was hij op de volgende wijze geworden. Een troep van scythische nomaden was door een oproer in het medische gebied geweken; in dien tijd heerschte over de Meden Cyaxares, zoon van Phraortes, Deioceszoon, die deze Scythen eerst goed ontving, als zijnde smeekelingen, zodat hij hen hoog stelde, en kinderen aan hen toevertrouwde om hun taal te leeren en de kunst van den boog. Na verloop van tijd echter, terwijl de Scythen steeds op de jacht gingen en altijd wat mede brachten, gebeurde het eens dat zij niets vingen; toen zij dan met ledige handen terugkeerden, bejegende Cyaxares hen ( want hij was, zoals hij toonde, heftig van toorn) zeer ruw met smadelijke woorden. Zij echter, na deze behandeling van Cyaxares, daar zij die hunner onwaardig ondergaan hadden, besloten van de knapen, die bij hen leerden, er een te slachten; hem dan toe te bereiden, zoals zij gewoon waren ook het wild toe te bereiden, en het aan Cyaxares te geven als wild van de jacht, en, als zij het hem gegeven hadden, zich zo snel mogelijk te begeven naar Alyattes, zoon van Sadyattes te Sardes. Dit geschiedde ook, en Cyaxares en de aanwezige gasten proefden van dat vleesch, en de Scythen werden na deze daad smeekelingen van Alyattes.

LXXIV[bewerken]

Daarna, want Alyattes leverde de Scythen aan Cyaxares op diens eisch niet uit, was er oorlog tusschen de Lydiërs en de Meden gedurende vijf jaren, in welke dikwijls de Meden de Lydiërs overwonnen, dikwijls ook de Lydiërs de Meden; ook hielden zij in dien tijd een soort van nachtelijk gevecht, want daar zij den strijd met gelijk geluk voerden, gebeurde het hen in het zesde jaar bij een treffen, dat midden in het gevecht de dag plotseling nacht werd. Deze verandering van den dag had Thales de Milesiër aan de Ioniërs voorspeld, hetzelfde jaar voorzeggende, waarin de verandering ook gebeurde. Maar de Lydiërs en de Meden, toen zij zagen dat het nacht werd in plaats van dag, hielden op met den strijd en beijverden zich van weerszijden nog meer, dat ervrede tusschen hen zou komen. Die hen tot elkander brachten waren Syennesis de Ciliciër en Labynetus de Babyloniër. Deze waren het die het verdrag verhaastten en een uitwisseling van huwelijken tot stand brachten. Want zij beslisten, dat Alyattes zijn dochter Aryenis aan Astyages, den zoon van Cyaxares, zou geven; want zonder krachtigen dwang willen overeenkomsten niet van kracht blijven. De verdragen bezweren die volkeren evenals de Hellenen, en bovendien, nadat zij den arm in den opperhuid gesneden hebben, lekken zij elkanders bloed op.

LXXV[bewerken]

Dezen Astyages nu, zijns moeders vader, had Cyrus onderworpen om redenen, die ik in het verder verhaal zal aangeven. En dit aan Cyrus ten laste leggend, had Cresus de orakels gezonden, om te vragen, of hij tegen de Perzen zou optrekken, en toen er dan een bedrieglijk antwoord gekomen was, meende hij, dat het antwoord hem gunstig was, en trok hij naar het gebied der Perzen. En toen Cresus gekomen was bij de rivier Halys, toen, zoals ik beweer, bracht hij zijn leger langs de aanwezige bruggen over, doch zoals het gewone verhaal der Hellenen luidt, bracht Thales van Milete het hem aan de overzijde. Want terwijl Cresus in verlegenheid was, hoe zijn leger de rivier zou overtrekken, (want in dien tijd waren die bruggen er nog niet), zegt men dat Thales, die in het kamp was, voor hem de rivier, die links van het leger stroomde, ook rechts heeft doen stroomen, en dat hij dit op de volgende wijze gedaan heeft: vóór aan het kamp beginnende groef hij een diepe gracht, halvemaansvormig ze trekkende, zoodat de rivier het kamp in den rug omvatte, door die gracht uit zijn oude bedding gewend werd, en het kamp voorbijgegaan weder in de oude bedding uitstroomde, zoodat, zoodra zij in tweeën gesplitst was, de rivier aan beide kanten doorwaadbaar werd. Sommigen zeggen ook, dat de oude bedding geheel uitdroogde, maar dat neem ik niet aan, want hoe zouden zij dan op hun terugtocht haar overgetrokken hebben?

LXXVI[bewerken]

Cresus, toen hij, met zijn leger overgetrokken, gekomen was in een plaats van Cappadocië, genaamd Pteria, - Pteria is het sterkste punt van dit land en ligt ongeveer bij de stad Sinope aan den Pontus Euxinus -, sloeg daar zijn kamp op, en verwoestte de velden der Syriërs. En hij nam de stad der Pteriërs en maakte hen tot slaven; hij nam ook de omliggende plaatsen, en verdreef de Syriërs, die in niets schuldig waren. Cyrus verzamelde zijn leger, en nam alle tusschenwonenden mede, en trok Cresus tegemoet. Vóór dat hij zijn leger deed optrekken, zond hij herauten naar de Ioniërs en trachtte hen van Cresus te doen afvallen. Doch de Ioniërs luisterden niet naar hem, en toen Cyrus aangekomen was en tegenover Cresus zijn kamp had opgeslagen, toen beproefden zij elkander in het pterische land met alle kracht. Na een hevigen strijd, waarin velen van beiden vielen, gingen zij ten slotte, geen van beiden overwinnaars, bij het vallen van den nacht van elkander. En zoo dan streden beide legers.

LXXVII[bewerken]

Cresus wierp de schuld op het getal van zijn soldaten, - want het leger, dat met hem gestreden had, was veel geringer dan dat van Cyrus -, daarop de schuld werpend, trok hij, toen Cyrus den volgenden dag geen aanval beproefde, naar Sardes, van zins zijnde de Egyptenaren volgens het verdrag op te roepen, - want hij had ook met Amasis, den koning van Egypte, een verbond gesloten eerder dan met de Lacedaemoniërs -, ook de Babyloniërs te ontbieden, - want ook met dezen had hij een verbond gesloten; en in dien tijd heerschte Labynetus over de Babyloniërs -, en ook aan de Lacedaemoniërs aan te zeggen, dat zij op den afgesproken tijd aanwezig zouden zijn; als hij dezen dan verzameld had en zijn eigen leger bijeengebracht was hij van zins, zonder gebruik van den winter te maken, met de lente tegen de Perzen op te trekken. En hij nu dit van plan zijnde, zond, toen hij te Sardes was gekomen, herauten naar de bondgenootschappen, die hen aanzegden om in de vijfde maand te Sardes bijeen te komen, doch het leger dat bij hem was en tegen de Perzen gestreden had, voor zoover het uit huurlingen bestond, stuurde hij het weg en verstrooide het, geenszins verwachtende, dat Cyrus werkelijk, na zoo zonder voordeel gestreden te hebben, naar Sardes zou optrekken.

LXXVIII[bewerken]

Terwijl Cresus dit overlegde, werd de voorstad geheel gevuld met slangen. En op hun verschijning kwamen de paarden aan, ophoudende de weiden te weiden, en aten ze op. Aan Cresus, die het zag, scheen dit, zoals het ook was, een wonderteeken te zijn. Terstond zond hij gezanten naar de teekenduiders van Telmessus. Doch dezen gezanten, toen zij aangekomen waren en van de Telmessiërs vernomen hadden wat het wonder wilde zeggen, ontbrak de gelegenheid het aan Cresus over te brengen; want voor dat zij naar Sardes teruggevaren waren, was Cresus gevangen genomen. De Telmessiërs echter hadden het wonder op de volgende wijze verklaard, dat Cresus een vreemd leger in zijn land te wachten stond, en dat dit bij zijn komst de menschen van het land onderwerpen zou, zeggende dat de slang een kind der aarde is, het paard daarentegen een vijand en een vreemdeling. De Telmessiërs nu antwoordden dit aan Cresus, toen hij reeds gevangen was, terwijl zij nog niets wisten van wat met Sardes en Cresus zelf geschied was.

LXXIX[bewerken]

Cyrus, echter, zoodra Cresus na den bij Pteria voorgevallenen slag weggetrokken was, begreep, dat Cresus na zijn terugtocht zijn leger uiteen zou laten gaan, en bevond na overweging dat het zaak voor hem was zoo snel hij kon naar Sardes te trekken, voordat voor de tweede maal de macht der Lydiërs vereenigd was. En toen hij dit besloten had, voerde hij het ook terstond uit, want terwijl hij zijn leger naar Lydië voerde, bracht hij zelf de tijding aan Cresus. Toen voerde Cresus, in groote verlegenheid geraakt, daar de zaken tegen zijn verwachting gingen anders dan zoals hij verwacht had, toch de Lydiërs uit ten strijde. In dien tijd was er geen enkel volk in Azië noch dapperder noch krijgshaftiger dan het lydische. Zij streden te paard, en droegen groote speeren en waren voortreflijke ruiters.

LXXX[bewerken]

En daar zij elkander ontmoetten op het veld, dat vóór de stad Sardes is gelegen en groot en kaal is, - andere rivieren en ook de Hyllus breken daar doorheen en banen zich een weg naar de grootste, de Hermus genaamd, die van den heiligen berg der Dindymenische Moeder stroomend in zee valt bij de stad Phocaea, - toen nu Cyrus de Lydiërs ten strijde geschaard zag, vreesde hij hun ruiterij en deed op voorslag van Harpagus, een man van de Meden, het volgende: de kameelen die het leger volgden, spijs dragende en pakken, die allen bracht hij bijeen, nam de lasten weg en plaatste mannen op hen, als ruiters gekleed, en zóó ze toegerust hebbend beval hij hen vóór het overige leger op te rukken tegen de ruiterij van Cresus; aan het voetvolk evenwel beval hij de kameelen te volgen, en achter het voetvolk schaarde hij al zijn ruiterij. Toen allen nu in slagorde geschaard waren, liet hij omroepen om zonder ontzien de andere Lydiërs te dooden, ieder die in den weg kwam, doch Cresus zelven niet te dooden, ook niet indien hij zich bij zijn gevangenneming te weer stelde. Dit liet hij omroepen; en de kameelen plaatste hij vóór de ruiterij om de volgende reden: een paard is bang voor een kameel, en kan niet verdragen noch zijn uiterlijk te zien, noch zijn reuk te ruiken. En daarom juist had hij die list beraamd, opdat Cresus geen nut zou hebben van zijn ruiterij, met welke de Lydiër zelfs meende te zullen schitteren. En toen zij dan ook den slag begonnen, zoodra de paarden de kameelen roken en ze zagen, keerden zij zich om, en Cresus' hoop was vernietigd. Doch geenszins waren de Lydiërs laf daarop, doch toen zij het gebeurde zagen, sprongen zij van hun paarden en streden te voet met de Perzen. Eindelijk, nadat van beiden velen gevallen waren, sloegen de Lydiërs op de vlucht, en opgesloten in de vesting werden zij door de Perzen belegerd.

LXXXI[bewerken]

Voor hen dan was er belegering gekomen, doch Cresus meenende, dat het beleg langen tijd duren zou, zond uit de vesting op nieuw boden naar de bondgenooten. Want de vorigen waren gezonden om hen op te roepen, dat zij in de vijfde maand te Sardes bijeen zouden wezen, dezen echter zond hij uit om hen te vragen zoo spoedig mogelijk te hulp te komen, daar Cresus belegerd werd.

LXXXII[bewerken]

Hij zond dan boden naar de andere bondgenooten en ook naar de Lacedaemoniërs. Den Spartanen zelf evenwel was juist in dien zelfden tijd een twist overvallen tegen de Argiven over een plaats, Thyrea genaamd. Want dit Thyrea, dat tot het gebied van Argolis behoorde, hadden de Lacedaemoniërs weggenomen en bezet. Doch tot Malea toe naar de avondzijde was het gansche land van de Argiven, zoo wel wat op het vaste land lag, als het eiland Cythera en de andere eilanden. Toen de Argiven ter verdediging van het hun ontnomene land optrokken, toen traden de partijen in onderhandeling en kwamen overeen, dat van ieder driehonderd man zouden strijden, en die de overwinning behaalden, van dezen zou de streek zijn; doch de hoofdmacht van ieder leger zou naar zijn huis terugkeeren en niet blijven als er gestreden werd, om deze reden, dat niet, als de legers er bij waren, de eenen, ziende dat de hunnen overwonnen werden, dezen te hulp zouden komen. Na deze overeenkomst trokken zij weg, en de uitgelezenen van beide zijden bleven alleen en streden. Zij streden met gelijk geluk, tot er van de zeshonderd mannen drie overbleven, van de Argiven, Alcenor en Chromios, van de Lacedaemoniërs Othryades: deze waren overgebleven toen de nacht viel. De beide Argivers nu, meenende overwinnaars te zijn, liepen naar Argos, doch Othryades van de Lacedaemoniërs plunderde de lijken der Argiven, droeg de wapenen naar zijn kamp en bleef op zijn post. Den volgenden dag kwamen beide partijen om den afloop te vernemen. Een tijdlang nu beweerde ieder van hen overwonnen te hebben: de eenen zeiden, dat er meer van hen overgebleven waren; de anderen voerden aan, dat genen waren gevlucht, de hunne daarentegen gebleven was en de lijken der anderen geplunderd had. Eindelijk evenwel kwamen zij van deze twist weder aan het vechten, en nadat van beiden velen gevallen waren, overwonnen de Lacedaemoniërs. De Argiven nu schoren zich sinds dien tijd het hoofd, terwijl zij vroeger het haar moesten laten groeien, en maakten een wet en een verwensching, dat geen der Argiven zijn haar zou laten groeien, noch hun vrouwen gouden sieraden zouden dragen, voor zij Thyrea weder terug gekregen hadden. De Lacedaemoniërs echter maakten de tegenovergestelde wet; want terwijl zij vroeger het haar niet lieten groeien, moesten zij het voortaan doen. De eene overgeblevene van de driehonderd, Othryades, zou, naar men zegt, uit schaamte dat hij naar Sparta zou terugkeeren, terwijl zijn strijdgenooten waren omgekomen, zichzelf daar in Thyrea gedood hebben.

LXXXIII[bewerken]

Terwijl de zaken der Spartanen aldus stonden, kwam de sardiaansche heraut met het verzoek om Cresus, die belegerd werd, te hulp te komen. En toch, zoodra zij den heraut gehoord hadden, haastten zij zich hulp te brengen. En reeds waren zij toegerust en de schepen in gereedheid, toen een andere boodschap kwam, dat de vesting der Lydiërs veroverd en Cresus levend gevangen genomen was. En zij nu gevoelden groote smart en hielden af van den tocht.

LXXXIV[bewerken]

Doch Sardes was op de volgende wijze ingenomen. Toen de veertiende dag gekomen was, sinds Cresus belegerd werd, zond Cyrus door zijn leger ruiters heen om te verkondigen, dat hij den eersten, die de vesting beklommen had, geschenken zou geven. Nadat het leger dit beproefd had, doch het niet gelukte, toen beproefde, daar de anderen er mee opgehouden hadden, een mardisch man, wiens naam Hyroeades was, op te klimmen langs den kant van den burcht, waar geen schildwacht opgesteld was, want er was geen gevaar, dat hij langs die zijde zou genomen worden. Want steil is daar de burcht en oninneembaar, en aan deze zijde alleen had Meles, de vroegere koning van Sardes, den leeuw niet rondgedragen, dien zijn bijzit hem gebaard had, toen de Telmessiërs hadden verkondigd, dat Sardes onneembaar zou zijn als de leeuw om de vesting werd rondgedragen. Meles nu droeg den leeuw rond langs de andere deelen der vesting, waar de plaats bestormd kon worden, doch dat punt beschouwde hij als ontoegankelijk en steil; dit deel van de vesting is naar den berg Tmolos gewend. Hyroeades nu, die Mardiër, den dag te voren ziende, dat een der Lydiërs langs dit punt van den burcht afklom en zijn van boven gevallen helm opnam, lette goed op en overwoog het wel. Toen klom hij zelf naar boven en andere Perzen klommen hem na omhoog; toen nu velen opgeklommen waren, werd Sardes dan zoo ingenomen en geheel de stad verwoest.

LXXXV[bewerken]

Cresus zelven overkwam het volgende. Hij had een zoon, van wien ik ook vroeger melding maakte, die in andere opzichten flink was, doch zonder stem. In zijn vroegeren voorspoed nu had Cresus alles aan hem gedaan en andere dingen overleggende, had hij ook naar Delphi boden gezonden om over hem om raad te vragen. En de Pythia zeide hem het volgende: Lydië's zoon, die velen beheerscht, o onnoozele Cresus, Wensch niet de stem van uw zoon, de veel gewenschte, te hooren Klinkende in uw paleis; veel liever moge dat verre Blijven van u: hij zal spreken in de eerste ure des onheils. Toen nu de vesting genomen werd, - want een der Perzen, Cresus voor een ander houdend, kwam aan om hem te dooden -, lette Cresus, die hem zag aankomen, er niet op door het onheil van het oogenblik, noch kon het hem schelen door een slag om te komen; doch zijn zoon, die stemlooze, toen hij den Pers zag aankomen, toen brak hij door angst en ramp zijn stem los, en zeide: "O mensch, dood Cresus niet." Hij dan sprak dit als eerste woorden, en daarna sprak hij den ganschen tijd van zijn leven.

LXXXVI[bewerken]

De Perzen dan kregen Sardes in bezit en namen Cresus levend gevangen, die veertien jaren geregeerd had en veertien dagen belegerd was geworden, en volgens het orakel zijn eigen groot rijk had doen vallen. En de Perzen grepen hem en brachten hem voor Cyrus. Deze liet een grooten brandstapel oprichten en Cresus in boeien gebonden daarop brengen en tweemaal zeven lydische knapen bij hem, in den geest hebbende, hetzij dezen eersten buit aan een der goden te offeren, hetzij daar hij een gelofte wilde vervullen, hetzij ook daar hij vernomen had, dat Cresus godvruchtig was, en hij hem daarom dan op den stapel brengen liet, om te zien, of een der goden hem redden zou van levend verbrand te worden. Hij dan deed dit, doch aan Cresus, die op den stapel stond, kwam, ook in dit ongeluk, het woord van Solon te binnen, als door goddelijke ingeving uitgesproken, dat geen der levenden gelukkig is. Toen hem dit te binnen kwam, ademde hij op en na lang zwijgen omhoog zuchtend noemde hij tot driemalen Solon. En Cyrus hoorde dit en beval de tolken Cresus te vragen, wien hij daar aanriep. En zij gingen en vroegen, doch Cresus zweeg lang op hun vragen; dan echter, toen hij gedwongen werd, zeide hij: "hem, die het mij meer waard zou zijn dan vele schatten, zoo hij tot alle heerschers kon spreken." Daar hij echter woorden sprak, hun onverstaanbaar, vroegen zij weder, wat hij zeide. Toen zij aandrongen en hem lastig vielen, zeide hij eindelijk, dat eertijds Solon een Athener bij hem was gekomen, en al zijn schatten gezien had en ze geminacht, dingen zeggend, die geheel aan hem overkomen waren, zoals gene ze zeide, en geenszins meer voor hem alleen sprekend, dan voor alle menschen en vooral voor hen, die zich bij zichzelf voor gelukkig hielden. Dit nu vertelde Cresus en reeds was de brandstapel aangestoken en brandden de uiterste deelen er van. En Cyrus van de tolken vernemend wat Cresus gezegd had, veranderde van zin en overwoog, dat hij, zelf een mensch, een ander mensch, die niet minder dan hij in grootheid geweest was, levend aan het vuur wilde geven, en daarbij vreesde hij de vergelding en bedacht, dat niets bij de menschen zeker is, en beval zoo spoedig mogelijk het brandende vuur te blusschen en Cresus, en die bij Cresus, er af te brengen. En zij trachtten, doch konden het vuur niet meer overweldigen.

===LXXXVII=== Toen heeft Cresus, naar de Lydiërs zeggen, Cyrus' verandering bemerkend, daar hij zag dat alle mannen het vuur wilden blusschen, doch het niet meer bedwingen konden, luid tot Apollo gesmeekt en hem aangeroepen: indien deze ooit van hem een welgevallig geschenk ontvangen had, hem bij te staan en hem te redden uit het tegenwoordige gevaar. Hij nu riep weenende den God aan, doch aan den helderen en windloozen hemel liepen plotseling wolken te samen en een storm brak los en regende met het heftigste water en bluschte den stapel. En Cyrus, zoo leerende, dat Cresus een godvruchtig en rechtschapen man was, liet hem van den stapel brengen en vroeg hem het volgende: "Cresus, wie der menschen bewoog u tegen mijn rijk op te trekken en mijn vijand in plaats van mijn vriend te worden?" En hij zeide: "o koning, ik heb dat gedaan tot uw geluk, doch tot mijn onheil. Doch schuld daarvan was de god der Hellenen, die mij aandreef om op te trekken. Niemand toch is zoo dwaas, dat hij den oorlog boven den vrede verkiest; want in den laatsten begraven de zoons hun vaders, in den eersten de vaders hun zoons. Doch den goden was het lief, dat het zoo geschieden zou."

LXXXVIII[bewerken]

Hij nu zeide dit, en Cyrus maakte zijn boeien los en zette hem dicht bij zich en behandelde hem met grooten eerbied; en hij zelf bewonderde hem en allen die bij hem waren. Cresus zat in nadenken en was stil. Doch daarna zich omkeerend en de Perzen ziende, die de stad der Lydiërs plunderden, zeide hij: "o koning, moet ik zeggen, wat ik denk, of zwijgen in dezen toestand?" Cyrus beval hem onbevreesd te zeggen, wat hij wilde. En de ander vroeg hem, zeggende: "die groote menigte daar, waarmede is zij zoo ijverig bezig?" En hij zeide: "uw stad plundert zij en uw schatten sleept zij weg." Doch Cresus antwoordde: "noch mijn stad, noch mijn schatten plundert zij, want niets behoort mij meer daarvan; doch het uwe rooft zij en sleept zij."

LXXXIX[bewerken]

Cyrus trof, wat Cresus zeide, en de anderen wegzendend, vroeg hij Cresus, wat nadeeligs hij voor hem in die daad zag. De ander zeide: "daar mij de goden u als slaaf hebben gegeven, is mijn plicht, indien ik wat meer bespeur dan gij, het u aan te wijzen. De Perzen zijn van nature overmoedig en zonder rijkdommen; indien ge nu hen toelaat groote schatten te rooven en te bezitten, verwacht dan wel, dat dit u van hen overkomen zal: die het meest van hen bezit, verwacht, dat deze tegen u zal opstaan. Daarom, doe nu zoo, indien u behaagt, wat ik zeg. Plaats uit uw speerdragers wachten bij alle poorten, en laat hen de schatten afnemen van die ze wegdragen, en tot dezen zeggen, dat de buit als tiende aan Zeus moet opgebracht worden. Dan zult gij hun niet gehaat zijn, dat ge met geweld de schatten wegneemt, en zij, inziende dat ge doet wat billijk is, zullen ze u vrijwillig afstaan."

XC[bewerken]

Cyrus dit hoorend verheugde zich grootelijks, daar de raad hem zeer goed toescheen; hij prees hem zeer en aan zijn speerdragers opdragend te volbrengen, wat Cresus aangegeven had, zeide hij tot Cresus: "Cresus, daar ge u bereid toont daden en woorden van een koninklijk man te geven, vraag een geschenk, dat ge terstond hebben wilt." En hij zeide: "o heer, het meest zult ge mij verheugen, indien ge mij toelaat den god der Hellenen, dien ik van de goden het meest geëerd heb, terwijl ik deze boeien zend, te vragen, of het gebruik bij hem is, die hem wel deden te bedriegen." Cyrus vroeg hem, wat hij den god ten laste legde, dat hij dit verzocht. En Cresus verhaalde hem wederom geheel zijn plan en de antwoorden der godspraken, en vooral de wijgeschenken, en hoe hij steunend op het antwoord tegen de Perzen opgetrokken was. En dit verhalend kwam hij weder terug op zijn verzoek, dat hij hem toe zou staan den god daarover te beschimpen. Cyrus zeide lachend: "ook dat zult ge van mij verkrijgen, Cresus, en ieder ander ding, dat ge ook maar verlangen mocht." En toen Cresus dit hoorde, zond hij van zijn Lydiërs naar Delphi met den opdracht de boeien bij den ingang van den tempel neder te leggen en den god te vragen, of hij zich niet schaamde door zijn orakels Cresus tot den veldtocht tegen de Perzen aangedreven te hebben, als zou hij de macht van Cyrus omver werpen, van welken veldtocht toch deze dingen de eerste vruchten waren en dan de boeien te toonen; dat zouden zij vragen, en of het bij de helleensche goden gebruik was ondankbaar te zijn.

XCI[bewerken]

Toen de Lydiërs waren aangekomen en het opgedragene gezegd hadden, antwoordde de Pythia, naar men zegt, het volgende: "het voorbeschikte lot kan ook de god niet ontvluchten. Cresus heeft de zonde van zijn vijfden voorvader geboet, die, speerdrager van de Heracliden, de list eener vrouw volgend, zijn meester doodde en diens waardigheid roofde, die hem geenszins toekwam. Alhoewel Loxias beproefde, dat tijdens de zonen van Cresus de ramp van Sardes zou geschieden en niet tijdens Cresus zelven, was hij niet bij machte het noodlot af te wenden. Zoveel dit hem toeliet, volbracht hij en ten gevalle van Cresus, want drie jaren verschoof hij de inneming van Sardes, en moge Cresus dit weten, dat hij drie jaren later gevangen werd, dan het noodlot beschoren had. Buiten deze dingen heeft de god hem nog geholpen, toen hij verbrand werd. Over de hem gewordene orakelspreuk berispt Cresus ten onrechte; want Loxias voorspelde hem: indien hij tegen de Perzen optrok, zou hij een groot rijk doen vallen. Daarop had hij, als hij goed wilde overleggen, moeten laten vragen of de god zijn rijk of dat van Cyrus bedoelde. Daar hij nu de spreuk niet verstaan heeft noch verder heeft gevraagd, moge hij zich zelven schuldig noemen. Ook wat hem op zijn laatste vraag geantwoord werd over het muildier, ook dat heeft hij niet verstaan. Want Cyrus zelf toch was het muildier, want uit twee menschen van verschillende volkeren was hij geboren, uit een voornamere moeder, en een geringeren vader; want zij was uit Medië en de dochter van Astyages, den koning der Meden, hij daarentegen was een Pers en ondergeschikt aan genen, en in alles beneden haar stand was hij gehuwd met zijn eigen meesteres." Dit nu antwoordde de Pythia aan de Lydiërs, en zij brachten haar woorden naar Sardes en meldden ze Cresus. Hij hoorde ze en zag, dat de dwaling van hem zelven was en niet van de god.

XCII[bewerken]

Met het rijk van Cresus nu en de eerste onderwerping van Ionië was het zoo gesteld. Er zijn in Hellas nog veel andere wijgeschenken van Cresus en niet alleen de genoemden. Want in het boeotische Thebae is de gouden drievoet, dien hij aan Apollon den Ismeniër wijdde, en in Ephesus de gouden koeien en de meeste zuilen, en in het heiligdom van Pronaea te Delphi een groot gouden schild. Deze wijgeschenken bestonden nog tot in mijn tijd, andere echter waren verloren gegaan. Cresus' wijgeschenken in het milesische Branchidae waren, naar ik vernomen heb, gelijk in gewicht en van vorm aan die in Delphi. De dingen in Delphi en in den tempel van Amphiaraüs wijdde hij als zijn eigendom en de eerste gaven van zijn vaderlijke schatten, doch de andere geschenken kwamen uit het vermogen van een vijand, die voordat hij koning was, tegen hem opstond en zich beijverde dat aan Pantaleon het lydische rijk zou komen. Deze Pantaleon was een zoon van Alyattes en een broeder van Cresus, doch uit een andere moeder. Want Cresus was uit een carische vrouw aan Alyattes geboren, Pantaleon uit een ionische. Toen nu Cresus door de beschikking van zijn vader het rijk verkreeg, liet hij den mensch, die zijn tegenstander was geweest, op den pijnbank verscheuren en dooden, en zijn vermogen, dat hij reeds vroeger als offer toegezegd had, wijdde hij toen op de gezegde wijze in de plaatsen, die genoemd zijn. En over de wijgeschenken zij nu zoveel gezegd.

XCIII[bewerken]

Wonderen om te beschrijven heeft het lydische land niet veel, zoals andere landen, behalve het goudzand, dat van den berg Tmolus wordt afgevoerd. Doch het vertoont één werk, dat verreweg het grootste is, uitgezonderd de werken van de Aegyptenaren en de Babyloniërs; dáár is het grafteeken van Alyattes, den vader van Cresus, waarvan de grond uit groote steenen bestaat, doch het overige is een heuvel van aarde. Dit grafteeken is opgericht door de kooplieden en de handwerklieden en de hoeren. En zuilen, vijf in getal, stonden nog in mijn tijd boven op het graf, en woorden waren er in gegrift, wat ieder gedaan had aan de oprichting. En bij meting bleek het werk van de vrouwen het grootste te zijn. Want bij het lydische volk hoereeren de dochters allen om een bruidschat te verzamelen; zij doen dat tot zij trouwen, en huwen zich zelf uit. De omtrek van het grafteeken is zes stadiën en twee plethren, de breedte is dertien plethren; een groot meer raakt aan het grafteeken, en is volgens de Lydiërs altijd stroomend; het heet het gygaeische. Zoo nu is het daarmede.

XCIV[bewerken]

De Lydiërs hebben bijna dezelfde gewoonten als de Hellenen, behalve, dat zij hun dochters laten hoereeren. Het eerst van de mensen, dat wij weten, hebben zij gouden en zilveren munt geslagen en gebruikt, zij waren ook de eerste kramers. De Lydiërs zelf beweren, dat ook de spelen, die nu bij hen en bij de Hellenen in zwang zijn, een vinding van hen waren, en tegelijk dat deze bij hen uitgevonden werden, beweren zij ook een kolonie naar Tyrrhenia gezonden te hebben, daarover op de volgende wijze sprekende. Onder koning Atys, zoon van Manes, kwam groot graangebrek over geheel Lydië, en een tijdlang hielden de Lydiërs het uit, doch daarna, toen het gebrek niet ophield, zochten zij middelen, en de een verzon dit, de ander dat. En toen dan werd het dobbelspel uitgevonden en het bikkelspel en het balspel en de soorten van alle andere spelen, behalve het damspel; want daarvan eigenen de Lydiërs zich de uitvinding niet toe. En na die uitvindingen deden zij aldus tegen den honger: den eenen dag speelden zij zonder ophouden, opdat zij niet naar spijs zouden verlangen, doch den anderen dag hielden zij op met spelen en aten. Op zulk een wijze brachten zij op twee na twintig jaren door. Maar toen de plaag niet wegging, doch steeds erger kwelde, zoo dan verdeelde hun koning alle Lydiërs in twee groepen en lootte, dat de eene groep zou blijven, de andere uit het land zou weggaan; en over de groep, die lootte om te blijven, stelde de koning zich zelven, over de vertrekkende zijn zoon, wiens naam Tyrrhenus was. Die nu, welke lootten om uit het land te trekken, gingen naar Smyrna en bouwden schepen, laadden daarin alles wat zij hadden aan beweegbare have, en reisden weg om kost en land te zoeken, totdat zij, vele volkeren voorbijgevaren hebbend, bij de Ombriciërs kwamen, waar zij steden bouwden en tot dezen dag wonen. In plaats van Lydiërs heetten zij zich naar des konings zoon, die hen geleid had; naar hem zich noemende, werden zij Tyrrhenen genoemd. De Lydiërs dan waren door de Perzen onderworpen geworden.

XVC[bewerken]

Van nu af behandelt mijn verhaal Cyrus, wie hij was die het rijk van Cresus omver wierp, en de Perzen, op welke wijze zij meesters van Azië werden. zoals nu eenige der Perzen berichten, die de geschiedenis van Cyrus niet willen verfraaien, maar volgens de waarheid berichten, volgens die mededeelingen zal ik schrijven, wetende dat er over Cyrus nog wel drie andere vertellingswijzen zijn. Toen de Assyriërs vijfhonderd en twintig jaren over Hoog Azië geheerscht hadden, begonnen de Meden het eerst van hen af te vallen, en vermoedelijk betoonden zij zich in den strijd om de vrijheid tegen de Assyriërs dappere mannen, wierpen de slavernij van zich en werden vrij. Na hen deden ook de andere volken hetzelfde als de Meden.

XCVI[bewerken]

Toen zij nu allen op het vaste land onafhankelijk waren geworden, kwamen zij op de volgende wijze weder onder alleenheerschers. Er was onder de Meden een schrander man, van naam Deioces, en die een zoon was van Phraortes. Deze Deioces, begeerig naar de heerschappij, deed het volgende. De Meden woonden verspreid in dorpen, en terwijl hij in zijn dorp reeds vroeger gezien was, legde hij zich met nog meer ijver op de rechtvaardigheid toe, en dat deed hij terwijl er over geheel Medië veel wetteloosheid was, wetende, dat onrecht aan recht vijandig is. De Meden uit hetzelfde dorp zijn gedrag ziende, kozen hem tot rechter. En hij nu, daar hij naar de heerschappij streefde, was oprecht en billijk. En zoo handelend kreeg hij geen geringen lof van zijn medeburgers, zóózeer, dat de bewoners van de andere dorpen, vernemend, dat Deioces de eenige man was, die volgens billijkheid rechtsprak, terwijl zij vroeger door onrechtvaardige uitspraken getroffen werden, toen, nadat zij het gehoord hadden, gaarne tot Deioces gingen als zij geschil hadden, en zich eindelijk tot niemand anders wendden.

XCVII[bewerken]

Toen er altijd meer tot hem kwamen, daar zij toch vernamen, dat de beslissingen volgens billijkheid vielen, en Deioces zag, dat alles op hem neerkwam, wilde hij niet meer gaan zitten, waar hij vroeger zat om recht te spreken, en weigerde langer uitspraak te doen; want het was voor hem geen voordeel om zijn eigen zaken te verwaarloozen en den ganschen dag voor anderen recht te spreken. Toen dan veel meer rooverij en wetteloosheid over de dorpen kwam dan er vroeger was, kwamen de Meden bijeen en overlegden, sprekende over den toestand. En naar ik vermoed, waren het vooral de vrienden van Deioces, die zeiden: "niet immers op de tegenwoordige wijze kunnen wij het land bewonen, welaan, laat ons een koning over ons aanstellen, en zoo zal het land tot goede wetten geraken en wij zullen ons tot onze werken wenden, en niet door wetteloosheid uitgedreven worden." Zoo ongeveer sprekende overreedden zij de anderen een koning over zich te kiezen.

XCVIII[bewerken]

Toen zij nu terstond de vraag stelden, wien zij koning zouden maken, werd Deioces door een ieder met aandrang voorgesteld en geprezen, totdat zij eindelijk besloten, dat hij hun koning zou zijn. Hij beval hen toen hem een woning te bouwen het koningschap waardig, en hem te beschermen met een lijfwacht van speerdragers. De Meden nu deden dit, want zij bouwden voor hem een groote en versterkte woning, daar waar hij het zelf had aangewezen, en stonden hem toe uit alle Meden speerdragers te kiezen. Toen hij nu de heerschappij had, dwong hij de Meden één stad te bouwen, en deze te versieren, doch op de andere minder te letten. De Meden gehoorzaamden ook hierin, en hij bouwde een groote en sterke vesting, dezelfde die nu Agbatana heet, met ringmuren, staande de een in de ander. Deze sterkte is zoo ingericht, dat de eene ringmuur alleen met de borstwering hooger is dan de andere. En nu helpt ook wel de plaats, die een heuvel is, mede, dat de vesting zoo is, doch nog meer werd zij opzettelijk zoo gemaakt; en terwijl er in het geheel zeven ringmuren zijn, zijn binnen de laatste het paleis en de schatkamer. De grootste dier muren is in grootte zoo ongeveer als de omtrek van Athene. Van den eersten ring zijn de borstweringen wit, van den tweeden zwart, van den derden purperrood, van den vierden blauw, van den vijfden helrood. Zoo zijn de borstweringen van alle muren met kleuren geverfd; doch de laatsten zijn, de eene met verzilverde, de andere met vergulde borstweringen.

XCIX[bewerken]

Deze sterkte dan bouwde Deioces voor zich en om zijn woning, doch het overige volk beval hij rondom de vesting te wonen. Toen nu alles gebouwd was, was Deioces de eerste, die de volgende regeling invoerde: dat niemand bij den koning komen mocht, doch iedereen zou door middel van boden tot hem spreken en dat de koning door niemand gezien zou worden; bovendien nog dat lachen en spuwen in zijn tegenwoordigheid en voor allen onbetamelijk zou zijn. Met deze dingen verhief hij zich zelven daarom, opdat niet zijn genooten, die met hem opgegroeid waren en van een niet geringer geslacht noch minder in dapperheid waren, als zij hem zagen zich ergeren zouden en hem lagen leggen, doch hij hun een gansch ander mensch zou schijnen te wezen, als zij hem niet zagen.

C[bewerken]

Toen hij die zaken geregeld en zich in de alleenheerschappij bevestigd had, was hij streng in de bewaking van het recht. Men schreef de aanklachten op en zond ze naar binnen tot hem, en hij beoordeelde de ingebrachte klachten en zond ze naar buiten. Zoo deed hij met geschillen, en hij regelde ook nog andere zaken: indien hij vernam, dat iemand onrecht gedaan had, liet hij dezen terstond halen en vonniste hem naar de waarde van ieder misdrijf, en spionnen en luisteraars had hij over het geheele land, waarover hij heerschte.

CI[bewerken]

Deioces nu vereenigde alleen het volk der Meden tot één geheel, en heerschte daarover. Er zijn echter zóóvele stammen van Meden: de Busen, de Paretaceniërs, de Struchaters, de Arizantiërs, de Budiërs en de Magiërs. Zovele zijn dan de stammen der Meden.

CII[bewerken]

Deioces' zoon was Phraortes, die toen Deioces stierf na drie en vijftig jaar geregeerd te hebben, de regeering overnam. En ze overgenomen hebbend was hij niet tevreden over de Meden alleen te heerschen, doch hij trok op tegen de Perzen en greep dezen aan en maakte hen het eerst aan de Meden onderworpen. Daarna, deze twee volken hebbend en die beiden krachtig, onderwierp hij Azië, van het eene naar het andere volk gaande, totdat hij, opgetrokken tegen de Assyriërs en die van de Assyriërs, die Ninus in bezit hadden en vroeger over allen heerschten, doch toen ontbloot waren van bondgenooten (daar die afgevallen waren), hoewel overigens in goeden toestand, tegen dezen dan opgetrokken, hij, Phraortes zelf, omkwam, na een regeering van twee en twintig jaren, en het grootste deel van zijn leger.

CIII[bewerken]

Na den dood van Phraortes kreeg Cyaxares, zoon van Phraortes, Deioces' zoon, het rijk. Deze wordt gezegd nog veel krijgszuchtiger geweest te zijn, dan zijn voorouders. Hij was de eerste, die zijn volkeren in Azië in scharen verdeelde, en de eerste, die hen ordende afgescheiden van elkander: de lansdragers, de boogschutters en de ruiters; want vóór dien tijd was alles zonder onderscheid dooreen gemengd. Deze is het die met de Lydiërs vocht, toen nacht de dag werd bij hun strijd, en die geheel Azië boven de rivier Halys aan zich onderwierp. En alle door hem beheerschten verzamelend trok hij op tegen Ninus, om zijn vader te wreken en uit verlangen die stad te veroveren. En toen hij, na in een treffen de Assyriërs overwonnen te hebben, Ninus belegerde, rukte een groot leger van Scythen tegen hem op, en hen voerde Madyes aan, de koning der scythen, de zoon van Protothyes; deze scythen waren in Azië gevallen, nadat zij de Cimmeriërs uit Europa verdreven hadden, en dezen op hun vlucht volgende, waren zij zoo in Medië gekomen.

CIV[bewerken]

Van het Maeotische meer naar de rivier Phasis en de Colchiërs is de weg dertig dagen voor een onbelasten man, doch om van Colchis naar Medië te komen is niet veel, doch één volk slechts is er tusschen hen, de Saspiren, en is men dezen voorbij, dan is men in Medië. De Scythen evenwel waren langs dien weg niet ingevallen, doch hadden den hoogeren veel langeren weg genomen, het caucasische gebergte aan de rechterhand hebbend. En de Meden, daar met de Scythen samengetroffen en overwonnen in den strijd, verloren de opperheerschappij, terwijl de Scythen geheel Azië overmeesterden.

CV[bewerken]

Van daar trokken zij naar Egypte. En toen zij in het palaestinische Syrië waren gekomen, kwam hun Psammetichus, de koning van Egypte tegemoet, en bewoog hen met geschenken en smeekingen niet verder te trekken. Zij daarop terugkeerend kwamen in de syrische stad Ascalon, en toen de meeste Scythen zonder schade aan te richten voorbij waren gegaan, plunderden enkele weinige achtergeblevenen van hen den tempel der hemelsche Aphrodite. Deze tempel nu is, gelijk ik na onderzoek bevind, de oudste van alle tempels, zovelen er van die godin zijn. Want ook de tempel in Cyprus komt daar van daan, zoals de Cypriërs zelf beweren, en Pheniciërs uit dat zelfde deel van Syrië hebben dien in Cythera gebouwd. Op die der Scythen nu, die den tempel in Ascalon geplunderd hadden en op al hun nakomelingschap wierp de godin een vrouwelijke ziekte. Daardoor dan zeggen de Scythen, zoowel dat zij de ziekte hebben, als dat zij die het scythische land bezoeken bij hen zien, in welken toestand diegenen zijn, welke de scythen enarëers noemen.

CVI[bewerken]

Gedurende achtentwintig jaren nu heerschten de Scythen over Azië, en alles werd door hun ruwheid en zorgeloosheid verwoest. Want van ieder afzonderlijk eischten zij een schatting, die zij aan elk oplegden, en behalve die schatting roofden zij op hun tochten, wat ieder had. En de meesten van hen doodde Cyaxares met de Meden, nadat zij hen op een feest genoodigd hadden en dronken gemaakt, en zoo verkregen de Meden de oppermacht weder en heerschten over dezelfden als vroeger, en zij veroverden Ninus (hoe zij het veroverden, zal ik in een ander verhaal mededeelen) en zij onderwierpen de Assyriërs behalve het babylonische gebied. En daarna stierf Cyaxares, na een regeering van veertig jaren met die er onder, waarin de Scythen heerschten.

CVII[bewerken]

De zoon van Cyaxares, Astyages neemt het koningschap over. En hij had een dochter, aan wie hij den naam Mandane gaf, van welke Astyages in den droom meende, dat zij zoo veel waterde, dat zij zijn stad vulde, en gansch Azië overstroomde. Toen hij aan de droomuitleggers onder de Magiërs het gezicht had medegedeeld, schrok hij, daar hij de waarheid nauwkeurig van hen vernam. En deze Mandane, toen zij huwbaar was, gaf hij, uit vrees voor het droomgezicht, aan niemand van de Meden, die hem waardig waren, tot vrouw, doch hij gaf haar aan een Pers, wiens naam Cambyses was, dien hij bevond uit een goed geslacht te zijn, en van een kalmen aard, terwijl hij hem verre beneden een Meder van den middelstand achtte.

CVIII[bewerken]

Nadat Mandane met Cambyses gehuwd was, zag Astyages in het eerste jaar een ander gezicht: er scheen hem uit den schoot dier dochter een wijnstok te groeien, en die wijnstok bedekte gansch Azië. Toen hij dit gezien had en medegedeeld aan de droomuitleggers, ontbood hij zijn dochter, die dicht bij haar bevalling was, uit Perzië en na haar komst bewaakte hij haar, voornemens te dooden, wat uit haar geboren zou worden; want uit het droomgezicht hadden de droomuitleggers onder de Magiërs hem aangewezen, dat de spruit van zijn dochter in plaats van hem koning zou zijn. Om dit nu te voorkomen, liet Astyages, toen Cyrus geboren was, Harpagus roepen, een verwante en de meest vertrouwde der Meden en bestuurder van al zijn zaken, en zeide tot hem het volgende: "Harpagus, de zaak, die ik u opdraag, moogt ge geenszins zorgeloos behandelen, noch mij bedriegen, en wil niet, anderen boven mij kiezende, u zelf later in het ongeluk storten. Neem het kind, dat Mandane baarde, breng het naar uw huis en dood het; daarna, begraaf het op welke wijze gij zelf wilt." Hij antwoordde: "O koning, nimmer nog zaagt ge in dezen man iets verkeerds, en wij dragen zorg ook in de toekomst tegenover u niets te misdrijven. Maar indien dan het u lief is dat dit zoo geschiedt, behoor ik mijn dienst met ijver te bewijzen."

CIX[bewerken]

Toen Harpagus met deze woorden geantwoord had, en hem het knaapje gegeven was, gehuld in doodsgewaad, ging hij weenend naar zijn woning, en daar gekomen, verhaalde hij aan zijn vrouw al wat Astyages gezegd had. En zij zeide tot hem: "wat hebt ge nu in den zin te doen? " Hij antwoordde: "niet wat Astyages bevolen heeft, niet indien hij van zinnen zal raken en erger razen dan hij nu raast, niet zal ik zijn wensch vervullen, noch in zulk een moord hem helpen. Om vele redenen zal ik het niet dooden, èn omdat het kind mij zelf verwant is, èn omdat Astyages oud is en kinderloos in manlijk kroost; en indien na zijn dood de heerschappij op die dochter overgaat, wier zoon hij nu doodt door mij, wat blijft dan voor mij over dan het grootste van alle gevaren? Doch voor mijn veiligheid moet het kind sterven, doch dan moet een der Meden van Astyages de moordenaar wezen, en niet een der mijnen."

CX[bewerken]

Zoo sprak hij, en terstond zond hij een bode naar dien van Astyages' herders, die, naar hij wist, zijn kudden liet weiden op de meest geschikte weiden en bergen vol wilde dieren, wiens naam Mitradates was. Deze was gehuwd met zijn medeslavin, en de vrouw, met welke hij gehuwd was, heette volgens de Helleensche taal Kyno, volgens de medische Spako, want een teef noemen de Meden spako. De voet van het gebergte, waar deze herder de weiden voor zijn runderen had, is ten noorden van Agbatana gelegen en naar den Pontus Euxinus heen. Want daar is het land der Meden naar het land der Saspiren heen zeer bergachtig en hooggelegen en met bosschen bedekt, het overige Medië is daarentegen geheel vlak. Toen nu de herder met veel spoed geroepen was en kwam, zeide Harpagus dit: "Astyages beveelt u dit knaapje te nemen en neer te leggen op de meest verlaten plek van het gebergte, opdat het zoo spoedig mogelijk sterve. En hij heeft mij bevolen ook dit te zeggen: indien ge het niet doodt, doch op eenige wijze in het leven laat, dan zal hij u met den zwaarsten dood ombrengen en mij is opgedragen toe te zien, dat het kind neergelegd is."

CXI[bewerken]

De herder hoorde deze woorden, nam het kind aan, en ging denzelfden weg terug en kwam in zijn hut. En zijn eigen vrouw, die iederen dag op 't bevallen was, baarde door goddelijke beschikking toen juist, toen de herder naar de stad was gegaan. En beiden waren in zorg over elkander: hij uit vrees over de bevalling van zijn vrouw, de vrouw echter, daar tegen zijn gewoonte Harpagus hem ontboden had. Toen hij, teruggekeerd, tot haar trad, en zij hem onverhoopt zag, vroeg de vrouw het eerst, waarom Harpagus hem zoo haastig had laten halen. En hij zeide: "in de stad gekomen zag en hoorde ik, wat ik nooit had wenschen te zien, en wat nooit onze meesters mocht overkomen zijn. Gansch het huis van Harpagus was in gejammer, en ik ging verschrikt naar binnen. Zoodra ik binnen gekomen was, zie ik een knaapje liggen, hijgend en schreeuwend, en versierd met goud en een bont kleed. En Harpagus, toen hij mij zag, beval mij ten spoedigste het knaapje op te nemen en er mede weg te gaan en het neer te leggen, in het gebergte waar de meeste wilde dieren zijn; Astyages, zei hij, was het, die mij dit beval, en hij dreigde veel, indien ik het niet zou doen. En ik nam het mede, meenende dat het van een der dienaren was; want ik had geen vermoeden, van waar het kwam. Wel verbaasde ik mij, ziende hoe het met goud en gewaad getooid was, bovendien ook over de droefheid, die klaarblijkelijk in Harpagus' huis heerschte. En spoedig daarna op den weg verneem ik de gansche zaak van den dienaar, die mij uit de stad geleidde en mij het kind in handen gaf, dat het de zoon was van Mandane, Astyages' dochter, en van Cambyses, zoon van Cyrus, en dat Astyages beveelt het te dooden: en nu dan, hier is het."

CXII[bewerken]

En met dat hij dit zeide, nam de herder het kleed weg en toonde het kind. En zij, toen zij het kind zoo groot en schoon zag, weende, en omvatte de knieën van haar man, smeekend, dat hij het op geen enkele wijze daar neer zou leggen. Doch hij zeide niet in staat te zijn anders te doen, want er zouden lieden komen van Harpagus om toe te zien, en hij zou op het ergst omkomen, indien hij het niet deed. Toen zij haar man dan niet kon overreden, sprak zij vervolgens dit: "daar ik u dus niet kan overreden het kind niet neer te leggen, doe gij dan zóó, indien er alle noodzaak is, dat het daar neergelegd en gezien wordt; want ook ik heb gebaard, doch een dood kind baarde ik: neem dat en leg het neer, doch den zoon van Astyages' dochter, laat ons dien opvoeden als onzen eigenen; en zoo zult gij niet betrapt worden op misdrijf tegen uw meesters, nog zal dat slecht voor ons zelf overlegd zijn. Want het gestorven kind zal een koninklijke begrafenis krijgen, en het levende zijn leven niet verliezen."

CXIII[bewerken]

En den herder scheen zijn vrouw zeer goed naar het geval te spreken en terstond deed hij zoo. Den knaap, dien hij medegebracht had om te dooden, dien gaf hij over aan zijn vrouw, en zijn eigen dood kind nam hij en legde het in den mand, waarin hij het andere gedragen had; en hij tooide het met al den tooi van den anderen knaap, bracht het naar de meest verlaten plek van het gebergte en legde het neer. Toen de derde dag gekomen was na het neerleggen van den knaap, ging de herder naar de stad, een van zijn knechten als wachter daar achterlatend, en naar Harpagus' woning gegaan, zeide hij bereid te zijn het lijk van het knaapje te toonen. Toen zond Harpagus de trouwsten van zijn speerdragers, en door middel van hen zag hij en begroef hij het kind van den herder. En dit kind nu was begraven, doch dat later Cyrus genoemd werd, dat nam de vrouw van den herder tot zich en zij voedde het op, en gaf het een anderen naam en niet dien van Cyrus.

CXIV[bewerken]

En toen de knaap tien jaren oud was, gebeurde de volgende zaak met hem, die hem bekend maakte. Hij speelde in dat dorp, waarin ook de runderstallen waren, en speelde met andere genooten op den weg. En in hun spel kozen de knapen dien zoogenaamden zoon van den herder tot hun koning. Hij nu beval sommigen van hen huizen te bouwen, anderen speerdragers te zijn, een van hen maakte hij het oog van den koning, aan een ander gaf hij den taak om boodschappen rond te brengen, en zoo droeg hij ieder zijn werk op. Een van die knapen, die mede speelde, een zoon van Artembares, een aanzienlijk man bij de Meden, deze nu had het door Cyrus bevolene niet gedaan, en gene beval aan de andere knapen hem te grijpen, en toen de knapen gehoorzaamden, behandelde Cyrus hem zeer ruw met zweepslagen. Doch zoodra hij losgelaten was, liep hij, daar hij boos was en meer nog, wijl hij wat onwaardigs had ondergaan, liep hij naar de stad en klaagde bij zijn vader over wat hij van Cyrus ondervonden had, niet Cyrus zeggende (want hij had nog niet dien naam), doch van den zoon des herders van Astyages. En Artembares ging terstond naar Astyages en den knaap met zich nemend, verklaarde hij, onbillijke dingen ondervonden te hebben, zeggende: "O koning, door uw slaaf, den zoon van den herder, zijn wij zóó mishandeld," en hij liet de schouders van den knaap zien.

CXV[bewerken]

Astyages dit hoorende en ziende, wilde om het aanzien van Artembares den knaap voldoening geven, en ontbood den herder en zijn zoon. Toen zij beiden gekomen waren, zag Astyages naar Cyrus en zeide : "Gij, de zoon van zulk een man, hebt het gewaagd den zoon van hem, die bij mij de eerste is, met zulk een smaad te behandelen?" En hij antwoordde aldus: "O heer, naar billijkheid heb ik hem dat aangedaan; want de knapen uit het dorp, waarvan hij er ook een is, hebben mij bij het spel tot hun koning aangesteld; want ik scheen hun daarvoor de meest geschikte te zijn. De andere knapen nu deden wat hun bevolen werd, doch deze was ongehoorzaam, en lette er niets op, totdat hij zijn straf kreeg. Indien ik daarom nu straf verdien, welnu, hier ben ik."

CXVI[bewerken]

Toen de knaap zoo sprak, herkende Astyages hem plotseling; de uitdrukking van het gelaat scheen hem te gelijken op het zijne en het antwoord te vrijmoedig, en ook het tijdstip van het te vondeling leggen kwam hem voor overeen te komen met den leeftijd van den knaap. Verschrokken door deze dingen, was hij een tijd lang zonder geluid; en met moeite eindelijk weder tot zichzelven gekomen, sprak hij, daar hij Artembares wilde wegzenden, om den herder alleen in gehoor te nemen en te onderzoeken: "Artembares, ik zal deze zaak zoo maken, dat gij en uw zoon niets te klagen hebt." Artembares dan zendt hij weg, en Cyrus brachten dienaren op bevel van Astyages binnen in het paleis. Toen de herder alleen was overgebleven, vroeg Astyages hem buiten gehoor van anderen, van waar hij den knaap had gekregen, en wie de gever was. Hij zeide dat de knaap uit hem zelven was gesproten en dat de moeder nog bij hem leefde. Astyages zeide hem, dat hij niet verstandig deed, verlangende tot folteringen te geraken, en met dat hij dit zeide, gaf hij aan zijn speerdragers bevel hem te grijpen. En gene naar den pijnbank gebracht, openbaarde op die wijze dan de geheele zaak. Begonnen bij het begin verhaalde hij alles, naar waarheid sprekend, en kwam eindelijk tot smeekingen en bad Astyages hem vergiffenis te schenken.

CXVII[bewerken]

Doch toen de herder de waarheid geopenbaard had, sloeg Astyages reeds minder acht op hem, doch zeer verbitterd op Harpagus beval hij zijn speerdragers dien te ontbieden. Toen Harpagus bij hem gekomen was, vroeg Astyages hem: "Harpagus, op welke wijze dan hebt ge het kind gedood, dat ik als spruit van mijn dochter u gegeven heb?" En Harpagus, toen hij den herder in het vertrek zag, begaf zich niet op den weg des bedrogs, dat hij niet bij onderzoek op onwaarheid betrapt zou worden, maar zeide het volgende: O koning, toen ik het knaapje ontvangen had, overwoog ik, hoe ik het u naar den zin zou maken, en, zonder tegen u te misdrijven, noch in de oogen van uw dochter noch ook van u zelf een moordenaar zou zijn. Ik deed daarom aldus: ik roep dien herder en geef hem het knaapje, zeggende dat gij het waart, die bevaalt het te dooden. En zoo sprekend loog ik niet: want gij zelf hadt aldus bevolen. Ik gaf hem dus het kind over, met bevel het op een verlaten berg neer te leggen en het te blijven bewaken, tot het gestorven zou zijn, vele dingen dreigend, als hij dit bevel niet volbrengen zou. Toen hij nu het bevolene verricht had en het knaapje gestorven was, zond ik de trouwsten van mijn gesnedenen en zag het na door middel van hen en begroef het kind. Zoo, o koning, ging het met die zaak, en op zulk een wijze kwam het kind om."

CXVIII[bewerken]

Harpagus dan verhaalde de waarheid, en Astyages den toorn verbergend, dien hij om het gebeurde in zich had, verhaalde eerst aan Harpagus, zoals hij de zaak van den herder gehoord had, en daarna, toen hij het dan oververteld had, eindigde hij te zeggen, dat de knaap nog leefde en dat het zoo zeer goed was. "Want ik had veel verdriet over wat dien knaap was aangedaan," zeide hij, "en ik telde het niet gering, twist met mijn dochter te hebben. Daar nu de zaak zich ten goede heeft gekeerd, stuur dan uw eigen zoon naar den terug gevondene en bovendien, - want ik wil een dankoffer voor de redding van den knaap aan de goden brengen, wien die eer toekomt -, kom zelf bij mij aan het maal."

CXIX[bewerken]

Harpagus toen hij dit hoorde, knielde neder en achtte zich gelukkig, dat zijn misdrijf zoo goed een afloop genomen had en dat hij onder zulke gunstige omstandigheden op het feest genoodigd werd, en ging naar huis. En zoodra hij daar gekomen was, - want hij had een eenigen zoon, ongeveer dertien jaar oud -, zond hij dezen weg en beval hem naar Astyages te gaan, en te doen, wat deze mocht bevelen. En zelf zeer verheugd verhaalde hij aan zijn vrouw, wat geschied was. Maar Astyages liet, toen Harpagus' zoon bij hem gekomen was, hem slachten en in stukken snijden, en dan het vleesch voor een deel braden, voor een ander deel koken, en goed toebereid hield hij de stukken gereed. Toen het uur van den maaltijd gekomen was, kwamen de andere gasten en ook Harpagus, en voor de anderen en ook voor Astyages werden tafels voorgezet vol van schapenvleesch, doch voor Harpagus, behalve het hoofd en de handen en de voeten, al het andere van zijn eigen zoon; doch die lagen afzonderlijk bedekt in een korf. Toen Harpagus oordeelde genoeg gegeten te hebben, vroeg Astyages hem, of hij genoegen had in het maal. En toen Harpagus zeide zich zeer te verheugen, brachten zij, wien het bevolen was, het hoofd van zijn zoon, toegedekt, en de handen en de voeten, en bij Harpagus staande bevalen zij hem de korf te ontblooten, en er uit te nemen, wat hij wilde. En Harpagus gehoorzaamt en neemt de bedekking weg en ziet de overblijfselen van zijn zoon; doch ze ziende raakte hij niet ontsteld, en bleef zich zelven meester. Doch Astyages vroeg hem, of hij wist, van welk dier hij vleesch had gegeten. En hij zeide het te weten, en dat alles hem aangenaam was, wat de koning deed. Dit geantwoord hebbend, nam hij de overblijfselen van het vleesch op en ging naar huis. En daar wilde hij, naar ik meen, alles bijeen zamelen en begraven.

CXX[bewerken]

Aan Harpagus nu legde Astyages dien straf op, doch na nadenken over Cyrus ontbood hij de zelfden van de Magiërs, die zijn droomgezicht op zulk een wijze hadden uitgelegd. Toen zij gekomen waren, vroeg Astyages, hoe zij zijn droom hadden verklaard. En zij antwoordden op de zelfde wijze, zeggende dat de knaap koning moest wezen, indien hij in 't leven gebleven was en niet te voren gestorven. Hij antwoordde hun met het volgende. "de knaap is er en leeft nog en terwijl hij op het land woonde hebben de kinderen uit het dorp hem tot koning benoemd. En alles, wat werkelijke koningen doen, heeft hij gedaan, want speerdragers en deurwachters, en boodschappers en al het andere had hij onder zich. En waarheen schijnt u dat nu te gaan?" De Magiërs zeiden: "indien de knaap nog leeft en koning is geweest zonder eenig opzet, wees dan daarom onbevreesd te zijnen opzichte en heb goeden moed; want niet meer zal hij voor de tweede maal heerschen. Want op kleine dingen zijn sommige van onze uitspraken uitgeloopen, en somtijds gaan gansche droomen geheel naar het onbeduidende." Astyages antwoordde met deze woorden: "Ook ik, o Magiërs, ben sterk van meening, dat, nu de knaap koning genoemd is, de droom vervuld is geworden en die knaap mij geenszins meer gevaarlijk is. Maar toch geeft mij raad, en overweegt wel, wat het veiligste zijn zal en voor mijn huis en voor u." Daarop zeiden de Magiërs: "O koning, ook ons zelven is het veel waard, dat uw heerschappij stand houde; in het andere geval toch, als zij op dien knaap overgaat, die een Pers is, komt zij aan vreemden, en wij Meden zijn in slavernij en van geen belang bij de Perzen, daar wij vreemden zijn; doch als gij koning blijft, gij onze medeburger, heerschen wij naar ons deel en hebben groot aanzien bij u. Zoo dan moeten wij op alle wijzen zorgen voor u en voor uw heerschappij. En nu, indien wij iets angstigs zagen, zouden wij het u vooruit zeggen. Nu de droom thans echter op iets nietigs is uitgeloopen, zijn wij goedsmoeds en raden u het zelfde; zend dien knaap uit uw oogen naar de Perzen en zijn ouders."

CXXI[bewerken]

Astyages verheugde zich dit hoorende, en liet Cyrus roepen en zeide tot hem dit: "O knaap, om een ijdel droomgezicht toch wilde ik u onrecht doen, doch door uw lot leeft gij; ga dan nu ongedeerd naar de Perzen, en geleiders zal ik met u zenden. En daar gekomen zult ge een vader en een moeder vinden gansch anders dan Mitradates en zijn vrouw."

CXXII[bewerken]

Zoo gesproken hebbend zond Astyages Cyrus weg, en bij zijn aankomst in Cambyses' huis ontvingen zijn ouders hem, en toen zij dan vernamen, wie hij was en van waar, begroetten zij hem vreugdevol, daar zij toch meenden, dat hij toen terstond was omgekomen, en zij vroegen, op welke wijze hij gered was. En hij verhaalde hun, zeggende vroeger het niet geweten, doch gansch gedwaald te hebben, doch onderweg had hij geheel zijn ongeval vernomen. Want hij meende, dat hij van Astyages' herder de zoon was, doch op den weg van daar had hij de gansche zaak van zijn geleiders vernomen. En hij was opgevoed, zeide hij, door de vrouw van den herder, en hij prees deze zeer veel, en in zijn verhaal was Kyno alles. Zijn ouders namen dien naam op, en, opdat de redding van hun zoon den Perzen meer wonderbaarlijk zou schijnen, verbreidden zij het gerucht, dat een hond Cyrus, die daar verlaten lag, had opgevoed. En vandaar is dat verhaal gekomen.

CXXIII[bewerken]

Toen Cyrus man was geworden en de dapperste en meest beminde van zijn tijdgenooten, zocht Harpagus hem, en zond geschenken, begeerig zich op Astyages te wreken. Want hij zag geen kans dat van hem zelf, een burger, wraak over Astyages zou komen, doch Cyrus ziende opgroeien, maakte hij hem tot bondgenoot, daar hij Cyrus' behandeling met de zijne gelijk stelde. Vóór dien tijd had hij ook reeds dit verricht: daar Astyages streng was tegen de Meden, sprak Harpagus met ieder afzonderlijk van de voornaamste Meden, en overreedde hen, dat zij Cyrus aan het hoofd moesten plaatsen en Astyages uit de regeering stooten.Toen dit hem gelukt was en in gereedheid gebracht en hij aan Cyrus dan zoo, die onder de Perzen leefde, zijn plan wilde mededeelen, wist hij niets anders, daar de wegen bewaakt werden, doch verzon het volgende: hij bereidde een haas toe, en sneed haar buik open en trok gansch geen haar uit, doch liet haar zoo, en zoo stak hij er een brief in, waarin hij had beschreven wat hij besloten had; dan naaide hij de buik van den haas weder dicht, en gaf ze in een net aan den trouwste van zijn dienaars, als jager uitgerust, en zond hem naar de Perzen, hem opdragend, als hij de haas aan Cyrus gaf, met eigen mond te zeggen, dat hij met eigen hand de haas zou open snijden en niemand mocht er bij zijn, als hij dat deed.

CXXIV[bewerken]

Dit nu werd zoo volbracht, en Cyrus nam de haas aan en sneed ze open. En hij vond den brief, die er in was, en nam hem en las. Het geschrift zeide het volgende:"O zoon van Cambyses, daar toch de goden over u waken, - want niet zoudt ge anders tot zulk geluk gekomen zijn, - wreek u dan op Astyages uw moordenaar. Want naar zijn wens zijt ge reeds dood, door de goden en door mij echter leeft ge. Reeds lang zult ge weten, denk ik, wat met u zelf geschiedde, en wat ik van Astyages ondervonden heb, daar ik u niet had gedood, doch aan den herder gegeven. Gij dus, indien ge mij volgen wilt, - waar Astyages over heerscht, over dat gansche land zult gij heerschen. Want overreed de Perzen tot afval en trek op tegen de Meden. En indien ik door Astyages tot veldheer word gekozen tegenover u, dan geschiedt wat gij wilt, en ook, indien een ander van de voorname Meden. Want terstond zullen zij van hem afvallen en op uw hand komen, en trachten Astyages ten val te brengen. Daar nu de zaak hier gereed is, doe het, en doe het snel."

CXXV[bewerken]

Cyrus dit vernomen hebbend overwoog, op welke wijze hij het slimst de Perzen tot afval zou brengen, en bij overweging bevond hij dit het meest geschikte te wezen, en hij deed het dan. Hij schreef in een brief, wat hij nuttig vond, en riep de Perzen bijeen; toen vouwde hij den brief open, las hem en zeide, dat Astyages hem tot veldheer van de Perzen benoemd had. "En nu," zeide hij verder, "beveel ik u op te komen ieder met een sikkel". Cyrus beval dan dit. Er zijn veel stammen van de Perzen, en een deel van hen bracht Cyrus bijeen en overreedde hen van de Meden af te vallen; deze zijn, - en van hen hangen alle andere Perzen af -, de Pasargaden, de Marafiërs, de Maspiërs; van dezen zijn de Pasargaden de aanzienlijksten, waartoe ook het geslacht der Achaemeniden behoort, van hetwelk de perzische koningen afstammen. Andere Perzen zijn dezen: de Panthialaeërs, de derusiaeërs, de Germaniërs; deze allen zijn landbouwers, doch de anderen zwervend: de Daiërs, de Marden, de Dropiciërs, en de Sagartiërs.

CXXVI[bewerken]

Toen nu allen met het bevolene gekomen waren, toen beval Cyrus hen - want er was een doornachtige streek in Perzië, ongeveer achttien of twintig stadiën naar iederen kant - dezen streek in één dag effen te maken. En toen de Perzen den opgelegden taak volbracht hadden, beval hij hen wederom den volgenden dag op te komen, nadat zij zich eerst gewasschen hadden. Intusschentijd bracht Cyrus alle kudden van geiten, schapen en runderen van zijn vader bijeen, slachtte ze en bereidde ze toe, om het Perzische leger te onthalen; bovendien wijn en brood in overvloed. Toen de Perzen den volgenden dag gekomen waren, liet hij hen op het gras nederliggen en feest vieren. Nadat zij gegeten hadden, vroeg Cyrus hen, of wat zij den vorigen dag gehad hadden of wat heden hun het aangenaamste was. Zij zeiden, dat het verschil groot was; want den vorigen dag was alles slecht geweest, op dezen dag echter alles goed. Dit woord nam Cyrus op en ontblootte de gansche zaak, zeggende: "Mannen Perzen, zóó staat het met u; wilt ge mij gehoorzamen, dan hebt ge deze en nog tallooze andere goede dingen, en geen enkel slaafsch werk; wilt ge mij niet volgen, dan zult ge ontelbare lasten hebben, zoals die van gisteren. Doch volgt mij, en weest vrij. Want ik zelf meen door goddelijke beschikking geboren te zijn om dit werk te ondernemen, en ik meen dat gij geen mindere mannen zijt dan de Meden, noch in andere dingen, noch in den oorlog. Daar nu zoo het geval is, staat zoo spoedig mogelijk tegen Astyages op."

CXXVII[bewerken]

De Perzen nu hadden een aanvoerder en wilden zich gaarne bevrijden, want reeds lang verfoeiden zij het door de Meden beheerscht te worden. Toen Astyages vernam, dat Cyrus zoo deed, zond hij een bode om hem te ontbieden. Cyrus beval den bode terug te melden, dat hij eerder bij Astyages zou komen, dan deze zelf wenschte. Op die woorden wapende Astyages al de Meden en, door de goden geslagen, stelde hij Harpagus als veldheer aan, geheel vergetend, wat hij hem had aangedaan. Toen nu de Meden waren opgetrokken en met de Perzen samentroffen, streden sommigen van hen, die geen deelgenoot waren van de samenzwering, anderen liepen naar de Perzen over; de meesten echter gedroegen zich als lafaards en gingen op de vlucht.

CXXVIII[bewerken]

Toen het leger der Meden schandelijk verspreid was geworden, zeide Astyages, zoodrahij dat vernomen had, met bedreiging tegen Cyrus: "maar ook zóó zal Cyrus niet zonder straf blijven!" Zoo sprak hij en hij liet eerst de droomuitleggers onder de Magiërs, die hem geraden hadden Cyrus te laten gaan, spietsen, daarna wapende hij de Meden, die in de stad waren overgebleven, de jonge en oude mannen. Hij voerde hen naar buiten en trof samen met de Perzen, doch werd overwonnen, en Astyages zelf werd levend gevangen genomen, en hij verloor de Meden, die hij naar buiten had gevoerd.

CXXIX[bewerken]

En Harpagus ging voor den gevangenen Astyages staan en lachte om zijn leed en beschimpte hem, en zeide andere hartbijtende woorden tot hem, en vroeg hem ook hoe het loon voor zijn eigen maal, waarop gene hem met het vleesch van zijn zoon onthaald had, hoe hem dan nu de slavernij was in plaats van zijn koningschap. Gene zag hem aan en vroeg, of hij Cyrus' werk het zijne noemde. En Harpagus stemde toe, want hij zelf had geschreven, en met recht was dus de daad van hem. Doch Astyages bewees hem met redenen, dat hij de onnoozelste en de onrechtvaardigste van alle menschen was; de onnoozelste, indien hij zelf koning had kunnen worden, zoo althans werkelijk door hem het gebeurde geschied was, en hij aan een ander de macht had geschonken; de onrechtvaardigste, daar hij om dat maal de Meden slaven had gemaakt; want indien het noodzakelijk was het koningschap aan een ander over te dragen en niet het zelf te behouden, dan was het billijker geweest aan een der Meden dat geluk te gunnen, dan aan een Pers. Want nu waren de Meden, die gansch geen schuld daaraan hadden, slaven geworden in plaats van heerschers; de Perzen daarentegen, voorheen slaven van de Meden, thans meesters.

CXXX[bewerken]

Astyages dan hield zoo op te regeeren, na een koningschap van vijf en twintig jaren, doch de Meden moesten door zijn strengheid voor de Perzen bukken, nadat zij over het boven de Halys gelegene Azië honderd en dertig jaren op twee na geregeerd hadden, behalve zoveel de Scythen heerschten. Naderhand berouwde hun hun daad, en zij stonden op onder Darius; doch bij dien opstand werden zij weder onderworpen, overwonnen in den strijd. Doch toen in den tijd van Astyages opgestaan tegen de Meden, heerschten de Perzen en Cyrus sinds dien tijd over Azië. Aan Astyages deed Cyrus verder geen leed en hij hield hem bij zich, tot hij stierf. Cyrus dan, zóó geboren en opgevoed, werd koning, en naderhand onderwierp hij Cresus, die den strijd begonnen was, zoals ik vroeger verhaald heb. En toen hij dezen onderworpen had, heerschte hij zoo over geheel Azië.

CXXXI[bewerken]

De Perzen leven naar mijn weten onder de volgende gebruiken. Godenbeelden, tempels en altaren op te richten is geen zede bij hen; ja zelfs die dat doen, noemen zij dwaas, omdat, naar ik gis, zij niet zoals de Hellenen de goden van menschelijke gestalte achtten. Zij hebben de gewoonte om, op de hoogste bergen geklommen, aan Zeus offers te brengen, den ganschen kring des hemels Zeus noemend. Zij offeren aan de zon en de maan, aan de aarde en het vuur en het water en de winden. Aan dezen alleen offeren zij van oudsher, doch zij hebben bovendien nog geleerd aan Urania te offeren, en van de Assyriërs leerden zij dit en van de Arabieren. De Assyriërs noemen Aphrodite Mylitta, de Arabieren Alilat, de Perzen Mitra.

CXXXII[bewerken]

De offering voor de gezegde goden geschiedt bij de Perzen op de volgende wijze. Altaren richten zij niet op, noch ontsteken zij vuur als zij offeren willen. Zij hebben er geen plenging bij, noch fluitspel, noch banden, noch gerooste gerst. Als iemand aan een van de goden wil offeren, voert hij het vee naar een reine plaats en roept den god aan, den tiara gewoonlijk omkransd met mirtetakken. En als hij dan offert, is het hem niet geoorloofd voor zich alleen goeds af te smeeken, doch voor alle Perzen bidt hij om voorspoed en voor den koning, want onder al die Perzen is hij zelf ook begrepen. Daarna snijdt hij het offerdier in stukken en kookt het vleesch, en dan spreidt hij er het meest frissche gras onder, en vooral klaverblad, en legt daarop dan het vleesch neder. Heeft hij alles goed ingericht, dan treedt een Magiër naderbij en zingt de godenwording, zoals zij dan dit gezang noemen, want het is bij hen geen zede zonder Magiër een offering te verrichten. Na korten tijd draagt de offeraar het vleesch weg, en gebruikt het, zoals hij lust heeft.

CXXXIII[bewerken]

Van alle dagen pleegt ieder het meest dien te eeren, waarop hij geboren werd. Op dien dag vinden zij het betamelijk een rijker maal dan anders op te disschen. De rijken onder hen laten een os, een paard, een kameel of een ezel geheel braden in den haard en opdisschen; de armen daarentegen disschen klein vee op. Ze hebben weinig hoofdgerechten, doch veel toegerechten, en die niet tegelijk doch na elkaar, en daarom zeggen de Perzen, dat de Hellenen hongerig met eten ophouden, daar bij hen na den maaltijd niets stevigs meer wordt voorgezet, maar als wat werd voorgezet, zouden zij niet ophouden met eten. Aan den wijn zijn zij sterk overgegeven, en het staat hun niet vrij te braken, noch te wateren in iemands tegenwoordigheid. Dit wordt nu zoo in acht genomen, doch zij plegen in dronkenschap over de belangrijkste zaken te beraadslagen; wat zij dan besloten hebben, dat legt hun den volgenden dag, als zij nuchter zijn, de gastheer weder voor, in wiens huis zij beraadslagen, en indien het hun ook in nuchterheid goed dunkt, nemen zij het aan; indien het niet goed lijkt, laten zij het varen. En wat zij eerst in nuchterheid hebben overlegd, daarover beslissen zij nog eens als zij dronken zijn.

CXXXIV[bewerken]

Als zij elkander op den weg tegenkomen, kan men hieruit opmaken, of zij gelijk van stand zijn: want in plaats van elkander te begroeten kussen zij elkaar op den mond, en is een van beiden een weinig geringer, dan kussen zij op de wangen, maar indien de een veel minder van geboorte is, dan valt hij neer voor den ander en knielt. Zij eeren die, welke het dichtst bij hen wonen, na zichzelven boven allen; dan, die verder wonen, en zoo gaan zij verder en eeren naar verhouding. Het minst houden zij, die het verst van hen wonen, in eere, meenende, dat zij zelf verreweg in alles de voortreffelijkste menschen zijn, en dat de anderen in de gezegde verhouding aan die voortreflijkheid deel hebben, en dat die het verst van hen wonen de slechtste zijn. Toen de Meden heerschten, heerschte ook het eene volk over het andere, doch de Meden over allen te samen en vooral over hun naaste naburen, dezen weder over hun grensgenooten, en die weder over de hunne.. En volgens die verhouding bewijzen de Perzen eer; want ook in die zelfde verhouding had het volk der Meden macht en toezicht.

CXXXV[bewerken]

Vreemde zeden nemen de Perzen het spoedigst van alle mensen aan; zelfs het gewaad van de Meden dragen zij, dit schoner vindend dan hun eigen dracht, en in de oorlog de Egyptische pantsers. En ook alle genietingen, als zij ze leren kennen, beoefenen zij, en zo dan ook gebruiken zij knapen, van de Hellenen dit geleerd hebbend. Zij huwen ieder van hen vele wettige vrouwen en hebben ook nog veel meer bijvrouwen.

CXXXVI[bewerken]

Voor manlijkheid geldt het, na de dapperheid in den strijd, als iemand veel kinderen kan aanwijzen; die er het meeste aanwijst, aan dien zendt de koning ieder jaar geschenken. Want menigte wordt als kracht beschouwd. Zij voeden hun kinderen, van hun vijfde tot hun twintigste jaar, in drie dingen slechts op: paardrijden en boogschieten en waarheid spreken. Voor hij vijf jaar oud is geworden, komt hij zijn vader niet onder de oogen, doch leeft hij geheel bij de vrouwen. Dit wordt daarom zoo gedaan, opdat indien de knaap als klein kind sterft, hij geen verdriet aan zijn vader zal veroorzaken.

CXXXVII[bewerken]

Ik nu prijs deze zede, en ik prijs ook deze, dat noch om een enkel misdrijf de koning zelf iemand doodt, noch iemand van de andere Perzen om een enkel misdrijf een van zijn slaven onheelbaar kwaad toebrengt; doch hij overweegt, en indien hij bevindt dat de misdrijven meer en grooter zijn dan de diensten, dan volgt hij zijn toorn. Niemand nog heeft, naar zij zeggen, zijn eigen vader of moeder gedood, maar zoveel gevallen van dien aard geschied heeten te zijn, die zouden noodzakelijker wijze bij onderzoek gebleken zijn, zeggen zij, of door ondergeschoven kinderen verricht te wezen of door kinderen van overspel; want het is niet mogelijk, beweren zij, dat een werkelijke vader door zijn eigen zoon zou omkomen.

CXXXVIII[bewerken]

Wat zij niet doen mogen, dat mogen zij ook niet zeggen. Voor de grootste schande geldt bij hen het liegen, en daarna schulden te hebben, om vele andere redenen, maar vooral, omdat, naar zij beweren, die schulden heeft noodwendig ook liegen zal. Als een van de burgers lepra of uitslag heeft, komt hij niet in de stad, noch gaat hij om met de andere Perzen. Want zij zeggen, dat hij uit eenige zonde tegen de zon die kwaal heeft. En alle vreemdelingen door die kwalen gegrepen jagen zij uit het land (en ook de witte duiven, en wel om dezelfde reden). Zij wateren niet in de rivieren, noch spuwen noch wasschen zij de handen er in, noch veroorloven zij een ander dat, doch eeren de rivieren zoveel mogelijk.

CXXXIX[bewerken]

En ook dit andere is eigenaardig bij hen, wat den Perzen zelven verborgen is, ons evenwel niet. De namen, die in hun beteekenis met de menschen en hun waardigheid overeenkomen, eindigen allen op dezelfde letter, die de Doriërs San noemen, en de Ioniërs Sigma. Op deze letter zult gij bij onderzoek vinden, dat alle namen der Perzen uitgaan, niet sommige wel, andere niet, doch alle gelijkelijk.

CXL[bewerken]

Dit nu heb ik naar eigen weten met zekerheid over hen hooren zeggen. Het volgende evenwel wordt als iets geheims gezegd en niet openlijk, over de gestorvenen namelijk, dat het lijk van een Pers niet eerder begraven wordt, voor hij door een vogel of een hond verscheurd is. Van de Magiërs weet ik toch bepaald, dat zij dit doen; want zij doen het openlijk. Maar de Perzen dan overtrekken het lijk met was en verbergen het in de aarde. De Magiërs verschillen veel van de andere menschen en van de priesters in Egypte; want dezen houden zich rein van den moord van eenig levend wezen, behalve wat zij offeren, doch de Magiërs dooden met eigen hand alles, behalve honden en menschen, en zij beijveren zich zelfs zeer daarin, en dooden zonder onderscheid mieren en slangen en wat verder kruipt en vliegt. En met deze zede moge het blijven zoals het van oudsher gebruik was, ik echter keer terug tot het vroegere verhaal.

CXLI[bewerken]

De Ioniërs en de Aeoliërs zonden, zoodra de Lydiërs door de Perzen onderworpen waren, boden naar Sardes tot Cyrus, bereidwillig, om op dezelfde voorwaarden als zij het van Cresus waren ook van hem onderdaan te zijn. Hij hoorde eerst wat zij voorstelden, en vertelde hun toen een verhaal van een fluitspeler, die visschen in de zee ziende, fluiten ging, in de meening, dat zij aan land zouden komen; doch hij bedroog zich in deze verwachting, en nam toen een net en ving een groote menigte van de visschen en trok ze op; en ziende dat zij op en neer sprongen, sprak hij tot de visschen: "houd nu op met dansen, daar ge op mijn fluitspel niet uit de zee wildet komen en dansen." Cyrus nu zeide dit verhaal daarom tot de Ioniërs en de Aeoliërs, omdat de Ioniërs vroeger, toen Cyrus hen door boden had verzocht van Cresus af te vallen, niet naar hem geluisterd hadden, doch nu, nu de zaak verricht was, bereid waren Cyrus te gehoorzamen. Hij nu zeide hun dit door toorn bevangen, doch de Ioniërs, toen zij deze boodschap in de steden vernamen, versterkten zich op iedere plaats met muren en vereenigden zich bij het Panionion, en wel alle andere Ioniërs behalve de Milesiërs: want met dezen alleen had Cyrus een verbond gesloten op dezelfde voorwaarden, als de Lydiër gedaan had. Doch de andere Ioniërs besloten eenparig boden naar Sparta te zenden, met de bede de Ioniërs te helpen.

CXLII[bewerken]

Deze Ioniërs, van wie ook het Panionion is, hebben van alle menschen, die wij kennen onder de schoonste luchtstreek hun steden gebouwd. Want noch is de boven haar gelegen streek zoveel waard als Ionië noch de lager gelegene, noch het land naar den ochtend noch dat naar den avond, want deels wordt dat door koude en natheid geplaagd, deeld ook door hitte en droogte. De Ioniërs spreken niet dezelfde taal, doch vier verschillende tongvallen. Onder deze steden is Miletus de eerste naar het zuiden, dan Myus en Priëne; deze steden liggen in Carië en spreken dezelfde taal, de volgenden echter in Lydië: Ephesus, Colophon, Lebedos, Teos, Clazomenae, en Phocaea. Deze steden nu komen in taal geenszins met de vroeger genoemde overeen, doch wel onderling. Er zijn nu nog drie ionische steden overgebleven, waarvan er twee op eilanden liggen, Samos en Chios, en een op het vaste land, Erythrae. De menschen van Chios nu en van Erythrae spreken op dezelfde wijze, doch de Samiërs hebben hun eigen taal. Deze zijn de vier soorten van taal.

CXLIII[bewerken]

Van deze Ioniërs dan waren de Milesiërs beschut tegen gevaar, daar zij een verbond hadden gesloten, en ook voor de eilanders onder hen was niets te vreezen; want noch waren de Pheniciërs den Perzen onderworpen, noch de Perzen zelf zeevaarders. De Ioniërs in Azië nu hadden zich van de anderen in Europa om geen andere reden afgescheiden, dan omdat het helleensche volk zwak was, en verreweg de zwakste van alle stammen de ionische en van de minste beteekenis; want behalve Athene was er geen stad van belang. De andere Ioniërs nu en de Atheners vermeden den naam, niet verlangend Ioniërs genoemd te worden, en ook nu nog schijnen mij de meesten van hen zich voor dien naam te schamen; die twaalf steden in Azië daarentegen waren trotsch op dien naam en hadden voor zich zelf een heiligdom opgericht, dat zij het Panionion noemden en zij besloten geen van de andere Ioniërs daaraan deel te laten nemen (en niemand verzocht dan ook om aandeel te hebben behalve de Smyrnaeërs),

CXLIV[bewerken]

evenals de Doriërs uit het tegenwoordige Pentapolis, dat vroeger Hexapolis heette, zorg dragen om geen van de naburige Doriërs in den triopischen tempel toe te laten, doch zelfs die onder hen zelven van de deelneming uitsloten, die tegen het heiligdom iets misdreven hadden. Want voor den wedstrijd ter eere van den tripischen Apollon hadden zij van oudsher ijzeren drievoeten voor de overwinnaars uitgeloofd, en dezen mochten de ontvangenden niet uit den tempel wegdragen, doch zij moesten ze daar aan den god wijden. Een man uit Halicarnassus nu, met name Agasicles, overtrad na zijn overwinning die wet, daar hij den drievoet naar zijn eigen huis bracht en daar aan den wand bevestigde. Om die reden sloten de vijf steden Lindus en Ialysus en Camirus en Cos en Cnidus, de zesde stad Halicarnassus van de deelneming uit. Zij dan legden aan genen deze straf op.

CXLV[bewerken]

De Ioniërs hebben, naar ik geloof, twaalf steden gesticht en er niet meer willen opnemen, daarom, omdat ook toen zij in den Peloponnesus woonden, er twaalf afdeelingen van hen bestonden, evenals er ook nu van de Achaeërs, die de Ioniërs verdreven, twaalf afdeelingen zijn: vooreerst Pellene in de richting van Sicyon, dan Aegira en Aegae, waar de nimmer drooge rivier de Crathis is, naar welke ook die rivier in Italië zijn naam ontving, en Bura en Helice, waarheen de Ioniërs vluchtten toen zij door de Achaeërs in den strijd overwonnen waren, en Aegion en Rupes en Patreës en Phareës en Olenus, waar de groote rivier Pirus is, en Dyme en Tritaeës, die de eenigen van allen in het binnenland liggen.

CXLVI[bewerken]

Deze twaalf afdelingen zijn er nu van de Achaeërs en waren toen van de Ioniërs. Daarom dan stichtten ook de Ioniërs twaalf steden, daar het toch grote dwaasheid is te zeggen, dat zij meer Ioniërs zijn dan de andere Ioniërs of van edeler geslacht, terwijl niet het geringste deel van hen Abanten zijn uit Euboea, die niet eenmaal in naam iets met Ionië gemeen hebben, en Minyers uit Orchomenus met hen vermengd zijn en Cadmeërs en Dryopen en uitgeweken Phociërs en Molossiërs en Arcadische Pelasgen en Dorische Epidauriërs, en vele andere volken met hen vermengd zijn; en die onder hen van het Prytaneum in Athene uitgingen en zich voor de edelste Ioniërs houden, deze brachten geen vrouwen mee voor de nederzetting, maar namen Carische vrouwen, wiens ouders zij hadden gedood. Om deze moord legden de vrouwen zichzelf de wet en een eed op, en leverden die aan haar dochters over, dat zij nooit met hun mannen zouden eten noch hun man bij de naam noemen, dáárom, terwijl zij hun vaders en mannen en zonen hadden vermoord en na die daad toch met hen samen waren gaan wonen. Dat geschiedde in Milete.

CXLVII[bewerken]

Sommigen van hen kozen zich Lyciërs tot koningen, die van Glaucus, Hippolochus' zoon afstamden; andere pylische Cauconen, afstammelingen van Codrus, Melanthus' zoon, andere uit beide geslachten. Doch, - want zij zijn op dien naam meer gesteld dan de andere Ioniërs, - laten zij dan van zuivere afkomst zijn; maar dan zijn ook allen Ioniërs, die van Athene afstammen en het feest der Apaturia vieren, en dit vieren allen, behalve de Ephesiërs en de Colophoniërs, want dezen alleen onder de Ioniërs vieren de Apaturia niet, en dezen dan nog onder voorwendsel van een moord.

CXLVIII[bewerken]

Het Panionion is een heilige plaats in Mycale, op het noorden gelegen, en door de Ioniërs gemeenschappelijk opgericht voor de Heliconische Poseidon; Mycale is een voorgebergte van het vaste land naar de westenwind zich naar Samos uitstrekkend, en daar komen de Ioniërs uit de steden bijeen en vieren een feest, dat zij de naam Panionia hebben gegeven. (Niet alleen de Ionische feesten zijn zo, doch ook alle feesten van alle Hellenen gaan op dezelfde letter uit, evenals de namen van de Perzen).

CXLIX[bewerken]

Deze dan zijn de ionische steden, doch de aeolische de volgenden: Cyme, ook Phriconis genaamd, Larissae, Neonteichos, Temnus, Cilla, Notion, Aegiroessa, Pitane, Aegaeae, Myrina, Gryneia; deze zijn de elf oude steden van de Aeoliërs; want één werd hun ontnomen door de Ioniërs, Smyrna; want ook deze steden waren twaalf in getal op het vaste land. Deze Aeoliërs hadden zich in een vruchtbaarder land nedergezet dan de Ioniërs, doch van luchtgesteldheid niet zoo gunstig.

CXLX[bewerken]

Smyrna nu verloren de Aeoliërs op de volgende wijze: Colophoniërs namen zij op, die bij een oproer overwonnen en uit hun vaderland verdreven waren. Later echter namen deze colophonische ballingen de gelegenheid waar, dat de Smyrnaeërs buiten de muren een feest voor Dionysus vierden, zij sloten de poorten en bezetten de stad. Toen alle Aeoliërs den Smyrnaeërs te hulp schoten, kwamen zij tot een vergelijk, dat de Ioniërs alle roerende have zouden afgeven en de Aeoliërs Smyrna zouden verlaten. Toen de Smyrnaeërs dit gedaan hadden, verdeelden de elf steden hen onder elkander en maakten hen burgers bij zich.

CXLXI[bewerken]

Deze nu zijn de aeolische steden op het vaste land, behalve die bij den berg Ida gelegen zijn, want deze zijn een afzonderlijk geheel. Doch van die op de eilanden zijn, liggen er vijf op Lesbos; want de zesde, die op Lesbos lag, Arisba, brachten de Methymnaeërs tot slavernij, ofschoon verwnt van bloed; op Tenedus ligt één stad, en op de zoogenaamde Hecatonnesi nog een. Voor de Lesbiërs en de Tenediërs, evenals voor de eilandbewoners onder de Ioniërs, was er geen gevaar. Doch de andere steden besloten eenparig de Ioniërs te volgen, waarheen dezen zouden willen voeren.

152. Toen de boden van de Ioniërs en de Aeoliërs in Sparta kwamen, - want dit geschiedde met spoed, - kozen zij tot spreker voor allen den Phocaëer, die Pythermus tot naam had. En deze wierp een purperen gewaad om, opdat de Spartanen, dit vernemend, in zoo groot mogelijk aantal zouden opkomen, en trad op en sprak lang, smeekende hun te helpen. Doch de Lacedaemoniërs luisterden geenszins naar hem, doch besloten de Ioniërs niet te helpen. Genen dan gingen weg, doch de Lacedaemoniërs, toen zij de boden der Ioniërs afgewezen hadden, zonden toch mannen in een vijftigriemer af, als bespieders, naar ik denk, van Cyrus' zaken en van Ionië. Dezen te Phocaea gekomen, zonden den aanzienlijksten van hen, wiens naam Lacrines was, naar Sardes, om aan Cyrus als woord van de Lacedaemoniërs te zeggen, dat hij geen stad van het land Hellas schade zou aandoen, daar zij dat niet zouden dulden.

CLIII[bewerken]

Toen de heraut dit gesproken had, vroeg Cyrus, zegt men, aan de aanwezige Hellenen, wat voor mensen de Lacedaemoniërs waren en hoe groot in getal, dat zij zulk een bevel zonden. En na de inlichting antwoordde hij aan de Spartaanse gezant: "nog nooit heb ik zulke mensen gevreesd, bij wie midden in hun stad een plaats afgezonderd is, waar zij te samen komen en met eden elkaar bedriegen. En hun, indien ik gezond blijf, zullen niet de rampen van de Ioniërs in de mond zijn, doch hun eigen." Dit woord wierp Cyrus naar alle Hellenen, daar zij markten hebben en kopen en verkopen; want de Perzen zelf zijn niet gewoon markten te gebruiken en hebben in 't geheel geen markt. Daarop vertrouwde hij Sardes aan w:TabalusTabalus, een Pers toe, doch het goud èn dat van Cresus en dat van de andere Lydiërs aan de Lydiër Pactyes om te bewaren, en trok zelf naar Agbatana, terwijl hij Cresus medenam en op de Ioniërs voorlopig geen acht sloeg. Want Babylon stond hem in de weg en het volk van de Bactriërs en de Sacen en de Egyptenaars, en tegen deze besloot hij zelf op te trekken, tegen de Ioniërs evenwel een ander als veldheer te sturen.

CLIV[bewerken]

Toen Cyrus uit Sardes weggetrokken was, bracht Pactyes de Lydiërs tot afval van Tabalus en van Cyrus, en naar de kust gaande met al het geld van Sardes in zijn bezit, wierf hij huurtroepen en overreedde de kustbewoners met hem op te trekken. Dan rukte hij naar Sardes en belegerde Tabalus, die opgesloten was in de burcht.

CLV[bewerken]

Toen Cyrus dit op zijn tocht vernam sprak hij tot Cresus het volgende: "Cresus, wat zal het einde van die dingen nog wezen? De Lydiërs, naar het schijnt, zullen niet ophouden mij last aan te doen en ook zichzelven. Ik vrees, het zal het best zijn hen slaven te maken. Want nu kom ik mij voor gedaan te hebben, evenals iemand, die den vader doodt en de kinderen spaart. Want zoo heb ik u, nog wat meer dan een vader, van de Lydiërs weggevoerd, en aan de Lydiërs zelf de stad gegeven, en daarna sta ik verbaasd, dat zij tegen mij opstaan." Hij nu zeide, wat hij ook in den zin had, doch de ander, vreezende dat hij Sardes geheel verwoesten zou, antwoordde het volgende: "O koning, gij zegt dat met reden, doch geef niet geheel toe aan uw toorn, en verwoest niet een oude stad die onschuldig is èn aan wat vroeger geschiedde èn aan de gebeurtenis van thans; want het vroegere heb ik verricht en draag ik op mijn hoofd, en in de laatste zaak, daarin toch is Pactyes de misdadiger, wien gij Sardes hebt toevertrouwd: laat hem dan boeten. Doch vergeef den Lydiërs en beveel hen dit, opdat zij niet meer opstaan, noch u gevaarlijk zijn zullen; zend een bevel tot hen dat zij geen krijgswapenen meer bezitten mogen; beveel hen lijfrokken onder de mantels te dragen, en hooge schoenen aan de voeten te binden; beveel hen ook hun zonen op te voeden in spel van cither en harp en kramerijen. En zoo, o koning, zult ge hen spoedig als vrouwen in plaats van mannen zien, zoodat zij u geenszins meer vrees zullen geven voor een opstand."

CLVI[bewerken]

Cresus wierp dit plan op, oordeelende dat dit toch verkieslijker was voor de Lydiërs dan als slaven verkocht te worden; want wel wist hij, dat hij Cyrus niet zou overreden zijn plan te veranderen, indien hij geen bruikbaren voorslag aanbood, en hij vreesde dat de Lydiërs, ook later weder, ook als zij thans vrij liepen, tegen de Perzen zouden opstaan en vernietigd worden. En Cyrus verheugde zich in den voorslag en zijn toorn onderdrukkend zeide hij Cresus te zullen volgen. Hij riep Mazares, een Meed, en droeg hem op aan de Lydiërs te bevelen, wat Cresus voorgeslagen had, en bovendien alle anderen slaaf te maken, die met de Lydiërs tegen Sardes waren opgetrokken, doch Pactyes zelf in allen geval levend naar hem te brengen.

CLVII[bewerken]

Hij dan dit op zijn tocht bevolen hebbend, rukte naar het land der Perzen, doch Pactyes, die vernam dat een leger tegen hem optrok en nabij was, werd bevreesd en vluchtte ijlings naar Cyme. En Mazares de Meed trok naar Sardes met een deel van Cyrus' leger, (zoo groot dat deel dan wezen mocht), en toen hij Pactyes en zijn macht niet meer in Sardes aantrof, dwong hij eerst de Lydiërs de bevelen van Cyrus te volgen, en naar diens wil veranderden de Lydiërs hun gansche wijze van leven. Mazares zond daarna boden naar Cyme, bevelende Pactyes uit te leveren. De Cymaeërs besloten ter beslissing zich tot den God in Branchidae te wenden. Want daar stond van oudsher een orakel, dat alle Ioniërs en Aeoliërs plachten te raadplegen; die plaats ligt in Milesië boven den haven van Panormus.

CLVIII[bewerken]

De Cymaeërs dan zonden boden naar het orakel en vroegen hoe zij zouden doen met Pactyes en den goden welgevallig zijn; en op hun vraag gewerd hun het antwoord Pactyes aan de Perzen uit te leveren. Toen de Cymaeërs dat antwoord vernamen, wilden zij hem uitleveren, en toen de meesten dat wilden, hield Aristodicus, Heraclides' zoon, een man van aanzien bij de burgers, de Cymaeërs van deze daad af, uit wantrouwen in het godsbevel en meenende, dat de gezanten niet naar waarheid bericht hadden; totdat voor de tweede maal andere gezanten gingen om over Pactyes te vragen, van welke ook Aristodicus er een was.

CLIX[bewerken]

Toen zij in Branchidae gekomen waren, sprak Aristodicus uit aller naam tot het orakel, vragende aldus: "O heerscher, tot ons kwam Pactyes de Lydiër als smeekeling, om een gewelddadigen dood door de hand der Perzen te ontvluchten; en zij vragen hem op, de Cymaeërs bevelend hem prijs te geven. Doch wij, alhoewel de macht der Perzen vreezende, waagden niet tot dusver den smeekeling uit te leveren, vóór ons door u duidelijk verklaard is, wat wij doen moeten." Hij nu vroeg dit, en de god verstrekte wederom hetzelfde antwoord, bevelende Pactyes aan de Perzen uit te leveren. Daarop deed Aristodicus met opzet het volgende: hij liep rondom den tempel en joeg de musschen weg en alle andere soorten van vogels, die in den tempel hun nest hadden gebouwd. En toen hij dit deed, kwam een stem, zeggen zij, uit het heiligdom gericht naar Aristodicus en zeide: "goddeloosste der menschen, hoe durft gij dat doen? Mijn smeekelingen rooft ge uit mijn tempel?" En Aristodicus was niet verlegen doch zeide daartegen: "O heerscher, komt gij zelf zoo uw smeekelingen te hulp, en beveelt gij de Cymaeërs hun smeekeling uit te leveren?" En hij antwoordde wederom aldus: "ja, dat beveel ik, opdat ge om uw snoodheid sneller moogt te gronde gaan en niet meer tot het orakel komt om te vragen over de uitlevering van smeekelingen!"

CLX[bewerken]

Toen de Cymaeërs dit antwoord vernamen, wilden zij noch hem uitleveren en omkomen, noch hem bij zich houden en belegerd worden, en daarom zonden zij hem naar Mytilene. De Mytileners, toen Mazares een gezantschap stuurde om Pactyes uit te leveren, besloten dat te doen tegen een zeker loon; want ik kan dat niet nauwkeurig aangeven, want de zaak kwam niet tot stand. Want de Cymaeërs, toen zij vernamen, dat dit bij de Mytileners gedaan werd, zonden een schip naar Lesbos en brachten hem naar Chios. En van daar werd hij door de Chiërs uit het heiligdom van Athena de Stadbeschermster, weggerukt en uitgeleverd. De Chiërs leverden hem uit voor den prijs van Atarneus; dit Atarneus is een plaats van Mysië, tegenover Lesbos. De Perzen kregen dan zoo Pactyes in hun macht en hielden hem gevangen, om hem voor Cyrus te brengen. En het duurde niet weinig tijd dat geen Chiër, noch gerstkorrels uit dat Atarneus gebruikte om ze voor een der goden te strooien, noch koeken maakte van de vrucht uit die plaats, doch van alle tempels werd alles wat door die plaats werd voortgebracht, verre gehouden.

CLXI[bewerken]

De Chiërs dan leverden Pactyes uit, doch Mazares trok daarna tegen hen op, die Tabalus mede belegerd hadden, en in de eerste plaats maakte hij de Priëners tot slaven; daarna liep hij de gansche vlakte van den Maeander af en gaf ze ter plundering aan zijn leger, en Magnesia verwoestte hij eveneens. Daarop stierf hij terstond door een ziekte.

CLXII[bewerken]

Na zijn dood werd Harpagus zijn opvolger in de aanvoering van het leger, die, van geboorte zelf een Meed, door Astyages den koning der Meden op den goddeloozen maaltijd onthaald was, en die Cyrus gesteund had in het verkrijgen van de heerschappij. Toen deze man dan, door Cyrus tot veldheer benoemd, in Ionië gekomen was, trachtte hij de stad door aarden werken te nemen; nadat hij de menschen in de vesting gedreven had, legde hij dan aarden werken aan tegen de muren en belegerde. En het eerst in Ionië greep hij Phocaea aan.

CLXIII[bewerken]

Deze Phocaeërs waren de Hellenen, die het eerst grote zeetochten maakten, en zij zijn het, die de Adriatische zee en Tyrsenië en Iberië en Tartessus ontdekten. Zij maakten hun tochten met vijftigriemers en niet met ronde schepen. En in Tartessus gekomen, werden zij bevriend met de koning van de Tartessiërs, wiens naam Arganthonius was, die tachtig jaren over Tartessus heerste, en in totaal honderd en twintig jaar leefde. Met deze man werden de Phocaeërs dan zo bevriend, dat hij hen eerst uitnodigde om Ionië te verlaten en in zijn land te wonen, waar zij wilden, en daarna, toen hij daarin de Phocaeërs niet had overreed, en hij vernam dat de Meden bij hen machtig waren geworden, gaf hij hun geld om een muur om de stad te leggen. En hij gaf rijkelijk, want niet weinig stadiën is de omtrek van de muur, en hij is geheel van goed aaneengesloten grote stenen gemaakt.

CLXIV[bewerken]

Op die wijze dan werd de muur door de Phocaeërs gebouwd, en toen Harpagus zijn leger tegen hen aanvoerde, belegerde hij hen, en verklaarde, dat het hem genoeg zou zijn, als de Phocaeërs slechts één borstwering van den muur wilden omver halen en één enkel huis den koning wijden. De Phocaeërs in onwil tegen de slavernij, zeiden één dag te willen overwegen en dan te zullen antwoorden. En zoolang zij beraadslaagden, verzochten zij hem zijn leger van den muur weg te voeren. En Harpagus zeide wel te weten, wat zij doen wilden, maar toch hun de beraadslaging toe te staan. En toen dan Harpagus met zijn leger van den muur was weggetrokken, in dien tijd brachten de Phocaeërs de vijftigriemers in zee, en plaatsten daarin kinderen en vrouwen en al hun vervoerbare have, bovendien ook de godenbeelden uit de tempels en de andere wijgeschenken, behalve wat koper was of steen of geschilderd; en alle andere dingen er in brengend en er zelf instijgend voeren zij naar Chios; en het menschen verlatene Phocaea bezetten de Perzen.

CLXV[bewerken]

Doch de Phocaeërs, toen de Chiërs hun de Oenussae geheetene eilanden niet voor geld wilden verkoopen, uit vrees, dat dezen een handelsplaats zouden worden, en hun eigen eiland daardoor van den handel uitgesloten, daarop dan trokken de Phocaeërs naar Cyrnus [Corsica]. Want op Cyrnus hadden zij twintig jaren vroeger om een godspraak een stad opgericht, wier naam Alalia was. Arganthonius was nu reeds dood. Op dezen tocht naar Cyrnus keerden zij eerst naar Phocaea terug en doodden de perzische bezetting, die van Harpagus de stad ter bewaking had ontvangen, en daarna, toen zij dit verricht hadden, zwoeren zij verschrikkelijke verwenschingen voor hem, die van den tocht zou wegblijven. Bovendien lieten zij een grooten klomp ijzer in de zee zinken, en zwoeren niet eerder naar Phocaea te gaan, vóór die klomp weder te voorschijn gekomen was. Maar toen zij naar Cyrnus voeren, werd de helft der burgers door verlangen en smart over de stad en hun woonplaatsen in het land aangegrepen, zij schonden hun eed en voeren weder terug naar Phocaea. De anderen echter hielden hun eed, braken op van de Oenussae en stevenden verder.

CLXVI[bewerken]

Toen zij in Cyrnus waren gekomen, woonden zij vijf jaren lang met de vroeger aangekomenen, en bouwden tempels. En zij roofden en plunderden dan toch al hun buren, daarom trokken in gemeenschaplijk overleg de Tyrseniërs en de Carthagers ieder met zestig schepen tegen hen op. De Phocaeërs bemanden ook zelf hun schepen, zestig in getal, en voeren deze in de Sardonische zee tegemoet. En toen zij in zeeslag waren geraakt, werd het voor de Phocaeërs een Cadmeïsche overwinning. Want veertig van hun schepen werden vernietigd, en de twintig overgeblevenen waren onbruikbaar; want de snavels werden afgebroken. Zij voeren toen terug naar Alalia, namen hun kinderen en vrouwen en hun andere bezitting op, zoveel als hun schepen konden dragen, en daarop Cyrnus verlatende stevenden zij naar Rhegium.

CLXVII[bewerken]

De bemanning van de vernietigde schepen viel grootendeels in handen van de Carthagers en de Tyrseniërs, en dezen voerden hen weg en steenigden hen. Hierop werden bij de Agyllaeërs alle wezens, die de plaats voorbijgingen, waar de gesteenigde Phocaeërs lagen, verrekt, verminkt en kreupel, gelijkelijk de schapen, de lastdieren en de menschen. De Agyllaeërs zonden boden naar Delphi in het verlangen van de zonde vrij te komen. De Pythia beval hen te doen, wat de Agyllaeërs nu nog volbrengen; want zij bewijzen dien dooden groote eer en houden kampspelen en wedrennen te paard. En dezen nu van de Phocaeërs viel zulk een lot ten deel, doch de anderen, naar Rhegium gevlucht, gingen van daar verder en stichten in het oenotrische land de stad, die nu Hyela heet. Zij stichtten die, van een man uit Posidonia vernomen hebbend, dat de Pythia hun geantwoord had voor Cyrnus den heros een stad te stichten, doch niet op het eiland van dien naam. Zoo ging het dan met Phocaea in Ionië.

CLXVIII[bewerken]

Bijna hetzelfde als dezen deden ook de Teiërs; want toen Harpagus door zijn aarden werken hun vesting genomen had, bestegen zij hun schepen en stevenden weg naar Thracië; en daar stichtten zij de stad Abdera, die vóór hen Timasius de Clazomeniër stichtte zonder voordeel, want de Thraciërs verdreven hem en nu wordt hij door de Teiërs in Abdera als een heros vereerd.

CLXIX[bewerken]

Dezen nu alleen onder de Ioniërs, wijl zij de slavernij niet verdragen wilden, verlieten hun vaderland, doch de andere Ioniërs, behalve de Milesiërs, geraakten met Harpagus in strijd, evenals de uitgewekenen, en gedroegen zich als dappere mannen ieder voor zijn eigen land strijdende; doch zij werden overwonnen en onderworpen, en bleven ieder in hun eigen streek en volbrachten, wat hun opgelegd werd. De Milesiërs evenwel, zoals ik reeds vroeger gezegd heb, hadden met Cyrus zelf een verbond gesloten en bleven in rust. Zóó dan werd Ionië voor de tweede maal tot slavernij gebracht. Toen Harpagus de Ioniërs op het vaste land onderworpen had, vreesden de Ioniërs op de eilanden hetzelfde lot en gaven zich aan Cyrus.

CLXX[bewerken]

Toen de Ioniërs onderdrukt werden doch niet minder in het Panionion bijeenkwamen, verneem ik dat Bias, een man uit Priëne, aan de Ioniërs een allerheilzaamsten raad heeft gegeven, door welken, als zij hem hadden opgevolgd, zij de gelukkigsten van alle Hellenen hadden kunnen worden; daar hij toch de Ioniërs ried gemeenschaplijk op te breken en naar Sardo [Sardinië] te stevenen, en dan één stad voor alle Ioniërs te stichten, en zoo zouden zij, van de slavernij bevrijd, gelukkig zijn in bezit van het grootste aller eilanden en heerschen over de andere bewoners van het eiland; doch bleven zij in Ionië, dan zag hij niet, zei hij, hoe zij ooit vrij zouden worden. Dit was de raad van Bias den Priëniër aan de Ioniërs, toen zij reeds in het ongeluk waren; goed was ook vóór de vernietiging van Ionië de raad van Thales, den Milesiër, van afkomst een Phoeniciër, die de Ioniërs aanried een bondsvergadering in te voeren, en dat die in Teos zou zijn, want Teos was het midden van Ionië. En dat de andere steden niet minder als zelfstandige gemeenten zouden beschouwd worden, even alsof zij Demen waren.

CLXXI[bewerken]

Deze dan hadden zulke voorslagen gedaan, doch Harpagus, nadat hij Ionië onderworpen had trok op tegen de Cariërs en de Cauniërs en de Lyciërs, en voerde de Ioniërs en de Aeoliërs met zich mee. Van deze volken zijn de Cariërs uit de eilanden op het vaste land gekomen, want, oudtijds onderdanen van Minos en Lelegers genoemd, bezaten zij de eilanden, doch brachten geen schatting op voor zover ik in staat ben door de overlevering in het verledene te dringen: wanneer evenwel Minos het eiste bemanden zij zijn schepen. En terwijl Minos veel land onderworpen had en voorspoedig geweest was in de strijd, was het Carische volk in diezelfde tijd verreweg het belangrijkste van alle volkeren. En er werden door hen drie uitvindingen gedaan, die de Hellenen overnamen; want de Cariërs zijn het die verzonnen hebben vederbossen op de helmen te zetten en op de schilden tekens te maken, en zij ook hebben het eerst handvaten aan de schilden gemaakt; vóór die tijd toch droegen allen, die gewoon waren schilden te gebruiken, de schilden zonder handvat, terwijl zij ze met leren riemen bestuurden, die zij om de nek en de linkerschouder sloegen. Daarna, in veel latere tijd, verdreven de Doriërs en de Ioniërs de Cariërs uit de eilanden, en zo kwamen zij op het vaste land. Zo dan zeggen de Kretenzers dat het met de Cariërs gegaan is; de Cariërs zelf echter vallen hen geenszins bij, doch achten zich zelf oorspronkelijke bewoners van het vasteland, en beweren dat zij altijd de zelfde naam als nu gehad hebben. En als bewijs tonen zij in het gebied van de Mylasiërs een oude tempel van de Carische Zeus, waaraan ook de Mysiërs en de Lydiërs als broeders van de Cariërs aandeel hebben: want zij beweren dat Lydus en Mysus vroeders van Car waren. Deze dus hebben aandeel aan de tempel, doch allen die van een ander volk zijn, ofschoon van dezelfde taal als de Cariërs, hebben geen aandeel.

CLXXII[bewerken]

De Cauniërs zijn, naar mij voorkomt, oorspronkelijke bewoners, zelf echter beweren zij Creters te zijn. Doch in hun taal hebben zij zich bij de Cariërs aangesloten, of de Cariërs bij de Cauniërs (want dat kan ik niet met zekerheid uitmaken); zij leven evenwel onder zeden die sterk afwijken van die der andere menschen en ook van de Cariërs. Want bij hen geldt het voor zeer betamelijk om in menigte, volgens leeftijd en vriendschap, tot drinkgelag bijeen te komen, zoowel voor mannen als vrouwen en kinderen. Eerst hadden zij tempels opgericht voor buitenlandsche goden; later evenwel, toen zij van meening veranderden ( zij besloten alleen de vaderlandsche goden te dienen), toen grepen alle weerbare Cauniërs de wapenen, en de lucht met hun speeren slaande trokken zij door tot het calyndische gebied, en beweerden de vreemde goden uit te drijven.

CLXXIII[bewerken]

En zij nu hebben zulke gebruiken, doch de Lyciërs stamden oorspronkelijk uit Creta (want oudtijds was Creta geheel bevolkt door barbaren); doch toen de zonen van Europa, Sarpedon en Minos, in Creta over de heerschappij streden en Minos in den strijd overwonnen had, verdreef hij Sarpedon zelf met zijn aanhangers, en dezen, uit hun land verstooten, kwamen naar het land Milyas in Azië; want waar nu de Lyciërs wonen, was vroeger Milyas, en de Milyers heetten toen Solymers. Zoolang dan Sarpedon over hen heerschte, heetten de Lyciërs naar den naam, dien zij medegebracht hadden en volgens welken zij nu nog door hun naburen genoemd worden, Termilers. Maar toen Lycus, de zoon van Pandion, eveneens door zijn broeder, Aigeus, verdreven, uit Athene naar de Termilers bij Sarpedon kwam, werden zij dan zoo naar den naam van Lycus in verloop van tijd Lyciërs genoemd. Hun zeden zijn deels cretisch, deels carisch. Dit ééne gebruik echter is bij hen eigenaardig en wordt met geen enkel ander volk gedeeld: zij noemen zich naar hun moeder en niet naar hun vader; zoodat, als iemand een ander vraagt, wie hij is, dan zal hij den naam van zijn moeder zeggen en de moeders van zijn moeder opgeven. En indien een vrijgeborene vrouw met een slaaf huwt, worden de kinderen als vrijgeborenen beschouwd; doch indien een burger, al ware hij ook de eerste onder hen, een vreemdelinge huwt of tot bijzit neemt, dan zijn de kinderen onwettig.

CLXXIV[bewerken]

De Cariërs nu werden door Harpagus onderworpen, zonder een enkele luisterrijke daad verricht te hebben, noch zij zelven, noch de Hellenen, die dat land bewonen. Er zijn daar ook anderen gevestigd en ook Cnidiërs, een nederzetting van de Lacedaemoniërs, wier land aan de zee ligt en Triopion genoemd wordt; het gebied van de Cnidiërs begint bij het bybassische schiereiland en is geheel door de zee omgeven op een klein gedeelte na (want het deel naar den noordenwind gelegen begrenst de cerameïsche golf; wat naar den zuidewind ligt, de zee bij Syme en Rhodos), en dit kleine gedeelte, dat ongeveer vijf stadiën uitgestrekt is, besloten de Cnidiërs door te graven, terwijl Harpagus Ionië onderwierp, met het voornemen hun gebied tot een eiland te maken. Vóór de landengte was gansch hun land gelegen; want waar het cnidisch gebied in het vaste land uitloopt, daar is de landengte, die zij wilden doorgraven. Toen dus de Cnidiërs met alle kracht arbeidden, bleken de arbeiders op meer dan gewone wijze en als door goddelijke bedoeling verwondingen te krijgen, zoowel aan andere deelen des lichaams, als vooral aan de oogen, bij het stukhakken van de rotsen; zij zonden dan boden naar Delphi om te vragen, wat hen belemmerde. En de Pythia, zoals de Cnidiërs zelf zeggen, antwoordde in trimetrische verzen: Doch bouwt geen toren daar op de engt', noch graaft ze door: Zeus zelf toch maakte een eiland daar, had hij 't gewild. De Cnidiërs nu, toen de Pythia dit geantwoord had, staakten de doorgraving, en toen Harpagus met zijn leger aanrukte, gaven zij zich zonder te strijden aan hem over.

CLXXV[bewerken]

Boven Halicarnassus in het binnenland woonden de Pedaseërs, en zoo dikwijls hen een onheil zal treffen, henzelf zoowel als hun naburen, krijgt de priesteres van Athenaia een grooten baard. Dit is hun driemaal overkomen. Deze waren de eenige mannen in Carië, die Harpagus een tijdlang weerstand boden, en met zeer veel inspanning, terwijl zij een berg versterkten, wiens naam Lida is.

CLXXVI[bewerken]

De Pedaseërs nu werden na eenigen tijd overwonnen, en de Lyciërs, toen Harpagus zijn leger in de xanthische vlakte voerde, trokken tegen hem op en, weinigen tegen velen strijdend, verrichtten zij dappere daden; doch overwonnen en in de stad teruggeworpen brachten zij in den burcht hun vrouwen en kinderen bijeen en hun goed en hun slaven, en daarna staken zij den burcht in brand en hij brandde geheel af. Dit deden zij dan, en zij zwoeren schrikkelijke eeden, en alle Xanthiërs trokken uit en vielen in den strijd. Van de nu levende Lyciërs, die zich Xanthiërs noemen, zijn de meesten vreemdelingen, op tachtig geslachten na; deze tachtig geslachten waren op dien tijd buiten de stad en bleven zoo behouden. Zoo geraakte Harpagus in bezit van Xanthus en bijna op de zelfde wijze veroverde hij Caunos; want de Cauniërs volgden de Lyciërs grootendeels na.

===CLXXVII===Het benedengedeelte van Azië onderwierp Harpagus dan, doch het hooge Cyrus zelf, terwijl hij volk voor volk onderwierp en geen enkel oversloeg. De meesten van hen zullen wij voorbijgaan, doch die hem de meeste moeite gaven en het merkwaardigste zijn, die zal ik vermelden.

CLXXVIII[bewerken]

Toen Cyrus het gansche vaste land onderworpen had, viel hij de Babyloniërs aan. In Assyrië zijn vele andere groote steden, doch de meest vermaarde en sterkste, en waar na de verwoesting van Ninus [Niniveh] de regeering gevestigd was, was Babylon, zijnde een stad van ongeveer deze geaardheid. Zij ligt in een groote vlakte, en is aan iedere zijde honderd en twintig stadiën groot, terwijl zij een vierkant vormt; deze stadiën van den omtrek der stad zijn te samen vierhonderd en tachtig. De grootte van de stad Babylon is nu zoo, en zij was versierd als geen andere stad, die wij kennen. Vooreerst omloopt haar een gracht, breed en diep en vol water; vervolgens is er een muur, vijftig koninklijke ellen in breedte en in hoogte tweehonderd ellen. De koninklijke el is drie vingers grooter dan de gewone.

CLXXIX[bewerken]

Ik moet nu daarbij verhalen, waartoe de aarde uit de gracht gebruikt werd, en op welke wijze de muur gebouwd was. Terwijl zij de gracht groeven, maakten zij tegelijk tegels van de aarde, die uit de gracht gedragen werd, en toen zij genoeg tegels gekneed hadden, bakten zij ze in ovens. Daarna namen zij heeten aardpek als cement en stopten tusschen iedere dertig rijen van baksteenen rieten horden en trokken zoo eerst de randen van de gracht op, en daarna den muur zelf op de zelfde wijze. Boven op den muur aan beide randen bouwden zij huisjes van één vertrek, op elkander uitziende; en tusschen die gebouwtjes door lieten zij een rijweg voor een vierspan. Er waren honderd poorten in den muur, allen van metaal, en zoo ook de posten en de sluitbalken. Er is een andere stad, een achtdaagsche reis van Babylon verwijderd, Is geheeten. Daar is een niet groote rivier, en die rivier heet eveneens Is. Deze werpt haar water in de rivier Euphrates. Deze rivier Is nu levert tegelijk met haar water veel klompen aardpek, vanwaar de aardpek naar de muur van Babylon gebracht werd.

CLXXX[bewerken]

Babylon werd dan op zulk een wijze ommuurd, doch er zijn twee deelen van de stad. Want midden door haar heen loopt een stroom, wiens naam Euphrates is; hij stroomt uit Armenië, en is groot en diep en snel, en hij loopt uit in de Roode Zee [Indische zee]. De muur dus strekt aan weerszijden ellebogen naar den stroom uit; van dat punt buigen zij zich rechthoekig naar binnen en gaan langs iederen oever van de rivier als een dam van gebakken steenen. De stad, vol met huizen van drie en vier verdiepingen, is met rechte wegen doorsneden, zoowel de andere als de dwarsche die naar de rivier gaan. Aan iederen weg nu zijn in den dam daar langs de rivier poortjes, en zoveel straten er zijn, zoveel zijn ook die poortjes in getal. Deze waren ook van metaal, en strekten zich ook naar de rivier uit.

CLXXXI[bewerken]

Deze muur dan is een pantser, en een andere muur loopt daar binnen, niet veel zwakker dan de eerste muur, maar smaller. In ieder van beide deelen der stad is in het midden opgericht, in het eene de koninklijke burcht met een groote en sterke ommuring, in het andere het metalenpoortige heiligdom van Zeus Belos, en dit bestond nog tot in mijn tijd, twee stadiën groot aan iedere zijde en vierkant. In het midden van het heiligdom is een stevige toren gebouwd, een stadium in lengte en in breedte, en op dien toren staat een andere toren, en daarop weder een andere, tot acht torens toe. En aan de buitenzijde is een trap gemaakt, die in een kring om alle torens gaat. In het midden van den trap is een rustplaats en zijn zetels om uit te rusten, waar de opstijgenden op gaan zitten om te rusten. In den laatsten toren is een groote tempel; in dezen tempel staat een groot, wel voorzien rustbed. Doch geen enkel godenbeeld is daar binnen opgericht, en geen der menschen brengt daar den nacht door, behalve alleen een vrouw van het land, welke de God uit allen kiest, zoals de Chaldeërs zeggen, die priesters van dien god zijn.

CLXXXII[bewerken]

Want dezen beweren, voor mij niet geloofwaardig sprekende, dat de god zelf in den tempel komt en op het bed uitrust, evenals in Thebae in Egypte geschiedt, naar de Egyptenaars zeggen, (want ook daar slaapt een vrouw in den tempel van den thebaanschen god, en beiden worden gezegd met geen enkelen man zich te vereenigen) en evenals in Patara in Lycië de priesteres van den god, wanneer zij er is; want niet altijd is daar een orakel, doch indien het er is, dan wordt zij des nachts binnen in den tempel opgesloten.

CLXXXIII[bewerken]

In het Babylonische heiligdom is beneden nog een andere tempel, waar een groot beeld is van den god, zittend en geheel van goud, en een groote gouden tafel staat daar bij, en zijn voetbank en zijn zetel zijn ook van goud. En naar de Chaldaeërs zeiden, is dit alles van achthonderd talenten goud gemaakt. Buiten den tempel is een gouden altaar. Er is nog een ander groot altaar, waar volwassen schapen worden geofferd; want op het gouden altaar mag niets geofferd worden behalve nog zuigende dieren alleen, maar op het grootere altaar verbranden de Chaldaeërs ieder jaar duizend talenten wierrook, wanneer zij het feest voor den god vieren. Er was in de heilige plaats ook in dien tijd nog een beeld van twaalf ellen, geheel van gedegen goud. Ik zag het zelf niet, maar wat door de Chaldaeërs gezegd wordt, dat zeg ik. Dit beeld had Darius, zoon van Hystaspes, in den zin weg te nemen doch hij durfde niet; Xerxes echter, de zoon van Darius, nam het weg, en doodde den priester, die hem verbood het beeld van zijn plaats te brengen. Zoo dan is de tempel versierd, en er zijn ook vele bijzondere wijgeschenken in.

CLXXXIV[bewerken]

Over dit Babylon waren vele en andere koningen, van welke ik in de Assyrische verhalen melding zal maken, die de muren versierden en de heiligdommen, en dan ook nog twee vrouwen. Zij die het eerste regeerde was vijf geslachten vóór de latere, en van naam Semiramis; zij liet dammen in de vlakte opwerpen, die bezienswaard zijn; want vroeger placht de rivier de gansche vlakte tot zee te maken.

CLXXXV[bewerken]

De tweede dan, die na haar koningin was, en Nitocris heette, deze nu, verstandiger dan de vroegere heerscheres, liet vooreerst gedenkteekenen na, die ik vermelden zal, en dan, ziende dat het rijk der Meden groot was en niet rustte, doch dat verscheiden steden door hen veroverd werden, waaronder ook Ninus, nam zij voorzorgen zoveel zij kon. Want vooreerst maakte zij de rivier Euphrates, die eerst recht liep en midden door haar stad stroomt, door bovenaan kanalen te graven, zoo krom van loop, dat zij driemaal in haar loop langs een van de dorpen in Assyrië komt. Het dorp, waar de Euphrates langs komt, heet Ardericca. Ook nu nog komen zij die van deze zee naar Babylon gaan en de Euphrates afvaren, driemaal in drie dagen bij hetzelfde dorp. Dit dan maakte zij zoo, en zij liet een dam opwerpen langs iederen oever van den stroom, waardig om gezien te worden, hoe groot en hoe hoog hij is. Ver boven Babylon groef zij een kom voor een meer uit, op geringen afstand van den stroom, en in diepte overal gravende tot aan het water, en zij maakte den omtrek vierhonderd en twintig stadiën, en de uitgegraven aarde liet zij langs de oevers van de rivier ophoopen; toen de uitgraving geeindigd was, liet zij steenen aanvoeren en een muur rondom het meer optrekken. Zij deed beide die dingen, de kromming der rivier en dat geheele uitgegravene meer, opdat de rivier in vele krommingen gebroken, langzamer zou stroomen, en de vaart naar Babylon eveneens gekromd zou zijn, en na de vaart een lange tocht om het meer te wachten stond. Zij bracht die werken aan op dat punt van het land, waar de toegangen waren en waar de kortste weg uit het land der Meden is, opdat de Meden geen gemeenschap met haar volk zouden houden en niet met haar aangelegenheden bekend worden.

CLXXXVI[bewerken]

Met zulke dingen dan omgaf zij de stad door graven, en zij gebruikte ze nog tot het volgende tweede werk. Daar de stad uit twee deelen bestond, die de rivier midden tusschen zich hadden, moest iemand onder de vroegere koningen, wanneer hij wilde oversteken van het eene deel naar het andere, met een schip oversteken. En dat was, naar ik gis, lastig. Doch zij zorgde ook daarvoor, want toen zij het bekken voor het meer gegraven had, maakte zij van dat zelfde werk nog een tweede gedenkteeken, dat zij achterliet. Zij liet groote blokken steen houwen, en toen zij de steenen gereed had, en de plaats uitgegraven was, leidde zij den ganschen stroom van de rivier in de plaats, die zij uitgegraven had, en terwijl deze vol raakte, en in tusschentijd de oude bedding droog liep, richtte zij zoowel op de oevers van de rivier langs de rivier en de uitgangen van de poortjes, die naar den stroom leidden, met gebakken steenen een wal op, op dezelfde wijze als de stadsmuur, als bouwde zij ook ongeveer in het midden van de stad met de steenen, die zij uitgegraven had, een brug, de steenen met ijzer en lood verbindende. Zij legde op de brug, zoodra het dag werd, vierkante balken, waarop de Babyloniërs den overtocht maakten, doch des nachts namen zij die balken weder weg, daarom, opdat zij niet des nachts zouden oversteken en elkander bestelen. Toen het gegraven meer vol was geloopen door de rivier en de werken van de brug voltooid waren, leidde zij de rivier Euphrates weder uit het meer naar de oude bedding. En zoo bleek de uitgegraven kom, toen hij er was, van pas gemaakt te zijn, en was voor de burgers een brug gebouwd.

CLXXXVII[bewerken]

Deze zelfde koningin dacht ook de volgende list uit. Boven de meest betreden poort van de stad liet zij haar graf in gereedheid brengen, hoog boven op de poort, en op dit graf woorden inbeitelen, die het volgende zeiden: "Mocht een van de na mij komende koningen van Babylon gebrek aan geld hebben, hij opene dit graf en neme zoveel geld hij wil. Niet evenwel opene hij zonder gebrek; want dat ware hem schade." Dit graf bleef onaangeroerd, tot het koningschap aan Darius kwam. Darius achtte het hard die poort niet te gebruiken, en terwijl er geld lag en het geld zelf er toe uitnoodigde, het niet te nemen. Hij maakte van die poort in 't geheel geen gebruik, wijl hij bij het doortrekken het lijk boven zijn hoofd had. Hij maakte het graf open, en vond geen geld, doch wel het lijk, en woorden die dit zeiden: "Indien ge niet onverzadelijk waart van geld en schraapzuchtig, niet zoudt ge de kamers van de dooden geopend hebben." Deze koningin is dan, naar gezegd wordt, een zoodanige geweest.

CLXXXVIII[bewerken]

Cyrus dan trok op tegen den zoon van deze vrouw, die zijn vaders naam Labynetus had en het rijk der Assyriërs. De groote koning nu trekt uit huis, wel voorzien van levensmiddelen en vee, en ook wordt water medegevoerd uit de rivier Choaspes, die langs Susa stroomt, en daarvan slechts drinkt de koning en niet van eenige andere rivier. En als dit water van de Choaspes gekookt is, voeren talrijke vierwielige muildierwagens het in zilveren vaten mede en volgen den koning, waarheen hij ook trekt.

CLXXXIX[bewerken]

Toen Cyrus op zijn tocht naar Babylon gekomen was bij de rivier Gyndes, wier bronnen in het Matiënische gebergte zijn, en die door de Dardaniërs heen stroomende in de rivier de Tigris valt, en deze weder langs de stad Opis vloeiende stort zich in de Roode Zee -, toen Cyrus de Gyndes, die men in schepen moet overvaren, wilde overtrekken, toen sprong een van de heilige witte paarden uit driestheid in den stroom en trachtte over te zwemmen, doch de stroom deed het verdwijnen in de diepte en sleurde het weg. Hevig was Cyrus vertoornd op den stroom, die dit misdreven had, en hij dreigde hem zoo zwak te maken, dat voortaan ook vrouwen hem gemakkelijk, zonder de knieën nat te maken, zouden doorwaden. En na die bedreiging liet hij af van den tocht tegen Babylon en verdeelde zijn leger in tweeën, en na deze verdeeling liet hij richtsnoeren spannen en honderdtachtig kanalen afpalen op iederen oever van de Gyndes, die in alle richtingen liepen; dan schaarde hij zijn leger en beval het te graven. Daar nu een groote menigte arbeidde, kwam het werk tot een eind, maar toch brachten zij den ganschen zomer daar met werken door.

CXC[bewerken]

Toen Cyrus zich op de Gyndes had gewroken en haar in driehonderd en zestig kanalen had gesplitst, en wederom de lente aanbrak, trok hij zoo naar Babylon. En de Babyloniërs trokken uit en wachtten hem op. Toen hij nu op zijn tocht dicht bij de stad was gekomen, geraakten zij met hem in gevecht en, overwonnen in den strijd, werden zij in de stad opgesloten. Daar zij echter reeds vroeger wisten, dat Cyrus niet stil zat, doch hem alle volken zagen aanvallen, hadden zij voor vele jaren levensmiddelen in de stad gebracht. Daarom bekommerden zij zich gansch niet om het beleg, en Cyrus geraakte in verlegenheid, daar veel tijd voorbijging en de zaken geenszins verder kwamen.

CXCI[bewerken]

Hetzij nu een ander het hem in zijn verlegenheid voorsloeg, hetzij hij zelf begreep wat hij doen moest, hij deed het volgende. Hij schaarde zijn gansche leger, het eene deel daar waar de rivier in de stad komt, en het andere deel achter de stad, waar de rivier uit de stad treedt, en beval aan het leger, wanneer zij den stroom doorwaadbaar zouden zien, dan er door heen in de stad te vallen. Zoo nu ze geplaatst en dat bevolen hebbend, trok hij zelf weg met het niet strijdbare deel van het leger. En bij het meer gekomen, deed Cyrus wat de babylonische koningin had gedaan met de rivier en het meer, dat zelfde deed hij nog eens. Want door een kanaal voerde hij de rivier in het meer, dat een poel was, en maakte de oude bedding doorwaadbaar, daar het water was gezakt. Toen dit geschied was, drongen de Perzen, juist voor dat doel geplaatst bij de bedding van de Euphrates, die zoover gedaald was, dat zij een man ongeveer midden aan de heup kwam, zoo drongen zij daardoor in de stad. Indien nu de Babyloniërs vernomen hadden of gezien wat door Cyrus gedaan werd, zouden zij de Perzen rustig in de stad hebben laten komen, en hen op 't slechtst vernietigd hebben; want alle poorten sluitende die op de rivier uitkomen, en zelf op de muren geklommen, die langs de oever liepen, zouden zij genen als in een net gevangen hebben. Doch nu overvielen hen de Perzen gansch onverhoeds. Door de grootte van de stad, zoo zeggen de menschen die daar wonen, waren de buitenwijken der stad reeds genomen en wisten de in het midden wonende Babyloniërs niets van de verovering, maar (want het was juist feest voor hen) zij dansten dien tijd en verkeerden in vroolijkheid, tot zij het zeer duidelijk vernamen. En Babylon werd zóó voor de eerste maal genomen.

CXCII[bewerken]

De macht van de Babyloniërs kan ik met vele andere dingen bewijzen, hoe groot zij is, en vooral door het volgende. Den grooten koning is tot onderhoud van zich zelf en van zijn leger het gansche land, waarover hij heerscht, buiten de schatting, toegedeeld. Terwijl er nu twaalf maanden in een jaar zijn, onderhoudt hem het babylonische gebied vier maanden, en acht maanden het gansche overige Azië. Zoo dus is het assyrische land in macht het derde deel van het overige Azië. En het bestuur over dat gebied, dat de Perzen een satrapie noemen, is van alle besturen het belangrijkste, zoals het dan ook aan Tritantaechmes, den zoon van Artabazus, die van den koning dit gewest heeft, iederen dag een artabe vol zilver opbrengt: de artabe is een perzische maat en bevat drie attische choenicen meer dan een attische medimne. [1 medimne = 48 choenicen = 52,5 liter.] Hij had voor zich, behalve de oorlogspaarden, achthonderd dekhengsten, en zestienduizend merries, want ieder van die hengsten dekt twintig merries. En er werd zulk een menigte van indische honden gehouden, dat vier groote dorpen in de vlakte in andere opzichten belastingvrij zijn, doch verplicht den honden voedsel te verschaffen. Zoo zijn de zaken voor den satraap van Babylon.

CXCIII[bewerken]

In het land der Assyriërs valt weinig regen, en wat den wortel van het graan voedt is het volgende. Door drenking uit de rivier wordt het zaad rijp en groeit het graan, niet, zoals in Egypte, doordat de rivier zelf op de akkers treedt, doch door bevochtiging met handen en schepwerktuigen. Want het gansche babylonische land, is evenals het egyptische, van kanalen doorsneden, en het grootste dier kanalen is bevaarbaar en loopt in de richting van de winterzon; het gaat van de Euphrates naar een andere rivier, naar de Tgris, waaraan de stad Ninus gebouwd was. Deze streek is van alle, die wij kennen, de beste om de vrucht van Demeter voort te brengen. Want andere boomen tracht zij niet eenmaal te dragen, noch den vijgeboom, noch den wijnstok, noch den olijfboom. Doch om Demeters vrucht voort te brengen is zij zoo voortreffelijk, dat zij in 't gemeen tweehonderdvoudig geeft, doch als zij op het best voortbrengt, driehonderdvoudig opbrengt. De bladeren van de tarwe en de gerst worden daar licht vier vingers breed. Doch tot welke grootte de boom van de gierst en de sesam groeit, dat weet ik wel, maar zal het niet vermelden, wel wetende, dat voor hen, die niet in het babylonische land geweest zijn, ook wat over de vruchten gezegd is, ongelooflijk zal schijnen. Olie hebben zij niet, doch maken zoo iets uit de sesams. Er groeien over het gansche veld palmboomen bij hen, de meesten van dezen geven vruchten, waaruit zij spijs en wijn en honig bereiden; zij behandelen ze overigens even als de vijgeboomen, en van de palmen, die de Hellenen manlijk noemen, van dezen binden zij de vruchten aan de dadelsdragende palmen, opdat de galwesp ze rijp make als hij in de dadel kruipt, en de vrucht van den palm niet afvalle; want de manlijke palmen hebben galwespen in de vrucht evenals de wilde vijgen.

CXCIV[bewerken]

Wat van alle dingen daar het meest bewonderenswaard is na de stad zelf, zal ik nu gaan verhalen. De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken, zijn rond van vorm en geheel van leder. Want nadat zij bij de Armeniërs, die boven de Assyriërs wonen, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen den stroom afgaan; zij voeren vooral palmhouten vaten naar beneden vol wijn. Het vaartuig wordt gestuurd met twee riemen en door twee mannen, die rechtop staan, en de een trekt zijn riem naar binnen, de ander duwt hem naar buiten. Deze vaartuigen worden zeer groot gemaakt, doch ook kleiner; de grootste van hen dragen een last van zelfs vijfduizend talenten. In ieder vaartuig is een levende ezel, maar in de grootere zijn er meer. Wanneer zij nu naar Babylon gevaren zijn en hun vracht uitgestald hebben, dan verkoopen zij terstond de ribben van het vaartuig en al het riet, laden de huiden op de ezels en trekken zoo naar de Armeniërs. Want den stroom op te varen is op geen wijze mogelijk door de snelheid van de rivier; want daarom ook maken zij de vaartuigen niet van hout, maar van huiden. Wanneer zij hun ezels weder naar de Armeniërs gedreven hebben, maken zij op de zelfde wijze andere vaartuigen. Zoo dan zijn hun vaartuigen.

CXCV[bewerken]

Zij gebruiken de volgende kleedij: een linnen lijfrok die tot de voeten reikt, en boven dezen trekken zij een anderen lijfrok van wol aan en werpen er een kleinen witten mantel om; zij hebben een eigenaardige voetbekleeding, veel gelijkend op het boeotische schoeisel. Zij laten het hoofdhaar groeien en binden er doeken om heen; ook zalven zij zich over het gansche lichaam. Een ieder heeft een zegelring en een met de hand bewerkten staf: op iederen staf is een appel gemaakt, of een roos, of een lelie of een adelaar, of iets anders; want het is bij hen geen zede een staf zonder zulk een teeken te hebben. Zoo dan is hun wijze van lichaamsversiering.

CXCVI[bewerken]

Hun gebruiken zijn de volgende; en het verstandigste volgens onze meening, dat ook de Veneters onder de Illyriërs hebben, naar ik verneem, was dit. In alle dorpen werd eenmaal in ieder jaar het volgende gedaan. Wanneer de maagden huwbaar geworden waren, brachten zij ze, om ze te verzamelen, op één plaats bij elkander, en om haar heen stond een schaar van mannen. Een heraut liet ze een voor een opstaan en bood ze te koop aan, eerst de schoonste van allen, daarna, als gene bij haar verkoop veel goud gewonnen had, riep hij een ander op, die na gene de schoonste was. Doch zij werden verkocht om te huwen. Zovelen nu welgesteld waren van de babylonische trouwlustigen, dezen joegen elkander op en kochten de schoonsten, doch die trouwlustig waren onder het lagere volk, dezen verlangden geenszins een fraai uiterlijk, doch ontvingen het geld met de leelijke maagden. Want als de heraut ten einde was met het verkoopen van de schoonste maagden, dan liet hij de leelijkste opstaan, of een die gebrekkig was, en die riep hij rond, wie voor het minste goud met haar wilde huwen, tot zij werd toegewezen aan hem die het minste verklaarde te willen ontvangen. Het goud kwam van de schoone maagden, en zoo dan huwlijkten de schoonen de leelijken en gebrekkigen uit. Het was niemand geoorloofd, zijn eigen dochter, aan wien hij wilde, uit te huwelijken, noch mocht hij die een maagd gekocht had, zonder borgstelling haar wegvoeren, doch hij moest borgen stellen en zweren haar te zullen huwen, en dan eerst haar medenemen; indien zij niet pasten bij elkander, dan was het wet om het goud terug te geven. Het stond een ieder vrij, als hij uit een ander dorp komen wilde en koopen. Dit nu was hun schoonste gebruik, doch het is niet tot nu blijven bestaan, doch iets anders hebben zij kort geleden uitgedacht, opdat hun dochters geen leed zou worden aangedaan en zij niet naar een andere stad zouden worden gebracht. Want sinds zij na de verovering van Babylon tot gebrek vervielen en alle have verloren, laat een elk van het volk, bij gebrek aan levensonderhoud, zijn dochters hoereeren.

CXCVII[bewerken]

Het tweede in verstandigheid is het volgende gebruik. Zij dragen de zieken naar den markt, want geneesheeren hebben zij niet. Zij gaan dan naar de zieken toe en geven raad over zijn ziekte, indien een van hen dezelfde kwaal heeft gehad als de zieke, of iemand zag, die ze had. Zij komen dan dàt als raad geven en aanbevelen, waardoor zij zelf een dergelijke ziekte ontkomen zijn, of een ander hebben zien ontkomen. En zwijgend een zieke voorbijgaan mogen zij niet, vóór hem gevraagd is, welke ziekte hij heeft.

CXCVIII[bewerken]

Zij balsemen de dooden met honig; de rouw is ongeveer als bij de Egyptenaars. Zoo dikwijls een Babyloniër met zijn vrouw zich vereenigd heeft, ontbrandt hij wierook en gaat daarbij zitten, en aan de andere zijde doet de vrouw hetzelfde; als het ochtend geworden is baden zij zich beiden, want zij raken geen vaatwerk aan voor zij zich gewasschen hebben. Dat zelfde doen ook de Arabieren.

CXCIX[bewerken]

De schandelijkste zede is bij de Babyloniërs de volgende. Iedere inlandse vrouw moet eenmaal in haar leven in de tempel van Aphrodite gaan zitten en zich met een vreemdeling verenigen. Vele vrouwen nu, die niet dulden zich onder de anderen te mengen, uit trots op haar rijkdom, rijden in overdekte wagens naar de tempel, en blijven daar, en vele slavinnen volgen haar. Doch de meesten doen zó: vele vrouwen zitten in de tempel van Aphrodite en hebben een krans van strikken om het hoofd: want sommigen komen aan, anderen gaan weg. En in alle richtingen gaan paden door de vrouwen heen, waardoor de bezoekers lopen als zij uitkiezen. Wanneer een vrouw daar eenmaal zit, wordt zij niet eerder naar huis gezonden, voordat een der vreemdelingen haar zilver in de schoot heeft geworpen en zich met haar verenigd heeft buiten de tempel. En als hij het er in werpt, moet hij zeggen: "ik roep de godin Mylitta tegen u op". Mylitta heet Aphrodite bij de Assyriërs. Het zilver zij groot of klein, zij zal het niet afwijzen, want dat is haar niet geoorloofd, want dat zilver is heilig. Zij volgt hem, die het eerst zilver toewerpt, en versmaadt niemand. Wanneer zij zich verenigd heeft en haar heilige plicht jegens de godin vervuld, gaat zij naar huis, en vanaf die tijd, zult ge haar niet zo iets groots geven, dat ge haar krijgen zult. De vrouwen nu, die uitnemend zijn door schoonheid en in gestalte, deze gaan spoedig heen, doch die lelijk zijn, wachten lange tijd zonder de plicht te kunnen vervullen. Want verscheidene wachten drie of vier jaren lang. Op enige plaatsen van Cyprus is een dergelijk gebruik.

CC[bewerken]

Deze zeden dan bestaan bij de Babyloniërs. En er zijn drie stammen onder hen, die niets anders eten dan alleen visschen, die ze eerst vangen en in de zon droogen, en dan doen ze het volgende: zij werpen ze in een vijzel, vermalen ze met stampers en zeven door linnen; en die wil van hen, kneedt het tot een deeg, of bakt het als brood.

CCI[bewerken]

Toen ook dit volk door Cyrus onderworpen was, begeerde hij de Massageten onder zijn macht te brengen. Dit volk is, naar men zegt, groot en krijgshaftig, en woont naar den dageraad en den zonsopgang, over de rivier de Araxes, en tegenover de Issodonen. Er zijn er die zeggen, dat dit volk Scythisch is.

CCII[bewerken]

De Araxes is volgens de berichten grooter en dan weer kleiner dan de Ister. Men zegt, dat er vele eilanden in zijn, ongeveer zoo groot als Lesbos, en dat daarop menschen leven, die des zomers zich met allerlei opgegraven wortels voeden, doch de rijpe boomvruchten die zij vinden bewaren zij, en die eten zij des winters; er worden nog andere boomen bij hen gevonden, die zoodanige vruchten dragen, dat, wanneer zij in troepen bijeengekomen zijn en een vuur hebben aangestoken, en zij er om heen zitten in een kring en die vruchten in het vuur werpen, dan ruiken zij de brandende ingeworpen vrucht en worden dronken van de geur, evenals de Hellenen van den wijn, en als er meer vrucht opgeworpen wordt, worden zij sterker dronken, tot zij zich verheffen om te dansen en aan het zingen gaan. Zoo is hun leefwijze, naar men zegt. De rivier de Araxes komt uit het land der Matiënen, waaruit ook de Gyndes komt, die Cyrus in de driehonderd en zestig kanalen splitste; en zij stroomt uit met veertig monden, die allen op één na in moerassen en poelen uitkomen, waarin menschen heeten te wonen, die rauwe visch eten en voor kleeding zeehondenvellen plegen te dragen. Die eene mond van de Araxes loopt door zuiver land naar de Caspische zee. De Caspische zee bestaat op zichzelf, zonder verbinding met de andere zee. Want de gansche zee, die de Hellenen bevaren, en de zee buiten de zuilen van Heracles, de Atlantische genaamd, en de Roode Zee zijn één enkele zee.

CCIII[bewerken]

Doch de Caspische zee is een andere en staat op zichzelf; in lengte is zij voor iemand, die een roeischip gebruikt, een vaart van vijftien dagen lang, en in de breedte, waar zij op haar breedst is, een van acht dagen. En aan de avondzijde strekt zich de Caucasus uit, die in omvang het grootste en in grootte het hoogste is der gebergten. Vele volken en van vele soorten heeft de Caucasus in zich, die bijna geheel van wilde boomen leven. Daar zijn ook boomen, naar men zegt, met bladeren van zulk een aard, dat men, ze fijnwrijvende en met water mengend, er figuren mede op het gewaad kan schilderen; deze figuren wasschen niet weg, doch worden oud met de andere wol zelf, alsof zij er van den aanvang ingeweven waren. De paring van deze menschen geschiedt in het openbaar, evenals bij het vee.

CCIV[bewerken]

De avondzijde van deze dusgenoemde Caspische zee sluit de Caucasus af, maar aan de zijde van den zonsopgang sluit zich een vlakte aan in uitgestrektheid onbegrensd en onafzienbaar. En van die groote vlakte is niet het kleinste deel in bezit van de Massageten, tegen welke Cyrus in den zin had op te trekken; want vele en groote dingen waren er die hem aanspoorden en prikkelden; vooreerst zijn geboorte, waardoor hij meer dan een mensch meende te zijn; daarna de voorspoed, dien hij bij zijn oorlogen gehad had; want waarheen ook Cyrus zijn tocht richtte, was het dat volk onmogelijk te ontkomen.

CCV[bewerken]

Een vrouw was, na den dood van haar man, koningin van de Massageten; Tomyris was haar naam. Naar deze vrouw zond Cyrus boden en wierf om haar in schijn, doch Tomyris, begrijpende dat hij niet naar haar dong, doch naar de heerschappij over de Massageten, wees zijn aanzoek af. Daarop rukte Cyrus, toen het hem met list niet gelukt was, naar de Araxes en ving openlijk den veldtocht tegen de Massageten aan, bruggen leggende over de rivier voor den overtocht van zijn leger, en torens bouwende op de schepen, die de rivier overstaken.

CCVI[bewerken]

Terwijl hij met dit werk bezig was zond Tomyris hem een heraut en zeide het volgende: "O koning der Meden, houd op te jagen, wat gij jaagt; want gij kunt niet weten, of de volbrenging u van voordeel zal wezen. Houd op en heersch over het uwe, en verdraag het, ons ziende beheerschen wat wij beheerschen. Daar gij niet dezen raad zult willen volgen, doch alles liever doen dan in rust blijven, indien gij dan zoo hevig begeert met de Massageten te kampen, wel aan, laat af van de moeite, die gij hebt, de rivier overbruggend; wij zullen een weg van drie dagen van de rivier terugwijken en gij trekt over naar ons land. Indien gij liever ons in het uwe wilt ontvangen, doe gij dan dat zelfde." Na die boodschap riep Cyrus de eersten der Perzen bijeen, en toen hij hen verzameld had, legde hij hun de zaak voor, om met hen te beraadslagen, wat hij doen zou. En hun meeningen liepen uit op het zelfde, daar zij rieden Tomyris en haar leger in zijn land af te wachten.

CCVII[bewerken]

Cresus de Lydiër echter was er bij, en die meening afkeurend, openbaarde hij een meening tegenovergesteld aan de aangebodene, zeggende: "O koning, vroeger reeds heb ik gezegd, dat, nu Zeus mij aan u gegeven heeft, waar ik een onheil voor uw huis zie, ik het naar mijn kracht zal afwenden. Mij is mijn ramp een smartelijke leering geweest. Indien gij onsterflijk waant te wezen en ook over een zoodanig leger te heerschen, dan zou het van geen nut zijn u mijn meening te openbaren; doch als ge inziet, dat ook gij een mensch zijt en heerscher over andere menschen, begrijp dan eerst dit, dat er een kringloop is in de menschlijke zaken, die in zijn ommegang niet altijd dezelfden toelaat voorspoedig te wezen. Ik dan heb over de vóórgebrachte zaak de tegenovergestelde meening van genen. Want indien wij de vijanden in het land willen ontvangen, is daar dit gevaar in voor u: bij een nederlaag zult ge uw gansche rijk tevens verliezen; duidelijk toch is, dat de Massageten als overwinnaars niet naar achteren zullen vlieden, doch naar uw landen trekken. Overwint gij, niet overwint gij dan zóózeer, als indien ge naar hun land overtrekkende, de Massageten overwint en hen op hun vlucht najaagt. Want dat zelfde wil ik tegenover dat van straks stellen, dat gij uw tegenstanders overwonnen hebbend terstond naar het rijk van Tomyris rukt. Doch ook buiten het aangevoerde is het schandelijk en niet te dulden, dat Cyrus, de zoon van Cambyses, voor een vrouw zou wijken en uit het land terugtrekken. Nu daarom raad ik u over te trekken en voort te rukken, zoover als genen teruggaan, en dan op de volgende wijze te trachten hen te overmeesteren. Want zoals ik verneem, zijn de Massageten onbekend met de goede dingen der Perzen en onervaren in groote heerlijkheden. Laat dan voor die mannen ruimelijk vele schapen neerhouwen en toebereiden en disch ze op als maaltijd in ons kamp, daarbij ook rijkelijk kruiken met ongemengden wijn en ook velerlei spijzen. Als wij dat gedaan hebben, dan moeten wij het slechtste deel van het leger daar achterlaten, en de overigen weder terugwijken naar den stroom. Want indien ik niet faal in mijn meening, dan zullen genen, die vele goede dingen ziende, er zich aan begeven en ons dan blijft de verrichting van groote daden."

CCVIII[bewerken]

Deze meningen dan stonden tegenover elkander, en Cyrus liet de eerste meening varen, koos die van Cresus, en zeide Tomyris aan terug te trekken, daar hij tot haar zou oversteken. Zij dan week terug, zoals zij vroeger beloofd had. En Cyrus plaatste Cresus in de handen van zijn zoon Cambyses, wien hij het koninkrijk zou geven, en hem met drang bevelende genen te eeren en goed te behandelen, indien de overtocht naar de Massageten niet goed afliep, dit nu bevelend en hen naar Perzië zendend trok hij zelf den stroom over en zijn leger met hem.

CCIX[bewerken]

Toen hij de Araxes was overgegaan en de nacht was aangebroken, zag hij, slapende in het land van de Massageten, een droom, den volgenden: Cyrus waande in den slaap den oudsten van Hystaspes' zonen te zien met vleugels aan de schouders, en met den eenen daarvan Azië, met den anderen Europa beschaduwen. Onder de zonen van Hystaspes, den zoon van Arsames, uit het geslacht der Achaemeniden, was Darius de oudste, toen hoogstens een twintig jaar in leeftijd, en deze was in Perzië achtergelaten, want nog niet had hij den leeftijd om mede te trekken. Toen Cyrus nu ontwaakt was, overwoog hij den droom bij zichzelf, en daar hem het gezicht zeer belangrijk scheen te wezen, liet hij Hystaspes roepen en nam hem alleen en zeide: "Hystaspes, uw zoon is betrapt, dat hij mij en mijn heerschappij belaagt: dat ik dit zeker weet, zal ik bewijzen. Over mij waken de goden en toonen mij van te voren al wat dreigt. En in den voorbijgeganen nacht slapende zag ik den oudste van uw zonen, vleugels aan de schouders hebbend, en met eenen daarvan Azië, met den anderen Europa beschaduwen. Niet derhalve is het naar dat gezicht anders mogelijk, dan dat hij mij belaagt. Ga gij daarom zoo snel mogelijk terug naar Perzië, en zorg, wanneer ik, dit volk overwonnen hebbend, dààr gekomen ben, dat ge uw zoon voor onderzoek tot mij brengt."

CCX[bewerken]

Cyrus nu meenende dat Darius hem belaagde, zeide dit; hem echter had de godheid geopenbaard, dat hij op die plaats zou sterven, doch het koninkrijk op Darius overgaan. Hystaspes echter antwoordde met het volgende: "O koning, mocht er geen perzisch man geboren zijn, die u belagen wil! Indien echter er een is, dat hij ten snelste sterve. U, die de Perzen van slaven vrij hebt gemaakt, en in plaats van beheerscht te worden hen over alle andere hebt doen heerschen! Doch indien u het droomgezicht verkondigt, dat mijn zoon op onheil zint over u, ik zal hem u overgeven, dat ge met hem doet, wat ge wilt." Na deze woorden trok Hystaspes de Araxes over en ging naar Perzië om voor Cyrus zijn zoon Darius te bewaken. Doch Cyrus een dagreis van de Araxes voortgetrokken zijnde, deed wat Cresus had voorgeslagen. Toen vervolgens Cyrus en het strijdvaardige deel van het leger naar de Araxes waren teruggeweken en het onbruikbare was achtergelaten, trok het derde deel van het leger der Massageten aan en doodde de achtergeblevenen van Cyrus' leger niet zonder tegenweer, en het voorhandene maal ziende, legden zij zich neder na de overwinning op de tegenstanders en spijsden; en verzadigd van spijs en drank sliepen zij. En de Perzen rukten aan en doodden velen van hen, veel meer nog namen zij levend gevangen, èn anderen èn den zoon der koningin Tomyris, den veldheer der Massageten, wiens naam Spargapises was.

CCXII[bewerken]

Toen zij vernomen had, wat met het leger en haar zoon was geschied, zond zij een heraut aan Cyrus en zeide dit: "van bloed onverzadelijke Cyrus, verhef u niet te zeer op wat geschied is, indien gij met de vrucht des wijnstoks, van welke vol zijnde gij zóó raast, dat terwijl de wijn in het lichaam omlaag stroomt, booze woorden bij u opstijgen, indien gij met zulk een gif mijn zoon bedrogen hebt en overmeesterd, doch niet met kracht in den strijd. Neem dan nu het woord aan van mij, die u goed raad, geef mij mijn zoon terug en ga ongestraft weg uit dit land, nadat gij het derde deel van het leger der Massageten onteerd hebt. Indien gij dit niet doen zult, bezweer ik u bij de zon, den heer der Massageten, voorwaar, ik zal u, den onleschbaren, van bloed verzaden."

CCXIII[bewerken]

Cyrus echter sloeg geenszins acht op deze boodschap, doch Spargapises, de zoon der koningin Tomyris, toen de wijn hem verlaten had en hij inzag in welken ramp hij was, toen smeekte hij Cyrus uit zijn boeien bevrijd te worden en verkreeg dit, doch zoodra hij bevrijd was en meester was van zijn handen, bracht hij zich om.

CCXIV[bewerken]

En hij dan stierf op zulk een wijze, doch Tomyris, toen Cyrus niet naar haar luisterde, verzamelde haar gansche macht en trof met Cyrus samen. Dezen slag acht ik den heftigste van alle die tusschen barbaren geleverd zijn, en naar ik verneem heeft hij zich aldus toegedragen. Eerst stonden zij op een afstand van elkander, naar gezegd wordt, en schoten met pijlen; daarna echter, toen de pijlen verschoten waren, vielen zij aan op elkander en grepen elkander aan met speeren en zwaarden. Langen tijd nu bleven zij in strijd gewikkeld en geen van beiden wilde vluchten; eindelijk echter overwonnen de Massageten. Het grootste deel van het perzische leger kwam op die plaats zelf om, en ook Cyrus zelf sneuvelde, en zijn regeering had in het geheel negen en twintig jaren geduurd. Tomyris vulde een zak met menschenbloed en zocht onder de dooden het lijk van Cyrus; toen zij het gevonden had, duwde zij zijn hoofd in den zak, en het lijk schendende, zeide zij het volgende: "gij hebt mij, die leef en u in den strijd overwonnen heb, te gronde gericht mijn zoon door list vangende, doch ik zal u, zoals ik gedreigd heb, van bloed verzadigen." Van de vele verhalen, die over het einde van Cyrus' leven gezegd worden, wordt dit als het geloofwaardigste door mij bericht.

CCXV[bewerken]

De Massageten gelijken in kleederdracht en in levenswijze op de Scythen; zij strijden zoowel te voet als te paard, want beiden doen zij; zij hebben bogen en speeren, en dragen gewoonlijk strijdaksten. Zij gebruiken voor alles goud en koper, want alles wat tot speeren en pijlen en bijlen behoort, daarvoor gebruiken zij altijd koper, maar voor het hoofd en gordels en borststukken, nemen zij goud als versiering. Evenzoo omgeven zij de borst van de paarden met koperen pantsers; doch de teugels en de gebitten versieren zij met goud. IJzer en zilver gebruiken zij in 't geheel niet; want die zijn niet in hun land, goud daarentegen en koper overvloedig.

CCXVI[bewerken]

Zij hebben de volgende zeden: iedere man huwt wel een vrouw, doch zij hebben de vrouwen in gemeenschap. Want wat de Hellenen zeggen dat de Scythen doen, dat doen de Scythen niet, doch de Massageten. Want als een Massageet een vrouw begeert, dan hangt hij zijn pijlkoker voor haar wagen op en vereenigt zich met haar zonder schroom. Er is bij hen geen andere grens voor den leeftijd bepaald, doch wanneer een man zeer oud is geworden, dan komen zijn verwanten bijeen en slachten hem, en ander vee met hem, en zij koken het vleesch en houden er feest van. Dit achten zij het gelukkigste einde, doch die door een ziekte sterft, dien eten zij niet op, doch zij begraven hem in de aarde, en jammeren er over dat hij niet tot het slachten is gekomen. Zij zaaien niets, doch leven van vee en visschen, en deze geworden hun overvloedig uit de rivier de Araxes. Zij zijn melkdrinkers. Van de goden vereeren zij alleen de zon, aan wie zij paarden offeren. De zin van dit offer is deze: aan den snelsten der goden wijzen zij het snelste van al wat sterfelijk is toe.