Rijmbijbel/Folio 86
Uit Wikisource
[bewerken] f86r
- Die nembermeer keerden der na
- Daer na tgheslachte van iuda
- Dat braken die van babilone
- Die hem namen macht ende crone
14985
- Mar god die wreect alle dinc testaden
- Laet den goeden metten quaden
- Onder wilen oec bluwen[1] mede
- Dats om smenschen salichede
- Met desen quaden wet dat wel
14990
- Van iuda ende oec van israel
- Was so menich goet mensch gevaen
- Ende van goede lieden so staen
- Haer dogeden beschreven
- Mar van den quaden na dit leven
14995
- So nes indogeden geen gewach
- Want na haren sterfdach
- So es liif ende name vergeten
- Nu sal ic u vort doen weten
- Wie si waren dies verdienen
15000
- Dat haer staet van gods vrienden
- Ghelovet si heden desen dage
- Thobias dat es gene zage
- Wasser een ende sine ystorie
- Blivet ewelic in memorie
15005
- Hi was gevangen wet dat wel
- Doe dat volc van israel
- Salmanasar die coninc vinc
- No hort van hen scone dinc
- Ende waer want aldus
15010
- Bescriift ons sinte ieronimus
- Uten caldeuschen[2] in latine
- In dietsch sal ict met mire pine
- Vordt dichten hier comt begin
- Here god verlicht minen sin
15015
- Thobias was van neptalim
- Gheboren lesen wi van him[3]
- Dats ∙i∙ port galile[4]
- Ende hadde die name in weets nemmee
- Ontfaen van ∙i∙ iacobs sone
15020
- Neptalim so hie die gone
- Van hem was thobias gheboren
- Alse ander liede hem lieten verdoren[5]
- Dat si gingen anebeden
- Tharen groten onsalicheden
15025
- Die goudine calver des god was gram
- Die die quade ieroboam
- Maken dede als ghi hier voren
- Inder ieesten hebt verhoren.
- Thobias en ginc niet met hem
15030
- Mar hi quam te iherusalem
- Daer anebeedi onsen here
- Ende gaf daer dur sine ere
- Beide handgiften ende tiende
- Daermen mede hilt gods vriende
15035
- Insire ioget was hi onbesmet
- Ende brac niewer[6] ons heren wet
- Doe hi gewan manlic liif
- Nam hi van ∙i∙ gheslachte ∙i∙ wiif
- Anna so was hare name
15040
- Alst onsen here was bequame
- So wan hi an hare ∙i∙ sone
- Thobias hiet na hem die gone
- Salmanasar die quam daer na
- Die coninc van assyria
15045
- Ende nam al tvolc van galile
- Dus wart gevoert in ninive
- Thobias onder die keitive
- Beide met kindre ende met wive
- Dus wachte hem thobias die wise
15050
- Dat hi vander heidine spise
- Niet en at clene no groot
- Die die wet gods verboot
- Oec scalt hi sere ende onsachte
- Die gene van sinen gheslachte
15055
- Die niet hilden ons heren wet
- Want hi hem hilt al onbesmet
- So gaf hem god om dese dinc
- Vor salmanasar den coninc
- Gratie ende werdichede
15060
- Dat hem die coninc moghenthede
- Gaf te varne daer hi woude
- Ende siin gheslachte besien[7] soude
- Ende met hem te doene dat hi wilde
- Dus voer tobias die milde
15065
- Achter lande harenthare
- Te siene die gevangne scare
- Ende castiede ende leerde
- Tvolc ten besten ende bekeerde
- Na desen tiden gheviel him des
15070
- Dat hi quam te rages
- Dats ∙i∙ port int lant van meden
- Aldaer vanthi in deser steden
[bewerken] f86
- ∙I∙ sinen maech die hadde niet
- Die bi namen gabelus[8] hiet
15075
- Hem leendi ∙x∙ marc selveriin wit
- Ende bescreef wel vaste dit
- Met cyrograven[9] alsmen nog pliet
- Dat ghelt dat hi gabeluse liet
- Dat gaf tobiase dur sine ere
15080
- Salmanasar die grote here
- Daer na over lanc[10] bleef doot
- Salmanasar die here groot
- Ende sennacherip siin sone
- Die wert coninc als die gone
15085
- Dient verstarf van sinen vader
- Sennacherip die hate algader
- Dat gheslachte van israel
- Ende was hem van herten fel
- Tobias ende vergat niet
15090
- Te troestene dat gevangne diet
- Ende gaf mildelike den armen
- Als onsen here begonste ontfarmen
- Sennacherips grote overdaet
- Als hier voren bescreven staet
15095
- Inder coninc boec so wel
- Hoe hem voer iherusalem misvel
- Ins coninc ezechias tiden
- Dat doot slouch bi sire siden
- Die ingel gods bi sinen here
15100
- Up ∙i∙ nacht al sonder were
- ∙C∙m∙ ende lxxxv dusent man
- Ende hi cume ontvlo nochtan
- Met ∙x∙m manne in sinen lande
- Om dit verlies om dese scande
15105
- Dedi vele ebreusche verslaen
- Die met hem waren gevaen
- Die dode liede groef tobias
- Als die der doget gewone was
- So dat sennacherip vernam
15110
- Ende wart up tobias gram
- Ende hiet hem nemen al siin goet
- Hi hiet met groter overmoet
- Datmenne versloeghe also
- Mar tobias die ontvlo
15115
- Beide met wive ende met kinden
- Wantten vele lieden minden
- Oover[11] xv dage
- Daer na dat es gene saghe
- Wart sennacherip vermort
15120
- Van sinen kindren alsmen hort
- Inder coninc boec bescreven
- Twi dat si hem namen dleven
- Doe gafmen weder tobias
- Al dat hem genomen was
15125
- Beide husinghe ende goet
- Daer na als ict verstoet
- Dat ∙i∙ feeste es gemaect
- Ende tobias es gestaect[12]
- Dor gods ere ene feeste
15130
- Sinen soen dat hi vort eerste
- Ende seide sone ganc ende hale
- Ons liede so doestu wale
- Van onsen lieden die gode ontsien
- Met ons tetene ende mettien
15135
- Es die sone wech gegaen
- Siin ghebod te doene saen
- Meerct ghi vroede ende ghi meeste
- Up des goets tobias feeste
- Ghi prelate der heiligher kerken
15140
- Leer an dese ∙i∙ lettel merken
- Hi en bat niet condichlike[13]
- Te sire feesten te comen die rike
- Mar arme entie gode ontsagen
- Owi arme in minen dagen
15145
- Siin die arme uut ghesloten
- Die gode ontsien siin verstoten
- Over hem comen die ministrele[14]
- Diemen nu geeft te vele
- Die rike comen over die arme
15150
- Dies den riken god ontfarme
- Dat wi di doget lesen wi clerke
- Ende met ghevolgen intghewerke
- Die ionghe tobias ginc vaste
- Sinen vader soeken gaste
15155
- Ende brachte hem weder ∙i∙ mare
- Datter ∙i∙ ebreusch ware
- In die strate te hant vermort
- Die oude tobias liep vort
- Ende brochte den doden haestelike
15160
- In siin huus al heimelike
- Ende doe die sonne onder was
- So groefne saen tobias
- Mar sine maghe al siit vernamen
- Scoldene sere altesamen
Inhoud |
[bewerken] Nota's
- ↑ bluwen: (zie ook blouwen): slaan; (zich) kastijden
- ↑ caldeuschen: (Het) Chaldeeuws, (de) Chaldeeuwse taal. De Chaldeeën behoorden tot de Arameeërs, vandaar dat het bijbelse Aramees - ten onrechte - Chaldeeuws werd genoemd.
- ↑ neptalim: Naftali (Vulg. Neptalim; Hist.Schol. Nephtalim), stam van Israël.
- ↑ ∙i∙ port galile: In bovenstaande passage is waarschijnlijk een fout ingeslopen (bij Maerlant of een van diens kopiisten?), aangezien de bijbel (Tob 1:1) en de Historia Scholastica (Lib.Tob. Cap.I) spreken van de stam Naftali en niet van een stad met die naam.
- ↑ verdoren: Bedriegen, misleiden
- ↑ niewer: nergens, niet, nooit; hier in de betekenis van nooit
- ↑ besien: toezien op, zorgen voor, in de gaten houden
- ↑ gabelus: Gabaël (Vulg. Gabelus; Hist.Schol. Gabelum (acc.)), familielid van Tobit dat in Medië woonde. Zie ook: gabeel Bijbel: Tob 1:14, Hist.Schol. Lib.Tob. Cap.I
- ↑ cyrograve: (cyrografe) met de hand ondertekende oorkonde, charter
- ↑ lanc: In de verbinding over lanc: na lange tijd, eindelijk
- ↑ Oover: zowel een versierde initiaal O als daar op volgend nog een o
- ↑ staken: Bepalen, ordineren, ook door God
- ↑ condichlike: Op trotse, hoogmoedige wijze; hoogmoedig.
- ↑ ministrele: (menestrele) Eig. iedere persoon aan iemands dienst verbonden, doch in het bijzonder gebezigd van iemand die in dienst van of ook ten gevalle van een vorstelijk of aanzienlijk persoon de eene of andere kunst uitoefent, bepaaldelijk zang en snarenspel; muzikant, speelman. Ook allerlei andere kunsten werden door hen uitgevoerd; menestrelen waren ook acrobaten, goochelaars, potsenmakers en dgl. De menestrelen droegen ook hun eigen werk voor, en worden dan literarische personen. Het woord staat dan in beteekenis met sprookspreker, fra. trouvère, zfra. troubadour, mnl. spreker, gelijk. In deze hoedanigheid werden zij tegenover de clerken gesteld, en door Maerlant gehekeld als leugensprekers en lichtzinnigen. Vgl. Te Winkel, Maerlant2 492ᶗ494