Theo van Doesburg/Antwoord aan Mejuffrouw Edith Pijpers
|
Antwoord aan Mejuffrouw Edith Pijpers en allen, die haar standpunt innemen |
|
| Auteur(s) | Theo van Doesburg |
| Datum | April 1918 |
| Titel | ‘Antwoord aan Mejuffrouw Edith Pijpers en allen, die haar standpunt innemen’ |
| Tijdschrift | De Stijl |
| Jg, nr, pg | 1, 6, 65-71 |
| Opmerkingen | Reactie op ‘Mejuffrouw Edith Pijpers contra de moderne beeldende kunst’, De Stijl, 1e jaargang, nummer 6, pp. 62-65. Zie Digital Dada Library. |
| Genre(s) | Proza |
| Brontaal | Nederlands |
| Bron | Digital Dada Library |
| Auteursrecht | Publiek domein |
|
[65]
DOOR THEO VAN DOESBURG. In strijd met ons persoonlijk voornemen, alle ingezonden geschriften van polemischen aard uit ons tijdschrift te houden — ook in verband met de beperkte plaatsruimte — hebben wij ditmaal bovenstaand bezwaarschrift gepubliceerd, omdat het alle bezwaren bevat die tegen de nieuwe beelding in het algemeen worden aangevoerd. 1) Het druk in questie geeft blijk, dat de schrijfster de zaak ernstig overdacht heeft. Haar tegenwerpingen betreffende de absolute beelding in architectuur, beeldhouw- en schilderkunst, verraden niet, — als alle andere ingekomen bezwaarschriften — nevenbedoelingen of aprioristisch vooroordeel. Wij zullen daarom trachten de belangrijkste punten te beantwoorden volgens onze opvatting der nieuwe beelding en cultuur. Het valt niet moeilijk uit bovenstaand stuk een kleine tabel samen te stellen, wat de nieuwe beelding wel en wat zij niet is. Wij krijgen: a. wat zij wel is:
ving. 5. liefdeloos. 6. emotieloos. 7. enkel cerebraal. 8. vivisectie. 9. ontleding. 10. moording (van de natuur). 11. plundering. 12. meetkunde. 13. hopeloos van uiteenvalling en ongeloof. 14. archaïsch. 15. primitief. 16. bewust experimenteel. 17. koud. 18. zielloos. 19. wanhopig verlaten. 20. zuiver geest. 21. gevoelloos. 22. architectonisch. 23. de punt. 24. het doode punt. 25. over de grens heen. 26. vormloos. 27. wetenschap. 28. kunstigheid. 29. dogmatisch. 30. ornamentaal. 31. weten. b. wat zij niet is: 1. nuance. 2. fetisch. 3. argeloos. 4. persoonlijk. 5. individueel. 6. verheven. 7. imagerie. 8. warm. 9. innig. 10. intiem. 11. teeder. 12. pittoresque. Zooals men ziet staan de positieve tot de negatieve eigenschappen als 31 : 12. Van de 12 negatieve eigenschappen vallen er niet minder dan 11 eigenlijk buiten staat van verdediging onzerzijds. Punt 6 uitgezonderd, nemen we gaarne aan, dat de nieuwe beelding, waar deze althans zuiver optreedt, ook inderdaad de genoemde negatieve eigenschappen bezit. De nieuwe beelding mist inderdaad nuance. Dit is een eigenschap van het stadium, waarin de schilderkunst nog met vage middelen is werk ging, de hoofdeigenschap der schijnbeelding. Hiervoor kwam reeds met de luministen in de plaats: de zucht naar klaarheid, bepaaldheid van kleur; klaarheid, bepaaldheid van vorm en lijn en ten slotte naar klaarheid, bepaaldheid van compositie (zie Mondriaan’s exacte beschrijving dezer ontwikkeling), Wat in de oude schilderkunst nuance, toonschakeering van licht tot donker, van geel tot bruin was, is in de nieuwe beelding verdiept tot in bepaaldheid-stelling van verhouding, reeds voorbereid door de luministen, door tegenstelling van complementkleuren. Toon, nuance, is in de nieuwe beeldende schilderkunst veredeld tot een totaalindruk van pure kleuren, blauw, rood en geel, welke abstract verschijnen als zwart, grijs en wit.
heid de harmonische ontwikkeling van Kultuur en Kunst niet remt, maar bevordert. Waar toegegeven wordt, dat het zuiver geestelijke gezocht wordt („de moderne kunst is geest, het zuiver geestelijke wordt gezocht” enz.) is het verwijt, dat de nieuwe beelding het verhevene missen zou, geheel ongegrond, want welke meer „verheven” inhoud zou er voor kunst en samenleving te eischen zijn dan geest? Waar de Europeesche schijncultuur zich meer om den vorm dan het wezen, meer om de verschijning dan den inhoud bekommerde, kan het ons niet verwonderen, dat zich de drang naar levens- en kunstverdieping gaat openbaren. Zij, die zulk een verheven inhoud, als die, welke de nieuwe beelding inderdaad bezit, noch „verheven”, noch „warm”, noch „innig”, noch „intiem”, noch ,teeder” vinden, bewijzen hiermede slechts, dat de ontplooiing van den menschelijken geest hen beangstigt. Wanneer wij alle individueele meeningen, die schrijvers over het eeuwig menschelijke ten beste hebben gegeven, opzij schuiven, zoo toont de historie ons, dat het eeuwig menschelijke niets anders dan de zelfontplooiing van den geest beteekent. Voor hen, die deze zelfontplooiing beangstigt, is toepasselijk wat Mej. E. P. zegt van den bioscoopbezoeker: „voor dien geest zijn ze bang, dien begrijpen ze niet (de primitieve mensch was ook bang voor het onweer, den bliksem enz., omdat hij deze natuurverschijnselen niet begreep. Dank zij de wetenschap werd deze natuurlijke vrees overwonnen. v. D.) en kunnen hem niet ombeelden in eigen ziel, en daarom is het ziellooze plaatsje hun beter, het rukt hen niet hun dagelijksche sfeer van gemakkelijkheid en laag-bij-de-grondschheid”. Juist. De moderne beelding rukt de menschen wél uit hun dagelijksche sleur („En àllen worden getrokken naar de nieuwe kunst” en: „geen, die er niet door beïnvloed wordt” enz.) waarmede dan tegelijk bewezen is dat zij niet „zielloos” is (punt 18). Dat in haar die „wijde geest” evenmin ontbreekt, bewijst het feit, dat de menschen noch in innige noch in intieme of teedere verhouding staan of gestaan hebben tot het beeldingswerk, waarin die universeele geest, uit de natuur, door het ombeeldingsproces in de ziel van den kunstenaar, tot concrete uitdrukking komt. De nieuwe beelding zal de geschiktheid blijken te bezitten in de totaalbeweging van de nieuwe samenleving over te gaan. Hierdoor zal zij inniger met den mensch verbonden zijn dan de oude beelding van den schijn. Hieruit is te verklaren, dat de verschillende uitdrukkingsvormen door de innerlijke gelijkheid van idee, ook een uiterlijke gelijkheid in den vorm gaat vertoonen.
„Uiteengevallen is deze moderne tijd en nog uiteengevallener zal hij worden”. En „de moderne kunst is hopeloos van uiteenvalling en ongeloof’. Gelukkig! Het is niet deze tijd die uiteenvalt, maar het is juist de oude tijd, de oude kultuur, de schijnkultuur, welke op emotie, geloof en nuance gegrondvest was; de oude tijd, welke een kunst voortbracht met schijnlicht, schijnwarmte (in de schilderkunst was deze warmte voor driekwart lapus lazzuli, kraplak, omber, gebrande terra sienna) schijndiepte, schijnverhevenheid, schijninnigheid en schijngevoeligheid, een kultuur die als resultaat eindigt in één groot schavot. De nieuwe kultuur, die nog vaag is in de massa, komt in enkelen, kunstenaars en denkers, tot klaarheid. Zij brengen haar tot logische uitdrukking. Is het dus wonder, dat zij, die met deze uitdrukking belast zijn, en verzadigd zijn van al die oude waarden eener bedrieglijke schijnkultuur, afkeerig zijn van den fetisch, de primitieve argeloosheid, de willekeur van de individualiteit, de leugen der imagerie, de sentimentaliteit der innigheid, teederheid enz. Hoewel deze oude waarden belangrijk waren voor den tijd waarin ze ontstonden, zijn ze des te onbelangrijker in een tijd, waarin ze verdwijnen. En die tijd is deze tijd. Is het wonder, dat de kunstenaars, die het nieuwe tijdsbewustzijn bekennen, nieuwe fundamenten leggen voor de beeldende kunst om tot een absolute gestaltegeving van dat tijdsbewustzijn te komen? Is het wonder, dat zij, die nog leven onder de suggestie van den uiteenvallenden vorm van het verleden, den nieuwen vorm aangezien voor „verstarring” en „versterving” (van den ouden vorm), in plaats van voor dat, wat hij inderdaad is: de vrucht van het verleden. In het wonder, dat zij hen, die uit deze suggestie zijn wakkergeschut, houden voor cerebralisten, dogmatici, vivisecters, ontleders, moordenaars, bewuste experimentalisten en geleerden, omdat zij de bijzonderheid opofferden aan het algemeene? 1) Het staat nog te bezien of de liefde van hen, die zoo beeldend te werk gaan, niet dieper is dan de liefde van hen, die hangen aan alle bizonderheid.
die van het licht, thans voornamelijk die van de ruimte (zie laatste artikel Gino Severini), is de beeldende kunst in de 20e eeuw in het bezit gekomen van haar zuiver aesthetische middelen en haar zuiver aesthetischen inhoud, na de op vele terreinen (religie, litteratuur [literatuur, ed.], sociologie, muziek enz.) tevergeefs naar haar zelfbestamming gezocht te hebben. Waar zij deze middelen, inhoud en bestemming vond, was zij niet aan haar grens of „over de grens heen”, maar juist op haar eigen gebied. Haar daaraf jagen zou behalve van despotisme van gemis aan piëteit voor het verleden doen blijken. Uitgaande van het begrip dat de nieuwe beelding het samenstellen van meetkundige figuren is, is de gedachtengang, dat zij deze steeds meer en meer reduceerende aan de punt zou uitkomen, zeer logisch. Dit is echter een verkeerd begrip, omdat de beeldende kunst niet van meetkunde uitgaat maar van het beeldende d.i. van datgene wat in de functie van ons bewustzijn de dingen inderdaad beeldt. „Denn die Welt ist nie gegeben, sondern durch und für die speciellen Mittek der Kunst (oder Wissenschaft) immer erst zu entdecken” (Max Raphaël). Evenals het denken, is, althans voor kunstenaars, het zien een abstrakt proces en op dezelfde wijze als een denkbeeld ontstaat, worden de dingen buiten ons, voor ons tot vorm. Het zien is een reconstructie-proces, dat berust op de wetten der mathematica. Dit mathematische heeft dus zonder de beeldende bewustzijnsfunctie (het beeldend zien) in de kunst geen beteekenis. Meetkunde is een ruimtevoortbrengend procédé en zooland de beeldende kunst (ik zei reeds dat de moderne kunst het accent in ’s bijzonder op de ruimte ligt) met de ruimte te maken heeft, zal hij voeling hebben met het mathematische . De groote beteekenis der schilderkunst is juist, dat zij van een drie-dimensionale, lichamelijke realiteit uitgaande, aan een vlakbezetting in een vlakruimte moet uitkomen, wil zij niet vervallen in de fout, dat het schilderij in de realiteit overgaat. In het „orna
mentale” vervalt zij slechts dan, wanneer zij ondergeschikt wordt aan een anderen uitdrukkingsvorm (b.v. aan de bouwkunst als begeleiding) en dus het universeele secundair tot uitdrukking brengt. Met minachting over het ornamentale te spreken, geeft blijk van gemis aan inzicht; het ornament vooral waar dit zuiver beeldend optreedt, kan niet dan onder zeer gunstige (= innerlijke) cultuur-voorwaarden ontstaan. Volgens Worringer kent men de geestesgesteldheid van een volk aan zijn ornament. En dit is zeer juist. De kunst is geen schijnbeelding van de natuur. De natuur is een vraag, de kunst is het antwoord. De natuurvorm is aan den kunstvorm nog niet toe. De kunstvorm is over den natuurvorm heen. De kunst brengt een andere wereld voort. De wetten die dáár gelden, gelden niet voor dèze wereld (althans niet in uiterlijkheid). In de beelding zijn de tijdelijke verschijningsvormen gereduceerd tot de tijdlooze; een nieuwe wereld ontstaat, waarin de vergankelijkheid van het betaande (het tijd-ruimtelijke) is opgeheven. „En in ons hunkert het ons daarbij aan te passen. Omdat deze aanpassing ons vrede brengen zal. En de verwardheid en de wanhopigheid van alle tegenstrijdige woelingen in onzen geest en ziel enz”.
door hun individualiteit. Zij vormen een onhoudbare tusschenstof, die naarmate de nieuwe innerlijke kultuur (naar het algemeene) toeneemt, oplost en verdwijnt. Om denzelfden reden (innerlijke kultuur van den geheelen mensch) waarom de schilders van onzen tijd gekomen zijn tot redelijke verhoudingsbeelding (van kleur en vlak-ruimte) om denzelfden reden zullen de componisten van dezen tijd gedwongen zijn tot een redelijke verhoudingsbepaling van de muzikale middelen (klank-stilte). Dit is de nieuwe geluidszekerheid waaruit de nieuwe toonkunst zal ontstaan. Om denzelfden reden waarom de componisten tot een exacte toonkunst zullen komen, zullen de architecten door een redelijke verhoudingsbepaling van ruimte en massa, wederkeerige opheffing van stand en maat, wisselwerking van massa en vlak, tot een nieuwe plastiek, tot een nieuwe bouwkunst komen. Wanneer we uit dezen gezichtshoek de nieuwe uitingen op elk gebied beschouwen, ook in verband met elkander, zal de angst om in verstarring en bij de gevreesde punt aan te landen — zoowel symbool van het begin als van het einde — slechts afhangen van de wijze waarop de nieuwe beeldingsmiddelen worden gebruikt. Met geest kan zelfs een punt beteekenis krijgen, zonder geest zelfs geen lichaam. |