AVG

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Jump to search
4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/1

I
(Wetgevingshandelingen)

VERORDENINGEN
VERORDENING (EU) 2016/679 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)

De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens
artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”) en artikel 16, lid 1,
van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft eenieder recht op bescherming van
zijn persoonsgegevens.

(2)

De beginselen en regels betreffende de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun
persoonsgegevens dienen, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats, in overeenstemming te zijn met hun
grondrechten en fundamentele vrijheden, met name met hun recht op bescherming van persoonsgegevens. Deze
verordening beoogt bij te dragen aan de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en van
een economische unie, alsook tot economische en sociale vooruitgang, de versterking en de convergentie van de
economieën binnen de interne markt en het welzijn van natuurlijke personen.

(3)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) heeft tot doel de bescherming van de grondrechten
en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met verwerkingsactiviteiten te harmoniseren
en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te waarborgen.

(1) PB C 229 van 31.7.2012, blz. 90.
(2) PB C 391 van 18.12.2012, blz. 127.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad op
eerste lezing van 8 april 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 14 april 2016.
(4) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen
in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995,
blz. 31).

L 119/2

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

(4)

De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van
persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de
samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze
verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals
dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven,
woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en
godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een
doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en
taalkundige verscheidenheid.

(5)

Dankzij de interne markt is een niveau van economische en sociale integratie bereikt dat tot een aanzienlijke
toename van de grensoverschrijdende stromen van persoonsgegevens heeft geleid. De uitwisseling van persoons­
gegevens tussen publieke en particuliere actoren, waaronder natuurlijke personen, verenigingen en onderne­
mingen, is overal in de Unie toegenomen. Het Unierecht noopt de nationale autoriteiten in de lidstaten tot
samenwerken en tot het uitwisselen van persoonsgegevens om hun opdrachten te vervullen of om taken uit te
voeren namens een autoriteit in een andere lidstaat.

(6)

Door snelle technologische ontwikkelingen en globalisering zijn nieuwe uitdagingen voor de bescherming van
persoonsgegevens ontstaan. De mate waarin persoonsgegevens worden verzameld en gedeeld, is significant
gestegen. Dankzij de technologie kunnen bedrijven en overheid bij het uitvoeren van hun activiteiten meer dan
ooit tevoren gebruikmaken van persoonsgegevens. Natuurlijke personen maken hun persoonsgegevens steeds
vaker wereldwijd bekend. Technologie heeft zowel de economie als het maatschappelijk leven ingrijpend
veranderd en moet het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie en de doorgifte aan derde landen en
internationale organisaties verder vergemakkelijken en daarbij een hoge mate van bescherming van persoonsge­
gevens garanderen.

(7)

Die ontwikkelingen vereisen een krachtig en coherenter kader voor gegevensbescherming in de Unie, dat wordt
gesteund door strenge handhaving, omdat zulks van belang is voor het vertrouwen dat nodig is om de digitale
economie zich in de hele interne markt te laten ontwikkelen. Natuurlijke personen dienen controle over hun
eigen persoonsgegevens te hebben. Er dient meer rechtszekerheid en praktische zekerheid te worden geboden aan
natuurlijke personen, marktdeelnemers en overheidsinstanties.

(8)

Voor zover deze verordening bepaalt dat de regels die zij bevat door lidstatelijk recht kunnen worden gespeci­
ficeerd of beperkt, kunnen de lidstaten indien nodig elementen van deze verordening in hun recht opnemen om
de samenhang te garanderen en om de nationale bepalingen begrijpbaar te maken voor degenen op wie zij van
toepassing zijn.

(9)

De doelstellingen en beginselen van Richtlijn 95/46/EG blijven overeind, maar de richtlijn heeft niet kunnen
voorkomen dat gegevens in de Unie op gefragmenteerde wijze worden beschermd, dat er rechtsonzekerheid
heerst of dat in brede lagen van de bevolking het beeld bestaat dat met name online-activiteiten aanzienlijke
risico's voor de bescherming van natuurlijke personen inhouden. De lidstaten bieden op het vlak van verwerking
van persoonsgegevens uiteenlopende niveaus van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke
personen, met name de bescherming van persoonsgegevens, wat het het vrije verkeer van persoonsgegevens
binnen de Unie in de weg kan staan. Die verschillen kunnen dan ook een belemmering vormen voor de
uitoefening van economische activiteiten op Unieniveau, de mededinging verstoren en de overheid beletten de
taak die zij uit hoofde van het Unierecht heeft, te vervullen. Die verschillende beschermingsniveaus zijn toe te
schrijven aan de verschillen in de uitvoering en toepassing van Richtlijn 95/46/EG.

(10)

Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor
het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten
en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijk­
waardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de
regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens. Met het oog op de verwerking van persoonsgegevens voor het
vervullen van een wettelijke verplichting, voor het vervullen van een taak van algemeen belang of bij de
uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, moet de lidstaten
worden toegestaan nationale bepalingen te handhaven of in te voeren ter nadere precisering van de wijze waarop
de regels van deze verordening moeten worden toegepast. In samenhang met de algemene en horizontale
wetgeving inzake gegevensbescherming ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG beschikken de lidstaten over
verscheidene sectorgebonden wetten op gebieden waar behoefte is aan meer specifieke bepalingen. Deze
verordening biedt de lidstaten ook ruimte om eigen regels voor de toepassing vast te stellen, onder meer wat de
verwerking van bijzondere persoonsgegevenscategorieën („gevoelige gegevens”) betreft. In zoverre staat deze
verordening niet in de weg aan lidstatelijk recht waarin specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking
nader worden omschreven, meer bepaald door nauwkeuriger te bepalen in welke gevallen verwerking van
persoonsgegevens rechtmatig geschiedt.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/3

(11)

Doeltreffende bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie vereist de versterking en nadere omschrijving
van de rechten van betrokkenen en van de verplichtingen van degenen die persoonsgegevens verwerken en van
degenen die over die verwerking beslissen, alsmede gelijkwaardige bevoegdheden op het gebied van toezicht en
handhaving van de regels inzake gegevensbescherming en vergelijkbare sancties voor overtredingen in de
lidstaten.

(12)

Artikel 16, lid 2, VWEU machtigt het Europees Parlement en de Raad om de regels vast te stellen betreffende de
bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, alsmede de regels
betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

(13)

Teneinde natuurlijke personen in de gehele Unie een consistent niveau van bescherming te bieden en te
voorkomen dat verschillen het vrije verkeer van persoonsgegevens op de interne markt hinderen, is een
verordening nodig om marktdeelnemers, met inbegrip van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, rechts­
zekerheid en transparantie te bieden, te voorzien in dezelfde wettelijk afdwingbare rechten voor natuurlijke
personen in alle lidstaten en in verplichtingen en verantwoordelijkheden voor de verwerkingsverantwoordelijken
en de verwerkers, te zorgen voor consistent toezicht op de verwerking van persoonsgegevens en voor
vergelijkbare sancties in alle lidstaten, alsook voor doeltreffende samenwerking tussen de toezichthoudende
autoriteiten van verschillende lidstaten. Voor de goede werking van de interne markt is het nodig dat het vrije
verkeer van persoonsgegevens in de Unie niet wordt beperkt of verboden om redenen die verband houden met
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Om rekening te
houden met de specifieke situatie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen omvat deze verordening een
afwijking voor organisaties met minder dan 250 werknemers wat het bijhouden van registers betreft. Voorts
worden de instellingen, organen en instanties van de Unie, en de lidstaten en hun toezichthoudende autoriteiten
aangemoedigd om bij de toepassing van deze verordening de specifieke behoeften van de kleine, middelgrote en
micro-ondernemingen in aanmerking te nemen. De definitie van het begrip kleine, middelgrote en microondernemingen dient te worden overgenomen uit artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de
Commissie (1).

(14)

De bescherming die door deze verordening wordt geboden, heeft betrekking op natuurlijke personen, ongeacht
hun nationaliteit of verblijfplaats, in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens. Deze verordening
heeft geen betrekking op de verwerking van gegevens over rechtspersonen en met name als rechtspersonen
gevestigde ondernemingen, zoals de naam en de rechtsvorm van de rechtspersoon en de contactgegevens van de
rechtspersoon.

(15)

Om te voorkomen dat een ernstig risico op omzeiling zou ontstaan, dient de bescherming van natuurlijke
personen technologieneutraal te zijn en mag zij niet afhankelijk zijn van de gebruikte technologieën. De
bescherming van natuurlijke personen dient te gelden bij zowel geautomatiseerde verwerking van persoonsge­
gevens als handmatige verwerking daarvan indien de persoonsgegevens zijn opgeslagen of bedoeld zijn om te
worden opgeslagen in een bestand. Dossiers of een verzameling dossiers en de omslagen ervan, die niet volgens
specifieke criteria zijn gestructureerd, mogen niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen.

(16)

Deze verordening is niet van toepassing op vraagstukken met betrekking tot de bescherming van de grondrechten
en de fundamentele vrijheden of het vrije verkeer van persoonsgegevens in verband met niet onder het Unierecht
vallende activiteiten, zoals activiteiten betreffende nationale veiligheid. Deze verordening is niet van toepassing op
de verwerking van persoonsgegevens die de lidstaten verrichten bij activiteiten in verband met het gemeenschap­
pelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

(17)

Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (2) is van toepassing op de verwerking van
persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie. Verordening (EG) nr. 45/2001 en
andere rechtshandelingen van de Unie die van toepassing zijn op een dergelijke verwerking van persoonsgegevens,
moeten aan de beginselen en regels van de onderhavige verordening worden aangepast en in het licht van de
onderhavige verordening worden toegepast. Om de Unie een sterk en coherent kader inzake gegevensbescherming
ter beschikking te stellen, moet Verordening (EG) nr. 45/2001 waar nodig worden aangepast zodra de
onderhavige verordening is vastgesteld, opdat deze op hetzelfde tijdstip als de onderhavige verordening van
toepassing kan worden.

(18)

Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een natuurlijke persoon in
het kader van een louter persoonlijke of huishoudelijke activiteit die als zodanig geen enkel verband houdt met
een beroeps- of handelsactiviteit. Tot persoonlijke of huishoudelijke activiteiten kunnen behoren het voeren van
correspondentie of het houden van adresbestanden, het sociaal netwerken en online-activiteiten in de context van

(1) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen
(C(2003) 1422) (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(2) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

L 119/4

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

dergelijke activiteiten. Deze verordening geldt wel voor verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die de
middelen verschaffen voor de verwerking van persoonsgegevens voor dergelijke persoonlijke of huishoudelijke
activiteiten.
(19)

De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde
autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of
de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de
openbare veiligheid, en het vrije verkeer van die gegevens wordt geregeld in een specifiek rechtshandeling van de
Unie. Deze verordening mag derhalve niet van toepassing zijn op de met die doeleinden verrichte verwerkingsac­
tiviteiten. Overeenkomstig deze verordening door overheidsinstanties verwerkte persoonsgegevens die voor die
doeleinden worden gebruikt, moeten vallen onder een meer specifieke rechtshandeling van de Unie, namelijk
Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (1). De lidstaten kunnen bevoegde autoriteiten in
de zin van Richtlijn (EU) 2016/680 taken opdragen die niet noodzakelijk worden verricht met het oog op de
voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van
straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid,
zodat de verwerking van persoonsgegevens voor die andere doeleinden binnen het toepassingsgebied van deze
verordening valt, voor zover zij binnen het toepassingsgebied van de Uniewetgeving valt.
Aangaande de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde instanties voor doeleinden die binnen het
toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de lidstaten meer specifieke bepalingen kunnen
handhaven of invoeren om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen. In die bepalingen
kunnen meer bepaald specifieke voorschriften voor de verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde
instanties voor de genoemde andere doeleinden worden vastgesteld, rekening houdend met de grondwettelijke,
organisatorische en bestuurlijke structuur van de lidstaat in kwestie. Wanneer de verwerking van persoonsge­
gevens door privaatrechtelijke organen onder de onderhavige verordening valt, moet deze verordening voorzien
in de mogelijkheid dat de lidstaten onder specifieke voorwaarden bij wet vastgestelde verplichtingen en rechten
beperken, indien een dergelijke beperking in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige
maatregel vormt ter bescherming van specifieke belangen van betekenis, waaronder de openbare veiligheid en de
voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van
straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Dit
is bijvoorbeeld van belang in het kader van de bestrijding van witwassen of de werkzaamheden van forensische
laboratoria.

(20)

Hoewel de onderhavige verordening onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere
rechterlijke autoriteiten, zouden in het Unierecht of het lidstatelijke recht de verwerkingen en verwerkingspro­
cedures met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens door gerechten en andere rechterlijke
autoriteiten nader kunnen worden gespecificeerd. De competentie van de toezichthoudende autoriteiten mag zich
niet uitstrekken tot de verwerking van persoonsgegevens door gerechten in het kader van hun gerechtelijke taken,
zulks teneinde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitoefening van haar rechterlijke taken,
waaronder besluitvorming, te waarborgen. Het toezicht op die gegevensverwerkingen moet kunnen worden
toevertrouwd aan specifieke instanties binnen de rechterlijke organisatie van de lidstaat, die met name de naleving
van de regels van deze verordening moeten garanderen, leden van de rechterlijke macht van hun verplichtingen
krachtens deze verordening sterker bewust moeten maken, en klachten met betrekking tot die gegevensverwer­
kingen moeten behandelen.

(21)

Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en
de Raad (2), inzonderheid de regels inzake de aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden
in de artikelen 12 tot en met 15 van die richtlijn. Met die richtlijn wordt beoogd bij te dragen tot het beter
functioneren van de interne markt door het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij tussen de
lidstaten te waarborgen.

(22)

De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsver­
antwoordelijke of een verwerker in de Unie dient overeenkomstig deze verordening te worden verricht, ongeacht
of de eigenlijke verwerking in de Unie plaatsvindt. Vestiging veronderstelt het effectief en daadwerkelijk
uitoefenen van activiteiten via bestendige verhoudingen. De rechtsvorm van dergelijke verhoudingen, of het nu
gaat om een bijkantoor of om een dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, is daarbij niet doorslaggevend.

(1) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen
in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de
opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en
tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (zie bladzijde 89 van dit Publicatieblad).
(2) Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten
van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („Richtlijn inzake elektronische handel”)
(PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/5

(23)

Om te waarborgen dat natuurlijke personen niet de bescherming wordt onthouden waarop zij krachtens deze
verordening recht hebben, dient deze verordening van toepassing te zijn op de verwerking van persoonsgegevens
van betrokkenen die zich in de Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke
of verwerker wanneer de verwerking verband houdt met het aanbieden van goederen of diensten aan deze
betrokkenen, ongeacht of dit verband houdt met een betaling. Om te bepalen of een dergelijke verwerkingsverant­
woordelijke of verwerker goederen of diensten aan betrokkenen in de Unie aanbiedt, moet worden nagegaan of
de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker klaarblijkelijk voornemens is diensten aan te bieden aan
betrokkenen in één of meer lidstaten in de Unie. De toegankelijkheid van de website van de verwerkingsverant­
woordelijke, van de verwerker of van een tussenpersoon in de Unie, van een e-mailadres of van andere contactge­
gevens of het gebruik van een in het derde land waar de verwerkingsverantwoordelijke is gevestigd, algemeen
gebruikte taal is op zich ontoereikend om een dergelijk voornemen vast te stellen, maar ook uit andere factoren
zoals het gebruik van een taal of een valuta die in één of meer lidstaten algemeen wordt gebruikt, met de
mogelijkheid om in die taal goederen en diensten te bestellen, of de vermelding van klanten of gebruikers in de
Unie, kan blijken dat de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is goederen en diensten aan betrokkenen in
de Unie aan te bieden.

(24)

De verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen in de Unie door een niet in de Unie gevestigde verwer­
kingsverantwoordelijke of verwerker moet ook onder deze verordening vallen wanneer dat verband houdt met
het controleren van het gedrag van de betrokkenen voor zover zich dat binnen de Unie situeert. Om uit te maken
of een verwerking kan worden beschouwd als controle van het gedrag van betrokkenen, dient te worden
vastgesteld of natuurlijke personen op het internet worden gevolgd, en onder meer of in dat verband eventueel
persoonsgegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt waarbij een profiel wordt opgesteld van een natuurlijke
persoon, in het bijzonder om besluiten ten aanzien van hem te nemen of om zijn persoonlijke voorkeuren,
gedragingen en attitudes te analyseren of te voorspellen.

(25)

Wanneer uit hoofde van het internationale publiekrecht het lidstatelijke recht van toepassing is, dient deze
verordening ook van toepassing te zijn op een verwerkingsverantwoordelijke die niet in de Unie is gevestigd,
maar bijvoorbeeld bij een diplomatieke vertegenwoordiging of een consulaire post actief is.

(26)

De beginselen van gegevensbescherming moeten voor elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identifi­
ceerbare natuurlijke persoon gelden. Gepseudonimiseerde persoonsgegevens die door het gebruik van aanvullende
gegevens aan een natuurlijke persoon kunnen worden gekoppeld, moeten als gegevens over een identificeerbare
natuurlijke persoon worden beschouwd. Om te bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, moet
rekening worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt
door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te
identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken. Om uit te maken of van middelen redelijkerwijs valt te verwachten
dat zij zullen worden gebruikt om de natuurlijke persoon te identificeren, moet rekening worden gehouden met
alle objectieve factoren, zoals de kosten van en de tijd benodigd voor identificatie, met inachtneming van de
beschikbare technologie op het tijdstip van verwerking en de technologische ontwikkelingen. De gegevensbescher­
mingsbeginselen dienen derhalve niet van toepassing te zijn op anonieme gegevens, namelijk gegevens die geen
betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die
zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. Deze verordening heeft
derhalve geen betrekking op de verwerking van dergelijke anonieme gegevens, onder meer voor statistische of
onderzoeksdoeleinden.

(27)

De onderhavige verordening is niet van toepassing op de persoonsgegevens van overleden personen. De lidstaten
kunnen regels vaststellen betreffende de verwerking van de persoonsgegevens van overleden personen.

(28)

De toepassing van pseudonimisering op persoonsgegevens kan de risico's voor de betrokkenen verminderen en
de verwerkingsverantwoordelijken en de verwerkers helpen om hun verplichtingen inzake gegevensbescherming
na te komen. De uitdrukkelijke invoering van „pseudonimisering” in deze verordening is niet bedoeld om andere
gegevensbeschermingsmaatregelen uit te sluiten.

(29)

Om stimuli te creëren voor pseudonimisering bij de verwerking van persoonsgegevens zouden, terwijl een
algemene analyse mogelijk blijft, pseudonimiseringsmaatregelen moeten kunnen worden genomen door dezelfde
verwerkingsverantwoordelijke wanneer deze de noodzakelijke technische en organisatorische maatregelen heeft
getroffen om er bij de desbetreffende verwerking voor te zorgen dat deze verordening ten uitvoer wordt gelegd,
en dat de aanvullende gegevens om de persoonsgegevens aan een specifieke betrokkene te koppelen, apart
worden bewaard. De verwerkingsverantwoordelijke die de persoonsgegevens verwerkt, moet aangeven wie bij
dezelfde verwerkingsverantwoordelijke gemachtigde personenzijn.

L 119/6

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

(30)

Natuurlijke personen kunnen worden gekoppeld aan online-identificatoren via hun apparatuur, applicaties,
instrumenten en protocollen, zoals internetprotocol (IP)-adressen, identificatiecookies of andere identificatoren
zoals radiofrequentie-identificatietags. Dit kan sporen achterlaten die, met name wanneer zij met unieke identifi­
catoren en andere door de servers ontvangen informatie worden gecombineerd, kunnen worden gebruikt om
profielen op te stellen van natuurlijke personen en natuurlijke personen te herkennen.

(31)

Overheidsinstanties waaraan ingevolge een wettelijke verplichting persoonsgegevens worden meegedeeld voor het
vervullen van hun overheidstaak, zoals belasting- of douaneautoriteiten, financiëleonderzoeksdiensten, onafhan­
kelijke bestuurlijke autoriteiten of financiëlemarktautoriteiten die belast zijn met de regulering van en het toezicht
op de effectenmarkten, mogen niet worden beschouwd als ontvangers indien zij persoonsgegevens ontvangen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bepaald onderzoek van algemeen belang, overeenkomstig het
Unierecht of het lidstatelijke recht. Door overheidsinstanties ingediende verzoeken om verstrekking moeten in
ieder geval schriftelijk, gemotiveerd en incidenteel zijn, en mogen geen volledig bestand betreffen of resulteren in
het onderling combineren van bestanden. De verwerking van persoonsgegevens door bedoelde overheidsinstanties
moet stroken met de voor de doeleinden van de verwerking toepasselijke gegevensbeschermingsregels.

(32)

Toestemming dient te worden gegeven door middel van een duidelijke actieve handeling, bijvoorbeeld een schrif­
telijke verklaring, ook met elektronische middelen, of een mondelinge verklaring, waaruit blijkt dat de betrokkene
vrijelijk, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig met de verwerking van zijn persoonsgegevens instemt.
Hiertoe zou kunnen behoren het klikken op een vakje bij een bezoek aan een internetwebsite, het selecteren van
technische instellingen voor diensten van de informatiemaatschappij of een andere verklaring of een andere
handeling waaruit in dit verband duidelijk blijkt dat de betrokkene instemt met de voorgestelde verwerking van
zijn persoonsgegevens. Stilzwijgen, het gebruik van reeds aangekruiste vakjes of inactiviteit mag derhalve niet als
toestemming gelden. De toestemming moet gelden voor alle verwerkingsactiviteiten die hetzelfde doel of dezelfde
doeleinden dienen. Indien de verwerking meerdere doeleinden heeft, moet toestemming voor elk daarvan worden
verleend. Indien de betrokkene zijn toestemming moet geven na een verzoek via elektronische middelen, dient
dat verzoek duidelijk en beknopt te zijn en niet onnodig storend voor het gebruik van de dienst in kwestie.

(33)

Het is vaak niet mogelijk op het ogenblik waarop de persoonsgegevens worden verzameld, het doel van de
gegevensverwerking voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden volledig te omschrijven. Daarom moet de
betrokkenen worden toegestaan hun toestemming te geven voor bepaalde terreinen van het wetenschappelijk
onderzoek waarbij erkende ethische normen voor wetenschappelijk onderzoek in acht worden genomen.
Betrokkenen moeten de gelegenheid krijgen om hun toestemming alleen te geven voor bepaalde onderzoekster­
reinen of onderdelen van onderzoeksprojecten, voor zover het voorgenomen doel zulks toelaat.

(34)

Genetische gegevens moeten worden gedefinieerd als persoonsgegevens met betrekking tot de overgeërfde of
verworven genetische kenmerken van een natuurlijke persoon die blijken uit een analyse van een biologisch
monster van de persoon in kwestie, met name een chromosoomanalyse, een analyse van desoxyribonucleïnezuur
(DNA) of van ribonucleïnezuur (RNA) of uit een analyse van andere elementen waarmee soortgelijke informatie
kan worden verkregen.

(35)

Persoonsgegevens over gezondheid dienen alle gegevens te omvatten die betrekking hebben op de gezondheids­
toestand van een betrokkene en die informatie geven over de lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand van
de betrokkene in het verleden, het heden en de toekomst. Dit omvat informatie over de natuurlijke persoon die is
verzameld in het kader van de registratie voor of de verlening van gezondheidszorgdiensten als bedoeld in
Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) aan die natuurlijke persoon; een aan een
natuurlijke persoon toegekend cijfer, symbool of kenmerk dat als unieke identificatie van die natuurlijke persoon
geldt voor gezondheidsdoeleinden; informatie die voortkomt uit het testen of onderzoeken van een lichaamsdeel
of lichaamseigen stof, met inbegrip van genetische gegevens en biologische monsters; en informatie over
bijvoorbeeld ziekte, handicap, ziekterisico, medische voorgeschiedenis, klinische behandeling of de fysiologische
of biomedische staat van de betrokkene, ongeacht de bron, zoals bijvoorbeeld een arts of een andere gezondheids­
werker, een ziekenhuis, een medisch hulpmiddel of een in-vitrodiagnostiek.

(36)

De hoofdvestiging van een verwerkingsverantwoordelijke in de Unie dient de plaats te zijn waar zich zijn centrale
administratie in de Unie bevindt, tenzij de besluiten over de doeleinden van en de middelen voor de verwerking
van persoonsgegevens worden genomen in een andere vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke in de Unie,
in welk geval deze andere vestiging als hoofdvestiging moet worden beschouwd. Welke vestiging de hoofdves­
tiging van een verwerkingsverantwoordelijke in de Unie is, dient te worden bepaald op grond van objectieve

(1) Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten
bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/7

criteria, zoals het effectief en daadwerkelijk uitvoeren van beheersactiviteiten, met het oog op het nemen van de
kernbesluiten over de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking via bestendige verhoudingen. Dit
criterium mag niet afhangen van het feit of de verwerking van de persoonsgegevens op die locatie plaatsvindt. De
aanwezigheid en het gebruik van technische middelen en technologieën voor de verwerking van persoonsge­
gevens of verwerkingsactiviteiten zijn niet bepalend voor het belang van een vestiging en zijn dan ook geen
doorslaggevende criteria om te bepalen of het om de hoofdvestiging gaat. De hoofdvestiging van de verwerker
dient de plaats te zijn waar zich zijn centrale administratie in de Unie bevindt of, indien hij niet over een centrale
administratie in de Unie beschikt, de plaats waar de voornaamste verwerkingsactiviteiten in de Unie plaatsvinden.
Bij betrokkenheid van zowel de verwerkingsverantwoordelijke als de verwerker, moet de toezichthoudende
autoriteit van de lidstaat waar de verwerkingsverantwoordelijke zijn hoofdvestiging heeft, de bevoegde leidende
toezichthoudende autoriteit blijven, maar de toezichthoudende autoriteit van de verwerker moet worden
beschouwd als een betrokken toezichthoudende autoriteit en die toezichthoudende autoriteit moet deelnemen aan
de in deze verordening vastgestelde samenwerkingsprocedure. In elk geval mogen de toezichthoudende
autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten waar de verwerker een of meer vestigingen heeft niet worden
aangemerkt als betrokken toezichthoudende autoriteiten wanneer het ontwerpbesluit alleen de verwerkingsverant­
woordelijke betreft. Indien de verwerking door een concern wordt uitgevoerd, dient de hoofdvestiging van de
zeggenschap uitoefenende onderneming als de hoofdvestiging van het concern te worden beschouwd, behalve
indien het doel van en de middelen voor de verwerking door een andere onderneming worden bepaald.

(37)

Een concern dient te bestaan uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover
zeggenschap wordt uitgeoefend, waarbij de onderneming die zeggenschap uitoefent de onderneming dient te zijn
die overheersende invloed kan uitoefenen over de andere ondernemingen uit hoofde van bijvoorbeeld eigendom,
financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde regels, of op grond van de bevoegdheid om regels inzake
de bescherming van persoonsgegevens te doen uitvoeren. Een onderneming die toezicht uitoefent op de
verwerking van persoonsgegevens in de met haar verbonden ondernemingen moet samen met deze onderne­
mingen als een concern worden beschouwd.

(38)

Kinderen hebben met betrekking tot hun persoonsgegevens recht op specifieke bescherming, aangezien zij zich
allicht minder bewust zijn van de betrokken risico's, gevolgen en waarborgen en van hun rechten in verband met
de verwerking van persoonsgegevens. Die specifieke bescherming moet met name gelden voor het gebruik van
persoonsgegevens van kinderen voor marketingdoeleinden of voor het opstellen van persoonlijkheids- of gebrui­
kersprofielen en het verzamelen van persoonsgegevens over kinderen bij het gebruik van rechtstreeks aan
kinderen verstrekte diensten. In de context van preventieve of adviesdiensten die rechtstreeks aan een kind
worden aangeboden, is de toestemming van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, niet
vereist.

(39)

Elke verwerking van persoonsgegevens dient behoorlijk en rechtmatig te geschieden. Voor natuurlijke personen
dient het transparant te zijn dat hen betreffende persoonsgegevens worden verzameld, gebruikt, geraadpleegd of
anderszins verwerkt en in hoeverre de persoonsgegevens worden verwerkt of zullen worden verwerkt. Overeen­
komstig het transparantiebeginsel moeten informatie en communicatie in verband met de verwerking van die
persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn, en moet duidelijke en eenvoudige taal worden
gebruikt. Dat beginsel betreft met name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkings­
verantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking, alsook verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke
en transparante verwerking met betrekking tot de natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en
mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die worden verwerkt. Natuurlijke personen moeten bewust
worden gemaakt van de risico's, regels, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsge­
gevens, alsook van de wijze waarop zij hun rechten met betrekking tot deze verwerking kunnen uitoefenen. Meer
bepaald dienen de specifieke doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, expliciet en gerecht­
vaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de persoonsgegevens worden verzameld. De persoonsgegevens
dienen toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden
waarvoor zij worden verwerkt. Dit vereist met name dat ervoor wordt gezorgd dat de opslagperiode van de
persoonsgegevens tot een strikt minimum wordt beperkt. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt
indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt. Om ervoor
te zorgen dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is, dient de verwerkingsverant­
woordelijke termijnen vast te stellen voor het wissen van gegevens of voor een periodieke toetsing ervan. Alle
redelijke maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat onjuiste persoonsgegevens worden
gerectificeerd of gewist. Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een manier die een passende beveiliging
en vertrouwelijkheid van die gegevens waarborgt, ook ter voorkoming van ongeoorloofde toegang tot of het
ongeoorloofde gebruik van persoonsgegevens en de apparatuur die voor de verwerking wordt gebruikt.

(40)

Voor rechtmatige verwerking van persoonsgegevens is de toestemming van de betrokkene vereist of een andere
gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet, hetzij in deze verordening, hetzij in andere Unierechtelijke of

L 119/8

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

lidstaatrechtelijke bepalingen als bedoeld in deze verordening, of ook dat de verwerking noodzakelijk is om te
voldoen aan wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust of om een overeenkomst uit te
voeren waarbij de betrokkene partij is of om op verzoek van de betrokkene voorafgaand aan het aangaan van een
overeenkomst maatregelen te nemen.

(41)

Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet
noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de
vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevings­
maatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor
degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

(42)

Indien de verwerking plaatsvindt op grond van toestemming van de betrokkene, moet de verwerkingsverantwoor­
delijke kunnen aantonen dat de betrokkene toestemming heeft gegeven voor de verwerking. Met name in de
context van een schriftelijke verklaring over een andere zaak dient te worden gewaarborgd dat de betrokkene zich
ervan bewust is dat hij toestemming geeft en hoever deze toestemming reikt. In overeenstemming met Richtlijn
93/13/EEG van de Raad (1) stelt de verwerkingsverantwoordelijke vooraf een verklaring van toestemming op in
een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal; deze verklaring mag geen
oneerlijke bedingen bevatten. Opdat toestemming met kennis van zaken wordt gegeven, moet de betrokkene ten
minste bekend zijn met de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking
van de persoonsgegevens. Toestemming mag niet worden geacht vrijelijk te zijn verleend indien de betrokkene
geen echte of vrije keuze heeft of zijn toestemming niet kan weigeren of intrekken zonder nadelige gevolgen.

(43)

Om ervoor te zorgen dat toestemming vrijelijk wordt verleend, mag toestemming geen geldige rechtsgrond zijn
voor de verwerking van persoonsgegevens in een specifiek geval wanneer er sprake is van een duidelijke wanver­
houding tussen de betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke, met name wanneer de verwerkingsverant­
woordelijke een overheidsinstantie is, en dit het onwaarschijnlijk maakt dat de toestemming in alle omstan­
digheden van die specifieke situatie vrijelijk is verleend. De toestemming wordt geacht niet vrijelijk te zijn
verleend indien geen afzonderlijke toestemming kan worden gegeven voor verschillende persoonsgegevensverwer­
kingen ondanks het feit dat dit in het individuele geval passend is, of indien de uitvoering van een overeenkomst,
daaronder begrepen het verlenen van een dienst, afhankelijk is van de toestemming ondanks het feit dat dergelijke
toestemming niet noodzakelijk is voor die uitvoering.

(44)

Een verwerking die noodzakelijk is in het kader van een overeenkomst of een voorgenomen overeenkomst, dient
rechtmatig te zijn.

(45)

Indien de verwerking wordt verricht omdat de verwerkingsverantwoordelijke hiertoe wettelijk is verplicht of
indien de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel voor een taak
in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag, dient de verwerking een grondslag te hebben in het
Unierecht of het lidstatelijke recht. Deze verordening schrijft niet voor dat voor elke afzonderlijke verwerking
specifieke wetgeving vereist is. Er kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene
verwerkingen op grond van een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor
verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel voor een taak in het
kader van de uitoefening van het openbaar gezag. Het moet ook het Unierecht of het lidstatelijke recht zijn die
het doel van de verwerking bepaalt. Voorts zou dat recht een nadere omschrijving kunnen geven van de
algemene voorwaarden van deze verordening waaraan de persoonsgegevensverwerking moet voldoen om
rechtmatig te zijn, en specificaties kunnen vaststellen voor het bepalen van de verwerkingsverantwoordelijke, het
type verwerkte persoonsgegevens, de betrokkenen, de entiteiten waaraan de persoonsgegevens mogen worden
vrijgegeven, de doelbinding, de opslagperiode en andere maatregelen om te zorgen voor rechtmatige en
behoorlijke verwerking. Ook dient in het Unierecht of het lidstatelijke recht te worden vastgesteld of de verwer­
kingsverantwoordelijke die is belast met een taak van algemeen belang dan wel met een taak in het kader van de
uitoefening van het openbaar gezag, een overheidsinstantie of een andere publiekrechtelijke persoon of, indien
zulks is gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang, waaronder gezondheidsdoeleinden zoals volksge­
zondheid, sociale bescherming en het beheer van gezondheidszorgdiensten, een privaatrechtelijke persoon, zoals
een beroepsvereniging, moet zijn.

(46)

De verwerking van persoonsgegevens dient ook als rechtmatig te worden beschouwd indien zij noodzakelijk is
voor de bescherming van een belang dat voor het leven van de betrokkene of dat van een andere natuurlijke

(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van
21.4.1993, blz. 29).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/9

persoon essentieel is. Verwerking van persoonsgegevens op grond van het vitale belang voor een andere
natuurlijke persoon is in beginsel alleen toegestaan indien de verwerking kennelijk niet op een andere rechtsgrond
kan worden gebaseerd. Sommige typen persoonsgegevensverwerking kunnen zowel gewichtige redenen van
algemeen belang als de vitale belangen van de betrokkene dienen, bijvoorbeeld wanneer de verwerking
noodzakelijk is voor humanitaire doeleinden, onder meer voor het monitoren van een epidemie en de
verspreiding daarvan of in humanitaire noodsituaties, met name bij natuurrampen of door de mens veroorzaakte
rampen.

(47)

De gerechtvaardigde belangen van een verwerkingsverantwoordelijke, waaronder die van een verwerkingsverant­
woordelijke aan wie de persoonsgegevens kunnen worden verstrekt, of van een derde, kan een rechtsgrond bieden
voor verwerking, mits de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene niet
zwaarder wegen, rekening houdend met de redelijke verwachtingen van de betrokkene op basis van zijn
verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke. Een dergelijk gerechtvaardigd belang kan bijvoorbeeld
aanwezig zijn wanneer sprake is van een relevante en passende verhouding tussen de betrokkene en de verwer­
kingsverantwoordelijke, in situaties waarin de betrokkene een klant is of in dienst is van de verwerkingsverant­
woordelijke. In elk geval is een zorgvuldige beoordeling geboden om te bepalen of sprake is van een gerecht­
vaardigd belang, alsook om te bepalen of een betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van
de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden. De belangen
en de grondrechten van de betrokkene kunnen met name zwaarder wegen dan het belang van de verwerkingsver­
antwoordelijke wanneer persoonsgegevens worden verwerkt in omstandigheden waarin de betrokkenen redelij­
kerwijs geen verdere verwerking verwachten. Aangezien het aan de wetgever staat om de rechtsgrond voor
persoonsgegevensverwerking door overheidsinstanties te creëren, mag die rechtsgrond niet van toepassing zijn op
de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitvoering van hun taken. De verwerking van
persoonsgegevens die strikt noodzakelijk is voor fraudevoorkoming is ook een gerechtvaardigd belang van de
verwerkingsverantwoordelijke in kwestie. De verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing
kan worden beschouwd als uitgevoerd met het oog op een gerechtvaardigd belang.

(48)

Verwerkingsverantwoordelijken die deel uitmaken van een concern of een groep van instellingen die aan een
centraal lichaam verbonden zijn, kunnen een gerechtvaardigd belang hebben bij de doorzending van persoonsge­
gevens binnen het concern voor interne administratieve doeleinden, waaronder de verwerking van persoonsge­
gevens van klanten of werknemers. De algemene beginselen voor de doorgifte van persoonsgegevens, binnen een
concern, aan een in een derde land gevestigde onderneming blijven onverlet.

(49)

De verwerking van persoonsgegevens voor zover die strikt noodzakelijk en evenredig is met het oog op netwerken informatiebeveiliging, d.w.z. dat een netwerk of informatiesysteem op een bepaald vertrouwelijkheidsniveau
bestand is tegen incidentele gebeurtenissen of onrechtmatige of kwaadaardige acties die de beschikbaarheid,
authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van opgeslagen of doorgegeven persoonsgegevens in het gedrang
brengen, en de beveiliging van de daarmee verband houdende diensten die door deze netwerken en systemen
worden geboden of via deze toegankelijk zijn, door overheidsinstanties, computercrisisteams (computer
emergency response teams), computercalamiteitenteams (computer security incident response teams), aanbieders
van elektronische communicatienetwerken en -diensten en aanbieders van beveiligingstechnologie en -diensten,
vormt een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke in kwestie. Zo kan er bijvoorbeeld sprake
zijn van het verhinderen van ongeoorloofde toegang tot elektronische-communicatienetwerken en van
verspreiding van kwaadaardige codes, alsook van het stoppen van „denial of service”- aanvallen en van schade aan
computers en elektronischecommunicatiesystemen.

(50)

De verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor de persoonsgegevens
aanvankelijk zijn verzameld, mag enkel worden toegestaan indien de verwerking verenigbaar is met de doeleinden
waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld. In dat geval is er geen andere afzonderlijke
rechtsgrond vereist dan die op grond waarvan de verzameling van persoonsgegevens werd toegestaan. Indien de
verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van
de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, kan in het Unierecht
of het lidstatelijke recht worden vastgesteld en gespecificeerd voor welke taken en doeleinden de verdere
verwerking als rechtmatig en verenigbaar met de aanvankelijke doeleinden moet worden beschouwd. De verdere
verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of
statistische doeleinden, moet als een met de aanvankelijke doeleinden verenigbare rechtmatige verwerking worden
beschouwd. De Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling die als rechtsgrond voor de verwerking van
persoonsgegevens dient, kan ook als rechtsgrond voor verdere verwerking dienen. Om na te gaan of een doel van
verdere verwerking verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld, moet
de verwerkingsverantwoordelijke, nadat hij aan alle voorschriften inzake rechtmatigheid van de oorspronkelijke
verwerking heeft voldaan, onder meer rekening houden met: een eventuele koppeling tussen die doeleinden en de
doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking; het kader waarin de gegevens zijn verzameld; met name de
redelijke verwachtingen van de betrokkenen op basis van hun verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke

L 119/10

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

betreffende het verdere gebruik ervan; de aard van de persoonsgegevens; de gevolgen van de voorgenomen
verdere verwerking voor de betrokkenen; en passende waarborgen bij zowel de oorspronkelijke als de
voorgenomen verdere verwerkingen.
Wanneer de betrokkene zijn toestemming heeft gegeven of wanneer de verwerking gebaseerd is op Unierecht of
lidstatelijk recht dat in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt voor
met name het waarborgen van belangrijke doelstellingen van algemeen belang, moet de verwerkingsverantwoor­
delijke de mogelijkheid hebben de persoonsgegevens verder te verwerken, ongeacht of dat verenigbaar is met de
doeleinden. In ieder geval dient ervoor te worden gezorgd dat de in deze verordening vervatte beginselen worden
toegepast en dat de betrokkene met name wordt geïnformeerd over dergelijke andere doeleinden en over zijn
rechten, waaronder het recht om bezwaar te maken. Het aanwijzen van mogelijke strafbare feiten of gevaren voor
de openbare veiligheid door de verwerkingsverantwoordelijke en de doorzending van de desbetreffende persoons­
gegevens in individuele zaken of in verschillende zaken die met hetzelfde strafbare feit of dezelfde gevaren voor
de openbare veiligheid te maken hebben, aan een bevoegde instantie moeten worden beschouwd als zijnde in het
gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke. De doorgifte in het gerechtvaardigde belang van de
verwerkingsverantwoordelijke of de verdere verwerking van persoonsgegevens moeten evenwel worden verboden
wanneer de verwerking niet verenigbaar is met een wettelijke, beroepsmatige of anderszins bindende geheimhou­
dingsplicht.
(51)

Persoonsgegevens die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft de grondrechten en fundamentele
vrijheden, verdienen specifieke bescherming aangezien de context van de verwerking ervan significante risico's
kan meebrengen voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden. Die persoonsgegevens dienen ook
persoonsgegevens te omvatten waaruit ras of etnische afkomst blijkt, waarbij het gebruik van de term „ras” in
deze verordening niet impliceert dat de Unie theorieën aanvaardt die erop gericht zijn vast te stellen dat er
verschillende menselijke rassen bestaan. De verwerking van foto's mag niet systematisch worden beschouwd als
verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, aangezien foto's alleen onder de definitie van
biometrische gegevens vallen wanneer zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de
unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken. Dergelijke persoonsgegevens
mogen niet worden verwerkt, tenzij de verwerking is toegestaan in in deze verordening vermelde specifieke
gevallen, rekening houdend met het feit dat in de wetgeving van de lidstaten specifieke bepalingen inzake
gegevensbescherming kunnen worden opgenomen teneinde de toepassing van de regels van deze verordening aan
te passen met het oog op de vervulling van een wettelijke verplichting of met het oog op de vervulling van een
taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de
verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Naast de specifieke voorschriften voor die verwerking dienen de
algemene beginselen en andere regels van deze verordening te worden toegepast, met name wat betreft de
voorwaarden voor rechtmatige verwerking. Er moet onder meer uitdrukkelijk in afwijkingen van het algemene
verbod op de verwerking van die bijzondere categorieën persoonsgegevens worden voorzien ingeval de
betrokkene zijn uitdrukkelijke toestemming geeft of in geval van specifieke behoeften, met name wanneer de
verwerking wordt verricht in het kader van gerechtvaardigde activiteiten door bepaalde verenigingen of
stichtingen die ernaar streven de uitoefening van de fundamentele vrijheden mogelijk te maken.

(52)

Van het verbod op de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens moet ook kunnen worden
afgeweken, indien Unierecht of lidstatelijk recht hierin voorziet en er passende waarborgen worden geboden ter
bescherming van persoonsgegevens en andere grondrechten, wanneer zulks in het algemeen belang is, in het
bijzonder de verwerking van persoonsgegevens op het gebied van het arbeidsrecht en het socialebescher­
mingsrecht, met inbegrip van de pensioenen, en voor doeleinden inzake gezondheidsbeveiliging, -bewaking en
-waarschuwing, preventie of bestrijding van overdraagbare ziekten en andere ernstige gezondheidsbedreigingen.
In een dergelijke afwijking kan worden voorzien voor gezondheidsdoeleinden, zoals de volksgezondheid en het
beheer van gezondheidszorgdiensten, met name om de kwaliteit en kostenefficiëntie te waarborgen van de
procedures voor de afwikkeling van aanvragen voor uitkeringen en diensten in het kader van de ziektekostenver­
zekering, met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of
statistische doeleinden. Een afwijking moet ook voorzien in de mogelijkheid tot verwerking van die persoonsge­
gevens indien dat noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de onderbouwing van een rechtsvor­
dering, in een gerechtelijke procedure dan wel in een administratieve of buitengerechtelijke procedure.

(53)

Bijzondere categorieën van persoonsgegevens waarvoor betere bescherming is vereist, mogen alleen voor gezond­
heidsdoeleinden worden verwerkt indien dat nodig is om die doeleinden te verwezenlijken in het belang van
natuurlijke personen en de samenleving als geheel, met name bij het beheer van gezondheidszorgdiensten en
-stelsels of sociale diensten en stelsels van sociale diensten, met inbegrip van de verwerking door de beheersauto­
riteiten en de centrale nationale gezondheidsinstanties van die gegevens met het oog op kwaliteitscontrole,
beheersinformatie en het algemeen nationaal en lokaal toezicht op het gezondheidszorgstelsel of het stelsel
van sociale diensten, en bij het waarborgen van de continuïteit van de gezondheidszorg of de sociale diensten
en grensoverschrijdende gezondheidszorg of voor doeleinden inzake gezondheidsbeveiliging, -bewaking en
-waarschuwing of met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/11

of statistische doeleinden op basis van Unierecht of lidstatelijk recht die aan een doelstelling van algemeen belang
moet voldoen, alsook voor studies van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid. Derhalve dient
deze verordening te voorzien in geharmoniseerde voorwaarden voor de verwerking van bijzondere categorieën
van persoonsgegevens over de gezondheid, in geval van specifieke behoeften, met name indien deze gegevens met
het oog op bepaalde gezondheidsdoeleinden worden verwerkt door personen die wettelijk aan het beroepsgeheim
gebonden zijn. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet voorzien in specifieke en passende maatregelen voor
de bescherming van de grondrechten en persoonsgegevens van natuurlijke personen. De lidstaten moet worden
toegestaan andere voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van genetische
gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid te handhaven of in te voeren. Wanneer deze
voorwaarden van toepassing zijn op de grensoverschrijdende verwerking van deze persoonsgegevens, mag dit
evenwel geen belemmering vormen voor het vrije verkeer van gegevens binnen de Unie.
(54)

Het kan om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid nodig zijn om bijzondere
categorieën van persoonsgegevens zonder toestemming van de betrokkene te verwerken. Die verwerking moet
worden onderworpen aan passende en specifieke maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden van
natuurlijke personen. In dit verband dient „volksgezondheid” overeenkomstig de definitie van Verordening (EG)
nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) te worden uitgelegd als alle elementen in verband met
de gezondheid, namelijk gezondheidstoestand, inclusief morbiditeit en beperkingen, de determinanten die een
effect hebben op die gezondheidstoestand, de behoeften aan gezondheidszorg, middelen ten behoeve van de
gezondheidszorg, de verstrekking van en de universele toegang tot gezondheidszorg, alsmede de uitgaven voor en
de financiering van de gezondheidszorg, en de doodsoorzaken. Dergelijke verwerking van persoonsgegevens over
gezondheid om redenen van algemeen belang mag er niet toe te leiden dat persoonsgegevens door derden zoals
werkgevers, of verzekeringsmaatschappijen en banken voor andere doeleinden worden verwerkt.

(55)

Bovendien vindt de verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties ter verwezenlijking van in het
constitutionele recht of in het volkenrecht vastgelegde doelstellingen van officieel erkende religieuze verenigingen
plaats op grond van een algemeen belang.

(56)

Als het bij verkiezingsactiviteiten voor de goede werking van de democratie in een lidstaat vereist is dat politieke
partijen persoonsgegevens over de politieke opvattingen van personen verzamelen, kan de verwerking van zulke
gegevens op grond van een algemeen belang worden toegestaan, mits er passende waarborgen worden
vastgesteld.

(57)

Indien een verwerkingsverantwoordelijke aan de hand van de door hem verwerkte persoonsgegevens geen
natuurlijke persoon kan identificeren, mag hij niet worden verplicht om, uitsluitend om aan een bepaling van
deze verordening te voldoen, aanvullende gegevens te verkrijgen ter identificatie van de betrokkene. De verwer­
kingsverantwoordelijke mag evenwel niet weigeren de door de betrokkene tot staving van de uitoefening van zijn
rechten verstrekte aanvullende gegevens aan te nemen. De identiteit van de betrokkene dient ook digitaal te
worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van dezelfde persoonlijke beveiligingsgegevens, die door de
betrokkene worden gebruikt voor het aanmelden op de door de verwerker van de gegevens aangeboden
onlinedienst.

(58)

Overeenkomstig het transparantiebeginsel moet informatie die bestemd is voor het publiek of voor de betrokkene
beknopt, eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn en moet duidelijke en eenvoudige taal en, in voorkomend
geval, aanvullendvisualisatie worden gebruikt. Die informatie kan elektronisch worden verstrekt, bijvoorbeeld
wanneer die tot het publiek is gericht, via een website. Dit geldt in het bijzonder voor situaties, waarin het
vanwege zowel het grote aantal actoren als de technologische complexiteit van de praktijk voor een betrokkene
moeilijk is te weten en te begrijpen of, door wie en met welk doel zijn persoonsgegevens worden verzameld,
zoals bij onlineadvertenties. Aangezien kinderen specifieke bescherming verdienen, dient de informatie en
communicatie, wanneer de verwerking specifiek tot een kind is gericht, in een zodanig duidelijke en eenvoudige
taal te worden gesteld dat het kind deze makkelijk kan begrijpen.

(59)

Er dienen regelingen voorhanden te zijn om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten uit hoofde van deze
verordening gemakkelijker uit te oefenen, zoals mechanismen om te verzoeken om met name inzage in en
rectificatie of wissing van persoonsgegevens en, indien van toepassing, deze gratis te verkrijgen, alsmede om het
recht van bezwaar uit te oefenen. De verwerkingsverantwoordelijke dient ook middelen te verstrekken om
verzoeken elektronisch in te dienen, vooral wanneer persoonsgegevens langs elektronische weg worden verwerkt.
De verwerkingsverantwoordelijke dient te worden verplicht onverwijld en ten laatste binnen een maand op een
verzoek van de betrokkene te reageren, en om de redenen op te geven voor een eventuele voorgenomen
weigering om aan dergelijke verzoeken gehoor te geven.

(1) Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70).

L 119/12

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

(60)

Overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking moet de betrokkene op de hoogte
worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan. De verwerkingsverant­
woordelijke dient de betrokkene de nadere informatie te verstrekken die noodzakelijk is om tegenover de
betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke
omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. Voorts moet de betrokkene
worden geïnformeerd over het bestaan van profilering en de gevolgen daarvan. Indien de persoonsgegevens van
de betrokkene moeten worden verkregen, moet hem worden meegedeeld of hij verplicht is de persoonsgegevens
te verstrekken en wat de gevolgen zijn van niet-verstrekking van de gegevens. Die informatie kan met behulp van
gestandaardiseerde icoontjes worden verstrekt, teneinde op goed zichtbare, begrijpelijke en duidelijk leesbare
wijze de zin van de voorgenomen verwerking weer te geven. Elektronisch weergegeven icoontjes moeten
machineleesbaar zijn.

(61)

De informatie over de verwerking van persoonsgegevens betreffende de betrokkene dient hem te worden
meegedeeld bij het verzamelen bij de betrokkene van de gegevens of, indien de gegevens uit een andere bron zijn
verkregen, binnen een redelijke termijn, die afhangt van de omstandigheden van het geval. Wanneer de persoons­
gegevens rechtmatig aan een andere ontvanger kunnen worden verstrekt, dient de betrokkene te worden
meegedeeld wanneer de persoonsgegevens voor het eerst aan de ontvanger worden verstrekt. Wanneer de verwer­
kingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens te verwerken met een ander doel dan dat waarvoor
zij zijn verzameld, moet de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie
over dat andere doel en andere noodzakelijke informatie verstrekken. Wanneer de oorsprong van de persoonsge­
gevens niet aan de betrokkene kan worden meegedeeld omdat verschillende bronnen zijn gebruikt, moet
algemene informatie worden verstrekt.

(62)

Niettemin is het niet noodzakelijk de verplichting tot informatieverstrekking op te leggen wanneer de betrokkene
al over de informatie beschikt, wanneer de registratie of mededeling van de persoonsgegevens uitdrukkelijk bij
wet is voorgeschreven of wanneer de informatieverstrekking aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig
veel inspanningen zou kosten. Dit laatste zou met name het geval kunnen zijn wanneer verwerking met het oog
op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden
geschiedt. In dat verband mag in aanmerking worden genomen om hoeveel betrokkenen het gaat, hoe oud de
gegevens zijn en welke passende waarborgen moeten worden ingebouwd.

(63)

Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om
dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte
kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dit houdt ook in dat betrokkenen het recht dienen te
hebben op inzage in hun persoonsgegevens betreffende hun gezondheid, zoals de gegevens in hun medisch
dossier, dat informatie bevat over bijvoorbeeld diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door
behandelende artsen en verrichte behandelingen of ingrepen. Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben,
te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk
hoe lang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een
eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens en, ten minste wanneer de verwerking op
profilering is gebaseerd, wat de gevolgen van een dergelijke verwerking zijn. Indien mogelijk moet de verwer­
kingsverantwoordelijke op afstand toegang kunnen geven tot een beveiligd systeem waarop de betrokkene direct
zijn persoonsgegevens kan inzien. Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen,
met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de
software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt
onthouden. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een grote hoeveelheid gegevens betreffende de betrokkene
verwerkt, moet hij de betrokkene voorafgaand aan de informatieverstrekking kunnen verzoeken om te preciseren
op welke informatie of welke verwerkingsactiviteiten het verzoek betrekking heeft.

(64)

De verwerkingsverantwoordelijke dient, met name met betrekking tot onlinediensten en online-identificatoren,
alle redelijke maatregelen te nemen om de identiteit te controleren van een betrokkene die om inzage verzoekt.
Een verwerkingsverantwoordelijke mag persoonsgegevens niet uitsluitend bewaren om op eventuele verzoeken te
kunnen reageren.

(65)

Een betrokkene moet het recht hebben om hem betreffende persoonsgegevens te laten rectificeren en dient te
beschikken over een „recht op vergetelheid” wanneer de bewaring van dergelijke gegevens inbreuk maakt op deze
verordening die of op Unierecht of het lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Meer bepaald moeten betrokkenen het recht hebben hun persoonsgegevens te laten wissen en niet verder te laten
verwerken wanneer de persoonsgegevens niet langer noodzakelijk zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn
verzameld of anderszins verwerkt, wanneer de betrokkenen hun toestemming hebben ingetrokken of bezwaar
maken tegen de verwerking van hun persoonsgegevens, of wanneer de verwerking van hun persoonsgegevens op
een ander punt niet met deze verordening in overeenstemming is. Dat recht is met name relevant wanneer de
betrokkene toestemming heeft gegeven als kind, toen hij zich nog niet volledig bewust was van de verwerkingsri­
sico's, en hij dergelijke persoonsgegevens later wil verwijderen, met name van het internet. De betrokkene dient

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/13

dat recht te kunnen uitoefenen niettegenstaande het feit dat hij geen kind meer is. Het dient echter rechtmatig te
zijn persoonsgegevens langer te bewaren wanneer dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op
vrijheid van meningsuiting en van informatie, voor de nakoming van een wettelijke verplichting, voor de
uitvoering van een taak in het algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat
aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, om redenen van algemeen belang op het vlak van volksge­
zondheid, met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of
statistische doeleinden of voor de vaststelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.
(66)

Ter versterking van het recht op vergetelheid in de onlineomgeving, dient het recht op wissing te worden
uitgebreid door de verwerkingsverantwoordelijke die persoonsgegevens openbaar heeft gemaakt te verplichten de
verwerkingsverantwoordelijken die deze persoonsgegevens verwerken, ervan op de hoogte te stellen dat de
betrokkene heeft verzocht om het wissen van links naar, of kopieën of reproducties van die persoonsgegevens.
Die verwerkingsverantwoordelijke dient daarbij, met inachtneming van de beschikbare technologie en de
middelen waarover hij beschikt, redelijke maatregelen te nemen, waaronder technische maatregelen, om de
verwerkingsverantwoordelijken die de persoonsgegevens verwerken, over het verzoek van de betrokkene te
informeren.

(67)

Tot de methoden ter beperking van de verwerking van persoonsgegevens zou kunnen behoren dat de geselec­
teerde persoonsgegevens tijdelijk naar een ander verwerkingssysteem worden overgebracht, dat de geselecteerde
gegevens voor gebruikers niet beschikbaar worden gemaakt of dat gepubliceerde gegevens tijdelijk van een
website worden gehaald. In geautomatiseerde bestanden moet in beginsel met technische middelen worden
gezorgd voor een zodanige beperking van de verwerking van persoonsgegevens dat de persoonsgegevens niet
verder kunnen worden verwerkt en niet kunnen worden gewijzigd. Het feit dat de verwerking van persoonsge­
gevens beperkt is, moet duidelijk in het bestand zijn aangegeven.

(68)

Om de zeggenschap over zijn eigen gegevens verder te versterken, dient de betrokkene wanneer de persoonsge­
gevens via geautomatiseerde procedés worden verwerkt, ook de mogelijkheid te hebben de hem betreffende
persoonsgegevens die hij aan een verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt, in een gestructureerd, gangbaar,
machineleesbaar en interoperabel formaat te verkrijgen en die aan een andere verwerkingsverantwoordelijke door
te zenden. De verwerkingsverantwoordelijken dienen ertoe te worden aangemoedigd interoperabele formaten te
ontwikkelen die gegevensoverdraagbaarheid mogelijk maken. Dit recht dient te gelden wanneer de betrokkene de
persoonsgegevens heeft verstrekt door zijn toestemming te geven dan wel wanneer de verwerking noodzakelijk is
voor de uitvoering van een overeenkomst. Dit recht mag niet gelden wanneer de verwerking op basis van een
andere rechtsgrond dan een toestemming of een overeenkomst geschiedt. Door de aard ervan mag dit recht niet
worden uitgeoefend jegens verwerkingsverantwoordelijken die persoonsgegevens verwerken in het kader van de
uitoefening van hun openbare taken. Derhalve mag dit recht niet gelden indien de verwerking van de persoonsge­
gevens nodig is voor de vervulling van een op de verwerkingsverantwoordelijke rustende wettelijke verplichting,
voor de vervulling van een taak van algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag
dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Het recht van de betrokkene om hem betreffende persoons­
gegevens door te zenden of te ontvangen, mag voor de verwerkingsverantwoordelijke geen verplichting doen
ontstaan om technisch compatibele systemen voor gegevensverwerking op te zetten of te houden. Wanneer het in
een bepaalde verzameling persoonsgegevens meer dan één betrokkene aanbelangt, moet het recht om de
persoonsgegevens te ontvangen de rechten en vrijheden van andere betrokkenen overeenkomstig deze
verordening onverlet laten. Voorts mag dit recht niet afdoen aan het recht van de betrokkene om zijn persoonsge­
gevens te laten wissen en aan de beperkingen die in deze verordening aan dat recht zijn gesteld, en mag het in
het bijzonder niet inhouden dat de hem betreffende persoonsgegevens die de betrokkene ter uitvoering van een
overeenkomst heeft verstrekt, voor zover en zolang de persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van die overeenkomst, worden gewist. Voor zover dit technisch haalbaar is, moet de betrokkene het recht hebben
te verkrijgen dat de gegevens direct van de ene naar de andere verwerkingsverantwoordelijke worden
doorgezonden.

(69)

Wanneer persoonsgegevens rechtmatig mogen worden verwerkt omdat de verwerking nodig is ter vervulling van
een taak van algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkings­
verantwoordelijke is verleend, dan wel op grond van de gerechtvaardigde belangen van een verwerkingsverant­
woordelijke of een derde, dient een betrokkene niettemin bezwaar te kunnen maken tegen de verwerking van
gegevens die op zijn specifieke situatie betrekking hebben. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat
zijn dwingende gerechtvaardigde belangen wellicht zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de
fundamentele vrijheden van de betrokkene.

(70)

Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van direct marketing dient de betrokkene, ongeacht of
het een aanvankelijke dan wel een verdere verwerking betreft, het recht te hebben te allen tijde en kosteloos
bezwaar te maken tegen deze verwerking, ook in het geval van profilering voor zover deze betrekking heeft op
de direct marketing. Dat recht moet uitdrukkelijk, op duidelijke wijze en gescheiden van overige informatie, onder
de aandacht van de betrokkene worden gebracht.

L 119/14
(71)

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

De betrokkene dient het recht te hebben niet te worden onderworpen aan een louter op geautomatiseerde
verwerking gebaseerd besluit, dat een maatregel kan behelzen — over persoonlijke hem betreffende aspecten,
waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem op vergelijkbare wijze aanmerkelijk treft, zoals de
automatische weigering van een online ingediende kredietaanvraag of van verwerking van sollicitaties via internet
zonder menselijke tussenkomst. Een verwerking van die aard omvat „profilering”, wat bestaat in de geautomati­
seerde verwerking van persoonsgegevens ter beoordeling van persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon,
met name om kenmerken betreffende beroepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke
voorkeuren of interesses, betrouwbaarheid of gedrag, locatie of verplaatsingen van de betrokkene te analyseren of
te voorspellen, wanneer daaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem op vergelijkbare wijze
aanmerkelijk treft. Besluitvorming op basis van een dergelijke verwerking, met inbegrip van profilering, dient
echter wel mogelijk te zijn wanneer deze uitdrukkelijk is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op de
verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, onder meer ten behoeve van de controle en voorkoming van
belastingfraude en -ontduiking overeenkomstig de regelgeving, normen en aanbevelingen van de instellingen van
de Unie of de nationale voor oversight bevoegde instanties, en om te zorgen voor de veiligheid en betrouw­
baarheid van een dienst die door de verwerkingsverantwoordelijke wordt verleend, of noodzakelijk voor de
sluiting of uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke, of
wanneer de betrokkene zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven. In ieder geval moeten voor dergelijke
verwerking passende waarborgen worden geboden, waaronder specifieke informatie aan de betrokkene en het
recht op menselijke tussenkomst, om zijn standpunt kenbaar te maken, om uitleg over de na een dergelijke
beoordeling genomen besluit te krijgen en om het besluit aan te vechten. Een dergelijke maatregel mag geen
betrekking hebben op een kind.
Teneinde een voor de betrokkene behoorlijke en transparante verwerking te garanderen, met inachtneming van de
concrete omstandigheden en context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt, dient de verwerkingsverant­
woordelijke voor de profilering passende wiskundige en statistische procedures te hanteren en technische en
organisatorische maatregelen te treffen waarmee factoren die aanleiding geven tot onjuistheden van persoonsge­
gevens worden gecorrigeerd en het risico op fouten wordt geminimaliseerd, en de persoonsgegevens zodanig te
bewaren dat rekening wordt gehouden met de potentiële risico's voor de belangen en rechten van de betrokkene
en dat onder meer wordt voorkomen dat zulks voor natuurlijke personen discriminerende gevolgen zou hebben
op grond van ras of etnische afkomst, politieke overtuiging, godsdienst of levensbeschouwelijke overtuigingen,
lidmaatschap van een vakbond, genetische of gezondheidsstatus, of seksuele gerichtheid, of gevolgen zou hebben
die leiden tot maatregelen met een vergelijkbaar effect. Geautomatiseerde besluitvorming en profilering gebaseerd
op bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen uitsluitend op specifieke voorwaarden worden
toegestaan.

(72)

Voor profilering gelden de regels van deze verordening betreffende de verwerking van persoonsgegevens,
bijvoorbeeld de rechtsgronden voor verwerking of beginselen van gegevensbescherming. Het Europees Comité
voor gegevensbescherming dat door deze verordening wordt ingesteld (het „Comité”) dient de mogelijkheid te
krijgen om in dat verband richtsnoeren op te stellen.

(73)

In het Unierecht of het lidstatelijke recht kunnen beperkingen worden gesteld aan de specifieke beginselen en het
recht op informatie, inzage en rectificatie of wissing van gegevens, het recht op gegevensoverdraagbaarheid, het
recht om bezwaar te maken, alsook aan besluiten gebaseerd op profilering, aan de melding aan de betrokkene
van een inbreuk op persoonsgegevens en bepaalde daarmee verband houdende verplichtingen van de verwer­
kingsverantwoordelijken, voor zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk en evenredig is voor de
bescherming van de openbare veiligheid, waaronder de bescherming van het menselijk leven en met name bij
natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, voor de voorkoming, het onderzoek en de vervolging van
strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming
van gevaren voor de openbare veiligheid, of van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde
beroepen, voor de bescherming van andere belangrijke doelstellingen van algemeen en openbaar belang in de
Unie of een lidstaat, met name een gewichtig economisch of financieel belang van de Unie of een lidstaat, voor
het houden van openbare registers die nodig zijn om redenen van algemeen belang, voor de verdere verwerking
van gearchiveerde persoonsgegevens teneinde specifieke informatie over het politieke gedrag onder voormalige
totalitaire regimes te verkrijgen of voor de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van
anderen, met inbegrip van sociale bescherming, volksgezondheid en humanitaire doeleinden. Deze beperkingen
moeten in overeenstemming zijn met de vereisten van het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

(74)

De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke moeten worden vastgesteld
voor elke verwerking van persoonsgegevens die door of namens hem wordt uitgevoerd. Meer bepaald dient de
verwerkingsverantwoordelijke te worden verplicht passende en effectieve maatregelen uit te voeren en te kunnen
aantonen dat elke verwerkingsactiviteit overeenkomstig deze verordening geschiedt, ook wat betreft de doeltref­
fendheid van de maatregelen. Bij die maatregelen moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang, de
context en het doel van de verwerking en het risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/15

(75)

Het qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke
personenkan voortvloeien uit persoonsgegevensverwerking die kan resulteren in ernstige lichamelijke, materiële
of immateriële schade, met name: waar de verwerking kan leiden tot discriminatie, identiteitsdiefstal of -fraude,
financiële verliezen, reputatieschade, verlies van vertrouwelijkheid van door het beroepsgeheim beschermde
persoonsgegevens, ongeoorloofde ongedaanmaking van pseudonimisering, of enig ander aanzienlijk economisch
of maatschappelijk nadeel; wanneer de betrokkenen hun rechten en vrijheden niet kunnen uitoefenen of worden
verhinderd controle over hun persoonsgegevens uit te oefenen; wanneer persoonsgegevens worden verwerkt
waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religie of levensbeschouwelijke overtuigingen, of vakbonds­
lidmaatschap blijkt, en bij de verwerking van genetische gegevens of gegevens over gezondheid of seksueel gedrag
of strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen;
wanneer persoonlijke aspecten worden geëvalueerd, om met name beroepsprestaties, economische situatie,
gezondheid, persoonlijke voorkeuren of interesses, betrouwbaarheid of gedrag, locatie of verplaatsingen te
analyseren of te voorspellen, teneinde persoonlijke profielen op te stellen of te gebruiken; wanneer persoonsge­
gevens van kwetsbare natuurlijke personen, met name van kinderen, worden verwerkt; of wanneer de verwerking
een grote hoeveelheid persoonsgegevens betreft en gevolgen heeft voor een groot aantal betrokkenen.

(76)

De waarschijnlijkheid en de ernst van het risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkene moeten worden
bepaald onder verwijzing naar de aard, het toepassingsgebied, de context en de doeleinden van de verwerking.
Het risico moet worden bepaald op basis van een objectieve beoordeling en vastgesteld moet worden of de
verwerking gepaard gaat met een risico of een hoog risico.

(77)

Richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van passende maatregelen, en om aan te tonen dat de verwerkingsverant­
woordelijke of de verwerker de regels naleeft, vooral wat betreft de vaststelling van het risico in verband met de
verwerking, de beoordeling van de oorsprong, aard, waarschijnlijkheid en ernst daarvan, en de bepaling van beste
praktijken om het risico te verminderen, kunnen met name worden verstrekt door middel van goedgekeurde
gedragscodes, goedgekeurde certificeringen, richtsnoeren van het Comité of aanwijzingen van een functionaris
voor gegevensbescherming. Het Comité kan tevens richtsnoeren uitvaardigen met betrekking tot verwerkingen die
waarschijnlijk niet zullen resulteren in een hoog risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, en
aangeven met welke maatregelen in dat geval kan worden volstaan om dat risico aan te pakken.

(78)

Ter bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens zijn passende technische en organisatorische maatregelen nodig om te waarborgen dat aan de
voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Om de naleving van deze verordening aan te kunnen tonen,
moet de verwerkingsverantwoordelijke interne beleidsmaatregelen nemen en maatregelen toepassen die voldoen
aan met name de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardin­
stellingen. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan in het minimaliseren van de verwerking van
persoonsgegevens, het zo spoedig mogelijk pseudonimiseren van persoonsgegevens, transparantie met betrekking
tot de functies en de verwerking van persoonsgegevens, het in staat stellen van de betrokkene om controle uit te
oefenen op de informatieverwerking en uit het in staat stellen van de verwerkingsverantwoordelijke om beveili­
gingskenmerken te creëren en te verbeteren. Bij de de ontwikkeling, de uitwerking, de keuze en het gebruik van
toepassingen, diensten en producten die zijn gebaseerd op de verwerking van persoonsgegevens, of die persoons­
gegevens verwerken bij de uitvoering van hun opdracht, dienen de producenten van de producten, diensten en
toepassingen te worden gestimuleerd om bij de ontwikkeling en de uitwerking van dergelijke producten, diensten
en toepassingen rekening te houden met het recht op bescherming van persoonsgegevens en, met inachtneming
van de stand van de techniek, erop toe te zien dat de verwerkingsverantwoordelijken en de verwerkers in staat
zijn te voldoen aan hun verplichtingen inzake gegevensbescherming. De beginselen van gegevensbescherming
door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen moeten ook bij openbare aanbestedingen in
aanmerking worden genomen.

(79)

Voor de bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen en de verantwoordelijkheid en aansprake­
lijkheid van verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers is het noodzakelijk, onder meer wat het toezicht door
en de maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten betreft, dat de bij deze verordening vastgestelde verant­
woordelijkheden op duidelijke wijze worden toegewezen, ook wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de
doeleinden en de middelen voor de verwerking samen met andere verwerkingsverantwoordelijken vaststelt, of
wanneer een verwerking namens een verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd.

(80)

Wanneer een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker persoonsgegevens van
betrokkenen die zich in de Unie bevinden, verwerkt, en de verwerking verband houdt met de aanbieding van
goederen of diensten — ongeacht of een betaling door de betrokkenen is vereist — aan die zich in de Unie
bevindende betrokkenen of met het controleren van hun gedrag in de Unie, dient de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker een vertegenwoordiger aan te wijzen, tenzij de verwerking incidenteel is, niet de
grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, of de verwerking van persoonsge­
gevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten inhoudt en gelet op de aard, de context, de
omvang en de verwerkingsdoeleinden waarschijnlijk geen risico oplevert voor de rechten en vrijheden van
natuurlijke personen, of tenzij de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie of -orgaan is. De vertegen­
woordiger dient ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op te treden en kan door

L 119/16

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

iedere toezichthoudende autoriteit worden benaderd. De vertegenwoordiger dient uitdrukkelijk te worden
aangewezen via een schriftelijk mandaat van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker om namens
hen op te treden met betrekking tot zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening. De aanwijzing van een
dergelijke vertegenwoordiger heeft geen invloed op de verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid van de verwer­
kingsverantwoordelijke of van de verwerker uit hoofde van deze verordening. Die vertegenwoordiger moet zijn
taken verrichten volgens het van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker ontvangen mandaat, en moet
onder meer samenwerken met de bevoegde toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot alle maatregelen die
ter naleving van deze verordening worden genomen. In geval van niet-naleving door de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker dient de aangewezen vertegenwoordiger aan handhavingsprocedures te worden
onderworpen.
(81)

Teneinde te waarborgen dat met betrekking tot de verwerking die door de verwerker ten behoeve van de verwer­
kingsverantwoordelijke moet worden verricht, aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan, mag de
verwerkingsverantwoordelijke, wanneer hij een verwerker verwerkingsactiviteiten toevertrouwt, alleen een beroep
doen op verwerkers die voldoende garanties bieden, met name op het gebied van deskundigheid, betrouwbaarheid
en middelen, om ervoor te zorgen dat de technische en organisatorische maatregelen beantwoorden aan de
voorschriften van deze verordening, mede wat de beveiliging van de verwerking betreft. Het feit dat de verwerker
zich aansluit bij een goedgekeurde gedragscode of bij een goedgekeurde certificeringsregeling kan worden
gebruikt als een element om aan te tonen dat aan de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke wordt
voldaan. De uitvoering van de verwerking door een verwerker dient uit hoofde van het Unierecht of het lidsta­
telijke recht te worden geregeld in een overeenkomst of een andere rechtshandeling waardoor de verwerker aan
de verwerkingsverantwoordelijke gebonden is, en die een nadere omschrijving omvat van het onderwerp en de
duur van de verwerking, de aard en de doeleinden van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de
categorieën van betrokkenen, en dient rekening te houden met de specifieke taken en verantwoordelijkheden van
de verwerker in het kader van de te verrichten verwerking en het risico in verband met de rechten en vrijheden
van de betrokkene. De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker kunnen kiezen voor het gebruik van een
individuele overeenkomst of standaardcontractbepalingen, die hetzij rechtstreeks door de Commissie, hetzij door
een toezichthoudende autoriteit in het kader van het coherentiemechanisme en vervolgens door de Commissie
worden vastgesteld. Na de voltooiing van de verwerking ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke, dient
de verwerker, naargelang de wens van de verwerkingsverantwoordelijke, de persoonsgegevens terug te geven of te
wissen, tenzij het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de verwerker van toepassing is de verplichting oplegt
de persoonsgegevens op te slaan.

(82)

Om de naleving van deze verordening aan te kunnen tonen, dient de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker een register bij te houden van verwerkingsactiviteiten die onder zijn verantwoordelijkheid hebben
plaatsgevonden. Elke verwerkingsverantwoordelijke en elke verwerker dient ertoe te worden verplicht
medewerking te verlenen aan de toezichthoudende autoriteit en dit register desgevraagd te verstrekken met het
oog op het gebruik daarvan voor het toezicht op de verwerkingsactiviteiten.

(83)

Teneinde de veiligheid te waarborgen en te voorkomen dat de verwerking inbreuk maakt op deze verordening,
dient de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de aan de verwerking inherente risico's te beoordelen en
maatregelen, zoals versleuteling, te treffen om die risico's te beperken. Die maatregelen dienen een passend niveau
van beveiliging, met inbegrip van vertrouwelijkheid, te waarborgen, rekening houdend met de stand van de
techniek en de uitvoeringskosten afgezet tegen de risico's en de aard van de te beschermen persoonsgegevens. Bij
de beoordeling van de gegevensbeveiligingsrisico's dient aandacht te worden besteed aan risico's die zich
voordoen bij persoonsgegevensverwerking, zoals de vernietiging, het verlies, de wijziging, de ongeoorloofde
verstrekking van of de ongeoorloofde toegang tot de doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte
gegevens, hetzij per ongeluk hetzij onrechtmatig, hetgeen met name tot lichamelijke, materiële of immateriële
schade kan leiden.

(84)

Teneinde de naleving van deze verordening te verbeteren indien de verwerking waarschijnlijk gepaard gaat met
hoge risico's in verband met de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, dient de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker verantwoordelijk te zijn voor het verrichten van een gegevensbeschermingseffectbeoor­
deling om met name de oorsprong, de aard, het specifieke karakter en de ernst van dat risico te evalueren. Met
het resultaat van de beoordeling dient rekening te worden gehouden bij het bepalen van de passende maatregelen
die moeten worden genomen om aan te tonen dat deze verordening bij de verwerking van persoonsgegevens
wordt nageleefd. Wanneer een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitwijst dat verwerking gepaard gaat met
een hoog risico dat de verwerkingsverantwoordelijke niet kan beperken door maatregelen die met het oog op de
beschikbare technologie en de uitvoeringskosten redelijk zijn, dient vóór de verwerking een raadpleging van de
toezichthoudende autoriteit plaats te vinden.

(85)

Een inbreuk in verband met persoonsgegevens kan, wanneer dit probleem niet tijdig en op passende wijze wordt
aangepakt, resulteren in lichamelijke, materiële of immateriële schade voor natuurlijke personen, zoals verlies van
controle over hun persoonsgegevens of de beperking van hun rechten, discriminatie, identiteitsdiefstal of -fraude,
financiële verliezen, ongeoorloofde ongedaanmaking van pseudonimisering, reputatieschade, verlies van vertrou­
welijkheid van door het beroepsgeheim beschermde persoonsgegevens, of enig ander aanzienlijk economisch of

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/17

maatschappelijk nadeel voor de natuurlijke persoon in kwestie. Daarom moet de verwerkingsverantwoordelijke,
zodra hij weet dat een inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft plaatsgevonden, de toezichthoudende
autoriteit onverwijld en waar mogelijk niet meer dan 72 uur nadat hij er kennis van heeft genomen, in kennis
stellen van de inbreuk in verband met persoonsgegevens, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke conform het
verantwoordingsbeginsel kan aantonen dat het onwaarschijnlijk is dat deze inbreuk risico's voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen met zich brengt. Wanneer die kennisgeving niet binnen 72 uur kan worden
gerealiseerd, dient de kennisgeving vergezeld te gaan van een verklaring voor de vertraging en kan de informatie
zonder onredelijke verdere vertraging in fasen worden verstrekt.
(86)

De verwerkingsverantwoordelijke moet de betrokkene zonder onredelijke vertraging in kennis stellen van de
inbreuk in verband met persoonsgegevens wanneer die inbreuk in verband met persoonsgegevens grote risico's
voor de rechten en vrijheden van de natuurlijke persoon met zich kan brengen, zodat hij de nodige voorzorgs­
maatregelen kan treffen. De kennisgeving dient zowel de aard van de inbreuk in verband met persoonsgegevens
te vermelden als aanbevelingen over hoe de natuurlijke persoon in kwestie mogelijke negatieve gevolgen kan
beperken. Dergelijke kennisgevingen aanetrokkenen dienen zo snel als redelijkerwijs mogelijk te worden gedaan,
in nauwe samenwerking met de toezichthoudende autoriteit en met inachtneming van de door haarzelf of door
andere relevante autoriteiten, zoals rechtshandhavingsautoriteiten, aangereikte richtsnoeren. Zo zouden
betrokkenen bijvoorbeeld onverwijld in kennis moeten worden gesteld wanneer een onmiddellijk risico op schade
moet worden beperkt, terwijl een langere kennisgevingstermijn gerechtvaardigd kan zijn wanneer er passende
maatregelen moeten worden genomen tegen aanhoudende of soortgelijke inbreuken in verband met persoonsge­
gevens.

(87)

Nagegaan moet worden of alle passende technische en organisatorische maatregelen zijn genomen om vast te
stellen of een inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft plaatsgevonden, en om de toezichthoudende
autoriteit en de betrokkene daarvan onverwijld in kennis te stellen. Het feit dat de kennisgeving is gedaan zonder
onredelijke vertraging moet worden vastgesteld, met name rekening houdend met de aard en de ernst van de
inbreuk in verband met persoonsgegevens en de gevolgen en negatieve effecten voor de betrokkene. Die
kennisgeving kan ertoe leiden dat de toezichthoudende autoriteit optreedt overeenkomstig haar in deze
verordening neergelegde taken en bevoegdheden.

(88)

Bij de vaststelling van gedetailleerde regels betreffende de methode en de procedures voor het melden van
inbreuken in verband met persoonsgegevens dient de nodige aandacht te worden besteed aan de omstandigheden
van die inbreuk, onder meer aan de vraag of de persoonsgegevens al dan niet waren beschermd door adequate
technische maatregelen die de kans op identiteitsfraude of andere vormen van misbruik beperkten. Bovendien
dient bij dergelijke regels en procedures rekening te worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de
rechtshandhavingsautoriteiten wanneer vroegtijdige bekendmaking het onderzoek naar de omstandigheden van
een inbreuk in verband met persoonsgegevens nodeloos zou hinderen.

(89)

Richtlijn 95/46/EG voorzag in een algemene verplichting om de verwerking van persoonsgegevens aan de
toezichthoudende autoriteiten te melden. Die verplichting leidt tot administratieve en financiële lasten, maar heeft
niet in alle gevallen bijgedragen tot betere bescherming van de persoonsgegevens. Die ongedifferen­
tieerde algemene kennisgevingsverplichtingen moeten derhalve worden afgeschaft en worden vervangen door
doeltreffende procedures en mechanismen die gericht zijn op de soorten verwerkingen die naar hun aard,
reikwijdte, context en doeleinden waarschijnlijk grote risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke
personen met zich brengen. Dergelijke verwerkingen kunnen die zijn waarbij met name wordt gebruikgemaakt
van nieuwe technologieën, of die welke van een nieuw type zijn en waarbij er vooraf geen gegevensbeschermings­
effectbeoordeling is verricht door de verwerkingsverantwoordelijke, of wanneer zij noodzakelijk worden gelet op
de tijd die sinds de aanvankelijke verwerking is verstreken.

(90)

In dergelijke gevallen dient de verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking een gegevensbescher­
mingseffectbeoordeling te verrichten om de specifieke waarschijnlijkheid en de ernst van de grote risico's te
beoordelen, rekening houdend met de aard, omvang, context en doelen van de verwerking en de bronnen van de
risico's. Bij deze effectbeoordeling moet met name worden gekeken naar de geplande maatregelen, waarborgen en
mechanismen om dat risico te beperken, de persoonsgegevens te beschermen en aan te tonen dat aan deze
verordening is voldaan.

(91)

Dit dient met name te gelden voor grootschalige verwerkingen die bedoeld zijn voor de verwerking van een
aanzienlijke hoeveelheid persoonsgegevens op regionaal, nationaal of supranationaal niveau, waarvan een groot
aantal betrokkenen gevolgen zou kunnen ondervinden en die bijvoorbeeld vanwege hun gevoelige aard een hoog
risico met zich kunnen brengen, wanneer conform het bereikte niveau van technologische kennis een nieuwe
technologie op grote schaal wordt gebruikt, alsmede voor andere verwerkingen die een groot risico voor de
rechten en vrijheden van de betrokkenen inhouden, met name wanneer betrokkenen als gevolg van die

L 119/18

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

verwerkingen hun rechten moeilijker kunnen uitoefenen. Een gegevensbeschermingseffectbeoordeling dient ook te
worden gemaakt wanneer persoonsgegevens worden verwerkt met het oog op het nemen van besluiten met
betrekking tot specifieke natuurlijke personen na een systematische en uitgebreide beoordeling van persoonlijke
aspecten van natuurlijke personen die is gebaseerd op de profilering van deze gegevens, of na de verwerking van
bijzondere categorieën van persoonsgegevens, biometrische gegevens, of gegevens betreffende strafrechtelijke
veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen. Een gegevensbescher­
mingseffectbeoordeling is tevens nodig voor de grootschalige bewaking van openbaar toegankelijke ruimten, met
name wanneer optisch-elektronische apparatuur wordt gebruikt, of voor alle andere verwerkingen wanneer de
bevoegde toezichthoudende autoriteit oordeelt dat zij waarschijnlijk een groot risico inhouden voor de rechten en
vrijheden van betrokkenen, met name omdat betrokkenen als gevolg van deze verwerkingen een recht niet
kunnen uitoefenen of geen beroep kunnen doen op een dienst of een overeenkomst, of omdat deze verwerkingen
systematisch op grote schaal worden uitgevoerd. De verwerking van persoonsgegevens mag niet als een
grootschalige verwerking worden beschouwd als het gaat om de verwerking van persoonsgegevens van patiënten
of cliënten door een individuele arts, een andere zorgprofessional of door een advocaat. In die gevallen mag een
gegevensbeschermingseffectbeoordeling niet verplicht worden gesteld.
(92)

Onder bepaalde omstandigheden kan het redelijk en nuttig zijn dat de gegevensbeschermingseffectbeoordeling
zich niet beperkt tot een enkel project, bijvoorbeeld wanneer overheidsinstanties of -organen een gemeenschap­
pelijk applicatie- of verwerkingsplatform willen opzetten of wanneer meerdere verwerkingsverantwoordelijken
van plan zijn een gemeenschappelijke applicatie- of verwerkingsomgeving in te voeren voor een hele bedrijfstak,
of een segment daarvan, of voor een gangbare horizontale activiteit.

(93)

In het kader van de vaststelling van het lidstatelijke recht waarop de vervulling van de taken van de overheidsin­
stantie of het overheidsorgaan is gebaseerd, en waarin de specifieke verwerking of reeks verwerkingen wordt
geregeld, kunnen de lidstaten het noodzakelijk achten een dergelijke beoordeling uit te voeren voordat met de
verwerking wordt begonnen.

(94)

Wanneer een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitwijst dat de verwerking, bij afwezigheid van de
waarborgen, beveiligingsmaatregelen en risicobeperkende mechanismen, met een hoog risico voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen gepaard zou gaan, en de verwerkingsverantwoordelijke van mening is dat het
niet mogelijk is dat risico te beperken door middel van maatregelen die met het oog op de beschikbare
technologie en uitvoeringskosten redelijk zijn, dient de toezichthoudende autoriteit voordat met de verwerking
wordt begonnen te worden geraadpleegd. Een dermate hoog risico doet zich wellicht voor bij bepaalde soorten
persoonsgegevensverwerking en de omvang en frequentie van de verwerking, hetgeen kan leiden tot schade of
aantasting van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. De toezichthoudende autoriteit dient binnen een
nader bepaalde termijn op het verzoek om raadpleging te reageren. Het uitblijven van een reactie van de toezicht­
houdende autoriteit binnen die termijn dient evenwel een optreden van de toezichthoudende autoriteit overeen­
komstig haar in deze verordening neergelegde taken en bevoegdheden onverlet te laten, onder meer de
bevoegdheid om verwerkingen te verbieden. Als onderdeel van die raadplegingsprocedure kan het resultaat van
een gegevensbeschermingseffectbeoordeling die voor de verwerking in kwestie wordt uitgevoerd, aan de toezicht­
houdende autoriteit worden voorgelegd, meer bepaald wat betreft de voorgenomen maatregelen om het risico
voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen te beperken.

(95)

De verwerker dient de verwerkingsverantwoordelijke, indien nodig en op verzoek, bij te staan om ervoor te
zorgen dat de verplichtingen ingevolge de uitvoering van gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en
voorafgaande raadpleging van de toezichthoudende autoriteit worden nagekomen.

(96)

De toezichthoudende autoriteit dient tevens te worden geraadpleegd tijdens de voorbereiding van een wetgevingsof regelgevingsmaatregel houdende verwerking van persoonsgegevens, om ervoor te zorgen dat de voorgenomen
verwerking strookt met deze verordening, en met name om de risico's daarvan voor betrokkenen te beperken.

(97)

Indien de verwerking door een overheidsinstantie wordt uitgevoerd, met uitzondering van gerechten of onafhan­
kelijke rechterlijke autoriteiten die handelen in het kader van hun gerechtelijke taken, of indien in de particuliere
sector de verwerking door een verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd die als kerntaak heeft verwerkings­
activiteiten uit te voeren die grootschalige regelmatige en systematische observatie van betrokkenen vereisen,
indien de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker hoofdzakelijk is belast met grootschalige verwerking van
bijzondere categorieën van persoonsgegevens en van gegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen
en strafbare feiten, dient een persoon met deskundige kennis van gegevensbeschermingswetgeving en -praktijken
de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker bij te staan bij het toezicht op de interne naleving van deze
verordening. In de particuliere sector hebben de kerntaken van een verwerkingsverantwoordelijke betrekking op
diens hoofdactiviteiten en niet op de verwerking van persoonsgegevens als nevenactiviteit. Het vereiste niveau van
deskundigheid dient met name te worden bepaald op grond van de uitgevoerde gegevensverwerkingsactiviteiten

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/19

en de bescherming die voor de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verwerkte gegevens vereist
is. Dergelijke functionarissen voor gegevensbescherming dienen in staat te zijn hun taken en verplichtingen
onafhankelijk te vervullen, ongeacht of zij in dienst zijn van de verwerkingsverantwoordelijke.
(98)

Verenigingen en andere organen die categorieën van de verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers vertegen­
woordigen, dienen te worden aangemoedigd om binnen de grenzen van deze verordening gedragscodes op te
stellen, teneinde de doeltreffende uitvoering van deze verordening te bevorderen, rekening houdend met het
specifieke karakter van de verwerkingen in sommige sectoren en de specifieke behoeften van kleine, middelgrote
en micro-ondernemingen. Deze gedragscodes zouden met name het ijkpunt kunnen zijn voor de verplichtingen
van verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, rekening houdend met de aan de verwerking verbonden
risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.

(99)

Bij de opstelling van een gedragscode, of bij wijziging of uitbreiding van een dergelijke code, moeten verenigingen
en andere organen die categorieën van verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers vertegenwoordigen, overleg
plegen met de belanghebbenden ter zake, waaronder waar mogelijk met betrokkenen, en rekening houden met
bijdragen en standpunten naar aanleiding van dit overleg.

(100) Teneinde de transparantie en naleving van deze verordening te versterken, dient het instellen van certificeringsme­
chanismen en gegevensbeschermingszegels en -merktekens te worden bevorderd, zodat betrokkenen snel het
gegevensbeschermingsniveau van producten en diensten ter zake kunnen beoordelen.
(101) Verkeer van persoonsgegevens van en naar landen buiten de Unie en internationale organisaties is noodzakelijk
voor de ontwikkeling van het internationale handelsverkeer en de internationale samenwerking. De groei van dit
verkeer brengt nieuwe uitdagingen en aandachtspunten met zich voor de bescherming van persoonsgegevens.
Wanneer persoonsgegevens echter van de Unie aan verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers of andere
ontvangers in derde landen of internationale organisaties worden doorgegeven, mag dit niet ten koste gaan van
het beschermingsniveau waarvan natuurlijke personen in de Unie door deze verordening verzekerd zijn, ook in
gevallen van verdere doorgiften van persoonsgegevens van het derde land of de internationale organisatie aan
verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers in hetzelfde of een ander derde land of in dezelfde of een andere
internationale organisatie. Doorgifte aan derde landen en internationale organisaties mag in ieder geval alleen
plaatsvinden in volledige overeenstemming met deze verordening. Een doorgifte kan alleen plaatsvinden indien de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, onder voorbehoud van de andere bepalingen van deze
verordening, de bepalingen van deze verordening met betrekking tot de doorgifte van persoonsgegevens aan
derde landen of internationale organisaties naleeft.
(102) Deze verordening doet geen afbreuk aan internationale overeenkomsten die de Unie en derde landen met elkaar
hebben gesloten om de doorgifte van persoonsgegevens te regelen en waarin passende waarborgen voor de
betrokkenen zijn opgenomen. De lidstaten kunnen internationale overeenkomsten sluiten over de doorgifte van
persoonsgegevens naar derde landen of internationale organisaties, op voorwaarde dat dergelijke overeenkomsten
deze verordening of andere bepalingen van Unierecht onverlet laten en een adequaat beschermingsniveau bieden
voor de grondrechten van de betrokkenen.
(103) De Commissie kan besluiten, met rechtskracht voor de gehele Unie, dat een derde land, een gebied of een
welbepaalde sector in een derde land, of een internationale organisatie een passend niveau van gegevensbe­
scherming bieden, en daarmee in de gehele Unie rechtszekerheid en eenvormigheid verschaffen ten aanzien van
het derde land dat of de internationale organisatie die wordt geacht een dergelijk beschermingsniveau te bieden.
In zulke gevallen mogen persoonsgegevens naar dat derde land of die internationale organisatie worden
doorgegeven zonder dat verdere toestemming noodzakelijk is. De Commissie kan eveneens besluiten om, nadat
zij het derde land of de internationale organisatie daarvan in kennis heeft gesteld en een volledige toelichting van
haar beweegredenen heeft gegeven, een dergelijk besluit in te trekken.
(104) Overeenkomstig de fundamentele waarden waarop de Unie is gegrondvest, in het bijzonder de bescherming van
de mensenrechten, dient de Commissie bij haar beoordeling van het derde land of van een grondgebied of een
specifieke verwerkingssector binnen een derde land, in aanmerking te nemen in welke mate de rechtsstatelijkheid,
de toegang tot de rechter en de internationale mensenrechtennormen en -regels in het derde land worden
geëerbiedigd, en dient zij de algemene en sectorale wetgeving, waaronder de wetgeving betreffende openbare
veiligheid, defensie en nationale veiligheid en openbare orde en strafrecht, van het land in aanmerking te nemen.
Bij de vaststelling van een adequaatheidsbesluit (besluit waarbij het beschermingsniveau adequaat wordt verklaard)
voor een grondgebied of een specifieke sector in een derde land, moeten er duidelijke en objectieve criteria
worden vastgesteld, zoals specifieke verwerkingsactiviteiten en het toepassingsgebied van de geldende wettelijke
normen en wetgeving in het derde land. Het derde land dient zich ertoe te verbinden een passend beschermings­
niveau te waarborgen, in feite overeenkomend met het niveau dat in de Unie wordt verzekerd, vooral wanneer

L 119/20

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

persoonsgegevens in één of meer specifieke sectoren worden verwerkt. Het derde land dient met name te zorgen
voor effectief en onafhankelijk toezicht op de gegevensbescherming en voor mechanismen van samenwerking
met de autoriteiten op het gebied van gegevensbescherming van de lidstaten. Voorts dienen de betrokkenen te
beschikken over daadwerkelijke en afdwingbare rechten en daadwerkelijk administratief beroep en beroep in
rechte te kunnen instellen.

(105) Afgezien van de internationale verplichtingen die het derde land of de internationale organisatie is aangegaan,
dient de Commissie rekening te houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming van het derde
land of de internationale organisatie aan multilaterale of regionale regelingen, in het bijzonder wat de
bescherming van persoonsgegevens betreft, alsook met de uitvoering van deze verplichtingen. Meer bepaald moet
rekening worden gehouden met de toetreding van het derde land tot het Verdrag van de Raad van Europa van
28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoons­
gegevens en het bijbehorende Aanvullend Protocol. Bij de beoordeling van het beschermingsniveau in derde
landen of internationale organisaties dient de Commissie overleg te plegen met het Comité.

(106) De Commissie dient toe te zien op de werking van de besluiten over het beschermingsniveau in een derde land,
een gebied of welbepaalde sector in een derde land of in een internationale organisatie, en op de besluiten die
zijn genomen op grond van artikel 25, lid 6, of artikel 26, lid 4, van Richtlijn 95/46/EG. De Commissie dient in
haar adequaatheidsbesluiten waarbij het beschermingsniveau passend wordt verklaard een periodiek toetsingsme­
chanisme voor het functioneren ervan op te nemen. Die periodieke toetsing dient in overleg met het derde land
of de internationale organisatie in kwestie te worden uitgevoerd en moet rekening houden met alle relevante
ontwikkelingen in het derde land of de internationale organisatie. Met het oog op het toezicht en de uitvoering
van de periodieke toetsingen, dient de Commissie rekening te houden met de opvattingen en bevindingen van het
Europees Parlement en van de Raad, evenals met andere relevante organisaties en bronnen. De Commissie moet
binnen een redelijke termijn de werking van laatstgenoemde besluiten evalueren en alle relevante vaststellingen
rapporteren aan het comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de
Raad (1), als opgericht uit hoofde van de onderhavige verordening, aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(107) De Commissie kan vaststellen dat een derde land, een gebied of een bepaalde verwerkingssector in een derde
land, of een internationale organisatie geen passend beschermingsniveau meer waarborgt. De doorgifte van
persoonsgegevens naar dat derde land of die internationale organisatie dient dan te worden verboden, tenzij aan
de vereisten van deze verordening met betrekking tot doorgiften die onderworpen zijn aan passende waarborgen,
met inbegrip van bindende bedrijfsvoorschriften, en afwijkingen voor specifieke situaties wordt voldaan. Er dient
te worden geregeld dat er in die gevallen overleg plaatsvindt tussen de Commissie en de derde landen of interna­
tionale organisaties in kwestie. De Commissie moet het derde land of de internationale organisatie tijdig op de
hoogte brengen van haar motivering en met de andere partij in overleg treden om de situatie te verhelpen.

(108) Indien er geen adequaatheidsbesluit is genomen, dient de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker
maatregelen te nemen om het ontoereikende niveau van gegevensbescherming in een derde land te verhelpen
door middel van passende waarborgen voor de betrokkene. Dergelijke passende waarborgen kunnen erin bestaan
gebruik te maken van bindende bedrijfsvoorschriften, standaardbepalingen inzake gegevensbescherming die zijn
vastgesteld door de Commissie, standaardbepalingen inzake gegevensbescherming die zijn vastgesteld door een
toezichthoudende autoriteit of contractbepalingen die zijn toegestaan door een toezichthoudende autoriteit. Die
waarborgen moeten de naleving van gegevensbeschermingsvereisten en de geldende rechten van de betrokkenen
voor verwerkingen binnen de Unie waarborgen, waaronder de beschikbaarheid van afdwingbare rechten van
betrokkenen en van doeltreffende beroepen, zoals het instellen van administratief beroep of beroep in rechte en
het eisen van een vergoeding in de Unie of in een derde land. Zij moeten met name betrekking hebben op de
naleving van de algemene beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens, de beginselen van gegevensbe­
scherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen. Doorgiften kunnen ook worden
verricht door overheidsinstanties of -organen met overheidsinstanties of -organen in derde landen of met interna­
tionale organisaties met overeenkomstige taken en functies, ook op basis van bepalingen die moeten worden
opgenomen in administratieve regelingen, zoals een memorandum van overeenstemming met afdwingbare en
bruikbare rechten voor betrokkenen. De toestemming van de bevoegde toezichthoudende autoriteit zou moeten
worden verkregen wanneer de waarborgen worden geboden in niet juridisch bindende administratieve regelingen.

(109) Dat de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gebruik kan maken van standaardbepalingen inzake
gegevensbescherming die zijn vastgesteld door de Commissie of een toezichthoudende autoriteit, dient niet in te
(1) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene
voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door
de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/21

houden dat hij de standaardbepalingen inzake gegevensbescherming niet in een bredere overeenkomst mag
opnemen, zoals een overeenkomst tussen de verwerker en een andere verwerker, of geen andere bepalingen of
extra waarborgen mag toevoegen, mits deze niet direct of indirect in tegenspraak zijn met de door de Commissie
of een toezichthoudende autoriteit vastgestelde standaardcontractbepalingen en geen afbreuk doen aan de
grondrechten of de fundamentele vrijheden van de betrokkenen. Verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers
moeten worden aangemoedigd om via contractuele verplichtingen meer waarborgen te bieden in aanvulling op
de standaardclausules inzake gegevensbescherming.
(110) Een concern of een groepering van ondernemingen die een gezamenlijke economische activiteit beoefent, dient
voor zijn internationale doorgiften uit de Unie naar organisaties binnen hetzelfde concern of dezelfde groepering
van ondernemingen die een gezamenlijke economische activiteit beoefent te kunnen gebruikmaken van
goedgekeurde bindende bedrijfsvoorschriften, mits daarin alle essentiële beginselen en afdwingbare rechten zijn
vastgelegd die passende waarborgen bieden ten aanzien van de doorgifte of categorieën van doorgiften van
persoonsgegevens.
(111) Doorgifte dient mogelijk te zijn in bepaalde gevallen waarin de betrokkene daartoe uitdrukkelijk toestemming
heeft gegeven, wanneer de doorgifte incidenteel en noodzakelijk is in het kader van een overeenkomst of van een
rechtsvordering, ongeacht of het een gerechtelijke of een administratieve of buitengerechtelijke procedure betreft,
waaronder procedures bij regelgevingsinstanties. Doorgifte dient ook mogelijk te zijn wanneer in het Unierecht of
het lidstatelijke recht vastgelegde gewichtige redenen van algemeen belang zulks vereisen, of wanneer het gaat om
een doorgifte uit een bij de wet ingesteld register dat bedoeld is voor raadpleging door het publiek of personen
met een gerechtvaardigd belang. In laatstgenoemd geval mogen bij een dergelijke doorgifte niet alle van de in dit
register opgenomen persoonsgegevens of categorieën van gegevens worden verstrekt; wanneer een register
bedoeld is voor raadpleging door personen met een gerechtvaardigd belang, mag de doorgifte slechts
plaatsvinden op verzoek van deze personen of wanneer de gegevens voor hen zijn bestemd, waarbij ten volle
rekening wordt gehouden met de belangen en de grondrechten van de betrokkene.
(112) Die afwijkingen dienen met name te gelden voor gegevensdoorgiften die nodig zijn op grond van gewichtige
redenen van algemeen belang, zoals internationale gegevensuitwisselingen tussen mededingingsautoriteiten,
belasting- of douanediensten, financiële toezichthoudende autoriteiten, diensten met bevoegdheid op het gebied
van de sociale zekerheid of de volksgezondheid, bijvoorbeeld in geval van opsporing van contacten in het kader
van de bestrijding van besmettelijke ziekten of met het oog op de terugdringing en/of uitbanning van doping in
de sport. Doorgifte van persoonsgegevens dient ook als rechtmatig te worden beschouwd wanneer deze nodig is
voor de bescherming van een belang dat essentieel is voor de vitale belangen van de betrokkene of een andere
persoon, daaronder begrepen diens fysieke integriteit of leven, indien de betrokkene niet in staat is zijn
toestemming te geven. Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit kan het Unierecht of het lidstatelijke recht
om gewichtige redenen van algemeen belang uitdrukkelijk grenzen stellen aan de doorgifte van specifieke
categorieën van gegevens naar een derde land of een internationale organisatie. De lidstaten moeten dergelijke
bepalingen aan de Commissie meedelen. Iedere doorgifte aan een internationale humanitaire organisatie van
persoonsgegevens van een betrokkene die lichamelijk of juridisch niet in staat is toestemming te geven, kan,
indien zij plaatsvindt met het oog op de uitvoering van een opdracht die krachtens de Verdragen van Genève of
met het oog op de naleving van het internationaal humanitair recht in gewapende conflicten, worden beschouwd
als noodzakelijk in het kader van een gewichtige reden van algemeen belang of omdat het van vitaal belang is
voor de betrokkene.
(113) Doorgiften die als niet repetitief kunnen worden omschreven en slechts een klein aantal betrokkenen betreffen,
dienen ook mogelijk te zijn voor de behartiging van dwingende gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsver­
antwoordelijke, wanneer de belangen of de rechten en vrijheden van de betrokkene niet zwaarder wegen dan die
belangen en wanneer de verwerkingsverantwoordelijke alle omstandigheden in verband met de gegevensdoorgifte
heeft beoordeeld. De verwerkingsverantwoordelijke besteedt bijzondere aandacht aan de aard van de persoonsge­
gevens, het doel en de duur van de voorgestelde verwerking of verwerkingen, alsmede aan de situatie in het land
van herkomst, het derde land en het land van de uiteindelijke bestemming en moet voorzien in passende
waarborgen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van hun persoonsgegevens. Zulke doorgiften mogen alleen mogelijk zijn in
restgevallen waarbij de overige gronden voor doorgifte niet van toepassing zijn. Met het oog op wetenschappelijk
of historisch onderzoek of statistische doeleinden dient rekening te worden gehouden met de gerechtvaardigde
verwachting van de maatschappij dat er sprake is van kennisvermeerdering. De verwerkingsverantwoordelijke
dient de toezichthoudende autoriteit en de betrokkene van de doorgifte op de hoogte te stellen.
(114) Wanneer de Commissie niet heeft besloten of het niveau van gegevensbescherming in een derde land passend is,
dient de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker hoe dan ook gebruik te maken van middelen die de
betrokkenen ook na de doorgifte van hun gegevens afdwingbare en bruikbare rechten in de Unie verlenen met
betrekking tot de verwerking ervan opdat zij de grondrechten en waarborgen kunnen blijven genieten.

L 119/22

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

(115) Sommige derde landen stellen wetten, bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtshandelingen vast waarmee
wordt beoogd de gegevensverwerkingsactiviteiten van natuurlijke personen en rechtspersonen die onder de
jurisdictie van de lidstaten vallen, rechtstreeks te regelen. Hierbij kan het onder meer gaan om rechterlijke
beslissingen of besluiten van administratieve instanties van derde landen die van de verwerkingsverantwoordelijke
of de verwerker verlangen dat hij persoonsgegevens doorgeeft of verstrekt, en die niet zijn gestoeld op een
geldende internationale overeenkomst, zoals een verdrag inzake wederzijds rechtshulp, tussen het verzoekende
derde land en de Unie of de lidstaat in kwestie. De extraterritoriale toepassing van deze wetten, bestuursrechtelijke
bepalingen en andere rechtshandelingen kan in strijd zijn met het internationaal recht en een belemmering
vormen voor de bij deze verordening gegarandeerde bescherming van natuurlijke personen in de Unie.
Doorgiften mogen alleen kunnen plaatsvinden wanneer is voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening
worden gesteld aan doorgifte aan derde landen. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer openbaarmaking
nodig is voor een algemeen belang dat erkend is in het Unierecht of het lidstatelijke recht waarvan de verwer­
kingsverantwoordelijke onderdaan is.
(116) Bij grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens naar landen buiten de Unie kan het voor natuurlijke
personen moeilijker worden hun gegevensbeschermingsrechten uit te oefenen, met name teneinde zich te
beschermen tegen onrechtmatig gebruik of onrechtmatige openbaarmaking van die informatie. Bovendien kan het
voor toezichthoudende autoriteiten onmogelijk worden klachten te behandelen of onderzoek te verrichten met
betrekking tot activiteiten in het buitenland. Daarnaast kunnen hun mogelijkheden tot grensoverschrijdende
samenwerking worden belemmerd door ontoereikende preventieve of corrigerende bevoegdheden, inconsistente
rechtskaders en praktische obstakels, zoals beperkte middelen. Daarom dient nauwere samenwerking tussen de
toezichthoudende autoriteiten op het gebied van gegevensbescherming te worden bevorderd met het oog op de
uitwisseling van informatie met soortgelijke instanties in het buitenland. Met het oog op de ontwikkeling van
internationale samenwerkingsmechanismen om bij de handhaving van de wetgeving inzake de bescherming van
persoonsgegevens internationale wederzijdse bijstand te faciliteren en te verlenen, moeten de Commissie en de
toezichthoudende autoriteiten bij activiteiten op het gebied van de uitoefening van hun bevoegdheden informatie
uitwisselen en samenwerken met bevoegde autoriteiten in derde landen, op basis van wederkerigheid en overeen­
komstig deze verordening.
(117) Het is voor de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens van
wezenlijk belang dat in elke lidstaat een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld die bevoegd is haar taken en
bevoegdheden volstrekt onafhankelijk uit te oefenen. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om in overeen­
stemming met hun constitutionele, organisatorische en bestuurlijke structuur meer dan één toezichthoudende
autoriteit in te stellen.
(118) De onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteiten houdt niet in dat de toezichthoudende autoriteiten
niet kunnen worden onderworpen aan controle- of toezichtsmechanismen betreffende hun financiële uitgaven of
aan rechterlijke toetsing.
(119) Wanneer een lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten instelt, dient die lidstaat bij wet mechanismen in te
stellen om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteiten effectief deelnemen aan het coherentieme­
chanisme. De lidstaat in kwestie dient met name de toezichthoudende autoriteit aan te wijzen die optreedt als
enig contactpunt voor de effectieve deelname van die autoriteiten aan de toetsing, teneinde een vlotte en soepele
samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten, het Comité en de Commissie te verzekeren.
(120) Iedere toezichthoudende autoriteit dient te beschikken over de financiële en personele middelen en de bedrijfs­
ruimten en infrastructuur die noodzakelijk zijn om haar taken, waaronder die in het kader van wederzijdse
bijstand en samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten in de Unie, effectief uit te voeren. Iedere
toezichthoudende autoriteit dient over een eigen, openbare jaarlijkse begroting te beschikken, die deel kan
uitmaken van de algemene staats- of nationale begroting.
(121) De algemene voorwaarden voor de leden van de toezichthoudende autoriteit dienen in elke lidstaat bij wet te
worden vastgesteld en dienen met name te bepalen dat de leden door middel van een transparante procedure
hetzij door het parlement, de regering of het staatshoofd van de lidstaat worden benoemd op voordracht van de
regering, een lid van de regering, het parlement of een kamer van het parlement, hetzij door een daartoe bij
lidstatelijk recht belaste onafhankelijke instantie. Teneinde de onafhankelijkheid van de toezichthoudende
autoriteit te waarborgen, dienen de leden van de toezichthoudende autoriteit integer te handelen, zich te
onthouden van alle handelingen die onverenigbaar zijn met hun taken en gedurende hun ambtstermijn geen al
dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheden te verrichten die onverenigbaar zijn met hun taken. De toezicht­
houdende autoriteit dient over eigen personeelsleden te beschikken, geselecteerd door de toezichthoudende
autoriteit of een bij lidstatelijk recht ingestelde onafhankelijke instantie die bij uitsluiting onder leiding van de
leden van de toezichthoudende autoriteit moet staan.
(122) Elke toezichthoudende autoriteit dient op het grondgebied van haar lidstaat bevoegd te zijn om de bevoegdheden
en taken uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend. Daaronder dienen met name te

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/23

vallen: de verwerking in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of
de verwerker op het grondgebied van zijn eigen lidstaat, de verwerking van persoonsgegevens door overheidsin­
stanties of particuliere organen die optreden in het algemeen belang, verwerking die gevolgen heeft voor
betrokkenen op haar grondgebied, of verwerking, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoor­
delijke of verwerker, gericht op betrokkenen die op haar grondgebied verblijven. Ook het behandelen van door
een betrokkene ingediende klachten, het evalueren van de toepassing van deze verordening en het beter bekend
maken van het brede publiek met de risico's, regels, waarborgen en de rechten in verband met de verwerking van
persoonsgegevens dienen daaronder te vallen.
(123) De toezichthoudende autoriteiten dienen toezicht te houden op de toepassing van de krachtens deze verordening
vastgestelde bepalingen en bij te dragen tot de consequente toepassing daarvan in de gehele Unie, teneinde
natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en het vrije verkeer
van persoonsgegevens binnen de interne markt te vergemakkelijken. Daarom dienen de toezichthoudende
autoriteiten met elkaar en met de Commissie samen te werken, zonder dat er een akkoord tussen de lidstaten
nodig is over het verstrekken van wederzijdse bijstand of over zulke samenwerking.
(124) Wanneer de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwer­
kingsverantwoordelijke of een verwerker in Unie plaatsvindt en de werkingsverantwoordelijke of de verwerker in
meer dan één lidstaat is gevestigd, of wanneer de verwerking die in het kader van de activiteiten van een enkele
vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in Unie plaatsvindt, wezenlijke gevolgen heeft
of waarschijnlijk wezenlijke gevolgen zal hebben voor betrokkenen in meer dan één lidstaat, dient de toezicht­
houdende autoriteit van de hoofdvestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker of van de ene
vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker als de leidende toezichthoudende autoriteit op te
treden. Zij dient met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten samen te werken, omdat de verwerkings­
verantwoordelijke of de verwerker een vestiging op het grondgebied van hun lidstaat heeft, omdat op hun
grondgebied verblijvende betrokkenen wezenlijk worden geraakt, of omdat er bij hen een klacht is ingediend.
Wanneer een niet in die lidstaat verblijvende betrokkene een klacht heeft ingediend, dient de toezichthoudende
autoriteit waarbij die klacht is ingediend, ook een betrokken toezichthoudende autoriteit te worden. In het kader
van zijn taken om richtsnoeren betreffende vragen over de toepassing van deze verordening uit te vaardigen,
moet het Comité richtsnoeren kunnen uitvaardigen, met name over de in aanmerking te nemen criteria om na te
gaan of de verwerking in kwestie wezenlijke gevolgen heeft voor betrokkenen in meer dan één lidstaat, alsmede
over wat een relevant en gemotiveerd bezwaar vormt.
(125) De leidende toezichthoudende autoriteit moet bevoegd zijn om bindende besluiten vast te stellen betreffende
maatregelen ter toepassing van de overeenkomstig deze verordening aan haar toegekende bevoegdheden. In haar
hoedanigheid van leidende toezichthoudende autoriteit moet de toezichthoudende autoriteit de betrokken
toezichthoudende autoriteiten nauw betrekken en coördineren in het besluitvormingsproces. Wanneer wordt
besloten om de klacht van de betrokkene geheel of gedeeltelijk te verwerpen, moet dat besluit worden vastgesteld
door de toezichthoudende autoriteit bij wie de klacht is ingediend.
(126) Het besluit dient gezamenlijk door de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende
autoriteiten te worden goedgekeurd, gericht te zijn aan de hoofdvestiging of enige vestiging van de verwerkings­
verantwoordelijke of de verwerker en bindende gevolgen te hebben voor de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker dient de nodige maatregelen te treffen om deze
verordening na te leven en om het door de leidende toezichthoudende autoriteit aan de hoofdvestiging van de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker meegedeelde besluit betreffende de verwerkingsactiviteiten in de
Unie uit te voeren.
(127) Elke toezichthoudende autoriteit die niet optreedt als de leidende toezichthoudende autoriteit, dient bevoegd te
zijn lokale gevallen te behandelen waarbij de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in meer dan één
lidstaat is gevestigd, maar waarbij het onderwerp van de specifieke verwerking alleen een in een enkele lidstaat
verrichte verwerking betreft en daarbij alleen personen uit die ene lidstaat zijn betrokken, bijvoorbeeld wanneer
het de verwerking van persoonsgegevens van werknemers in de specifieke arbeidsmarktcontext van een lidstaat
betreft. In dergelijke gevallen dient de toezichthoudende autoriteit de leidende toezichthoudende autoriteit
onverwijld van de zaak in kennis te stellen. Nadat zij op de hoogte is gesteld, dient de leidende toezichthoudende
autoriteit te besluiten of zij de zaak zal behandelen krachtens de bepaling inzake samenwerking tussen de
leidende toezichthoudende autoriteit en andere betrokken toezichthoudende autoriteit („één-loketmechanisme”),
dan wel of de toezichthoudende autoriteit die haar van de zaak in kennis heeft gesteld, deze op lokaal niveau
dient te behandelen. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit besluit of zij de zaak al dan niet zal
behandelen, dient zij rekening te houden met het al dan niet bestaan van een vestiging van de verwerkingsverant­
woordelijke of de verwerker in de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die haar in kennis heeft gesteld,
opdat kan worden gegarandeerd dat een beslissing daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd ten aanzien van de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit besluit de zaak

L 119/24

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

te behandelen, dient de toezichthoudende autoriteit die haar in kennis heeft gesteld, de mogelijkheid te hebben
een ontwerp van besluit in te dienen, en dient de leidende toezichthoudende autoriteit daarmee maximaal
rekening te houden wanneer zij haar ontwerpbesluit in het kader van dat één-loketmechanisme opstelt.

(128) De regels betreffende de leidende toezichthoudende autoriteit en het één-loketmechanisme mogen niet gelden
wanneer de verwerking door overheidsinstanties of particuliere organen in het algemeen belang wordt verricht. In
die gevallen dient de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de overheidsinstantie of het particuliere
orgaan is gevestigd, de enige overeenkomstig deze verordening bevoegde toezichthoudende autoriteit te zijn.

(129) Met het oog op een consequent toezicht en eenvormige handhaving van deze verordening in de gehele Unie
dienen de toezichthoudende autoriteiten in alle lidstaten dezelfde taken en feitelijke bevoegdheden te hebben,
waaronder de bevoegdheden om onderzoek te verrichten, corrigerende maatregelen te nemen en sancties op te
leggen, machtiging te verlenen en adviezen te verstrekken, in het bijzonder bij klachten van natuurlijke personen,
en om, onverminderd de bevoegdheden die aan de met vervolging belaste autoriteiten conform het lidstatelijke
recht zijn toegekend, inbreuken op deze verordening ter kennis van de rechterlijke instanties te brengen en
gerechtelijke procedures in te leiden. Tot die bevoegdheden dient ook de bevoegdheid te behoren om een tijdelijke
of definitieve beperking van de verwerking, waaronder een verwerkingsverbod, voor de verwerking op te leggen.
De lidstaten kunnen krachtens deze verordening andere aan de bescherming van persoonsgegevens verwante
taken specificeren. De bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten moeten overeenkomstig passende in
het Unierecht en het lidstatelijke recht bepaalde procedurele waarborgen, onpartijdig, behoorlijk en binnen een
redelijke termijn worden uitgeoefend. Elke maatregel dient met name passend, noodzakelijk en evenredig te zijn
met het oog op naleving van deze verordening en rekening houdend met de omstandigheden van elk individueel
geval, het recht van iedere persoon te eerbiedigen om vóór het nemen van enige individuele maatregel die voor
hem nadelige gevolgen zou hebben te worden gehoord, en overbodige kosten en buitensporige ongemakken voor
de personen in kwestie te vermijden. Onderzoeksbevoegdheden betreffende toegang tot terreinen moeten overeen­
komstig de specifieke voorschriften van het lidstatelijke procesrecht, zoals een verplichte voorafgaande
toestemming van een rechterlijke instantie, worden uitgeoefend. Elke juridisch bindende maatregel van de
toezichthoudende autoriteit dient schriftelijk, duidelijk en ondubbelzinnig te zijn, de toezichthoudende autoriteit
die de maatregel heeft uitgevaardigd en de datum van uitvaardiging te vermelden, door het hoofd of een door het
hoofd gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit ondertekend te zijn, de redenen voor de maatregel te
bevatten en naar het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te verwijzen. Dit dient bijkomende
voorschriften overeenkomstig het lidstatelijke procesrecht niet uit te sluiten. De vaststelling van juridisch
bindende besluiten impliceert de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing in de lidstaat van de toezichthoudende
autoriteit die het besluit heeft vastgesteld.

(130) Wanneer de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, niet de leidende toezichthoudende
autoriteit is, dient de leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig de bepalingen van deze verordening
betreffende samenwerking en coherentie nauw samen te werken met de toezichthoudende autoriteit waarbij de
klacht is ingediend. In dergelijke gevallen dient de leidende toezichthoudende autoriteit bij het nemen van
maatregelen die rechtsgevolgen beogen te hebben, waaronder het opleggen van administratieve geldboeten,
verregaand rekening te houden met het standpunt van de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is
ingediend en die bevoegd moet blijven om, in overleg met de leidende toezichthoudende autoriteit, elk onderzoek
te verrichten op het grondgebied van haar eigen lidstaat.

(131) Indien een andere toezichthoudende autoriteit als leidende toezichthoudende autoriteit dient op te treden voor de
verwerkingsactiviteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, maar het voorwerp van een klacht
of een mogelijke inbreuk alleen verwerkingsactiviteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in
de lidstaat waar de klacht is ingediend of waar de inbreuk is opgespoord betreft en het geval geen wezenlijke
gevolgen heeft of dreigt te hebben voor betrokkenen in andere lidstaten, dient de toezichthoudende autoriteit
waarbij een klacht wordt ingediend, of die situaties die mogelijke inbreuken op deze verordening inhouden, op
het spoor is gekomen of er op een andere manier over wordt geïnformeerd, te trachten een minnelijke schikking
met de verwerkingsverantwoordelijke te treffen en, indien dit niet mogelijk is, de volle reikwijdte van haar
bevoegdheden uit te oefenen. Daaronder dienen te vallen: specifieke verwerking op het grondgebied van de
lidstaat van de toezichthoudende autoriteit of met betrekking tot betrokkenen op het grondgebied van die
lidstaat; verwerking in het kader van een aanbod van goederen of diensten dat specifiek is gericht op betrokkenen
op het grondgebied van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit; of verwerking die met inachtneming van
de relevante lidstatelijke wettelijke verplichtingen moet worden beoordeeld.

(132) De toezichthoudende autoriteiten dienen bij voorlichtingsactiviteiten voor het publiek specifieke maatregelen te
nemen voor de verwerkingsverantwoordelijken en de verwerkers, waaronder kleine, middelgrote en microondernemingen, alsmede natuurlijke personen, met name in het onderwijs.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/25

(133) De toezichthoudende autoriteiten dienen elkaar bij de uitvoering van hun taken met het oog op de consequente
toepassing en eenvormige handhaving van deze verordening binnen de interne markt bijstand te verlenen. Een
om wederzijdse bijstand verzoekende toezichthoudende autoriteit kan een voorlopige maatregel treffen indien het
geen antwoord ontvangt op een verzoek om wederzijdse bijstand binnen één maand na ontvangst van dat
verzoek door de andere toezichthoudende autoriteit.
(134) Iedere toezichthoudende autoriteit dient in voorkomend geval deel te nemen aan gezamenlijke acties met andere
toezichthoudende autoriteiten. Iedere aangezochte toezichthoudende autoriteit dient verplicht te zijn binnen een
welbepaalde termijn op het verzoek te reageren.
(135) Om te zorgen dat deze verordening in de gehele Unie consequent wordt toegepast, dient een coherentieme­
chanisme voor samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten te worden vastgesteld. Dat mechanisme
dient met name toepasselijk te zijn wanneer een toezichthoudende autoriteit voornemens is betreffende verwer­
kingsactiviteiten met wezenlijke gevolgen voor een betekenisvol aantal betrokkenen in verscheidene lidstaten een
maatregel vast te stellen waarmee rechtsgevolgen worden beoogd. Het dient ook van toepassing te zijn wanneer
een betrokken toezichthoudende autoriteit of de Commissie verzoekt om een dergelijke aangelegenheid aan het
coherentiemechanisme te onderwerpen. Dat mechanisme dient geen afbreuk te doen aan maatregelen die de
Commissie kan nemen in de uitoefening van de bevoegdheden die haar bij de Verdragen zijn toegekend.
(136) Bij de toepassing van het coherentiemechanisme dient het Comité binnen een bepaalde termijn een advies uit te
brengen, indien een meerderheid van zijn leden daartoe beslist of indien een betrokken toezichthoudende
autoriteit of de Commissie daarom verzoekt. Het Comité moet ook bevoegd zijn om juridisch bindende besluiten
vast te stellen wanneer er geschillen bestaan tussen toezichthoudende autoriteiten. In welomschreven gevallen
waarin er tussen toezichthoudende autoriteiten, met name in de procedure voor samenwerking tussen de leidende
toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten, meningsverschillen over de zaak
bestaan, met name over de vraag of er sprake is van een inbreuk op deze verordening, dient het Comité in
beginsel met een tweederdemeerderheid van de leden juridisch bindende besluiten uit te vaardigen.
(137) Er kan dringend moeten worden opgetreden om de rechten en vrijheden van de betrokkenen te beschermen, met
name wanneer het gevaar bestaat dat de handhaving van een recht van een betrokkene aanzienlijk zou kunnen
worden belemmerd. Daarom moet een toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied naar behoren
gemotiveerde voorlopige maatregelen kunnen treffen met een vastgestelde geldigheidsduur van maximaal drie
maanden.
(138) In de gevallen waarin die toetsing verplicht is, dient het verrichten ervan een voorwaarde te zijn voor de rechtma­
tigheid van een maatregel van een toezichthoudende autoriteit waarmee rechtsgevolgen worden beoogd. In
andere grensoverschrijdende gevallen dient de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende
autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteit te worden toegepast. Op een bilaterale of multilaterale
basis kan tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten wederzijdse bijstand worden verleend en kunnen er
gezamenlijke maatregelen worden uitgevoerd zonder dat zulks aanleiding geeft tot toepassing van het coherentie­
mechanisme.
(139) Teneinde de consequente toepassing van de verordening te bevorderen, moet het Comité als een onafhankelijk
orgaan van de Unie worden opgericht. Ter verwezenlijking van zijn doelstellingen moet het Comité over rechts­
persoonlijkheid beschikken. Het Comité dient door zijn voorzitter te worden vertegenwoordigd. Dit comité dient
de bij Richtlijn 95/46/EG opgerichte Groep voor de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens te vervangen. Het dient te bestaan uit de hoofden van de toezichthoudende
autoriteit van iedere lidstaat en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of hun respectievelijke
vertegenwoordigers. De Commissie dient aan de activiteiten van het comité deel te nemen zonder stemrecht en de
Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming dient specifiek stemrecht te hebben. Het Comité dient bij te
dragen aan de consequente toepassing van deze verordening in de Unie, onder meer door de Commissie advies te
verlenen, met name over het beschermingsniveau in derde landen of in internationale organisaties, en de
samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten in de Unie te bevorderen. Het Comité dient bij de
uitvoering van zijn taken onafhankelijk op te treden.
(140) Het Comité dient te worden bijgestaan door een secretariaat dat door de Europese Toezichthouder voor gegevens­
bescherming wordt georganiseerd. De personeelsleden van de Europese Toezichthouder voor gegevensbe­
scherming die betrokken zijn bij de uitvoering van de taken die krachtens deze verordening aan het Comité zijn
opgedragen, dienen hun taken uitsluitend te verrichten volgens de instructies van de voorzitter van het Comité,
en zij dienen aan hem verslag uit te brengen.
(141) Iedere betrokkene dient het recht te hebben om een klacht in te dienen bij één enkele toezichthoudende
autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, en een doeltreffende voorziening in rechte in te

L 119/26

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

stellen overeenkomstig artikel 47 van het Handvest indien hij meent dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit
hoofde van deze verordening of indien de toezichthoudende autoriteit niet optreedt naar aanleiding van een
klacht, een klacht gedeeltelijk of geheel verwerpt of afwijst, of indien deze niet optreedt wanneer zulk optreden
noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van de betrokkene. Het onderzoek dat naar aanleiding van een
klacht wordt uitgevoerd, gaat niet verder dan in het specifieke geval passend is en kan worden onderworpen aan
rechterlijke toetsing. De toezichthoudende autoriteit dient de betrokkene binnen een redelijke termijn in kennis te
stellen van de voortgang en het resultaat van de klacht. Indien de zaak verder onderzoek of coördinatie met een
andere toezichthoudende autoriteit vereist, dient de betrokkene tussentijdse informatie te worden verstrekt. Elke
toezichthoudende autoriteit dient maatregelen te treffen om het indienen van klachten te faciliteren, zoals het ter
beschikking stellen van een klachtenformulier dat tevens elektronisch kan worden ingevuld, zonder dat andere
communicatiemiddelen worden uitgesloten.
(142) Wanneer een betrokkene van oordeel is dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van deze verordening,
moet hij het recht hebben organen, organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, die overeenkomstig het
recht van een lidstaat zijn opgericht, die statutaire doelstellingen hebben die in het publieke belang zijn en die
actief zijn op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, te machtigen om namens hem een klacht in
te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, om namens betrokkenen het recht op een voorziening in rechte uit
te oefenen, of om namens betrokkenen het recht op de ontvangst van een vergoeding uit te oefenen indien dit in
het lidstatelijke recht is voorzien. De lidstaten kunnen bepalen dat deze organen, organisaties of verenigingen over
het recht beschikken om, ongeacht een eventuele machtiging door een betrokkene, in die lidstaat een klacht in te
dienen en over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, indien zij redenen hebben om aan te nemen
dat de rechten van een betrokkene zijn geschonden als gevolg van een verwerking van persoonsgegevens die
inbreuk maakt op deze verordening. Voor deze organen, organisaties of verenigingen kan worden bepaald dat zij
niet het recht hebben om namens een betrokkene een vergoeding te eisen buiten de machtiging door de
betrokkene om.
(143) Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft het recht om bij het Hof van Justitie een beroep tot nietigver­
klaring in te stellen tegen een besluit van het Comité, onder de in artikel 263 VWEU bedoelde voorwaarden. Als
adressaten van dergelijke besluiten dienen de betrokken toezichthoudende autoriteiten die wensen op te komen
tegen deze besluiten, binnen twee maanden na de kennisgeving ervan beroep in te stellen overeenkomstig
artikel 263 VWEU. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker of de klager rechtstreeks en
individueel wordt geraakt door besluiten van het Comité, kan hij binnen twee maanden na de bekendmaking
ervan op de website van het Comité een beroep tot nietigverklaring van deze besluiten instellen overeenkomstig
artikel 263 VWEU. Onverminderd dit recht uit hoofde van artikel 263 VWEU dient iedere natuurlijke of rechts­
persoon het recht te hebben om tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit dat ten aanzien van die
persoon rechtsgevolgen heeft, voor het bevoegde nationale gerecht een doeltreffende voorziening in rechte in te
stellen. Een dergelijk besluit heeft meer bepaald betrekking op de uitoefening van met onderzoek, correctie en
toestemming verband houdende bevoegdheden door de toezichthoudende autoriteit, of op de afwijzing van
klachten. Het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen geldt echter niet voor door de toezicht­
houdende autoriteiten getroffen maatregelen die niet juridisch bindend zijn, zoals adviezen. Een vordering tegen
een toezichthoudende autoriteit dient te worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezicht­
houdende autoriteit is gevestigd, en dient in overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat. Die
gerechten dienen volledige rechtsmacht uit te oefenen, waaronder rechtsmacht om alle feitelijke en juridische
vraagstukken in verband met het bij hen aanhangige geschil te onderzoeken.
Wordt een klacht door een toezichthoudende autoriteit afgewezen, dan kan de klager beroep instellen bij de
gerechten in dezelfde lidstaat. In het kader van de rechtsbevoegdheid in verband met de toepassing van deze
verordening, kunnen, of, in het geval van artikel 267 VWEU, moeten de nationale gerechten die van oordeel zijn
dat een beslissing ter zake noodzakelijk is voor het wijzen van hun vonnis, het Hof van Justitie verzoeken om een
prejudiciële beslissing over de uitlegging van het Unierecht, met inbegrip van deze verordening. Bovendien,
wanneer een besluit van een toezichthoudende autoriteit tot uitvoering van een besluit van het Comité wordt
betwist voor een nationaal gerecht en de geldigheid van het besluit van het Comité aan de orde is, heeft dat
nationale gerecht niet de bevoegdheid om het besluit van het Comité ongeldig te verklaren, maar dient zij,
wanneer zij het besluit ongeldig acht, de vraag inzake de geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie
overeenkomstig artikel 267 VWEU zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Een nationaal gerecht kan een vraag
inzake de geldigheid van een besluit van het Comité echter niet aan het Hof voorleggen op verzoek van een
natuurlijke of rechtspersoon die de mogelijkheid had om beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen,
met name wanneer hij rechtstreeks en individueel door dat besluit was geraakt, maar dit niet heeft gedaan binnen
de in artikel 263 VWEU gestelde termijn.
(144) Wanneer een gerecht waarbij een procedure aanhangig is gemaakt tegen een besluit van een toezichthoudende
autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat er bij een bevoegd gerecht in een andere lidstaat al een procedure is
ingeleid in verband met dezelfde verwerking, waarbij het bijvoorbeeld kan gaan om hetzelfde onderwerp van de
verwerking, dezelfde activiteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, of dezelfde aanleiding,

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/27

neemt zij contact op met die instantie om het bestaan van de verwante procedure te verifiëren. Indien er voor
een gerecht in een andere lidstaat een verwante procedure aanhangig is, kan ieder ander gerecht dan dat welk als
eerste is aangezocht zijn procedure schorsen, of kan het op verzoek van een van de partijen tot verwijzing naar
het eerst aangezochte gerecht overgaan, indien dat gerecht bevoegd is om van de procedure in kwestie kennis te
nemen en mits zijn wetgeving de voeging van die verwante procedures toestaat. Verwante procedures zijn
procedures waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige
behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke procedures onverenigbare beslissingen
worden gegeven.
(145) Voor procedures tegen een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker dient de klager te kunnen kiezen om
de zaak aanhangig te maken bij de gerechten in de lidstaat waar de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker
een vestiging heeft, of dit te doen in de lidstaat waar de betrokkene verblijft, tenzij de verwerkingsverantwoor­
delijke een overheidsinstantie van een lidstaat is die krachtens overheidsbevoegdheid handelt.
(146) De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker moeten alle schade vergoeden die iemand kan lijden ten
gevolge van een verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. De verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker moet van zijn aansprakelijkheid worden vrijgesteld indien hij bewijst dat hij niet verantwoordelijk is
voor de schade. Het begrip „schade” moet ruim worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van
Justitie, op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening. Dit laat eventuele eisen
tot schadeloosstelling wegens inbreuken op andere regels in het Unierecht of het lidstatelijke recht onverlet.
Onder verwerking die inbreuk maakt op deze verordening, valt eveneens een verwerking die inbreuk maakt op
gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die werden vastgesteld overeenkomstig deze verordening,
alsmede het lidstatelijke recht waarin in deze verordening vervatte regels worden gespecificeerd. De betrokkenen
dienen volledige en daadwerkelijke vergoeding van door hen geleden schade te ontvangen. Wanneer verwerkings­
verantwoordelijken of verwerkers betrokken zijn bij dezelfde verwerking, dienen zij elk voor de volledige schade
aansprakelijk te worden gehouden. Wanneer zij evenwel overeenkomstig het lidstatelijke recht zijn gevoegd in
dezelfde gerechtelijke procedure, kan elke verwerkingsverantwoordelijke of verwerker overeenkomstig zijn
aandeel in de verantwoordelijkheid voor de schade die door de verwerking werd veroorzaakt, een deel van de
vergoeding dragen, mits de betrokkene die schade heeft geleden volledig en daadwerkelijk wordt vergoed. Iedere
verwerkingsverantwoordelijke of verwerker die de volledige vergoeding heeft betaald kan vervolgens een regres­
vordering instellen tegen andere verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die bij dezelfde verwerking
betrokken zijn.
(147) Wanneer deze verordening voorziet in specifieke bevoegdheidsregels, met name wat betreft procedures die een
voorziening in rechte, met inbegrip van schadeloosstelling, tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker
beogen, dienen algemene bevoegdheidsregels, zoals die van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees
Parlement en de Raad (1), geen afbreuk te doen aan de toepassing van die specifieke regels.
(148) Met het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening dienen straffen, met inbegrip van
administratieve geldboeten, te worden opgelegd voor elke inbreuk op de verordening, naast of in plaats van
passende maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten ingevolge deze verordening worden opgelegd.
Indien het gaat om een kleine inbreuk of indien de te verwachten geldboete een onevenredige last zou
berokkenen aan een natuurlijk persoon, kan in plaats van een geldboete worden gekozen voor een berisping. Er
dient evenwel rekening te worden gehouden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het
opzettelijke karakter van de inbreuk, met schadebeperkende maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid,
of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze waarop de inbreuk ter kennis van de toezichthoudende
autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die werden genomen tegen de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met alle andere verzwarende of verzachtende
factoren. Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, moet onderworpen zijn aan
passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest,
waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling.
(149) De lidstaten moeten de regels betreffende straffen voor inbreuken op deze verordening kunnen vaststellen, onder
meer voor inbreuken op nationale regels ingevolge en binnen de grenzen van deze verordening. Die straffen
kunnen ook inhouden dat de via inbreuken op deze verordening verkregen winsten worden afgedragen. Het
opleggen van straffen voor inbreuken op dergelijke nationale regels en van administratieve sancties mag evenwel
niet resulteren in de inbreuk op het ne-bis-in-idembeginsel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.
(150) Teneinde de administratieve straffen tegen inbreuken op deze verordening te versterken en te harmoniseren dient
iedere toezichthoudende autoriteit bevoegd te zijn om administratieve geldboeten op te leggen. In deze
(1) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid,
de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).

L 119/28

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

verordening dienen inbreuken te worden benoemd, evenals maxima en criteria voor de vaststelling van de
daaraan verbonden administratieve geldboeten, die per afzonderlijk geval dienen te worden bepaald door de
bevoegde toezichthoudende autoriteit, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van de specifieke
situatie, met inachtneming van met name de aard, de ernst en de duur van de inbreuk en van de gevolgen ervan
en de maatregelen die zijn genomen om naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te
waarborgen en de gevolgen van de inbreuk te voorkomen of te beperken. Wanneer de administratieve geldboeten
worden opgelegd aan een onderneming, moet een onderneming in die context worden gezien als een
onderneming overeenkomstig de artikelen 101 en 102 van het VWEU. Wanneer administratieve geldboeten
worden opgelegd aan personen die geen onderneming zijn, moet de toezichthoudende autoriteit bij het bepalen
van een passend bedrag voor de geldboete rekening houden met het algemene inkomensniveau in de lidstaat en
de economische situatie van de persoon in kwestie. Het coherentiemechanisme kan ook worden gebruikt ter
bevordering van een consequente toepassing van administratieve geldboeten. Het dient aan de lidstaten te zijn om
te bepalen of en in hoeverre overheidsinstanties aan administratieve geldboeten moeten zijn onderworpen. Het
opleggen van een administratieve geldboete of het geven van een waarschuwing heeft geen gevolgen voor de
uitoefening van andere bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten of voor het toepassen van andere
sancties uit hoofde van deze verordening.
(151) De rechtssystemen van Denemarken en Estland laten de in deze verordening beschreven administratieve
geldboeten niet toe. De regels over administratieve geldboeten kunnen op een zodanige wijze worden toegepast
dat de boete in Denemarken als een strafrechtelijke sanctie door een bevoegd gerecht, en in Estland in het kader
van een procedure voor strafbare feiten door de toezichthoudende autoriteit wordt opgelegd, op voorwaarde dat
deze toepassingen van de regels in die lidstaten eenzelfde werking hebben als administratieve geldboeten die door
toezichthoudende autoriteiten worden opgelegd. Daarom dienen de bevoegde nationale gerechten rekening te
houden met de aanbeveling van de toezichthoudende autoriteit die de boete heeft geïnitieerd. De boeten dienen
in elk geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.
(152) Waar deze verordening niet voorziet in een harmonisering van de administratieve straffen of indien nodig in
andere gevallen, bijvoorbeeld bij ernstige inbreuken op deze verordening, dienen de lidstaten een systeem toe te
passen dat zorgt voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen. De aard van die straffen, strafrechtelijk
of administratief, dient te worden bepaald in het lidstatelijke recht.
(153) In de wetgeving van de lidstaten moeten de regels betreffende de vrijheid van meningsuiting en van informatie,
met inbegrip van journalistieke, academische, artistieke en/of literaire uitdrukkingsvormen in overeenstemming
worden gebracht met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening. Voor de
verwerking van persoonsgegevens enkel voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke
en literaire uitdrukkingsvormen moeten afwijkingen van of uitzonderingen op een aantal bepalingen van deze
verordening worden ingesteld, teneinde indien nodig het recht op bescherming van persoonsgegevens te
verzoenen met het recht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie, zoals dat in artikel 11 van het
Handvest is vastgelegd. Dit dient met name te gelden voor de verwerking van persoonsgegevens voor
audiovisuele doeleinden en in nieuws- en persarchieven. De lidstaten moeten derhalve wettelijke maatregelen
treffen om de uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen die nodig zijn om een evenwicht tussen die
grondrechten tot stand te brengen. De lidstaten dienen dergelijke uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen
met betrekking tot de algemene beginselen, de rechten van betrokkenen, de verwerkingsverantwoordelijke en de
verwerker, de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen of internationale organisaties, de onafhankelijke
toezichthoudende autoriteiten, samenwerking en coherentie, en betreffende specifieke situaties op het gebied van
gegevensverwerking. Indien die uitzonderingen of afwijkingen per lidstaat verschillen, is het recht van de lidstaat
waaraan de verwerkingsverantwoordelijke is onderworpen, van toepassing. Gelet op het belang van het recht van
vrijheid van meningsuiting in elke democratische samenleving, dienen begrippen die betrekking hebben op die
vrijheid, zoals journalistiek, ruim te worden uitgelegd.
(154) Deze verordening biedt de mogelijkheid om bij de toepassing daarvan rekening te houden met het beginsel recht
van toegang van het publiek tot officiële documenten. De toegang van het publiek tot officiële documenten kan
als een algemeen belang worden beschouwd. Persoonsgegevens in documenten die in het bezit zijn van een
overheidsinstantie of overheidsorgaan, moeten door die instantie of dat orgaan kunnen worden vrijgegeven,
indien in het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of het overheidsorgaan van
toepassing is, in de vrijgave van die gegevens wordt voorzien. Die wetgeving moet de toegang van het publiek tot
officiële documenten en het hergebruik van overheidsinformatie verzoenen met het recht op bescherming van
persoonsgegevens, en mag derhalve voorzien in de noodzakelijke afstemming op het recht op de bescherming
van persoonsgegevens krachtens deze verordening. De verwijzing naar overheidsinstanties en -organen in die
context moet alle autoriteiten en andere organen die onder het lidstatelijke recht inzake de toegang van het
publiek tot documenten vallen, omvatten. Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) doet
geen afbreuk aan en heeft geen gevolgen voor het niveau van bescherming van natuurlijke personen in verband
(1) Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie
(PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/29

met de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van het Unierecht en het lidstatelijke recht, en houdt met
name geen wijziging in van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen en rechten. Meer bepaald mag die
richtlijn niet gelden voor documenten die krachtens de toegangsregelingen niet of in beperkte mate mogen
worden ingezien omwille van de bescherming van persoonsgegevens, en voor delen van documenten die
krachtens die regelingen mogen worden ingezien, maar die persoonsgegevens bevatten waarvan het hergebruik bij
wet onverenigbaar is verklaard met het recht inzake bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens.
(155) In het lidstatelijke recht of in collectieve overeenkomsten, met inbegrip van „bedrijfsovereenkomsten”, kunnen
specifieke regels worden vastgesteld voor de verwerking van de persoonsgegevens van werknemers in het kader
van de arbeidsverhouding, met name voor de voorwaarden waaronder persoonsgegevens in de arbeidsverhouding
op basis van de toestemming van de werknemer mogen worden verwerkt, voor de aanwerving, voor de
uitvoering van de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van de naleving van wettelijke of uit collectieve overeen­
komsten voortvloeiende verplichtingen, voor het beheer, de planning en de organisatie van de arbeid, voor
gelijkheid, diversiteit, gezondheid en veiligheid op het werk, voor de uitoefening en het genot van de met de
arbeidsverhouding samenhangende individuele of collectieve rechten en voordelen, en voor de beëindiging van de
arbeidsverhouding.
(156) De verwerking van persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of
historisch onderzoek of statistische doeleinden, dient onderworpen te zijn aan passende waarborgen voor de
rechten en vrijheden van de betrokkenen overeenkomstig deze verordening. Die waarborgen dienen ervoor te
zorgen dat technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om met name de inachtneming van het
beginsel gegevensminimalisering te verzekeren. De verdere verwerking van persoonsgegevens met het oog op
archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek, of statistische doeleinden dient te
worden uitgevoerd wanneer de verwerkingsverantwoordelijke heeft beoordeeld of deze doeleinden te verwezen­
lijken zijn door persoonsgegevens te verwerken op basis waarvan de betrokkenen niet of niet meer geïdentificeerd
kunnen worden, op voorwaarde dat passende waarborgen bestaan,zoals de pseudonimisering van de persoonsge­
gevens. De lidstaten dienen passende waarborgen te bieden voor de verwerking van persoonsgegevens met het
oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden.
De lidstaten dienen te worden gemachtigd om, onder specifieke voorwaarden en met passende waarborgen voor
de betrokkenen, nader te bepalen welke specificaties en afwijkingen gelden voor de informatievoorschriften, en te
voorzien in het recht op rectificatie, het recht op wissing, het recht op vergetelheid, het recht op beperking van
de verwerking en het recht van gegevensoverdraagbaarheid en het recht van bezwaar tegen verwerking van
persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek
of statistische doeleinden. Indien dit tegen de achtergrond van de met de specifieke verwerking beoogde
doeleinden passend is, kunnen in de genoemde voorwaarden en waarborgen specifieke procedures voor de
uitoefening van deze rechten door betrokkenen worden opgenomen, in combinatie met technische en organisato­
rische maatregelen om, in het licht van de evenredigheids- en noodzaakbeginselen, het verwerken van persoons­
gegevens tot een minimum te beperken. De verwerking van persoonsgegevens voor wetenschappelijke doeleinden
dient ook te voldoen aan andere toepasselijke wetgeving, zoals die over klinische proeven.
(157) Door gegevens uit verschillende registers te koppelen, kunnen onderzoekers nieuwe en zeer waardevolle kennis
verwerven over veel voorkomende medische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, kanker en depressie.
Omdat zij op een groter deel van de bevolking zijn gebaseerd, kunnen onderzoeksresultaten met behulp van
registers worden verbeterd. In de sociale wetenschappen kunnen wetenschappers dankzij registeronderzoek
essentiële kennis verwerven over de wisselwerking op lange termijn van een aantal sociale factoren, zoals
werkloosheid en onderwijs met andere levensomstandigheden. Onderzoeksresultaten die door middel van
registers worden verkregen, leveren solide kennis van hoge kwaliteit op, die kan worden gebruikt om een op
kennis gebaseerd beleid te ontwikkelen en te implementeren, de levenskwaliteit van een deel van de bevolking te
verbeteren, en sociale diensten efficiënter te maken. Daarom moet, teneinde wetenschappelijk onderzoek te
faciliteren, worden bepaald dat persoonsgegevens, met inachtneming van de passende voorwaarden en
waarborgen die in het Unierecht of het lidstatelijke recht zijn vastgesteld, met het oog op wetenschappelijk
onderzoek mogen worden verwerkt.
(158) Wanneer persoonsgegevens voor archiveringsdoeleinden worden verwerkt, dient deze verordening ook voor
verwerking met dit doel te gelden, met dien verstande dat deze verordening niet van toepassing mag zijn op
persoonsgegevens van overleden personen. Overheidsinstanties of openbare of particuliere organen die in het
bezit zijn van gegevens van algemeen belang moeten diensten zijn die, conform het Unierecht of het lidstatelijke
recht, wettelijk verplicht zijn gegevens van blijvende waarde voor het algemeen belang te verwerven, te bewaren,
te beoordelen, te ordenen, te beschrijven, mee te delen, onder de aandacht te brengen, te verspreiden en
toegankelijk te maken. De lidstaten moeten tevens worden gemachtigd om te bepalen dat persoonsgegevens voor
archiveringsdoeleinden verder mogen worden verwerkt, bijvoorbeeld met het oog op het verstrekken van
specifieke informatie over het politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, over genocide, misdaden tegen
de menselijkheid, met name de Holocaust, of over oorlogsmisdaden.

L 119/30

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

(159) Wanneer persoonsgegevens met het oog op wetenschappelijk onderzoek worden verwerkt, moet deze
verordening ook op verwerking met dat doel van toepassing zijn. Voor de toepassing van deze verordening moet
de verwerking van persoonsgegevens met het oog op wetenschappelijk onderzoek ruim worden opgevat en
bijvoorbeeld technologische ontwikkeling en demonstratie, fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en uit
particuliere middelen gefinancierd onderzoek omvatten. Bovendien dient de doelstelling van de Unie uit hoofde
van artikel 179, lid 1, VWEU, te weten de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte, in acht te
worden genomen. Wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden omvatten ook studies op het gebied van de volksge­
zondheid die in het algemeen belang worden gedaan. Om als verwerking van persoonsgegevens et het oog op
wetenschappelijk onderzoek te worden aangemerkt, moet de verwerking aan specifieke voorwaarden voldoen,
met name wat betreft het publiceren of anderszins openbaar maken van persoonsgegevens voor wetenschap­
pelijke onderzoeksdoeleinden. Indien de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, met name op het gebied van
gezondheid, aanleiding geven tot verdere maatregelen in het belang van de betrokkene, zijn met het oog op deze
maatregelen de algemene regels van deze verordening van toepassing.
(160) Wanneer persoonsgegevens met het oog op historisch onderzoek worden verwerkt, dient deze verordening ook
voor verwerking met dat doel te gelden. Dit dient ook historisch onderzoek en onderzoek voor genealogische
doeleinden te omvatten, met dien verstande dat deze verordening niet van toepassing mag zijn op overleden
personen.
(161) Wat betreft de toestemming voor deelname aan wetenschappelijke onderzoeksactiviteiten in klinische proeven
dienen de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de
Raad (1) van toepassing te zijn.
(162) Wanneer persoonsgegevens voor statistische doeleinden worden verwerkt, dient deze verordening voor
verwerking met dat doel te gelden. Bepalingen betreffende statistische inhoud, toegangscontrole, specificaties voor
het verwerken van persoonsgegevens voor statistische doeleinden en passende maatregelen ter bescherming van
de rechten en vrijheden van de betrokkene en ter verzekering van statistische geheimhouding dienen, binnen de
grenzen van deze verordening, in het Unierecht of het lidstatelijke recht te worden vastgesteld. Onder statistische
doeleinden wordt verstaan het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens die nodig zijn voor statistische
onderzoeken en voor het produceren van statistische resultaten. Die statistische resultaten kunnen ook voor
andere doeleinden worden gebruikt, onder meer voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden. doeleindenHet
statistische oogmerk betekent dat het resultaat van de verwerking voor statistische doeleinden niet uit persoonsge­
gevens, maar uit geaggregeerde gegevens bestaat, en dat dit resultaat en de persoonsgegevens niet worden
gebruikt als ondersteunend materiaal voor maatregelen of beslissingen die een bepaalde natuurlijke persoon
betreffen.
(163) De vertrouwelijke gegevens die statistische autoriteiten van de Unie en de lidstaten voor de productie van officiële
Europese en officiële nationale statistieken verzamelen, moeten worden beschermd. Europese statistieken moeten
worden ontwikkeld, geproduceerd en verspreid overeenkomstig de statistische beginselen van artikel 338, lid 2,
VWEU; nationale statistieken moeten ook aan het lidstatelijke recht voldoen. Verordening (EG) nr. 223/2009 van
het Europees Parlement en de Raad (2), bevatten nadere specificaties betreffende de statistische geheimhoudings­
plicht voor Europese statistieken.
(164) Met betrekking tot de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten om van de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker toegang tot persoonsgegevens en tot zijn bedrijfsruimten te verkrijgen, kunnen de
lidstaten binnen de grenzen van deze verordening bij wet specifieke regels vaststellen om het beroepsgeheim of
andere gelijkwaardige geheimhoudingsplichten te waarborgen, voor zover dit nodig is om het recht op
bescherming van persoonsgegevens met het beroepsgeheim te verzoenen. Daarbij worden de in de lidstaten
geldende verplichtingen om de regels van het beroepsgeheim na te leven wanneer het Unierecht zulks vereist,
onverlet gelaten.
(165) Overeenkomstig artikel 17 VWEU eerbiedigt deze verordening de status die kerken en religieuze verenigingen en
gemeenschappen volgens het vigerende constitutioneel recht in de lidstaten hebben, en doet zij daaraan geen
afbreuk.
(166) Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, namelijk de bescherming van de
grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen, in het bijzonder hun recht op de
(1) Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met genees­
middelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot
intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder
de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen,
Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot
oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/31

bescherming van persoonsgegevens, en het waarborgen van het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie,
dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen
vast te stellen. Met name dienen gedelegeerde handelingen te worden vastgesteld over de criteria en vereisten voor
certificeringsmechanismen, de informatie die door gestandaardiseerde icoontjes moet worden weergegeven en
over de procedures voor het verstrekken van die icoontjes. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar
voorbereidende werkzaamheden toereikende raadplegingen verricht, onder meer op deskundigenniveau. De
Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de
desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees
Parlement en aan de Raad.
(167) Om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening dienen aan de
Commissie uitvoeringsbevoegdheden te worden verleend waar dit in deze verordening is voorzien. Die
bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011. In die context dient
de Commissie specifieke maatregelen voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in overweging te nemen.
(168) De onderzoeksprocedure dient te worden toegepast voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen inzake
standaardcontractbepalingen tussen verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, en tussen verwerkers
onderling; gedragscodes; technische normen en mechanismen voor certificering; het door een derde land, een
gebied of een welbepaalde sector binnen dat derde land of een internationale organisatie geboden passend
beschermingsniveau; standaardbepalingen inzake bescherming; modellen en procedures voor de elektronische
uitwisseling van informatie tussen verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers en toezichthoudende autoriteiten
wat bindende bedrijfsvoorschriften betreft; wederzijdse bijstand; en regelingen voor de elektronische uitwisseling
van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten onderling en tussen toezichthoudende autoriteiten en het
Comité.
(169) Indien uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat een derde land, een gebied of een welbepaalde sector in dat
derde land, of een internationale organisatie geen passend beschermingsniveau waarborgt en wanneer dwingende
redenen van urgentie dat vereisen, dient de Commissie uitvoeringshandelingen vast te stellen die meteen in
werking treden.
(170) Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een gelijkwaardig niveau van
bescherming van natuurlijke personen en van het vrije verkeer van persoonsgegevens in de hele Unie, niet
voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en derhalve, gezien de omvang en de gevolgen van
de maatregelen, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van
het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeen­
komstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig
is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(171) Richtlijn 95/46/EG dient door deze verordening te worden vervangen. Verwerkingen die al gaande zijn op de
datum van toepassing van deze verordening, dienen overeenkomstig deze verordening te worden gebracht binnen
twee jaar na de inwerkingtreding ervan. Om de verwerkingsverantwoordelijke in staat te stellen na de datum van
toepassing van deze verordening de verwerking voort te zetten, hoeft de betrokkene voor een verwerking
waarmee hij krachtens Richtlijn 95/46/EG heeft ingestemd op een manier die aan de voorwaarden van deze
verordening voldoet, niet nog eens toestemming te geven. Besluiten van de Commissie en door de toezicht­
houdende autoriteiten verleende toestemmingen die op Richtlijn 95/46/EG zijn gebaseerd, blijven van kracht
totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken.
(172) De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van
Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 7 maart 2012 (1) advies uitgebracht.
(173) Deze verordening dient van toepassing te zijn op alle aangelegenheden die betrekking hebben op de bescherming
van grondrechten en fundamentele vrijheden in het kader van de verwerking van persoonsgegevens waarvoor de
in Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) opgenomen specifieke verplichtingen met
dezelfde doelstelling niet gelden, met inbegrip van de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de
rechten van natuurlijke personen. Om de verhouding tussen deze verordening en Richtlijn 2002/58/EG te verdui­
delijken, dient die richtlijn dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Zodra deze verordening is vastgesteld, dient
Richtlijn 2002/58/EG te worden geëvalueerd, met name om te zorgen voor samenhang met deze verordening,
(1) PB C 192 van 30.6.2012, blz. 7.
(2) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische
communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

L 119/32

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen
Artikel 1
Onderwerp en doelstellingen
1.
Bij deze verordening worden regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband
met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van persoonsgegevens.
2.
Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name
hun recht op bescherming van persoonsgegevens.
3.
Het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie wordt noch beperkt noch verboden om redenen die verband
houden met de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 2
Materieel toepassingsgebied
1.
Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de
verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden
opgenomen.
2.

Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens:

a) in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen;
b) door de lidstaten bij de uitvoering van activiteiten die binnen de werkingssfeer van titel V, hoofdstuk 2, VEU vallen;
c) door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit;
d) door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van
strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van
gevaren voor de openbare veiligheid.
3.
Op de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie is Verordening
(EG) nr. 45/2001 van toepassing. Verordening (EG) nr. 45/2001 en andere rechtshandelingen van de Unie die van
toepassing zijn op een dergelijke verwerking van persoonsgegevens worden overeenkomstig artikel 98 aan de beginselen
en regels van de onderhavige verordening aangepast.
4.
Deze verordening laat de toepassing van Richtlijn 2000/31/EG, en met name van de regels in de artikelen 12 tot
en met 15 van die richtlijn betreffende de aansprakelijkheid van als tussenpersoon optredende dienstverleners onverlet.

Artikel 3
Territoriaal toepassingsgebied
1.
Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van
een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie
al dan niet plaatsvindt.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/33

2.
Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Unie
bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, wanneer de verwerking
verband houdt met:
a) het aanbieden van goederen of diensten aan deze betrokkenen in de Unie, ongeacht of een betaling door de
betrokkenen is vereist; of
b) het monitoren van hun gedrag, voor zover dit gedrag in de Unie plaatsvindt.
3.
Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een verwerkingsverantwoor­
delijke die niet in de Unie is gevestigd, maar op een plaats waar krachtens het internationaal publiekrecht het lidstatelijke
recht van toepassing is.

Artikel 4
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de
betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïden­
tificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een
online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische,
psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
2) „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van
persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen,
structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van
doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of
vernietigen van gegevens;
3) „beperken van de verwerking”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens met als doel de verwerking ervan in
de toekomst te beperken;
4) „profilering”: elke vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoons­
gegevens bepaalde persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon worden geëvalueerd, met name met de
bedoeling zijn beroepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouw­
baarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen;
5) „pseudonimisering”: het verwerken van persoonsgegevens op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet meer
aan een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits
deze aanvullende gegevens apart worden bewaard en technische en organisatorische maatregelen worden genomen
om ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon
worden gekoppeld;
6) „bestand”: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht
of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid;
7) „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een
ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoons­
gegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het
lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens
welke criteria deze wordt aangewezen;
8) „verwerker”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/
dat ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt;
9) „ontvanger”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan,
al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt. Overheidsinstanties die mogelijk

L 119/34

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

persoonsgegevens ontvangen in het kader van een bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lidsta­
telijke recht gelden echter niet als ontvangers; de verwerking van die gegevens door die overheidsinstanties strookt
met de gegevensbeschermingsregels die op het betreffende verwerkingsdoel van toepassing zijn;
10) „derde”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, niet
zijnde de betrokkene, noch de verwerkingsverantwoordelijke, noch de verwerker, noch de personen die onder
rechtstreeks gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gemachtigd zijn om de persoonsgegevens
te verwerken;
11) „toestemming” van de betrokkene: elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de
betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking
van persoonsgegevens aanvaardt;
12) „inbreuk in verband met persoonsgegevens”: een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige
wijze leidt tot de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of de ongeoorloofde
toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens;
13) „genetische gegevens”: persoonsgegevens die verband houden met de overgeërfde of verworven genetische
kenmerken van een natuurlijke persoon die unieke informatie verschaffen over de fysiologie of de gezondheid van
die natuurlijke persoon en die met name voortkomen uit een analyse van een biologisch monster van die
natuurlijke persoon;
14) „biometrische gegevens”: persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met
betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond
waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeel­
dingen of vingerafdrukgegevens;
15) „gegevens over gezondheid”: persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een
natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten waarmee informatie over zijn gezond­
heidstoestand wordt gegeven;
16) „hoofdvestiging”:
a) met betrekking tot een verwerkingsverantwoordelijke die vestigingen heeft in meer dan één lidstaat, de plaats
waar zijn centrale administratie in de Unie is gelegen, tenzij de beslissingen over de doelstellingen van en de
middelen voor de verwerking van persoonsgegevens worden genomen in een andere vestiging van de verwer­
kingsverantwoordelijke die zich eveneens in de Unie bevindt, en die tevens gemachtigd is die beslissingen uit te
voeren, in welk geval de vestiging waar die beslissingen worden genomen als de hoofdvestiging wordt
beschouwd;
b) met betrekking tot een verwerker die vestigingen in meer dan één lidstaat heeft, de plaats waar zijn centrale
administratie in de Unie is gelegen of, wanneer de verwerker geen centrale administratie in de Unie heeft, de
vestiging van de verwerker in de Unie waar de voornaamste verwerkingsactiviteiten in het kader van de
activiteiten van een vestiging van de verwerker plaatsvinden, voor zover op de verwerker krachtens deze
verordening specifieke verplichtingen rusten;
17) „vertegenwoordiger”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die uit hoofde van artikel 27
schriftelijk door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker is aangewezen om de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker te vertegenwoordigen in verband met hun respectieve verplichtingen krachtens deze
verordening;
18) „onderneming”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de
rechtsvorm ervan, met inbegrip van maatschappen en persoonsvennootschappen of verenigingen die regelmatig een
economische activiteit uitoefenen;
19) „concern”: een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover die zeggenschap wordt
uitgeoefend;
20) „bindende bedrijfsvoorschriften”: beleid inzake de bescherming van persoonsgegevens dat een op het grondgebied
van een lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voert met betrekking tot de doorgifte of
reeksen van doorgiften van persoonsgegevens aan een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker in een of meer
derde landen binnen een concern of een groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit
uitoefenen;
21) „toezichthoudende autoriteit”: een door een lidstaat ingevolge artikel 51 ingestelde onafhankelijke overheidsin­
stantie;

4.5.2016

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

L 119/35

22) „betrokken toezichthoudende autoriteit”: een toezichthoudende autoriteit die betrokken is bij de verwerking van
persoonsgegevens omdat:
a) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van de lidstaat van die toezichthoudende
autoriteit is gevestigd;
b) de betrokkenen die in de lidstaat van die toezichthoudende autoriteit verblijven, door de verwerking wezenlijke
gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden; of
c) bij die toezichthoudende autoriteit een klacht is ingediend;
23) „grensoverschrijdende verwerking”:
a) verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van vestigingen in meer dan één lidstaat van
een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie die in meer dan één lidstaat is gevestigd; of
b) verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van één vestiging van een verwerkingsverant­
woordelijke of van een verwerker in de Unie, waardoor in meer dan één lidstaat betrokkenen wezenlijke
gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden;
24) „relevant en gemotiveerd bezwaar”: een bezwaar tegen een ontwerpbesluit over het bestaan van een inbreuk op
deze verordening of over de vraag of de voorgenomen maatregel met betrekking tot de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker strookt met deze verordening, waarin duidelijk de omvang wordt aangetoond van de risico's
die het ontwerpbesluit inhoudt voor de grondrechten en de fundamentele vrijheden van betrokkenen en, indien van
toepassing, voor het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie;
25) „dienst van de informatiemaatschappij”: een dienst als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, punt b), van Richtlijn
(EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (1);
26) „internationale organisatie”: een organisatie en de daaronder vallende internationaalpubliekrechtelijke organen of
andere organen die zijn opgericht bij of op grond van een overeenkomst tussen twee of meer landen.

HOOFDSTUK II

Beginselen
Artikel 5
Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens
1.

Persoonsgegevens moeten:

a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtma­
tigheid, behoorlijkheid en transparantie”);
b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens
niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op
archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt
overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd
(„doelbinding”);
c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden
verwerkt („minimale gegevensverwerking”);
d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsge­
gevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren
(„juistheid”);
(1) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het
gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).

L 119/36

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de
doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere
perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen
belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig
artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden
getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking”);
f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt
dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of
onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwe­
lijkheid”).
2.
De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen („verant­
woordingsplicht”).

Artikel 6
Rechtmatigheid van de verwerking
1.
De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is
voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke
doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op
verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke
rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te
beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van
de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoor­
delijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de
betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer
de betrokkene een kind is.
De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun
taken.
2.
De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels
van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden
toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere
maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssi­
tuaties als bedoeld in hoofdstuk IX.
3.

De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:

a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde
verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar
gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de
toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de
rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de
entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslag­
perioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/37

behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht
of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het
nagestreefde gerechtvaardigde doel.
4.
Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op
toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democra­
tische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1,
bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor
een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer
rekening met:
a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de
voorgenomen verdere verwerking;
b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de
verwerkingsverantwoordelijke betreft;
c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt,
overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden
verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.

Artikel 7
Voorwaarden voor toestemming
1.
Wanneer de verwerking berust op toestemming, moet de verwerkingsverantwoordelijke kunnen aantonen dat de
betrokkene toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens.
2.
Indien de betrokkene toestemming geeft in het kader van een schriftelijke verklaring die ook op andere aangele­
genheden betrekking heeft, wordt het verzoek om toestemming in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm
en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met de
andere aangelegenheden. Wanneer een gedeelte van een dergelijke verklaring een inbreuk vormt op deze verordening, is
dit gedeelte niet bindend.
3.
De betrokkene heeft het recht zijn toestemming te allen tijde in te trekken. Het intrekken van de toestemming laat
de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan, onverlet. Alvorens de
betrokkene zijn toestemming geeft, wordt hij daarvan in kennis gesteld. Het intrekken van de toestemming is even
eenvoudig als het geven ervan.
4.
Bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven, wordt onder meer ten sterkste
rekening gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst, met inbegrip van een dienstenover­
eenkomst, toestemming vereist is voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk is voor de uitvoering
van die overeenkomst.

Artikel 8
Voorwaarden voor de toestemming van kinderen met betrekking tot diensten van de informatie­
maatschappij
1.
Wanneer artikel 6, lid 1, punt a), van toepassing is in verband met een rechtstreeks aanbod van diensten van de
informatiemaatschappij aan een kind, is de verwerking van persoonsgegevens van een kind rechtmatig wanneer het kind
ten minste 16 jaar is. Wanneer het kind jonger is dan 16 jaar is zulke verwerking slechts rechtmatig indien en voor
zover de toestemming of machtiging tot toestemming in dit verband wordt verleend door de persoon die de ouderlijke
verantwoordelijkheid voor het kind draagt.
De lidstaten kunnen dienaangaande bij wet voorzien in een lagere leeftijd, op voorwaarde dat die leeftijd niet onder
13 jaar ligt.

L 119/38

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
Met inachtneming van de beschikbare technologie doet de verwerkingsverantwoordelijke redelijke inspanningen
om in dergelijke gevallen te controleren of de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt,
toestemming heeft gegeven of machtiging tot toestemming heeft verleend.
3.
Lid 1 laat het algemene overeenkomstenrecht van de lidstaten, zoals de regels inzake de geldigheid, de totstand­
koming of de gevolgen van overeenkomsten ten opzichte van kinderen, onverlet.

Artikel 9
Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
1.
Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbe­
schouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens,
biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of
gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.
2.

Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de betrokkene heeft uitdrukkelijke toestemming gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of
meer welbepaalde doeleinden, behalve indien in Unierecht of lidstatelijk recht is bepaald dat het in lid 1 genoemde
verbod niet door de betrokkene kan worden opgeheven;
b) de verwerking is noodzakelijk met het oog op de uitvoering van verplichtingen en de uitoefening van specifieke
rechten van de verwerkingsverantwoordelijke of de betrokkene op het gebied van het arbeidsrecht en het socialeze­
kerheids- en socialebeschermingsrecht, voor zover zulks is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht of bij een
collectieve overeenkomst op grond van lidstatelijk recht die passende waarborgen voor de grondrechten en de
fundamentele belangen van de betrokkene biedt;
c) de verwerking is noodzakelijk ter bescherming van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere
natuurlijke persoon indien de betrokkene fysiek of juridisch niet in staat is zijn toestemming te geven;
d) de verwerking wordt verricht door een stichting, een vereniging of een andere instantie zonder winstoogmerk die op
politiek, levensbeschouwelijk, godsdienstig of vakbondsgebied werkzaam is, in het kader van haar gerechtvaardigde
activiteiten en met passende waarborgen, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden of de
voormalige leden van de instantie of op personen die in verband met haar doeleinden regelmatig contact met haar
onderhouden, en de persoonsgegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen buiten die instantie worden
verstrekt;
e) de verwerking heeft betrekking op persoonsgegevens die kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering of wanneer
gerechten handelen in het kader van hun rechtsbevoegdheid;
g) de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk
recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op
bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter
bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene;
h) de verwerking is noodzakelijk voor doeleinden van preventieve of arbeidsgeneeskunde, voor de beoordeling van de
arbeidsgeschiktheid van de werknemer, medische diagnosen, het verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten
of behandelingen dan wel het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten, op
grond van Unierecht of lidstatelijk recht, of uit hoofde van een overeenkomst met een gezondheidswerker en
behoudens de in lid 3 genoemde voorwaarden en waarborgen;
i) de verwerking is noodzakelijk om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid, zoals
bescherming tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid of het waarborgen van hoge normen
inzake kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg en van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen, op grond
van Unierecht of lidstatelijk recht waarin passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de
rechten en vrijheden van de betrokkene, met name van het beroepsgeheim;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/39

j) de verwerking is noodzakelijk met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch
onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht,
waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op
bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter
bescherming van de grondrechten en de belangen van de betrokkene.
3.
De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor de in lid 2, punt h), genoemde doeleinden
wanneer die gegevens worden verwerkt door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die krachtens
Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels aan het beroepsgeheim
is gebonden, of door een andere persoon die eveneens krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door
nationale bevoegde instanties vastgestelde regels tot geheimhouding is gehouden.
4.
De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van
genetische gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid handhaven of invoeren.

Artikel 10
Verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten
Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veilig­
heidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien
de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten
en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden
bijgehouden onder toezicht van de overheid.

Artikel 11
Verwerking waarvoor identificatie niet is vereist
1.
Indien de doeleinden waarvoor een verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, niet of niet meer
vereisen dat hij een betrokkene identificeert, is hij niet verplicht om, uitsluitend om aan deze verordening te voldoen,
aanvullende gegevens ter identificatie van de betrokkene bij te houden, te verkrijgen of te verwerken.
2.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen kan aantonen dat hij de
betrokkene niet kan identificeren, stelt hij de betrokkene daarvan indien mogelijk in kennis. In dergelijke gevallen zijn de
artikelen 15 tot en met 20 niet van toepassing, behalve wanneer de betrokkene, met het oog op de uitoefening van zijn
rechten uit hoofde van die artikelen, aanvullende gegevens verstrekt die het mogelijk maken hem te identificeren.

HOOFDSTUK III

Rechten van de betrokkene
Afde li ng 1
Tr a n sp a ra nti e e n r e ge ling en
Artikel 12
Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van
de betrokkene
1.
De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14
bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de
verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en
eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie
wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt.
Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de
identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.

L 119/40

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
De verwerkingsverantwoordelijke faciliteert de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van de
artikelen 15 tot en met 22. In de in artikel 11, lid 2, bedoelde gevallen mag de verwerkingsverantwoordelijke niet
weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene om diens rechten uit hoofde van de artikelen 15 tot en
met 22 uit te oefenen, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke aantoont dat hij niet in staat is de betrokkene te identi­
ficeren.
3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na
ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is
gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig
met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand
na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch
indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.
4.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze
laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg
is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en
beroep bij de rechter in te stellen.
5.
Het verstrekken van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie, en het verstrekken van de communicatie en
het treffen van de maatregelen bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 geschieden kosteloos. Wanneer
verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter,
mag de verwerkingsverantwoordelijke ofwel:
a) een redelijke vergoeding aanrekenen in het licht van de administratieve kosten waarmee het verstrekken van de
gevraagde informatie of communicatie en het treffen van de gevraagde maatregelen gepaard gaan; ofwel
b) weigeren gevolg te geven aan het verzoek.
Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te
tonen.
6.
Onverminderd artikel 11 kan de verwerkingsverantwoordelijke, wanneer hij redenen heeft om te twijfelen aan de
identiteit van de natuurlijke persoon die het verzoek indient als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 21, om
aanvullende informatie vragen die nodig is ter bevestiging van de identiteit van de betrokkene.
7.
De krachtens de artikelen 13 en 14 aan betrokkenen te verstrekken informatie mag worden verstrekt met gebruik­
making van gestandaardiseerde iconen, om de betrokkene een nuttig overzicht, in een goed zichtbare, begrijpelijke en
duidelijk leesbare vorm, van de voorgenomen verwerking te bieden. Wanneer de iconen elektronisch worden
weergegeven, zijn ze machineleesbaar.
8.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 92 gedelegeerde handelingen vast te stellen om te bepalen welke
informatie de iconen dienen weer te geven en via welke procedures de gestandaardiseerde iconen tot stand dienen te
komen.
Af del in g 2
I n fo r m a t ie e n to eg a ng tot p e rs oo nsge ge ve ns
Artikel 13
Te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld
1.
Wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld, verstrekt de verwer­
kingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens al de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegen­
woordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
b) in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
c) de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, alsook de rechtsgrond voor de verwerking;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/41

d) de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op
artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;
d) in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;
e) in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven
aan een derde land of een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie
bestaat; of, in het geval van in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de
passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden
geraadpleegd.
2.
Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging
van de persoonsgegevens de volgende aanvullende informatie om een behoorlijke en transparante verwerking te
waarborgen:
a) de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria
ter bepaling van die termijn;
b) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of
wissing van de persoonsgegevens of beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen de
verwerking bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;
c) wanneer de verwerking op artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het
recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de
verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;
d) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
e) of de verstrekking van persoonsgegevens een wettelijke of contractuele verplichting is dan wel een noodzakelijke
voorwaarde om een overeenkomst te sluiten, en of de betrokkene verplicht is de persoonsgegevens te verstrekken en
wat de mogelijke gevolgen zijn wanneer deze gegevens niet worden verstrekt;
f) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde
profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de
verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
3.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een
ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld
in lid 2.
4.
De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer en voor zover de betrokkene reeds over de informatie
beschikt.

Artikel 14
Te verstrekken informatie wanneer de persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen
1.
Wanneer persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegen­
woordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
b) in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
c) de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, en de rechtsgrond voor de verwerking;
d) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
e) in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;

L 119/42

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

f) in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven
aan een ontvanger in een derde land of aan een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit
van de Commissie bestaat; of, in het geval van de in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde
doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze
kunnen worden geraadpleegd.
2.
Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de volgende
informatie om ten overstaan van de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen:
a) de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria
om die termijn te bepalen;
b) de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op
artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;
c) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of
wissing van persoonsgegevens of om beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen
verwerking van bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;
d) wanneer verwerking op artikel 6, lid 1, punt a) of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht
heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de
verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;
e) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
f) de bron waar de persoonsgegevens vandaan komen, en in voorkomend geval, of zij afkomstig zijn van openbare
bronnen;
g) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde
profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de
verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
3.

De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie:

a) binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, afhankelijk
van de concrete omstandigheden waarin de persoonsgegevens worden verwerkt;
b) indien de persoonsgegevens zullen worden gebruikt voor communicatie met de betrokkene, uiterlijk op het moment
van het eerste contact met de betrokkene; of
c) indien verstrekking van de gegevens aan een andere ontvanger wordt overwogen, uiterlijk op het tijdstip waarop de
persoonsgegevens voor het eerst worden verstrekt.
4.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een
ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld
in lid 2.
5.

De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing wanneer en voor zover:

a) de betrokkene reeds over de informatie beschikt;
b) het verstrekken van die informatie onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning zou vergen, in het bijzonder bij
verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of
statistische doeleinden, behoudens de in artikel 89, lid 1, bedoelde voorwaarden en waarborgen, of voor zover de in
lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt
te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen. In dergelijke gevallen neemt de verwerkingsverantwoordelijke
passende maatregelen om de rechten, de vrijheden en de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te
beschermen, waaronder het openbaar maken van de informatie;
c) het verkrijgen of verstrekken van de gegevens uitdrukkelijk is voorgeschreven bij Unie- of lidstatelijk recht dat op de
verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en dat recht voorziet in passende maatregelen om de gerecht­
vaardigde belangen van de betrokkene te beschermen; of
d) de persoonsgegevens vertrouwelijk moeten blijven uit hoofde van een beroepsgeheim in het kader van Unierecht of
lidstatelijke recht, waaronder een statutaire geheimhoudingsplicht.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/43

Artikel 15
Recht van inzage van de betrokkene
1.
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet
verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die
persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name
ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of
indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden
gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het
recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van
die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde
profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de
verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
2.
Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de
betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de
doorgifte.
3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden
verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de
administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en
niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
4.

Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Af deli n g 3
R ect if ic ati e e n w i ssing va n ge ge ve ns
Artikel 16
Recht op rectificatie

De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende
onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene
het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te
verstrekken.

Artikel 17
Recht op gegevenswissing („recht op vergetelheid”)
1.
De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem
betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder
onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;

L 119/44

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2,
punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;
c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende
dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking
overeenkomstig artikel 21, lid 2;
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht
neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als
bedoeld in artikel 8, lid 1.
2.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens openbaar heeft gemaakt en overeenkomstig lid 1
verplicht is de persoonsgegevens te wissen, neemt hij, rekening houdend met de beschikbare technologie en de uitvoe­
ringskosten, redelijke maatregelen, waaronder technische maatregelen, om verwerkingsverantwoordelijken die de
persoonsgegevens verwerken, ervan op de hoogte te stellen dat de betrokkene de verwerkingsverantwoordelijken heeft
verzocht om iedere koppeling naar, of kopie of reproductie van die persoonsgegevens te wissen.
3.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:

a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie;
b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsver­
plichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het
uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;
c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i),
en artikel 9, lid 3;
d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische
doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de
doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen;
e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

Artikel 18
Recht op beperking van de verwerking
1.
De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke de beperking van de verwerking te verkrijgen
indien een van de volgende elementen van toepassing is:
a) de juistheid van de persoonsgegevens wordt betwist door de betrokkene, gedurende een periode die de verwerkings­
verantwoordelijke in staat stelt de juistheid van de persoonsgegevens te controleren;
b) de verwerking is onrechtmatig en de betrokkene verzet zich tegen het wissen van de persoonsgegevens en verzoekt in
de plaats daarvan om beperking van het gebruik ervan;
c) de verwerkingsverantwoordelijke heeft de persoonsgegevens niet meer nodig voor de verwerkingsdoeleinden, maar de
betrokkene heeft deze nodig voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering;
d) de betrokkene heeft overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar gemaakt tegen de verwerking, in afwachting van het
antwoord op de vraag of de gerechtvaardigde gronden van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarder wegen dan die
van de betrokkene.
2.
Wanneer de verwerking op grond van lid 1 is beperkt, worden persoonsgegevens, met uitzondering van de opslag
ervan, slechts verwerkt met toestemming van de betrokkene of voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een
rechtsvordering of ter bescherming van de rechten van een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon of om
gewichtige redenen van algemeen belang voor de Unie of voor een lidstaat.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/45

3.
Een betrokkene die overeenkomstig lid 1 een beperking van de verwerking heeft verkregen, wordt door de verwer­
kingsverantwoordelijke op de hoogte gebracht voordat de beperking van de verwerking wordt opgeheven.

Artikel 19
Kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking
De verwerkingsverantwoordelijke stelt iedere ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, in kennis van elke
rectificatie of wissing van persoonsgegevens of beperking van de verwerking overeenkomstig artikel 16, artikel 17, lid 1,
en artikel 18, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning vergt. De verwerkingsverantwoordelijke
verstrekt de betrokkene informatie over deze ontvangers indien de betrokkene hierom verzoekt.

Artikel 20
Recht op overdraagbaarheid van gegevens
1.
De betrokkene heeft het recht de hem betreffende persoonsgegevens, die hij aan een verwerkingsverantwoordelijke
heeft verstrekt, in een gestructureerde, gangbare en machineleesbare vorm te verkrijgen, en hij heeft het recht die
gegevens aan een andere verwerkingsverantwoordelijke over te dragen, zonder daarbij te worden gehinderd door de
verwerkingsverantwoordelijke aan wie de persoonsgegevens waren verstrekt, indien:
a) de verwerking berust op toestemming uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), of op een
overeenkomst uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt b); en
b) de verwerking via geautomatiseerde procedés wordt verricht.
2.
Bij de uitoefening van zijn recht op gegevensoverdraagbaarheid uit hoofde van lid 1 heeft de betrokkene het recht
dat de persoonsgegevens, indien dit technisch mogelijk is, rechtstreeks van de ene verwerkingsverantwoordelijke naar de
andere worden doorgezonden.
3.
De uitoefening van het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht laat artikel 17 onverlet. Dat recht geldt niet voor de
verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de
uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
4.

Het in lid 1 bedoelde recht doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Af de li ng 4
Re cht v a n b e zw a a r e n g ea utom a ti see r de i ndivi due le be s lu itvo r mi ng
Artikel 21
Recht van bezwaar

1.
De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen
bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e)
of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke
staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking
aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de
instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.
2.
Wanneer persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing worden verwerkt, heeft de betrokkene te allen tijde
het recht bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor dergelijke marketing, met
inbegrip van profilering die betrekking heeft op direct marketing.
3.
Wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking ten behoeve van direct marketing, worden de persoons­
gegevens niet meer voor deze doeleinden verwerkt.

L 119/46

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

4.5.2016

4.
Het in de leden 1 en 2 bedoelde recht wordt uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene
uitdrukkelijk onder de aandacht van de betrokkene gebracht en duidelijk en gescheiden van enige andere informatie
weergegeven.
5.
In het kader van het gebruik van diensten van de informatiemaatschappij, en niettegenstaande Richtlijn
2002/58/EG, mag de betrokkene zijn recht van bezwaar uitoefenen via geautomatiseerde procedés waarbij wordt
gebruikgemaakt van technische specificaties.
6.
Wanneer persoonsgegevens overeenkomstig artikel 89, lid 1, met het oog op wetenschappelijk of historisch
onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt, heeft de betrokkene het recht om met zijn specifieke situatie
verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, tenzij de
verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak van algemeen belang.

Artikel 22
Geautomatiseerde individuele besluitvorming, waaronder profilering
1.
De betrokkene heeft het recht niet te worden onderworpen aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking,
waaronder profilering, gebaseerd besluit waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in
aanmerkelijke mate treft.
2.

Lid 1 geldt niet indien het besluit:

a) noodzakelijk is voor de totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en een verwer­
kingsverantwoordelijke;
b) is toegestaan bij een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijke van
toepassing is en die ook voorziet in passende maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden en gerecht­
vaardigde belangen van de betrokkene; of
c) berust op de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.
3.
In de in lid 2, punten a) en c), bedoelde gevallen treft de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen ter
bescherming van de rechten en vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene, waaronder ten minste het
recht op menselijke tussenkomst van de verwerkingsverantwoordelijke, het recht om zijn standpunt kenbaar te maken
en het recht om het besluit aan te vechten.
4.
De in lid 2 bedoelde besluiten worden niet gebaseerd op de in artikel 9, lid 1, bedoelde bijzondere categorieën van
persoonsgegevens, tenzij artikel 9, lid 2, punt a) of g), van toepassing is en er passende maatregelen ter bescherming van
de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene zijn getroffen.
Af del in g 5
Bep e rki ng en
Artikel 23
Beperkingen
1.
De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede
in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als
bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke
bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die
beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische
samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van:
a) de nationale veiligheid;
b) landsverdediging;
c) de openbare veiligheid;

4.5.2016

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

L 119/47

d) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van
straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;
e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk
economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale
aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid;
f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures;
g) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor geregle­
menteerde beroepen;
h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de
uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot en met e) en punt g) bedoelde gevallen;
i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen;
j) de inning van civielrechtelijke vorderingen.
2.
De in lid 1 bedoelde wettelijke maatregelen bevatten met name specifieke bepalingen met betrekking tot, in
voorkomend geval, ten minste:
a) de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
b) de categorieën van persoonsgegevens,
c) het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen,
d) de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte,
e) de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken,
f) de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van
de verwerking of van de categorieën van verwerking,
g) de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, en
h) het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het
doel van de beperking.
HOOFDSTUK IV

Verwerkingsverantwoordelijke en verwerker
Afde li n g 1
A lg em ene ve r pli chti nge n
Artikel 24
Verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke
1.
Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua
waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwer­
kingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen
dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en
indien nodig geactualiseerd.
2.
Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten, omvatten de in lid 1 bedoelde maatregelen een
passend gegevensbeschermingsbeleid dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd.
3.
Het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes als bedoeld in artikel 40 of goedgekeurde certificeringsmechanismen
als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat de verplichtingen van de verwerkingsver­
antwoordelijke zijn nagekomen.

L 119/48

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

Artikel 25
Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen
1.
Rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, en de aard, de omvang, de context en het
doel van de verwerking alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen welke aan de verwerking zijn verbonden, treft de verwerkingsverantwoordelijke,
zowel bij de bepaling van de verwerkingsmiddelen als bij de verwerking zelf, passende technische en organisatorische
maatregelen, zoals pseudonimisering, die zijn opgesteld met als doel de gegevensbeschermingsbeginselen, zoals minimale
gegevensverwerking, op een doeltreffende manier uit te voeren en de nodige waarborgen in de verwerking in te bouwen
ter naleving van de voorschriften van deze verordening en ter bescherming van de rechten van de betrokkenen.
2.
De verwerkingsverantwoordelijke treft passende technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen
dat in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de
verwerking. Die verplichting geldt voor de hoeveelheid verzamelde persoonsgegevens, de mate waarin zij worden
verwerkt, de termijn waarvoor zij worden opgeslagen en de toegankelijkheid daarvan. Deze maatregelen zorgen met
name ervoor dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal
natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt.
3.
Een overeenkomstig artikel 42 goedgekeurd certificeringsmechanisme kan worden gebruikt als element om aan te
tonen dat aan de voorschriften van de leden 1 en 2 van dit artikel is voldaan.

Artikel 26
Gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken
1.
Wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking
bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Zij stellen op transparante wijze hun respectieve verant­
woordelijkheden voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening vast, met name met
betrekking tot de uitoefening van de rechten van de betrokkene en hun respectieve verplichtingen om de in de
artikelen 13 en 14 bedoelde informatie te verstrekken, door middel van een onderlinge regeling, tenzij en voor zover de
respectieve verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijken zijn vastgesteld bij een Unierechtelijke of
lidstaatrechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijken van toepassing is. In de regeling kan een
contactpunt voor betrokkenen worden aangewezen.
2.
Uit de in lid 1 bedoelde regeling blijkt duidelijk welke rol de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken respectie­
velijk vervullen, en wat hun respectieve verhouding met de betrokkenen is. De wezenlijke inhoud van de regeling wordt
aan de betrokkene beschikbaar gesteld.
3.
Ongeacht de voorwaarden van de in lid 1 bedoelde regeling, kan de betrokkene zijn rechten uit hoofde van deze
verordening met betrekking tot en jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke uitoefenen.

Artikel 27
Vertegenwoordigers van niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers
1.
Wanneer artikel 3, lid 2, van toepassing is, wijst de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schriftelijk een
vertegenwoordiger in de Unie aan.
2.

De verplichting vervat in lid 1 van dit artikel geldt niet voor:

a) incidentele verwerking die geen grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als
bedoeld in artikel 9, lid 1, betreft noch verwerking van persoonsgegevens die verband houden met strafrechtelijke
veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10, en waarbij de kans gering is dat zij een risico inhoudt
voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, rekening houdend met de aard, de context, de omvang en de
verwerkingsdoeleinden; of
b) een overheidsinstantie of overheidsorgaan.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/49

3.
De vertegenwoordiger is gevestigd in een van de lidstaten waar zich de betrokkenen bevinden wier persoonsge­
gevens in verband met het hun aanbieden van goederen of diensten worden verwerkt, of wier gedrag wordt
geobserveerd.
4.
Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, wordt de vertegenwoordiger door de verwerkingsverant­
woordelijke of de verwerker gemachtigd om naast hem of in zijn plaats te worden benaderd, meer bepaald door de
toezichthoudende autoriteiten en betrokkenen, over alle met de verwerking verband houdende aangelegenheden.
5.
Het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker een vertegenwoordiger aanwijzen, doet niet af aan de
mogelijkheid om tegen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker zelf vorderingen in te stellen.

Artikel 28
Verwerker
1.
Wanneer een verwerking namens een verwerkingsverantwoordelijke wordt verricht, doet de verwerkingsverant­
woordelijke uitsluitend een beroep op verwerkers die afdoende garanties met betrekking tot het toepassen van passende
technische en organisatorische maatregelen bieden opdat de verwerking aan de vereisten van deze verordening voldoet
en de bescherming van de rechten van de betrokkene is gewaarborgd.
2.
De verwerker neemt geen andere verwerker in dienst zonder voorafgaande specifieke of algemene schriftelijke
toestemming van de verwerkingsverantwoordelijke. In het geval van algemene schriftelijke toestemming licht de
verwerker de verwerkingsverantwoordelijke in over beoogde veranderingen inzake de toevoeging of vervanging van
andere verwerkers, waarbij de verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid wordt geboden tegen deze veranderingen
bezwaar te maken.
3.
De verwerking door een verwerker wordt geregeld in een overeenkomst of andere rechtshandeling krachtens het
Unierecht of het lidstatelijke recht die de verwerker ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke bindt, en waarin
het onderwerp en de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de
categorieën van betrokkenen, en de rechten en verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke worden omschreven.
Die overeenkomst of andere rechtshandeling bepaalt met name dat de verwerker:
a) de persoonsgegevens uitsluitend verwerkt op basis van schriftelijke instructies van de verwerkingsverantwoordelijke,
onder meer met betrekking tot doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie,
tenzij een op de verwerker van toepassing zijnde Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepaling hem tot verwerking
verplicht; in dat geval stelt de verwerker de verwerkingsverantwoordelijke, voorafgaand aan de verwerking, in kennis
van dat wettelijk voorschrift, tenzij die wetgeving deze kennisgeving om gewichtige redenen van algemeen belang
verbiedt;
b) waarborgt dat de tot het verwerken van de persoonsgegevens gemachtigde personen zich ertoe hebben verbonden
vertrouwelijkheid in acht te nemen of door een passende wettelijke verplichting van vertrouwelijkheid zijn gebonden;
c) alle overeenkomstig artikel 32 vereiste maatregelen neemt;
d) aan de in de leden 2 en 4 bedoelde voorwaarden voor het in dienst nemen van een andere verwerker voldoet;
e) rekening houdend met de aard van de verwerking, de verwerkingsverantwoordelijke door middel van passende
technische en organisatorische maatregelen, voor zover mogelijk, bijstand verleent bij het vervullen van diens plicht
om verzoeken om uitoefening van de in hoofdstuk III vastgestelde rechten van de betrokkene te beantwoorden;
f) rekening houdend met de aard van de verwerking en de hem ter beschikking staande informatie de verwerkingsver­
antwoordelijke bijstand verleent bij het doen nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 32 tot en
met 36;
g) na afloop van de verwerkingsdiensten, naargelang de keuze van de verwerkingsverantwoordelijke, alle persoonsge­
gevens wist of deze aan hem terugbezorgt, en bestaande kopieën verwijdert, tenzij opslag van de persoonsgegevens
Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk is verplicht;
h) de verwerkingsverantwoordelijke alle informatie ter beschikking stelt die nodig is om de nakoming van de in dit
artikel neergelegde verplichtingen aan te tonen en audits, waaronder inspecties, door de verwerkingsverantwoordelijke
of een door de verwerkingsverantwoordelijke gemachtigde controleur mogelijk maakt en eraan bijdraagt.

L 119/50

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

4.5.2016

Waar het gaat om de eerste alinea, punt h), stelt de verwerker de verwerkingsverantwoordelijke onmiddellijk in kennis
indien naar zijn mening een instructie inbreuk oplevert op deze verordening of op andere Unierechtelijke of lidstaatrech­
telijke bepalingen inzake gegevensbescherming.
4.
Wanneer een verwerker een andere verwerker in dienst neemt om voor rekening van de verwerkingsverantwoor­
delijke specifieke verwerkingsactiviteiten te verrichten, worden aan deze andere verwerker bij een overeenkomst of een
andere rechtshandeling krachtens Unierecht of lidstatelijk recht dezelfde verplichtingen inzake gegevensbescherming
opgelegd als die welke in de in lid 3 bedoelde overeenkomst of andere rechtshandeling tussen de verwerkingsverantwoor­
delijke en de verwerker zijn opgenomen, met name de verplichting afdoende garanties met betrekking tot het toepassen
van passende technische en organisatorische maatregelen te bieden opdat de verwerking aan het bepaalde in deze
verordening voldoet. Wanneer de andere verwerker zijn verplichtingen inzake gegevensbescherming niet nakomt, blijft
de eerste verwerker ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke volledig aansprakelijk voor het nakomen van de
verplichtingen van die andere verwerker.
5.
Het aansluiten bij een goedgekeurde gedragscode als bedoeld in artikel 40 of een goedgekeurd certificeringsme­
chanisme als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat voldoende garanties als
bedoeld in de leden 1 en 4 van dit artikel worden geboden.
6.
Onverminderd een individuele overeenkomst tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker kan de in de
leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde overeenkomst of andere rechtshandeling geheel of ten dele gebaseerd zijn op de in
de leden 7 en 8 van dit artikel bedoelde standaardcontractbepalingen, ook indien zij deel uitmaken van de certificering
die door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker uit hoofde van de artikelen 42 en 43 is verleend.
7.
De Commissie kan voor de in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde aangelegenheden en volgens de in
artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure standaardcontractbepalingen vaststellen.
8.
Een toezichthoudende autoriteit kan voor de in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde aangelegenheden en
volgens het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme standaardcontractbepalingen opstellen.
9.
De in de leden 3 en 4 bedoelde overeenkomst of andere rechtshandeling wordt in schriftelijke vorm, waaronder
elektronische vorm, opgesteld.
10. Indien een verwerker in strijd met deze verordening de doeleinden en middelen van een verwerking bepaalt,
wordt die verwerker onverminderd de artikelen 82, 83 en 84 met betrekking tot die verwerking als de verwerkingsver­
antwoordelijke beschouwd.

Artikel 29
Verwerking onder gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker
De verwerker en eenieder die onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker handelt en
toegang heeft tot persoonsgegevens, verwerkt deze uitsluitend in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke, tenzij
hij Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk tot de verwerking gehouden is.

Artikel 30
Register van de verwerkingsactiviteiten
1.
Elke verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoor­
delijke houdt een register van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden. Dat register
bevat alle volgende gegevens:
a) de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en eventuele gezamenlijke verwerkingsverant­
woordelijken, en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke en van de
functionaris voor gegevensbescherming;
b) de verwerkingsdoeleinden;
c) een beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van persoonsgegevens;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/51

d) de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, onder meer ontvangers
in derde landen of internationale organisaties;
e) indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie, met
inbegrip van de vermelding van dat derde land of die internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49,
lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen;
f) indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van gegevens moeten worden gewist;
g) indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld
in artikel 32, lid 1.
2.
De verwerker, en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerker houdt een register van alle
categorieën van verwerkingsactiviteiten die zij ten behoeve van een verwerkingsverantwoordelijke hebben verricht. Dit
register bevat de volgende gegevens:
a) de naam en de contactgegevens van de verwerkers en van iedere verwerkingsverantwoordelijke voor rekening
waarvan de verwerker handelt, en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker en van de functionaris voor gegevensbescherming;
b) de categorieën van verwerkingen die voor rekening van iedere verwerkingsverantwoordelijke zijn uitgevoerd;
c) indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie, onder
vermelding van dat derde land of die internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea,
bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen;
d) indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld
in artikel 32, lid 1.
3.

Het in de leden 1 en 2 bedoelde register is in schriftelijke vorm, waaronder in elektronische vorm, opgesteld.

4.
Desgevraagd stellen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en, in voorkomend geval, de vertegen­
woordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker het register ter beschikking van de toezichthoudende
autoriteit.
5.
De in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen zijn niet van toepassing op ondernemingen of organisaties die
minder dan 250 personen in dienst hebben, tenzij het waarschijnlijk is dat de verwerking die zij verrichten een risico
inhoudt voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, de verwerking niet incidenteel is, of de verwerking bijzondere
categorieën van gegevens, als bedoeld in artikel 9, lid 1, of persoonsgegevens in verband met strafrechtelijke veroorde­
lingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 betreft.

Artikel 31
Medewerking met de toezichthoudende autoriteit
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker en, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, werken
desgevraagd samen met de toezichthoudende autoriteit bij het vervullen van haar taken.
Af d eli ng 2
Pe rs oo nsge ge vensbe ve ili ging
Artikel 32
Beveiliging van de verwerking
1.
Rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, alsook met de aard, de omvang, de context
en de verwerkingsdoeleinden en de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden
van personen, treffen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker passende technische en organisatorische
maatregelen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen, die, waar passend, onder meer het
volgende omvatten:
a) de pseudonimisering en versleuteling van persoonsgegevens;

L 119/52

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

b) het vermogen om op permanente basis de vertrouwelijkheid, integriteit, beschikbaarheid en veerkracht van de verwer­
kingssystemen en diensten te garanderen;
c) het vermogen om bij een fysiek of technisch incident de beschikbaarheid van en de toegang tot de persoonsgegevens
tijdig te herstellen;
d) een procedure voor het op gezette tijdstippen testen, beoordelen en evalueren van de doeltreffendheid van de
technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de verwerking.
2.
Bij de beoordeling van het passende beveiligingsniveau wordt met name rekening gehouden met de verwerkingsri­
sico's, vooral als gevolg van de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of ongeoor­
loofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens, hetzij per ongeluk hetzij onrechtmatig.
3.
Het aansluiten bij een goedgekeurde gedragscode als bedoeld in artikel 40 of een goedgekeurd certificeringsme­
chanisme als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat dat de in lid 1 van dit artikel
bedoelde vereisten worden nageleefd.
4.
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere natuurlijke
persoon die handelt onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker en toegang heeft tot
persoonsgegevens, deze slechts in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke verwerkt, tenzij hij daartoe Unierech­
telijk of lidstaatrechtelijk is gehouden.

Artikel 33
Melding van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de toezichthoudende autoriteit
1.
Indien een inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft plaatsgevonden, meldt de verwerkingsverantwoordelijke
deze zonder onredelijke vertraging en, indien mogelijk, uiterlijk 72 uur nadat hij er kennis van heeft genomen, aan de
overeenkomstig artikel 55 bevoegde toezichthoudende autoriteit, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk in
verband met persoonsgegevens een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. Indien de
melding aan de toezichthoudende autoriteit niet binnen 72 uur plaatsvindt, gaat zij vergezeld van een motivering voor
de vertraging.
2.
De verwerker informeert de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging zodra hij kennis heeft
genomen van een inbreuk in verband met persoonsgegevens.
3.

In de in lid 1 bedoelde melding wordt ten minste het volgende omschreven of meegedeeld:

a) de aard van de inbreuk in verband met persoonsgegevens, waar mogelijk onder vermelding van de categorieën van
betrokkenen en persoonsgegevensregisters in kwestie en, bij benadering, het aantal betrokkenen en persoonsgegevens­
registers in kwestie;
b) de naam en de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming of een ander contactpunt waar meer
informatie kan worden verkregen;
c) de waarschijnlijke gevolgen van de inbreuk in verband met persoonsgegevens;
d) de maatregelen die de verwerkingsverantwoordelijke heeft voorgesteld of genomen om de inbreuk in verband met
persoonsgegevens aan te pakken, waaronder, in voorkomend geval, de maatregelen ter beperking van de eventuele
nadelige gevolgen daarvan.
4.
Indien en voor zover het niet mogelijk is om alle informatie gelijktijdig te verstrekken, kan de informatie zonder
onredelijke vertraging in stappen worden verstrekt.
5.
De verwerkingsverantwoordelijke documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens, met inbegrip van
de feiten omtrent de inbreuk in verband met persoonsgegevens, de gevolgen daarvan en de genomen corrigerende
maatregelen. Die documentatie stelt de toezichthoudende autoriteit in staat de naleving van dit artikel te controleren.

Artikel 34
Mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene
1.
Wanneer de inbreuk in verband met persoonsgegevens waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen, deelt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de inbreuk in verband met
persoonsgegevens onverwijld mee.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/53

2.
De in lid 1 van dit artikel bedoelde mededeling aan de betrokkene bevat een omschrijving, in duidelijke en
eenvoudige taal, van de aard van de inbreuk in verband met persoonsgegevens en ten minste de in artikel 33, lid 3,
onder b), c) en d), bedoelde gegevens en maatregelen.
3.
De in lid 1 bedoelde mededeling aan de betrokkene is niet vereist wanneer een van de volgende voorwaarden is
vervuld:
a) de verwerkingsverantwoordelijke heeft passende technische en organisatorische beschermingsmaatregelen genomen
en deze maatregelen zijn toegepast op de persoonsgegevens waarop de inbreuk in verband met persoonsgegevens
betrekking heeft, met name die welke de persoonsgegevens onbegrijpelijk maken voor onbevoegden, zoals versleu­
teling;
b) de verwerkingsverantwoordelijke heeft achteraf maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde
hoge risico voor de rechten en vrijheden van betrokkenen zich waarschijnlijk niet meer zal voordoen;
c) de mededeling zou onevenredige inspanningen vergen. In dat geval komt er in de plaats daarvan een openbare
mededeling of een soortgelijke maatregel waarbij betrokkenen even doeltreffend worden geïnformeerd.
4.
Indien de verwerkingsverantwoordelijke de inbreuk in verband met persoonsgegevens nog niet aan de betrokkene
heeft gemeld, kan de toezichthoudende autoriteit, na beraad over de kans dat de inbreuk in verband met persoonsge­
gevens een hoog risico met zich meebrengt, de verwerkingsverantwoordelijke daartoe verplichten of besluiten dat aan
een van de in lid 3 bedoelde voorwaarden is voldaan.
Af d eli ng 3
Ge ge ven s b e s che r m in gse ff ec tbe o or de ling e n voo r a f gaand e raad p l e ging
Artikel 35
Gegevensbeschermingseffectbeoordeling
1.
Wanneer een soort verwerking, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt,
gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden daarvan waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de
rechten en vrijheden van natuurlijke personen voert de verwerkingsverantwoordelijke vóór de verwerking een
beoordeling uit van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van persoonsgegevens. Eén
beoordeling kan een reeks vergelijkbare verwerkingen bestrijken die vergelijkbare hoge risico's inhouden.
2.
Wanneer een functionaris voor gegevensbescherming is aangewezen, wint de verwerkingsverantwoordelijke bij het
uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling diens advies in.
3.

Een gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in lid 1 is met name vereist in de volgende gevallen:

a) een systematische en uitgebreide beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, die is gebaseerd op
geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, en waarop besluiten worden gebaseerd waaraan voor de
natuurlijke persoon rechtsgevolgen zijn verbonden of die de natuurlijke persoon op vergelijkbare wijze wezenlijk
treffen;
b) grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 1, of van
gegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10; of
c) stelselmatige en grootschalige monitoring van openbaar toegankelijke ruimten.
4.
De toezichthoudende autoriteit stelt een lijst op van het soort verwerkingen waarvoor een gegevensbeschermingsef­
fectbeoordeling overeenkomstig lid 1 verplicht is, en maakt deze openbaar. De toezichthoudende autoriteit deelt die
lijsten mee aan het in artikel 68 bedoelde Comité.
5.
De toezichthoudende autoriteit kan ook een lijst opstellen en openbaar maken van het soort verwerking waarvoor
geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling is vereist. De toezichthoudende autoriteit deelt deze lijst mee aan het
Comité.
6.
Wanneer de in de leden 4 en 5 bedoelde lijsten betrekking hebben op verwerkingen met betrekking tot het
aanbieden van goederen of diensten aan betrokkenen of op het observeren van hun gedrag in verschillende lidstaten, of
op verwerkingen die het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie wezenlijk kunnen beïnvloeden, past de bevoegde
toezichthoudende autoriteit voorafgaand aan de vaststelling van die lijsten het in artikel 63 bedoelde coherentieme­
chanisme toe.

L 119/54
7.

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

De beoordeling bevat ten minste:

a) een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en de verwerkingsdoeleinden, waaronder, in
voorkomend geval, de gerechtvaardigde belangen die door de verwerkingsverantwoordelijke worden behartigd;
b) een beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden;
c) een beoordeling van de in lid 1 bedoelde risico's voor de rechten en vrijheden van betrokkenen; en
d) de beoogde maatregelen om de risico's aan te pakken, waaronder waarborgen, veiligheidsmaatregelen en
mechanismen om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen en om aan te tonen dat aan deze verordening
is voldaan, met inachtneming van de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokkenen en andere personen
in kwestie.
8.
Bij het beoordelen van het effect van de door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker verrichte
verwerkingen, en met name ter wille van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling, wordt de naleving van de in
artikel 40 bedoelde goedgekeurde gedragscodes naar behoren in aanmerking genomen.
9.
De verwerkingsverantwoordelijke vraagt in voorkomend geval de betrokkenen of hun vertegenwoordigers naar hun
mening over de voorgenomen verwerking, met inachtneming van de bescherming van commerciële of algemene
belangen of de beveiliging van verwerkingen.
10. Wanneer verwerking uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder c) of e), haar rechtsgrond heeft in het Unierecht of in
het recht van de lidstaat dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, de specifieke verwerking of geheel
van verwerkingen in kwestie daarbij wordt geregeld, en er reeds als onderdeel van een algemene effectbeoordeling in het
kader van de vaststelling van deze rechtsgrond een gegevensbeschermingseffectbeoordeling is uitgevoerd, zijn de leden 1
tot en met 7 niet van toepassing, tenzij de lidstaten het noodzakelijk achten om voorafgaand aan de verwerkingen een
dergelijke beoordeling uit te voeren.
11. Indien nodig verricht de verwerkingsverantwoordelijke een toetsing om te beoordelen of de verwerking overeen­
komstig de gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt uitgevoerd, zulks ten minste wanneer sprake is van een
verandering van het risico dat de verwerkingen inhouden.

Artikel 36
Voorafgaande raadpleging
1.
Wanneer uit een gegevensbeschermingseffectbeoordeling krachtens artikel 35 blijkt dat de verwerking een hoog
risico zou opleveren indien de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen neemt om het risico te beperken,
raadpleegt de verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking de toezichthoudende autoriteit.
2.
Wanneer de toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde voorgenomen verwerking inbreuk
zou maken op deze verordening, met name wanneer de verwerkingsverantwoordelijke het risico onvoldoende heeft
onderkend of beperkt, geeft de toezichthoudende autoriteit binnen een maximumtermijn van acht weken na de
ontvangst van het verzoek om raadpleging schriftelijk advies aan de verwerkingsverantwoordelijke en in voorkomend
geval aan de verwerker, en mag zij al haar in artikel 58 bedoelde bevoegdheden uitoefenen. Die termijn kan, naargelang
de complexiteit van de voorgenomen verwerking, met zes weken worden verlengd. Bij een dergelijke verlenging stelt de
toezichthoudende autoriteit de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de verwerker binnen een maand
na ontvangst van het verzoek om raadpleging in kennis van onder meer de redenen voor de vertraging. Die termijnen
kunnen worden opgeschort totdat de toezichthoudende autoriteit informatie heeft verkregen waarom zij met het oog op
de raadpleging heeft verzocht.
3.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de toezichthoudende autoriteit uit hoofde van lid 1 raadpleegt, verstrekt
hij haar informatie over:
a) indien van toepassing, de respectieve verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijke, bij de verwerking
betrokken gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, in het bijzonder voor verwerking binnen een
concern;
b) de doeleinden en de middelen van de voorgenomen verwerking;
c) de maatregelen en waarborgen die worden geboden ter bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen uit
hoofde van deze verordening;
d) indien van toepassing, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/55

e) de gegevensbeschermingseffectbeoordeling waarin bij artikel 35 is voorzien; en
f) alle andere informatie waar de toezichthoudende autoriteit om verzoekt.
4.
De lidstaten raadplegen de toezichthoudende autoriteit bij het opstellen van een voorstel voor een door een
nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met
verwerking.
5.
Niettegenstaande lid 1 kunnen de verwerkingsverantwoordelijken lidstaatrechtelijk ertoe worden verplicht overleg
met de toezichthoudende autoriteit te plegen en om haar voorafgaande toestemming te verzoeken wanneer zij met het
oog op de vervulling van een taak van algemeen belang verwerken, onder meer wanneer verwerking verband houdt met
sociale bescherming en volksgezondheid.
Af de li ng 4
F un cti on a r is vo or ge ge ve nsbe sche r m ing
Artikel 37
Aanwijzing van de functionaris voor gegevensbescherming
1.
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker wijzen een functionaris voor gegevensbescherming aan in elk
geval waarin:
a) de verwerking wordt verricht door een overheidsinstantie of overheidsorgaan, behalve in het geval van gerechten bij
de uitoefening van hun rechterlijke taken;
b) een verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker hoofdzakelijk is belast met verwerkingen die vanwege hun aard,
hun omvang en/of hun doeleinden regelmatige en stelselmatige observatie op grote schaal van betrokkenen vereisen;
of
c) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker hoofdzakelijk is belast met grootschalige verwerking van bijzondere
categorieën van gegevens uit hoofde van artikel 9 en van persoonsgegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroor­
delingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10.
2.
Een concern kan één functionaris voor gegevensbescherming benoemen, mits de functionaris voor gegevensbe­
scherming vanuit elke vestiging makkelijk te contacteren is.
3.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker een overheidsinstantie of overheidsorgaan is, kan één
functionaris voor gegevensbescherming worden aangewezen voor verschillende dergelijke instanties of organen, met
inachtneming van hun organisatiestructuur en omvang.
4.
In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen kunnen of, indien dat Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk is verplicht,
moeten de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker of verenigingen en andere organen die categorieën van verwer­
kingsverantwoordelijken of verwerkers vertegenwoordigen, een functionaris voor gegevensbescherming aanwijzen. De
functionaris voor gegevensbescherming kan optreden voor dergelijke verenigingen en andere organen die categorieën
van verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers vertegenwoordigen.
5.
De functionaris voor gegevensbescherming wordt aangewezen op grond van zijn professionele kwaliteiten en, in
het bijzonder, zijn deskundigheid op het gebied van de wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming en zijn
vermogen de in artikel 39 bedoelde taken te vervullen.
6.
De functionaris voor gegevensbescherming kan een personeelslid van de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker zijn, of kan de taken op grond van een dienstverleningsovereenkomst verrichten.
7.
De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker maakt de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbe­
scherming bekend en deelt die mee aan de toezichthoudende autoriteit.

Artikel 38
Positie van de functionaris voor gegevensbescherming
1.
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker zorgen ervoor dat de functionaris voor gegevensbescherming
naar behoren en tijdig wordt betrokken bij alle aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoons­
gegevens.

L 119/56

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker ondersteunen de functionaris voor gegevensbescherming bij de
vervulling van de in artikel 39 bedoelde taken door hem toegang te verschaffen tot persoonsgegevens en verwerkingsac­
tiviteiten en door hem de benodigde middelen ter beschikking te stellen voor het vervullen van deze taken en het in
stand houden van zijn deskundigheid.
3.
De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker zorgen ervoor dat de functionaris voor gegevensbescherming
geen instructies ontvangt met betrekking tot de uitvoering van die taken. Hij wordt door de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker niet ontslagen of gestraft voor de uitvoering van zijn taken. De functionaris voor gegevensbe­
scherming brengt rechtstreeks verslag uit aan de hoogste leidinggevende van de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker.
4.
Betrokkenen kunnen met de functionaris voor gegevensbescherming contact opnemen over alle aangelegenheden
die verband houden met de verwerking van hun gegevens en met de uitoefening van hun rechten uit hoofde van deze
verordening.
5.
De functionaris voor gegevensbescherming is met betrekking tot de uitvoering van zijn taken overeenkomstig het
Unierecht of het lidstatelijk recht tot geheimhouding of vertrouwelijkheid gehouden.
6.
De functionaris voor gegevensbescherming kan andere taken en plichten vervullen. De verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker zorgt ervoor dat deze taken of plichten niet tot een belangenconflict leiden.

Artikel 39
Taken van de functionaris voor gegevensbescherming
1.

De functionaris voor gegevensbescherming vervult ten minste de volgende taken:

a) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en de werknemers die verwerken, informeren en adviseren over
hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening en andere Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke gegevensbescher­
mingsbepalingen;
b) toezien op naleving van deze verordening, van andere Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke gegevensbeschermingsbe­
palingen en van het beleid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker met betrekking tot de bescherming
van persoonsgegevens, met inbegrip van de toewijzing van verantwoordelijkheden, bewustmaking en opleiding van
het bij de verwerking betrokken personeel en de betreffende audits;
c) desgevraagd advies verstrekken met betrekking tot de gegevensbeschermingseffect-beoordeling en toezien op de
uitvoering daarvan in overeenstemming met artikel 35;
d) met de toezichthoudende autoriteit samenwerken;
e) optreden als contactpunt voor de toezichthoudende autoriteit inzake met verwerking verband houdende aangele­
genheden, met inbegrip van de in artikel 36 bedoelde voorafgaande raadpleging, en, waar passend, overleg plegen
over enige andere aangelegenheid.
2.
De functionaris voor gegevensbescherming houdt bij de uitvoering van zijn taken naar behoren rekening met het
aan verwerkingen verbonden risico, en met de aard, de omvang, de context en de verwerkingsdoeleinden.
Af del in g 5
G edr a gsc o des en c er t if icer i ng
Artikel 40
Gedragscodes
1.
De lidstaten, de toezichthoudende autoriteiten, het Comité en de Commissie bevorderen de opstelling van
gedragscodes die, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de diverse gegevensverwerkingssectoren en de
specifieke behoeften van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, moeten bijdragen tot de juiste toepassing van
deze verordening.
2.
Verenigingen en andere organen die categorieën van verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers vertegen­
woordigen, kunnen gedragscodes opstellen, of die codes wijzigen of uitbreiden, teneinde de toepassing van deze
verordening nader toe te lichten, zoals met betrekking tot:
a) behoorlijke en transparante verwerking;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/57

b) de gerechtvaardigde belangen die door verwerkingsverantwoordelijken in een specifieke context worden behartigd;
c) de verzameling van gegevens;
d) de pseudonimisering van persoonsgegevens;
e) de aan het publiek en betrokkenen verstrekte informatie;
f) de uitoefening van de rechten van betrokkenen;
g) de informatie verstrekt aan en de bescherming van kinderen en de wijze waarop de toestemming wordt verkregen
van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kinderen dragen;
h) de maatregelen en procedures als bedoeld in de artikelen 24 en 25 en de maatregelen ter beveiliging van de
verwerking als bedoeld in artikel 32;
i) de kennisgeving van inbreuken in verband met persoonsgegevens aan toezichthoudende autoriteiten en de
mededeling van die inbreuken in verband met persoonsgegevens aan betrokkenen;
j) de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties; of
k) buitengerechtelijke procedures en andere procedures voor de beslechting van geschillen tussen verwerkingsverant­
woordelijken en betrokkenen met betrekking tot verwerking, onverminderd de rechten van betrokkenen op grond
van de artikelen 77 en 79.
3.
Behalve door verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die onder deze verordening vallen, kan bij overeen­
komstig lid 5 van dit artikel goedgekeurde gedragscodes die overeenkomstig lid 9 van dit artikel algemeen geldig zijn
verklaard, eveneens worden aangesloten door verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die overeenkomstig artikel 3
niet onder deze verordening vallen, om te voorzien in passende waarborgen voor doorgifte van persoonsgegevens naar
derde landen of internationale organisaties onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 46, lid 2, punt e). Die verwer­
kingsverantwoordelijken of verwerkers doen, via contractuele of andere juridisch bindende instrumenten, bindende en
afdwingbare toezeggingen om die passende waarborgen toe te passen, ook wat betreft de rechten van de betrokkenen.
4.
Een in lid 2 van dit artikel bedoelde gedragscode bevat mechanismen die het in artikel 41, lid 1, bedoelde orgaan
in staat stellen het verplichte toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen van de code door de verwerkings­
verantwoordelijken of verwerkers die zich tot toepassing ervan verbinden, onverminderd de taken en bevoegdheden van
de overeenkomstig artikel 55 of 56 bevoegde toezichthoudende autoriteiten.
5.
De in lid 2 van dit artikel bedoelde verenigingen en andere organen die voornemens zijn een gedragscode op te
stellen of een bestaande gedragscode te wijzigen of uit te breiden, leggen de ontwerpgedragscode, de wijziging of
uitbreiding voor aan de overeenkomstig artikel 51 bevoegde toezichthoudende autoriteit. De toezichthoudende autoriteit
brengt advies uit over de vraag of de ontwerpgedragscode, de wijziging of uitbreiding strookt met deze verordening, en
keurt deze ontwerpgedragscode, die wijziging of uitbreiding goed indien zij van oordeel is dat de code voldoende
passende waarborgen biedt.
6.
Wanneer de ontwerpgedragscode, de wijziging of uitbreiding wordt goedgekeurd overeenkomstig lid 5, en indien
de gedragscode in kwestie geen betrekking heeft op verwerkingsactiviteiten in verschillende lidstaten, registreert de
toezichthoudende autoriteit de gedragscode en maakt zij deze bekend.
7.
Wanneer een ontwerpgedragscode betrekking heeft op verwerkingsactiviteiten in verschillende lidstaten, legt de
overeenkomstig artikel 55 bevoegde toezichthoudende autoriteit deze, vóór goedkeuring van de gedragscode, de
wijziging of uitbreiding, via de in artikel 63 bedoelde procedure voor aan het Comité, dat advies geeft over de vraag of
de ontwerpgedragscode, de wijziging of uitbreiding strookt met deze verordening, of, in de in lid 3 van dit artikel
bedoelde situatie, voorziet in passende waarborgen.
8.
Wanneer in het in lid 7 bedoelde advies wordt bevestigd dat de gedragscode, de wijziging of uitbreiding strookt
met deze verordening of, in de in lid 3 bedoelde situatie, passende waarborgen biedt, legt het Comité zijn advies voor
aan de Commissie.
9.
De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen vaststellen dat de goedgekeurde gedragscode, wijziging of uitbreiding
die haar op grond van lid 8 van dit artikel zijn voorgelegd, binnen de Unie algemeen geldig zijn. Die uitvoeringshande­
lingen worden vastgesteld volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

L 119/58

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

10. De Commissie zorgt ervoor dat aan de goedgekeurde codes die zij overeenkomstig lid 9 algemeen geldig heeft
verklaard, passende bekendheid wordt verleend.
11. Het Comité verzamelt alle goedgekeurde gedragscodes, wijzigingen en uitbreidingen in een register en maakt deze
via geëigende kanalen openbaar.

Artikel 41
Toezicht op goedgekeurde gedragscodes
1.
Onverminderd de taken en bevoegdheden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit uit hoofde van de
artikelen 57 en 58, kan het op grond van artikel 40 uitgevoerde toezicht op de naleving van een gedragscode worden
uitgeoefend door een orgaan dat over de passende deskundigheid met betrekking tot het onderwerp van de gedragscode
beschikt en daartoe door de bevoegde toezichthoudende autoriteit is geaccrediteerd.
2.
Een orgaan als bedoeld in lid 1 kan daartoe worden geaccrediteerd om toezicht te houden op de naleving van een
gedragscode indien het:
a) ten genoegen van de bevoegde toezichthoudende autoriteit zijn onafhankelijkheid en deskundigheid met betrekking
tot het onderwerp van de gedragscode heeft aangetoond;
b) procedures heeft vastgesteld op grond waarvan het kan beoordelen of de betrokken verwerkingsverantwoordelijken
en verwerkers in aanmerking komen om de gedragscode toe te passen, toezicht kan houden op de naleving van de
bepalingen van de gedragscode door deze laatsten en het de werking van de gedragscode op gezette tijden kan
toetsen;
c) procedures en structuren heeft vastgesteld om klachten te behandelen over inbreuken op de gedragscode of over de
wijze waarop daaraan uitvoering is of wordt gegeven door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, en om die
procedures en structuren voor betrokkenen en het publiek transparant te maken; en
d) ten genoegen van de bevoegde toezichthoudende autoriteit aantoont dat zijn taken en bevoegdheden niet tot een
belangenconflict leiden.
3.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit legt de ontwerpcriteria voor accreditatie van een in lid 1 van dit artikel
bedoeld orgaan overeenkomstig het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme voor aan het Comité.
4.
Onverminderd de taken en bevoegdheden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de bepalingen van
hoofdstuk VIII neemt een in lid 1 van dit artikel bedoeld orgaan, mits er passende waarborgen zijn, de nodige
maatregelen ingeval een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker een inbreuk pleegt op de gedragscode, waaronder
schorsing of uitsluiting van de betrokken verwerkingsverantwoordelijke of verwerker van de gedragscode. Het orgaan
stelt de bevoegde toezichthoudende autoriteit in kennis van die maatregelen en van de redenen daarvoor.
5.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit trekt de accreditatie van een in lid 1 bedoeld orgaan in indien de
voorwaarden voor accreditatie niet of niet meer worden vervuld of indien de door het orgaan genomen maatregelen
inbreuk maken op deze verordening.
6.

Dit artikel geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties en -organen.

Artikel 42
Certificering
1.
De lidstaten, de toezichthoudende autoriteiten, het Comité en de Commissie bevorderen, met name op Unieniveau,
de invoering van certificeringsmechanismen voor gegevensbescherming en gegevensbeschermingszegels en -merktekens
waarmee kan worden aangetoond dat verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers bij verwerkingen in overeen­
stemming met deze verordening handelen. Er wordt ook rekening gehouden met de specifieke behoeften van kleine,
middelgrote en micro-ondernemingen.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/59

2.
Ter aanvulling op de naleving door verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die onder deze verordening
vallen, kunnen tevens uit hoofde van lid 5 van dit artikel goedgekeurde certificeringsmechanismen voor gegevensbe­
scherming, gegevensbeschermingszegels of -merktekens worden ingevoerd om aan te tonen dat de verwerkingsverant­
woordelijken of verwerkers die overeenkomstig artikel 3 niet onder deze verordening vallen, in het kader van de
doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties onder de voorwaarden als bedoeld in
artikel 46, lid 2, punt f), passende waarborgen bieden. Die verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers doen, via
contractuele of andere juridisch bindende instrumenten, bindende en afdwingbare toezeggingen om die passende
waarborgen toe te passen, ook wat betreft de rechten van de betrokkenen.
3.

De certificering is vrijwillig en toegankelijk via een transparant proces.

4.
Een certificering op grond van dit artikel doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker om deze verordening na te leven en laat de taken en bevoegdheden van de overeenkomstig
artikel 55 of 56 bevoegde toezichthoudende autoriteiten onverlet.
5.
Een certificaat uit hoofde van dit artikel wordt afgegeven door de in artikel 43 bedoelde certificerende organen of
door de bevoegde toezichthoudende autoriteit, op grond van de criteria die zijn goedgekeurd door die bevoegde toezicht­
houdende autoriteit op grond van artikel 58, lid 3, of door het Comité overeenkomstig artikel 63. Indien de criteria
door het Comité zijn goedgekeurd, kan dit leiden tot een gemeenschappelijke certificaat, het Europees gegevensbescher­
mingszegel.
6.
De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker die zijn verwerking aan het certificeringsmechanisme
onderwerpt, verstrekt aan het in artikel 43 bedoelde certificeringsorgaan, of, waar van toepassing, aan de bevoegde
toezichthoudende autoriteit de voor de uitvoering van de certificeringsprocedure noodzakelijke informatie en verleent
het orgaan of de autoriteit toegang tot zijn verwerkingsactiviteiten.
7.
Het certificaat wordt afgegeven aan een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker voor een maximumperiode
van drie jaar en kan worden verlengd onder dezelfde voorwaarden, mits bij voortduring aan de relevante eisen kan
worden voldaan. Indien van toepassing wordt het certificaat ingetrokken door de in artikel 43 bedoelde certificerende
organen of door de bevoegde toezichthoudende autoriteit, wanneer aan de eisen voor de certificering niet of niet meer
wordt voldaan.
8.
Het Comité verzamelt alle certificeringsmechanismen en gegevensbeschermingszegels en -merktekens in een
register en maakt deze via de daartoe geëigende kanalen openbaar.

Artikel 43
Certificeringsorganen
1.
Onverminderd de taken en bevoegdheden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit uit hoofde van de
artikelen 57 en 58, gaan certificeringsorganen die over de passende deskundigheid met betrekking tot gegevensbe­
scherming beschikt, wordt in voorkomend geval na kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteit met het oog op de
uitoefening van haar bevoegdheden overeenkomstig artikel 58, lid 2, punt h), over tot afgifte en verlenging van het
certificaat. De lidstaten zorgen ervoor dat die certificeringsorganen worden geaccrediteerd door één van de volgende
instanties:
a) de toezichthoudende autoriteit die bevoegd is overeenkomstig artikel 55 of 56;
b) de nationale accreditatie-instantie die is aangewezen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 765/2008 van het
Europees Parlement en de Raad (1), in overeenstemming met EN-ISO/IEC 17065/2012 en met de aanvullende eisen
die door de overeenkomstig artikel 55 of 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit zijn vastgesteld.
2.
zij:

De in lid 1 bedoelde certificeringsorganen kunnen overeenkomstig dit lid uitsluitend worden geaccrediteerd indien

a) ten genoegen van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, hun onafhankelijkheid en deskundigheid met betrekking
tot het certificeringsonderwerp hebben aangetoond;
(1) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en
markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008,
blz. 30).

L 119/60

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

b) er zich toe verbonden hebben aan de in artikel 42, lid 5, bedoelde criteria te voldoen, welke zijn goedgekeurd door
de op grond van artikel 55 of 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit of, overeenkomstig artikel 63, door het
Comité;
c) procedures hebben vastgesteld voor de uitgifte, periodieke toetsing en intrekking van certificeringsmechanismen voor
gegevensbescherming, gegevensbeschermingszegels en -merktekens;
d) procedures en structuren hebben vastgesteld om klachten te behandelen over inbreuken op de certificering of de
wijze waarop daaraan uitvoering is of wordt gegeven door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, en om
die procedures en structuren voor betrokkenen en het publiek transparant te maken; en
e) ten genoegen van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, aantoont dat hun taken en plichten niet tot een belangen­
conflict leiden.
3.
De accreditatie van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde certificeringsorganen vindt plaats op basis van
criteria die zijn goedgekeurd door de op grond van artikel 55 of 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit of, overeen­
komstig artikel 63, door het Comité. In het geval van een accreditatie in de zin van lid 1, punt b), van dit artikel zijn die
eisen een aanvulling op de eisen van Verordening (EG) nr. 765/2008 en de technische regels die een beschrijving van de
methoden en procedures van de certificeringsorganen geven.
4.
De in lid 1 bedoelde certificeringsorganen zijn verantwoordelijk voor de juiste beoordeling, die tot certificering of
de intrekking van die certificering leidt, onverminderd de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of
de verwerker voor de naleving van deze verordening. De accreditatie wordt afgegeven voor een maximumperiode van
vijf jaar en kan onder dezelfde voorwaarden worden verlengd, mits het certificeringsorgaan aan de in dit artikel gestelde
eisen blijft voldoen.
5.
De in lid 1 bedoelde certificeringsorganen stellen de bevoegde toezichthoudende autoriteiten op de hoogte van de
redenen voor het afgeven of het intrekken van het aangevraagde certificaat.
6.
De in lid 3 van dit artikel bedoelde voorschriften en de in artikel 42, lid 5, bedoelde criteria worden door de
toezichthoudende autoriteit in een eenvoudig toegankelijke vorm openbaar gemaakt. De toezichthoudende autoriteiten
delen die eisen en criteria ook mee aan het Comité. Het Comité verzamelt alle certificeringsmechanismen en gegevensbe­
schermingszegels in een register en maakt deze via geëigende kanalen openbaar.
7.
Indien de voorwaarden voor de accreditatie niet of niet meer worden vervuld of indien de door een certificerings­
orgaan genomen maatregelen inbreuk maken op deze verordening trekt de bevoegde toezichthoudende autoriteit of de
nationale accreditatie-instantie, onverminderd hoofdstuk VIII, de overeenkomstig lid 1 van dit artikel aan een certifice­
ringsorgaan afgegeven accreditatie in.
8.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 92 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de
nadere invulling van de in aanmerking te nemen eisen voor de in artikel 42, lid 1, bedoelde certificeringsmechanismen
voor gegevensbescherming.
9.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen die voorzien in technische normen voor certificeringsmecha­
nismen en gegevensbeschermingszegels en -merktekens en mechanismen ter bevordering en erkenning van die certifice­
ringsmechanismen en gegevensbeschermingszegels en -merktekens. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld
volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK V

Doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties
Artikel 44
Algemeen beginsel inzake doorgiften
Persoonsgegevens die worden verwerkt of die zijn bestemd om na doorgifte aan een derde land of een internationale
organisatie te worden verwerkt, mogen slechts worden doorgegeven indien, onverminderd de overige bepalingen van
deze verordening, de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker aan de in dit hoofdstuk neergelegde voorwaarden
hebben voldaan; dit geldt ook voor verdere doorgiften van persoonsgegevens vanuit het derde land of een internationale
organisatie aan een ander derde land of een andere internationale organisatie. Alle bepalingen van dit hoofdstuk worden
toegepast opdat het door deze verordening voor natuurlijke personen gewaarborgde beschermingsniveau niet wordt
ondermijnd.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/61

Artikel 45
Doorgiften op basis van adequaatheidsbesluiten
1.
Een doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie kan plaatsvinden wanneer
de Commissie heeft besloten dat het derde land, een gebied of één of meerdere nader bepaalde sectoren in dat derde
land, of de internationale organisatie in kwestie een passend beschermingsniveau waarborgt. Voor een dergelijke
doorgifte is geen specifieke toestemming nodig.
2.
Bij de beoordeling van de vraag of het beschermingsniveau adequaat is, houdt de Commissie met name rekening
met de volgende aspecten:
a) de rechtsstatelijkheid, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de toepasselijke algemene
en sectorale wetgeving, onder meer inzake openbare veiligheid, defensie, nationale veiligheid en strafrecht en de
toegang van overheidsinstanties tot persoonsgegevens, evenals de tenuitvoerlegging van die wetgeving, gegevensbe­
schermingsregels, beroepsregels en veiligheidsmaatregelen, met inbegrip van regels voor de verdere doorgifte van
persoonsgegevens aan een ander derde land of een andere internationale organisatie die in dat land of die interna­
tionale organisatie worden nageleefd, precedenten in de rechtspraak, alsmede het bestaan van effectieve en
afdwingbare rechten van betrokkenen en effectieve mogelijkheden om administratief beroep of beroep in rechte in te
stellen voor betrokkenen wier persoonsgegevens worden doorgegeven;
b) het bestaan en het effectief functioneren van een of meer onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten in het derde
land of waaraan een internationale organisatie is onderworpen, welke tot taak heeft of hebben de naleving van de
gegevensbeschermingsregels te verzekeren en deze onder meer met passende handhavingsbevoegdheden te
handhaven, betrokkenen bij de uitoefening van hun rechten bij te staan en te adviseren en met de toezichthoudende
autoriteiten van de lidstaten samen te werken; en
c) de internationale toezeggingen die het derde land of de internationale organisatie in kwestie heeft gedaan, of andere
verplichtingen die voortvloeien uit juridisch bindende overeenkomsten of instrumenten, alsmede uit de deelname van
dat derde land of die internationale organisatie aan multilaterale of regionale regelingen, in het bijzonder met
betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens.
3.
De Commissie kan, na de beoordeling van de vraag of het beschermingsniveau adequaat is, door middel van een
uitvoeringshandeling besluiten dat een derde land, een gebied of één of meerdere nader bepaalde sectoren in een derde
land, of een internationale organisatie een passend beschermingsniveau in de zin van lid 2 van dit artikel waarborgt. De
uitvoeringshandeling voorziet in een mechanisme voor periodieke toetsing, minstens om de vier jaar, waarbij alle
relevante ontwikkelingen in het derde land of de internationale organisatie in aanmerking worden genomen. In de
uitvoeringshandeling worden het territoriale en het sectorale toepassingsgebied vermeld, alsmede, in voorkomend geval,
de in lid 2, punt b), van dit artikel genoemde toezichthoudende autoriteit(en). De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld
volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4.
De Commissie houdt doorlopend toezicht op ontwikkelingen in derde landen en internationale organisaties die
mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van krachtens lid 3 van dit artikel vastgestelde besluiten en van op
grond van artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG vastgestelde besluiten.
5.
De Commissie gaat, wanneer uit beschikbare informatie blijkt, in het bijzonder naar aanleiding van de in lid 3 van
dit artikel bedoelde toetsing, dat een derde land, een gebied of één of meerdere nader bepaalde sectoren in een derde
land, of een internationale organisatie niet langer een passend beschermingsniveau in de zin van lid 2 van dit artikel
waarborgt, voor zover nodig, bij uitvoeringshandelingen zonder terugwerkende kracht over tot intrekking, wijziging of
schorsing van het in lid 3 van dit artikel bedoelde besluit. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in
artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, stelt de Commissie onmiddellijk van toepassing zijnde
uitvoeringshandelingen vast volgens de in artikel 93, lid 3, bedoelde procedure.
6.
De Commissie pleegt overleg met het derde land of de internationale organisatie om de situatie naar aanleiding
waarvan het besluit overeenkomstig lid 5 is vastgesteld, te verhelpen.
7.
Een overeenkomstig lid 5 van dit artikel vastgesteld besluit laat de doorgiften van persoonsgegevens aan het derde
land, of een gebied of één of meerdere nader bepaalde sectoren in dat derde land, of de internationale organisatie in
kwestie overeenkomstig de artikelen 46 tot en met 49 onverlet.
8.
De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op haar website een lijst bekend van de derde
landen, gebieden en nader bepaalde sectoren in derde landen en internationale organisaties waarvoor zij bij besluit heeft
vastgesteld dat deze wel of niet langer een passend beschermingsniveau waarborgen.

L 119/62

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

9.
De besluiten die de Commissie op grond van artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG heeft vastgesteld, blijven van
kracht, totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken bij een overeenkomstig lid 3 of lid 5 van dit artikel
vastgesteld besluit van de Commissie.

Artikel 46
Doorgiften op basis van passende waarborgen
1.
Bij ontstentenis van een besluit uit hoofde van artikel 45, lid 3, mag een doorgifte van persoonsgegevens aan een
derde land of een internationale organisatie door een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker alleen plaatsvinden
mits zij passende waarborgen bieden en betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen
beschikken.
2.
De in lid 1 bedoelde passende waarborgen kunnen worden geboden door de volgende instrumenten, zonder dat
daarvoor specifieke toestemming van een toezichthoudende autoriteit is vereist:
a) een juridisch bindend en afdwingbaar instrument tussen overheidsinstanties of -organen;
b) bindende bedrijfsvoorschriften overeenkomstig artikel 47;
c) standaardbepalingen inzake gegevensbescherming die door de Commissie volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure zijn vastgesteld;
d) standaardbepalingen inzake gegevensbescherming die door een toezichthoudende autoriteit zijn vastgesteld en die
door de Commissie volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure zijn goedgekeurd;
e) een overeenkomstig artikel 40 goedgekeurde gedragscode, samen met bindende en afdwingbare toezeggingen van de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in het derde land om de passende waarborgen, onder meer voor de
rechten van de betrokkenen, toe te passen; of
f) een overeenkomstig artikel 42 goedgekeurd certificeringsmechanisme, samen met bindende en afdwingbare
toezeggingen van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in het derde land om de passende waarborgen,
onder meer voor de rechten van de betrokkenen, toe te passen.
3.
Onder voorbehoud van de toestemming van de bevoegde toezichthoudende autoriteit kunnen de in lid 1 bedoelde
passende waarborgen ook worden geboden door, met name:
a) contractbepalingen tussen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en de verwerkingsverantwoordelijke, de
verwerker of de ontvanger van de persoonsgegevens in het derde land of de internationale organisatie; of
b) bepalingen die moeten worden opgenomen in administratieve regelingen tussen overheidsinstanties of -organen,
waaronder afdwingbare en effectieve rechten van betrokkenen.
4.
De toezichthoudende autoriteit past het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme toe in de in lid 3 van dit
artikel vermelde gevallen.
5.
Toestemmingen die een lidstaat of een toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 26, lid 2, van Richtlijn
95/46/EG heeft verleend, blijven geldig totdat zij door die toezichthoudende autoriteit, indien nodig, worden gewijzigd,
vervangen of ingetrokken. De besluiten die de Commissie op grond van artikel 26, lid 4, van Richtlijn 95/46/EG heeft
vastgesteld, blijven van kracht totdat zij bij een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgesteld besluit van de
Commissie, indien nodig, worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken.

Artikel 47
Bindende bedrijfsvoorschriften
1.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit keurt in overeenstemming met het in artikel 63 bedoelde coherentieme­
chanism bindende bedrijfsvoorschriften goed, op voorwaarde dat deze:
a) juridisch bindend zijn voor, van toepassing zijn op en worden gehandhaafd door alle betrokken leden van het
concern, of de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen, met inbegrip
van hun werknemers;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/63

b) betrokkenen uitdrukkelijk afdwingbare rechten toekennen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsge­
gevens; en
c) voldoen aan de in lid 2 vastgestelde vereisten.
2.

In de in lid 1 bedoelde bindende bedrijfsvoorschriften worden minstens de volgende elementen vastgelegd:

a) de structuur en de contactgegevens van het concern of de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een
economische activiteit uitoefenen en van elk van haar leden;
b) de gegevensdoorgiften of reeks van doorgiften, met inbegrip van de categorieën van persoonsgegevens, het soort
verwerking en de doeleinden daarvan, het soort betrokkenen in kwestie en de identificatie van het derde land of de
derde landen in kwestie;
c) het intern en extern juridisch bindende karakter;
d) de toepassing van de algemene beginselen inzake gegevensbescherming, met name doelbinding, minimale gegevens­
verwerking, beperkte opslagtermijnen, kwaliteit van gegevens, gegevensbescherming door standaardinstellingen en
door ontwerp, rechtsgrond voor verwerking, verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens,
maatregelen om gegevensbeveiliging te waarborgen, en de vereisten inzake verdere doorgiften aan organen die niet
door bindende bedrijfsvoorschriften zijn gebonden;
e) de rechten van betrokkenen in verband met verwerking en de middelen om die rechten uit te oefenen, waaronder
het recht om niet te worden onderworpen aan louter op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluiten, met
inbegrip van profilering overeenkomstig artikel 22, het recht om een klacht in te dienen bij de bevoegde toezicht­
houdende autoriteit, om een vordering in te stellen bij de bevoegde gerechten van de lidstaten overeenkomstig
artikel 79, en om schadeloosstelling en, in voorkomend geval, een vergoeding te verkrijgen voor een inbreuk op de
bindende bedrijfsvoorschriften;
f)

de aanvaarding door de op het grondgebied van een lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker
van aansprakelijkheid voor alle inbreuken op de bindende bedrijfsvoorschriften door een niet in de Unie gevestigd
betrokken lid; de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker wordt alleen geheel of gedeeltelijk van deze aanspra­
kelijkheid ontheven, indien hij bewijst dat dat lid niet verantwoordelijk is voor het schadebrengende feit;

g) de wijze waarop, in aanvulling op de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie, aan betrokkenen informatie
wordt verschaft over de bindende bedrijfsvoorschriften, met name over de bepalingen in de punten d), e) en f);
h) de taken van elke overeenkomstig artikel 37 aangewezen functionaris voor gegevensbescherming, of elke andere
persoon of entiteit die is belast met het toezicht op de naleving van de bindende bedrijfsvoorschriften binnen het
concern of de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen, op opleiding
en op de behandeling van klachten;
i)

de klachtenprocedures;

j)

de binnen het concern of de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen
bestaande procedures om te controleren of de bindende bedrijfsvoorschriften zijn nageleefd. Dergelijke procedures
omvatten gegevensbeschermingsaudits en -methoden om te zorgen voor corrigerende maatregelen ter bescherming
van de rechten van de betrokkene. De resultaten van dergelijke controles dienen te worden meegedeeld aan de in
punt h) bedoelde persoon of entiteit en aan de raad van bestuur van de onderneming die zeggenschap uitoefent over
een concern, of van de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen, en
dienen op verzoek ter beschikking van de bevoegde toezichthoudende autoriteit te worden gesteld;

k) de procedures om die veranderingen in de regels te melden, te registreren en aan de toezichthoudende autoriteit te
melden;
l)

de procedure voor samenwerking met de toezichthoudende autoriteit om ervoor te zorgen dat alle leden van het
concern of de groepering van ondernemingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen de bindende
bedrijfsvoorschriften naleven, in het bijzonder door de resultaten van de in punt j) bedoelde controles ter
beschikking van de toezichthoudende autoriteit te stellen;

m) de procedures om eventuele wettelijke voorschriften waaraan een lid van het concern of de groepering van onderne­
mingen die gezamenlijk een economische activiteit uitoefenen in een derde land is onderworpen en die waarschijnlijk
een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de door de bindende bedrijfsvoorschriften geboden waarborgen, aan
de bevoegde toezichthoudende autoriteit te melden; en
n) de passende opleiding inzake gegevensbescherming voor personeel dat permanent of op regelmatige basis toegang
tot persoonsgegevens heeft.

L 119/64

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

3.
De Commissie kan het model en de procedures voor de uitwisseling van informatie over bindende bedrijfsvoor­
schriften in de zin van dit artikel tussen verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers en toezichthoudende autoriteiten
nader bepalen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoekspro­
cedure.

Artikel 48
Niet bij Unierecht toegestane doorgiften of verstrekkingen
Elke rechterlijke uitspraak en elk besluit van een administratieve autoriteit van een derde land op grond waarvan een
verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker persoonsgegevens moet doorgeven of verstrekken, mag alleen op
enigerlei wijze worden erkend of afdwingbaar zijn indien zij gebaseerd zijn op een internationale overeenkomst, zoals
een verdrag inzake wederzijdse rechtsbijstand, tussen het verzoekende derde landen en de Unie of een lidstaat,
onverminderd andere gronden voor doorgifte uit hoofde van dit hoofdstuk.

Artikel 49
Afwijkingen voor specifieke situaties
1.
Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit overeenkomstig artikel 45, lid 3, of van passende waarborgen
overeenkomstig artikel 46, met inbegrip van bindende bedrijfsvoorschriften, kan een doorgifte of een reeks van
doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie slechts plaatsvinden mits aan één
van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft uitdrukkelijk met de voorgestelde doorgifte ingestemd, na te zijn ingelicht over de risico's die
dergelijke doorgiften voor hem kunnen inhouden bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit en van passende
waarborgen;
b) de doorgifte is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de verwerkingsverant­
woordelijke of voor de uitvoering van op verzoek van de betrokkene genomen precontractuele maatregelen;
c) de doorgifte is noodzakelijk voor de sluiting of de uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de
verwerkingsverantwoordelijke en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon gesloten overeenkomst;
d) de doorgifte is noodzakelijk wegens gewichtige redenen van algemeen belang;
e) de doorgifte is noodzakelijk voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering;
f) de doorgifte is noodzakelijk voor de bescherming van de vitale belangen van de betrokkene of van andere personen,
indien de betrokkene lichamelijk of juridisch niet in staat is zijn toestemming te geven;
g) de doorgifte is verricht vanuit een register dat volgens het Unierecht of lidstatelijk recht is bedoeld om het publiek
voor te lichten en dat door eenieder dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan
beroepen, kan worden geraadpleegd, maar alleen voor zover in het geval in kwestie wordt voldaan aan de in
Unierecht of lidstatelijk recht vastgestelde voorwaarden voor raadpleging.
Wanneer een doorgifte niet op een bepaling van de artikelen 45 of 46, met inbegrip van de bepalingen inzake bindende
bedrijfsvoorschriften, kon worden gegrond en geen van de afwijkingen voor een specifieke situatie als bedoeld in de
eerste alinea van dit lid van toepassing zijn, is de doorgifte niet repetitief is, een beperkt aantal betrokkenen betreft,
noodzakelijk is voor dwingende gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke die niet ondergeschikt
zijn aan de belangen of rechten en vrijheden van de betrokkene, en de verwerkingsverantwoordelijke alle omstan­
digheden in verband met de gegevensdoorgifte heeft beoordeeld en op basis van die beoordeling passende waarborgen
voor de bescherming van persoonsgegevens heeft geboden. De verwerkingsverantwoordelijke informeert de toezicht­
houdende autoriteit over de doorgifte. De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene, behalve over de in de
artikelen 13 en 14 bedoelde informatie, ook over de doorgifte en de door hem nagestreefde dwingende gerechtvaardigde
belangen.
2.
Een doorgifte overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onder g), mag geen betrekking hebben op alle persoonsgegevens
of volledige categorieën van persoonsgegevens die in het register zijn opgeslagen. Wanneer een register bedoeld is om
door personen met een gerechtvaardigd belang te worden geraadpleegd, kan de doorgifte slechts plaatsvinden op
verzoek van die personen of wanneer de gegevens voor hen zijn bestemd.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/65

3.
Lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c) en tweede alinea, zijn niet van toepassing op activiteiten die door overheidsin­
stanties worden verricht bij de uitoefening van hun openbare bevoegdheden.
4.
Het in lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde openbaar belang moet zijn erkend bij een Unierechtelijke of nationaal­
rechtelijke bepaling die op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
5.
Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit kunnen in Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen of
bepalingen om gewichtige redenen van openbaar belang uitdrukkelijk grenzen worden gesteld aan de doorgifte van
specifieke categorieën van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie. De lidstaten stellen de
Commissie in kennis van dergelijke bepalingen.
6.
De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker staaft de beoordeling en de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel
bedoelde passende waarborgen in het artikel 30 bedoelde register.

Artikel 50
Internationale samenwerking voor de bescherming van persoonsgegevens
Ten aanzien van derde landen en internationale organisaties nemen de Commissie en de toezichthoudende autoriteiten
de nodige maatregelen om:
a) procedures voor internationale samenwerking te ontwikkelen, zodat de effectieve handhaving van de wetgeving
inzake de bescherming van persoonsgegevens wordt vergemakkelijkt;
b) internationale wederzijdse bijstand te bieden bij de handhaving van de wetgeving inzake de bescherming van
persoonsgegevens, onder meer door kennisgeving, doorverwijzing van klachten, bijstand bij onderzoeken en
uitwisseling van informatie, voor zover er passende waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens en
andere grondrechten en fundamentele vrijheden bestaan;
c) belanghebbenden te betrekken bij besprekingen en activiteiten om de internationale samenwerking bij de handhaving
van de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens te bevorderen; en
d) de uitwisseling en het documenteren van wetgeving en praktijken inzake de bescherming van persoonsgegevens te
bevorderen, onder meer betreffende jurisdictiegeschillen met derde landen.
HOOFDSTUK VI

Onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten
Af deli n g 1
Ona f ha nke li jkhe i d
Artikel 51
Toezichthoudende autoriteit
1.
Elke lidstaat bepaalt dat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het toezicht op
de toepassing van deze verordening, teneinde de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen
de Unie te vergemakkelijken („toezichthoudende autoriteit”).
2.
Elke toezichthoudende autoriteit draagt bij tot de consequente toepassing van deze verordening in de hele Unie.
Daartoe werken de toezichthoudende autoriteiten onderling en met de Commissie samen overeenkomstig hoofdstuk VII.
3.
Wanneer er in een lidstaat meer dan één toezichthoudende autoriteit is gevestigd, wijst die lidstaat de toezicht­
houdende autoriteit aan die die autoriteiten in het Comité moet vertegenwoordigen en stelt hij de procedure vast om
ervoor te zorgen dat de andere autoriteiten de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme
naleven.
4.
Elke lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 in kennis van de wettelijke bepalingen die hij overeen­
komstig dit hoofdstuk vaststelt, alsmede, onverwijld, van alle latere wijzigingen daarvan.

L 119/66

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

4.5.2016

Artikel 52
Onafhankelijkheid
1.
Elke toezichthoudende autoriteit treedt volledig onafhankelijk op bij de uitvoering van de taken en de uitoefening
van de bevoegdheden die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegewezen.
2.
Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden overeenkomstig deze verordening blijven
de leden van elke toezichthoudende autoriteit vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed en vragen noch
aanvaarden zij instructies van wie dan ook.
3.
De leden van toezichthoudende autoriteiten verrichten geen handelingen die onverenigbaar zijn met hun taken en
verrichten gedurende hun ambtstermijn geen al dan niet bezoldigde beroepswerkzaamheden die onverenigbaar zijn met
hun taken.
4.
Elke lidstaat zorgt ervoor dat elke toezichthoudende autoriteit beschikt over de personele, technische en financiële
middelen, en de bedrijfsruimten en infrastructuur die nodig zijn voor het effectief uitvoeren van haar taken en
uitoefenen van haar bevoegdheden, waaronder die in het kader van wederzijdse bijstand, samenwerking en deelname aan
het Comité.
5.
Elke lidstaat zorgt ervoor dat elke toezichthoudende autoriteit eigen en zelfgekozen personeelsleden heeft, die
onder de exclusieve leiding van het lid of de leden van de betrokken toezichthoudende autoriteit staan.
6.
Elke lidstaat zorgt ervoor dat op elke toezichthoudende autoriteit financieel toezicht wordt uitgeoefend zonder dat
daarbij de onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteit in het gedrang komt en dat het een afzonderlijke,
publieke jaarbegroting heeft, die een onderdeel kan zijn van de algehele staats- of nationale begroting.

Artikel 53
Algemene voorwaarden voor de leden van de toezichthoudende autoriteit
1.
De lidstaten schrijven voor dat elk lid van hun toezichthoudende autoriteiten volgens een transparante procedure
wordt benoemd door:
— hun parlement;
— hun regering;
— hun staatshoofd; of
— een onafhankelijk orgaan dat krachtens het lidstatelijke recht met de benoeming is belast.
2.
Elk lid beschikt over de nodige kwalificaties, ervaring en vaardigheden, met name op het gebied van de
bescherming van persoonsgegevens, voor het uitvoeren van zijn taken en het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
3.
De taken van een lid eindigen bij het verstrijken van de ambtstermijn, bij ontslag of bij verplichte pensionering
overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat in kwestie.
4.
Een lid wordt slechts ontslagen indien het op ernstige wijze is tekortgeschoten of niet langer aan de vereisten voor
de uitvoering van de taken voldoet.

Artikel 54
Regels inzake de oprichting van de toezichthoudende autoriteit
1.

Elke lidstaat regelt al het volgende bij wet:

a) de oprichting van elke toezichthoudende autoriteit;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/67

b) de vereiste kwalificaties en voorwaarden om als lid te worden benoemd voor elke toezichthoudende autoriteit;
c) de regels en procedures voor de benoeming van het lid of de leden van elke toezichthoudende autoriteit;
d) de ambtstermijn van het lid of de leden van elke toezichthoudende autoriteit, die ten minste vier jaar bedraagt,
behoudens de eerste ambtstermijn na 24 mei 2016, die korter kan zijn wanneer dat nodig is om de onafhankelijkheid
van de toezichthoudende autoriteit door middel van een in de tijd gespreide benoemingsprocedure te beschermen;
e) of het lid of de leden van elke toezichthoudende autoriteit opnieuw kan of kunnen worden benoemd en zo ja, hoe
vaak;
f) de voorwaarden in verband met de plichten van het lid of de leden en de personeelsleden van elke toezichthoudende
autoriteit, de verboden op met die plichten onverenigbare handelingen, werkzaamheden en voordelen tijdens en na
de ambtstermijn en de regels betreffende de beëindiging van de ambtstermijn onderscheidenlijk de arbeidsverhouding.
2.
Ten aanzien van de vertrouwelijke informatie die hun bij de uitvoering van hun taken of de uitoefening van hun
bevoegdheden ter kennis is gekomen, geldt voor het lid of de leden en de personeelsleden van elke toezichthoudende
autoriteit zowel tijdens hun ambtstermijn als daarna het beroepsgeheim, zulks overeenkomstig Unierecht of lidstatelijk
recht. Tijdens hun ambtstermijn geldt het beroepsgeheim met name voor meldingen van inbreuken op deze verordening
door natuurlijke personen.

Afd eli n g 2
C om p e te n tie , t a ken e n bevo egd hed e n
Artikel 55
Competentie
1.
Elke toezichthoudende autoriteit heeft de competentie op het grondgebied van haar lidstaat de taken uit te voeren
die haar overeenkomstig deze verordening zijn opgedragen en de bevoegdheden uit te oefenen die haar overeenkomstig
deze verordening zijn toegekend.
2.
In het geval van verwerking door overheidsinstanties of door particuliere organen die handelen op grond van
artikel 6, lid 1, onder c) of e), is de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat in kwestie competent. In dergelijke
gevallen is artikel 56 niet van toepassing.
3.
Toezichthoudende autoriteiten zijn niet competent toe te zien op verwerkingen door gerechten bij de uitoefening
van hun rechterlijke taken.

Artikel 56
Competentie van de leidende toezichthoudende autoriteit
1.
Onverminderd artikel 55 is de toezichthoudende autoriteit van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de
verwerkingsverantwoordelijke of verwerker competent op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit voor de
grensoverschrijdende verwerking door die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker overeenkomstig de procedure van
artikel 60.
2.
In afwijking van lid 1 is elke toezichthoudende autoriteit competent een bij haar ingediende klacht of een eventuele
inbreuk op deze verordening te behandelen indien het onderwerp van die zaak alleen verband houdt met een vestiging
in haar lidstaat of alleen voor betrokkenen in haar lidstaat wezenlijke gevolgen heeft.
3.
In de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen stelt de toezichthoudende autoriteit de leidende toezichthoudende
autoriteit onverwijld in kennis van de zaak. Binnen drie weken nadat zij in kennis is gesteld, besluit de leidende toezicht­
houdende autoriteit of zij de zaak al dan niet zal behandelen, overeenkomstig de in artikel 60 vastgelegde procedure; zij
houdt daarbij rekening met het al dan niet bestaan van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker in de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die haar in kennis heeft gesteld.

L 119/68

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

4.
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit besluit de zaak te behandelen, is de procedure van artikel 60 van
toepassing. De toezichthoudende autoriteit die de leidende toezichthoudende autoriteit in kennis heeft gesteld, kan bij
deze laatste een ontwerpbesluit indienen. De leidende toezichthoudende autoriteit houdt zo veel mogelijk rekening met
dat ontwerp wanneer zij het in artikel 60, lid 3, bedoelde ontwerpbesluit opstelt.
5.
Indien de leidende toezichthoudende autoriteit besluit de zaak niet te behandelen, wordt deze overeenkomstig de
artikelen 61 en 62 behandeld door de toezichthoudende autoriteit die de leidende toezichthoudende autoriteit in kennis
heeft gesteld.
6.
De leidende toezichthoudende autoriteit is voor de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de enige
gesprekspartner bij grensoverschrijdende verwerking door die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.

Artikel 57
Taken
1.
Onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken, verricht elke toezichthoudende
autoriteit op haar grondgebied de volgende taken:
a) zij monitort en handhaaft de toepassing van deze verordening;
b) zij bevordert bij het brede publiek de bekendheid met en het inzicht in de risico's, regels, waarborgen en rechten in
verband met de verwerking. Bijzondere aandacht wordt besteed aan specifiek op kinderen gerichte activiteiten;
c) zij verleent overeenkomstig het recht van de lidstaat, advies aan het nationale parlement, de regering, en andere
instellingen en organen over wetgevingsinitiatieven en bestuursmaatregelen in verband met de bescherming van de
rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het gebied van verwerking;
d) zij maakt de verwerkingsverantwoordelijken en de verwerkers beter bekend met hun verplichtingen uit hoofde van
deze verordening;
e) zij verstrekt desgevraagd informatie aan iedere betrokkene over de uitoefening van zijn rechten uit hoofde van deze
verordening en werkt daartoe in voorkomend geval samen met de toezichthoudende autoriteiten in andere lidstaten;
f)

zij behandelt klachten van betrokkenen, of van organen, organisaties of verenigingen overeenkomstig artikel 80,
onderzoekt de inhoud van de klacht in de mate waarin dat gepast is en stelt de klager binnen een redelijke termijn in
kennis van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek, met name indien verder onderzoek of coördinatie
met een andere toezichthoudende autoriteit noodzakelijk is;

g) zij werkt samen met andere toezichthoudende autoriteiten, onder meer door informatie te delen en wederzijdse
bijstand te bieden, teneinde de samenhang in de toepassing en de handhaving van deze verordening te waarborgen;
h) zij verricht onderzoeken naar de toepassing van deze verordening, onder meer op basis van informatie die zij van
een andere toezichthoudende autoriteit of een andere overheidsinstantie ontvangt;
i)

zij volgt de relevante ontwikkelingen voor zover deze een impact hebben op de bescherming van persoonsgegevens,
met name de ontwikkelingen in informatie- en communicatietechnologieën en handelspraktijken;

j)

zij stelt de in artikel 28, lid 8, en artikel 46, lid 2, onder d), bedoelde standaardcontractbepalingen vast;

k) zij stelt een lijst op met betrekking tot het vereiste inzake een gegevensbeschermingseffectbeoordeling overeen­
komstig artikel 35, lid 4, en houdt deze lijst bij;
l)

zij verstrekt advies over de in artikel 36, lid 2, bedoelde verwerkingsactiviteiten;

m) zij bevordert de opstelling van gedragscodes uit hoofde van artikel 40, lid 1, geeft advies en keurt, overeenkomstig
artikel 40, lid 5, gedragscodes goed die voldoende waarborgen leveren;
n) zij bevordert de invoering van certificeringsmechanismen voor gegevensbescherming en van gegevensbeschermings­
zegels en -merktekens overeenkomstig artikel 42, lid 1, en keurt de criteria voor certificering uit hoofde van
artikel 42, lid 5, goed;
o) waar van toepassing verricht zij een periodieke toetsing van de overeenkomstig artikel 42, lid 7, afgegeven certifice­
ringen;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/69

p) zij zorgt voor het opstellen en het bekendmaken van de criteria voor de accreditatie van een orgaan voor het
toezicht op gedragscodes op grond van artikel 41 en van een certificeringsorgaan op grond van artikel 43;
q) zij zorgt voor de accreditatie van een orgaan voor het toezicht op gedragscodes op grond van artikel 41 en van een
certificeringsorgaan op grond van artikel 43;
r) zij geeft toestemming voor de in artikel 46, lid 3, bedoelde contractuele en andere bepalingen;
s) zij keurt overeenkomstig artikel 47 bindende bedrijfsvoorschriften goed;
t)

zij levert een bijdrage aan de activiteiten van het Comité;

u) zij houdt interne registers bij van inbreuken op deze verordening en van overeenkomstig artikel 58, lid 2, getroffen
maatregelen; en
v) zij verricht alle andere taken die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens.
2.
Elke toezichthoudende autoriteit faciliteert de indiening van klachten als bedoeld in lid 1, onder f), door
maatregelen te nemen, zoals het ter beschikking stellen van een klachtenformulier dat ook elektronisch kan worden
ingevuld, zonder dat andere communicatiemiddelen worden uitgesloten.
3.
Elke toezichthoudende autoriteit verricht haar taken kosteloos voor de betrokkene en, in voorkomend geval, voor
de functionaris voor gegevensbescherming.
4.
Wanneer verzoeken kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter, kan de
toezichthoudende autoriteit op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen, of weigeren aan
het verzoek gevolg te geven. Het is aan de toezichthoudende autoriteit om de kennelijk ongegronde of buitensporige
aard van het verzoek aan te tonen.

Artikel 58
Bevoegdheden
1.

Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende onderzoeksbevoegdheden om:

a) de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkings­
verantwoordelijke of van verwerker te gelasten alle voor de uitvoering van haar taken vereiste informatie te
verstrekken;
b) onderzoeken te verrichten in de vorm van gegevensbeschermingscontroles;
c) een toetsing te verrichten van de overeenkomstig artikel 42, lid 7, afgegeven certificeringen;
d) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kennis te stellen van een beweerde inbreuk op deze verordening;
e) van de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker toegang te verkrijgen tot alle persoonsgegevens en alle
informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken; en
f) toegang te verkrijgen tot alle bedrijfsruimten van de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker, daaronder
begrepen tot alle uitrustingen en middelen voor gegevensverwerking, in overeenstemming met het uniale of lidsta­
telijke procesrecht.
2.

Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen:

a) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk
inbreuk op bepalingen van deze verordening wordt gemaakt;
b) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker berispen wanneer met verwerkingen inbreuk op bepalingen van
deze verordening is gemaakt;
c) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten de verzoeken van de betrokkene tot uitoefening van zijn
rechten uit hoofde van deze verordening in te willigen;

L 119/70

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

d) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten, waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen
een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze verordening;
e) de verwerkingsverantwoordelijke gelasten een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene mee te
delen;
f) een tijdelijke of definitieve verwerkingsbeperking, waaronder een verwerkingsverbod, opleggen;
g) het rectificeren of wissen van persoonsgegevens of het beperken van verwerking uit hoofde van de artikelen 16, 17
en 18 gelasten, alsmede de kennisgeving van dergelijke handelingen aan ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn
verstrekt, overeenkomstig artikel 17, lid 2, en artikel 19;
h) een certificering intrekken of het certificeringsorgaan gelasten een uit hoofde van de artikelen 42 en 43 afgegeven
certificering in te trekken, of het certificeringsorgaan te gelasten geen certificering af te geven indien niet langer aan
de certificeringsvereisten wordt voldaan;
i) naargelang de omstandigheden van elke zaak, naast of in plaats van de in dit lid bedoelde maatregelen, een adminis­
tratieve geldboete opleggen op grond van artikel 83; en
j) de opschorting van gegevensstromen naar een ontvanger in een derde land of naar een internationale organisatie
gelasten.
3.

Elke toezichthoudende autoriteit heeft alle autorisatie- en adviesbevoegdheden om:

a) de verwerkingsverantwoordelijke advies te verstrekken in overeenstemming met de procedure van voorafgaande
raadpleging van artikel 36;
b) op eigen initiatief dan wel op verzoek, aan het nationaal parlement, aan de regering van de lidstaat, of overeen­
komstig het lidstatelijke recht aan andere instellingen en organen alsmede aan het publiek advies te verstrekken over
aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens;
c) toestemming te geven voor verwerking als bedoeld in artikel 36, lid 5, indien die voorafgaande toestemming door
het lidstatelijke recht wordt voorgeschreven;
d) overeenkomstig artikel 40, lid 5, advies uit te brengen over en goedkeuring te hechten aan de ontwerpgedragscodes;
e) certificeringsorganen te accrediteren overeenkomstig artikel 43;
f) certificeringen af te geven en certificeringscriteria goed te keuren overeenkomstig artikel 42, lid 5;
g) de in artikel 28, lid 8, en artikel 46, lid 2, punt d), bedoelde standaardbepalingen inzake gegevensbescherming aan te
nemen;
h) toestemming te verlenen voor de in artikel 46, lid 3, punt a), bedoelde contractbepalingen;
i) toestemming te verlenen voor de in artikel 46, lid 3, punt b), bedoelde administratieve regelingen;
j) goedkeuring te hechten aan bindende bedrijfsvoorschriften overeenkomstig artikel 47.
4.
Op de uitoefening van de bevoegdheden die uit hoofde van dit artikel aan de toezichthoudende autoriteit worden
verleend, zijn passende waarborgen van toepassing, daaronder begrepen doeltreffende voorziening in rechte en eerlijke
rechtsbedeling, zoals overeenkomstig het Handvest vastgelegd in het Unierecht en het lidstatelijke recht.
5.
Elke lidstaat bepaalt bij wet dat zijn toezichthoudende autoriteit bevoegd is inbreuken op deze verordening ter
kennis te brengen van de gerechtelijke autoriteiten en, waar passend, daartegen een rechtsvordering in te stellen of
anderszins in rechte op te treden, teneinde de bepalingen van deze verordening te doen naleven.
6.
Elke lidstaat kan bij wet bepalen dat zijn toezichthoudende autoriteit, naast de in lid 1, 2 en 3 bedoelde
bevoegdheden bijkomende bevoegdheden heeft. De uitoefening van die bevoegdheden doet geen afbreuk aan de
doeltreffende werking van hoofdstuk VII.

Artikel 59
Activiteitenverslagen
Elke toezichthoudende autoriteit stelt jaarlijks een verslag over haar activiteiten op, met daarin mogelijk een lijst van de
soorten gemelde inbreuken en de soorten maatregelen die overeenkomstig artikel 58, lid 2, worden genomen. Die
verslagen worden toegezonden aan het nationale parlement, de regering en elke andere autoriteit die daartoe in het
lidstatelijke recht is aangewezen. Zij worden ter beschikking gesteld van het publiek, de Commissie en het Comité.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/71

HOOFDSTUK VII

Samenwerking en coherentie
Af del in g 1
Sa m enwe rki ng
Artikel 60
Samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezicht­
houdende autoriteiten
1.
De leidende toezichthoudende autoriteit werkt overeenkomstig dit artikel samen met de andere betrokken toezicht­
houdende autoriteiten teneinde tot een consensus proberen te komen. De leidende toezichthoudende autoriteit en de
betrokken toezichthoudende autoriteiten wisselen alle relevante informatie met elkaar uit.
2.
De leidende toezichthoudende autoriteit kan te allen tijde andere betrokken toezichthoudende autoriteiten
verzoeken wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61 te verlenen, en kan gezamenlijke werkzaamheden ondernemen
overeenkomstig artikel 62, in het bijzonder voor het uitvoeren van onderzoeken of voor het toezicht op de uitvoering
van een maatregel betreffende een in een andere lidstaat gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.
3.
De leidende toezichthoudende autoriteit deelt onverwijld alle relevante informatie over de aangelegenheid mee aan
de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Zij legt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten
onverwijld te hunner beoordeling een ontwerpbesluit voor en houdt naar behoren rekening met hun standpunten.
4.
Indien één van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten binnen een termijn van vier weken na te zijn
geraadpleegd overeenkomstig lid 3 van dit artikel een relevant en gemotiveerd bezwaar tegen het ontwerpbesluit indient,
onderwerpt de leidende toezichthoudende autoriteit, indien zij het relevante en gemotiveerde bezwaar afwijst of het niet
relevant of niet gemotiveerd acht, de aangelegenheid aan het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme.
5.
Indien de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is het ingediende relevante en gemotiveerde bezwaar te
honoreren, legt zij de overige betrokken toezichthoudende autoriteiten te hunner beoordeling een herzien ontwerpbesluit
voor. Dat herziene ontwerpbesluit wordt binnen een termijn van twee weken aan de in lid 4 bedoelde procedure
onderworpen.
6.
Indien geen enkele andere betrokken toezichthoudende autoriteit binnen de in de leden 4 en 5 bedoelde termijn
bezwaar heeft gemaakt tegen het door de leidende toezichthoudende autoriteit voorgelegde ontwerpbesluit, worden de
leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten geacht met dat ontwerpbesluit in te
stemmen en zijn zij daaraan gebonden.
7.
De leidende toezichthoudende autoriteit stelt het besluit vast en deelt het mee aan de hoofdvestiging of de enige
vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, naargelang het geval, en stelt de andere betrokken
toezichthoudende autoriteiten, alsmede het Comité in kennis van het besluit in kwestie, voorzien van een samenvatting
van de relevante feiten en gronden. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in
kennis van het besluit.
8.
Ingeval een klacht is afgewezen of verworpen, stelt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend,
in afwijking van lid 7, het besluit vast en deelt zij het mee aan de klager en stelt zij de verwerkingsverantwoordelijke
ervan in kennis.
9.
Indien de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten het erover eens zijn
delen van een klacht af te wijzen of te verwerpen en voor andere delen van die klacht op te treden, wordt voor elk van
die laatstgenoemde delen een afzonderlijk besluit vastgesteld. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt het besluit
vast voor het deel betreffende de maatregelen inzake de verwerkingsverantwoordelijke, en deelt het mee aan de hoofdves­
tiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van haar lidstaat,
en stelt de klager daarvan in kennis. Voor het deel waarvoor de klacht in kwestie is afgewezen of verworpen, wordt het
besluit vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit van de klager, en door haar aan die klager medegedeeld, en wordt
de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker daarvan in kennis gesteld.
10. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker treft, na in kennis te zijn gesteld van het besluit van de
leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig de leden 7 en 9, de nodige maatregelen teneinde het besluit wat
betreft de verwerkingsactiviteiten binnen al zijn vestigingen binnen de Unie te doen naleven. De verwerkingsverantwoor­
delijke of de verwerker deelt de door hem met het oog op de naleving van het besluit getroffen maatregelen mee aan de
leidende toezichthoudende autoriteit, die de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ervan in kennis stelt.

L 119/72

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

11. Indien, in buitengewone omstandigheden, een betrokken toezichthoudende autoriteit het met reden dringend
noodzakelijk acht dat in het belang van bescherming van de belangen van betrokkenen wordt opgetreden, is de in
artikel 66 bedoelde spoedprocedure van toepassing.
12. De leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten verstrekken elkaar
langs elektronische weg, door middel van een standaardformulier, de krachtens dit artikel vereiste informatie.

Artikel 61
Wederzijdse bijstand
1.
De toezichthoudende autoriteiten verstrekken elkaar relevante informatie en wederzijdse bijstand om deze
verordening op een consequente manier ten uitvoer te leggen en toe te passen, en nemen maatregelen om doeltreffend
met elkaar samen te werken. De wederzijdse bijstand bestrijkt met name informatieverzoeken en toezichtsmaatregelen,
zoals verzoeken om voorafgaande toestemming en raadplegingen, inspecties en onderzoeken.
2.
Elke toezichthoudende autoriteit neemt alle passende maatregelen die nodig zijn om een verzoek van een andere
toezichthoudende autoriteit onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst daarvan te beantwoorden. Hierbij
kan het in het bijzonder gaan om toezending van relevante informatie over de uitvoering van een onderzoek.
3.
Verzoeken om bijstand bevatten alle nodige informatie, waaronder het doel van en de redenen voor het verzoek.
De uitgewisselde informatie wordt alleen gebruikt voor het doel waarvoor om die informatie is verzocht.
4.

De toezichthoudende autoriteit waaraan een verzoek om bijstand is gericht, wijst dit verzoek slechts af indien:

a) zij niet bevoegd is voor het onderwerp van het verzoek of voor de maatregelen die zij verzocht wordt uit te voeren;
of
b) het verzoek inbreuk maakt op deze verordening of met Unierecht of lidstatelijk recht dat van toepassing is op de
toezichthoudende autoriteit die het verzoek ontvangt.
5.
De toezichthoudende autoriteit tot wie het verzoek is gericht, informeert de verzoekende toezichthoudende
autoriteit over de resultaten of, in voorkomend geval, de voortgang van de maatregelen die in antwoord op het verzoek
zijn genomen. Indien de toezichthoudende autoriteit tot wie het verzoek is gericht het verzoek op grond van lid 4
afwijst, licht zij de redenen daarvoor toe.
6.
Toezichthoudende autoriteiten tot wie het verzoek is gericht delen in de regel de door andere toezichthoudende
autoriteiten gevraagde informatie langs elektronische weg mee door middel van een standaardformulier.
7.
De maatregelen die toezichthoudende autoriteiten tot wie een verzoek is gericht nemen uit hoofde van een verzoek
om wederzijdse bijstand, zijn kosteloos. De toezichthoudende autoriteiten kunnen regels overeenkomen om elkaar te
vergoeden voor specifieke uitgaven die voortvloeien uit het verstrekken van wederzijdse bijstand in uitzonderlijke
omstandigheden.
8.
Wanneer een toezichthoudende autoriteit de in lid 5 van dit artikel bedoelde informatie niet binnen één maand na
ontvangst van het verzoek van een andere toezichthoudende autoriteit verstrekt, kan de verzoekende toezichthoudende
autoriteit overeenkomstig artikel 55, lid 1, op het grondgebied van haar lidstaat een voorlopige maatregel nemen. In dat
geval wordt geacht dat er overeenkomstig artikel 66, lid 1, dringend moet worden opgetreden en dat dit een dringend
bindend besluit van het Comité vereist overeenkomstig artikel 66, lid 2.
9.
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het model en de procedures voor de in dit artikel
bedoelde wederzijdse bijstand vastleggen, alsmede de regelingen voor de elektronische uitwisseling van informatie tussen
toezichthoudende autoriteiten onderling en tussen toezichthoudende autoriteiten en het Comité, waaronder het in lid 6
van dit artikel bedoelde standaardformulier. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 93,
lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 62
Gezamenlijke werkzaamheden van toezichthoudende autoriteiten
1.
In voorkomend geval voeren de toezichthoudende autoriteiten gezamenlijke werkzaamheden uit, waaronder
gezamenlijke onderzoeken en gezamenlijke handhavingsmaatregelen, waarbij leden of personeelsleden van de toezicht­
houdende autoriteiten van andere lidstaten worden betrokken.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/73

2.
Indien de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker vestigingen heeft in meerdere lidstaten, of indien een
significant aantal betrokkenen in meer dan één lidstaat waarschijnlijk wezenlijke gevolgen ondervindt van de verwer­
kingsactiviteiten, heeft van elk van die lidstaten één toezichthoudende autoriteit het recht om aan de gezamenlijke
werkzaamheden deel te nemen. De toezichthoudende autoriteit die bevoegd is overeenkomstig artikel 56, lid 1 of lid 4,
verzoekt de toezichthoudende autoriteit van elk van die lidstaten om deelname aan de gezamenlijke werkzaamheden in
kwestie en beantwoordt onverwijld het verzoek van een toezichthoudende autoriteit om te mogen deelnemen.
3.
Een toezichthoudende autoriteit kan overeenkomstig het lidstatelijke recht en met toestemming van de
ondersteunende toezichthoudende autoriteit, aan de aan gezamenlijke werkzaamheden deelnemende leden of
personeelsleden van de ondersteunende toezichthoudende autoriteit bevoegdheden toekennen, onder meer in verband
met het voeren van onderzoek, of, voor zover het nationale recht de ontvangende toezichthoudende autoriteit dat
toestaat, de leden of de personeelsleden van de ondersteunende toezichthoudende autoriteit toestaan om hun
onderzoeksbevoegdheden overeenkomstig het nationale recht van de ondersteunende toezichthoudende autoriteit uit te
oefenen. Deze onderzoeksbevoegdheden mogen hierbij uitsluitend worden uitgeoefend onder leiding en in aanwezigheid
van leden of personeelsleden van de ontvangende toezichthoudende autoriteit. De leden of de personeelsleden van de
ondersteunende toezichthoudende autoriteit zijn onderworpen aan het recht van de lidstaat van de ontvangende
toezichthoudende autoriteit.
4.
Wanneer personeelsleden van een ondersteunende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig lid 1 actief zijn in
een andere lidstaat, neemt de lidstaat van de ontvangende toezichthoudende autoriteit de verantwoordelijkheid voor hun
activiteiten, met inbegrip van de aansprakelijkheid voor alle door die personeelsleden bij de uitvoering van hun
werkzaamheden veroorzaakte schade, overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan die
personeelsleden actief zijn.
5.
De lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is veroorzaakt, vergoedt deze schade onder de voorwaarden die
gelden voor door zijn eigen personeelsleden veroorzaakte schade. De lidstaat van de ondersteunende toezichthoudende
autoriteit waarvan de personeelsleden op het grondgebied van een andere lidstaat aan iemand schade hebben berokkend,
betaalt die andere lidstaat het volledige bedrag terug dat die andere lidstaat voor rekening van die personeelsleden aan de
rechthebbenden heeft uitgekeerd.
6.
Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het in lid 5 bepaalde,
ziet elke lidstaat er in het in lid 1 bedoelde geval van af het bedrag van de in lid 4 bedoelde schade op een andere
lidstaat te verhalen.
7.
Wanneer een gezamenlijke werkzaamheid is gepland en een toezichthoudende autoriteit niet binnen één maand
aan de in lid 2, tweede zin, van dit artikel vastgestelde verplichting voldoet, kunnen de andere toezichthoudende
autoriteiten een voorlopige maatregel nemen op het grondgebied van de lidstaat waarvoor zij bevoegd zijn overeen­
komstig artikel 55. In dat geval wordt geacht dat er overeenkomstig artikel 66, lid 1, dringend moet worden opgetreden
en dat dit een dringend advies of een dringend bindend besluit van het Comité vereist overeenkomstig artikel 66, lid 2.
Af de li ng 2
C ohe re nti e
Artikel 63
Coherentiemechanisme
Teneinde bij te dragen aan de consequente toepassing van deze verordening in de gehele Unie werken de toezicht­
houdende autoriteiten met elkaar en waar passend samen met de Commissie in het kader van het in deze afdeling uiteen­
gezette coherentiemechanisme.

Artikel 64
Advies van het Comité
1.
Het Comité brengt een advies uit wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit voornemens is een van
onderstaande maatregelen vast te stellen. Hiertoe deelt de bevoegde toezichthoudende autoriteit het Comité het ontwerp­
besluit mee indien het:
a) de vaststelling beoogt van een lijst van verwerkingen waarvoor de eis inzake een gegevensbeschermingseffectbeoor­
deling overeenkomstig artikel 35, lid 4, geldt;
b) betrekking heeft op de vraag, overeenkomstig artikel 40, lid 7, of een gedragscode of de wijziging of uitbreiding van
een gedragscode met deze verordening in overeenstemming is;

L 119/74

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

c) beoogt de criteria voor accreditatie van een orgaan overeenkomstig artikel 41, lid 3, of een certificeringsorgaan
overeenkomstig artikel 43, lid 3, goed te keuren;
d) de vaststelling beoogt van de in artikel 46, lid 2, onder d), en in artikel 28, lid 8, bedoelde standaardbepalingen
inzake gegevensbescherming;
e) de toestemming beoogt voor de in artikel 46, lid 3, onder a), bedoelde contractbepalingen; of
f) de goedkeuring beoogt van bindende bedrijfsvoorschriften in de zin van artikel 47.
2.
Een toezichthoudende autoriteit, de voorzitter van het Comité of de Commissie kunnen elk verzoeken dat aangele­
genheden van algemene strekking of met rechtsgevolgen in meer dan één lidstaat worden onderzocht door het Comité
teneinde advies te verkrijgen, met name wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit haar verplichtingen tot
wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61, of tot gezamenlijke werkzaamheden overeenkomstig artikel 62, niet
nakomt.
3.
Het Comité brengt in de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen een advies uit over de aan het Comité voorgelegde
aangelegenheid, mits het daarover niet eerder advies heeft uitgebracht. Dat advies wordt binnen acht weken vastgesteld
met gewone meerderheid van de leden van het Comité. Die termijn kan met zes weken worden verlengd, rekening
houdend met de complexiteit van de aangelegenheid. Met het in lid 1 bedoelde ontwerpbesluit, dat overeenkomstig lid 5
onder de leden van het Comité wordt verspreid, wordt een lid dat niet binnen een redelijke, door de voorzitter
aangegeven termijn bezwaar heeft aangetekend, geacht in te stemmen.
4.
De toezichthoudende autoriteiten en de Commissie delen onverwijld langs elektronische weg door middel van een
standaardformulier het Comité alle relevante informatie mee, waaronder naargelang het geval een samenvatting van de
feiten, het ontwerpbesluit, de redenen waarom een dergelijke maatregel moet worden genomen en de standpunten van
andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
5.

De voorzitter van het Comité stelt onverwijld langs elektronische weg:

a) de leden van het Comité en de Commissie door middel van een standaardformulier in kennis van alle relevante
informatie die het Comité heeft ontvangen. Het secretariaat van het Comité verstrekt indien nodig vertalingen van
relevante informatie; en
b) de, naargelang het geval, in de leden 1 en 2 bedoelde toezichthoudende autoriteit en de Commissie in kennis van het
advies en maakt dat advies bekend.
6.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit stelt haar in lid 1 bedoelde ontwerpbesluit niet vast binnen de in lid 3
bedoelde termijn.
7.
De in lid 1 bedoelde toezichthoudende autoriteit houdt maximaal rekening met het advies van het Comité en deelt
de voorzitter van het Comité binnen twee weken na ontvangst van het advies langs elektronische weg door middel van
een standaardformulier mee of zij haar ontwerpbesluit zal handhaven dan wel wijzigen alsmede, in voorkomend geval
het gewijzigde ontwerpbesluit.
8.
Wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteit de voorzitter van het Comité binnen de in lid 7 van dit artikel
bedoelde termijn, onder opgave van de redenen, kennis geeft van haar voornemen het advies van het Comité geheel of
gedeeltelijk niet op te volgen, is artikel 65, lid 1, van toepassing.

Artikel 65
Geschillenbeslechting door het Comité
1.
Om te zorgen voor de correcte en consequente toepassing van deze verordening in individuele gevallen, stelt het
Comité een bindend besluit vast in de volgende gevallen:
a) wanneer in een geval als bedoeld in artikel 60, lid 4, een betrokken toezichthoudende autoriteit een relevant en
gemotiveerd bezwaar heeft ingediend tegen een ontwerpbesluit van de leidende toezichthoudende autoriteit of de
leidende toezichthoudende autoriteit dit bezwaar heeft afgewezen als zijnde irrelevant of ongemotiveerd. Het bindend
besluit heeft betrekking op alle aangelegenheden die onderwerp van het relevante en gemotiveerde bezwaar zijn, en
met name op de vraag of inbreuk op de onderhavige verordening wordt gemaakt;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/75

b) wanneer er verschillend wordt geoordeeld over de vraag welke betrokken toezichthoudende autoriteit bevoegd is
voor de hoofdvestiging;
c) wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de in artikel 64, lid 1, genoemde gevallen het Comité niet om
advies vraagt, of het krachtens artikel 64 uitgebrachte advies van het Comité niet volgt. In dat geval kan elke
betrokken toezichthoudende autoriteit of de Commissie de aangelegenheid meedelen aan het Comité.
2.
Het in lid 1 bedoelde besluit wordt binnen één maand na de verwijzing van de aangelegenheid vastgesteld met een
tweederdemeerderheid van de leden van het Comité. Deze termijn kan wegens de complexiteit van de aangelegenheid
met één maand worden verlengd. Het in lid 1 bedoelde besluit wordt met redenen omkleed en gericht tot de leidende
toezichthoudende autoriteit en alle betrokken toezichthoudende autoriteiten, en is bindend.
3.
Indien het Comité niet binnen de in lid 2 genoemde termijn een besluit heeft kunnen vaststellen, stelt het zijn
besluit binnen twee weken na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde tweede maand vast, met een gewone meerderheid
van zijn leden. Bij staking van stemmen onder de leden van het Comité is de stem van de voorzitter beslissend.
4.
De betrokken toezichthoudende autoriteiten stellen tijdens de in de leden 2 en 3 bedoelde termijn geen besluit over
de overeenkomstig lid 1 aan het Comité voorgelegde aangelegenheid vast.
5.
De voorzitter van het Comité brengt het in lid 1 bedoelde besluit onverwijld ter kennis van de betrokken toezicht­
houdende autoriteiten. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte. Het besluit wordt onverwijld bekendgemaakt op
de website van het Comité nadat de toezichthoudende autoriteit het in lid 6 bedoelde definitieve besluit ter kennis heeft
gebracht.
6.
De leidende toezichthoudende autoriteit of, in voorkomend geval, de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht
is ingediend, stelt onverwijld en uiterlijk binnen één maand na de kennisgeving door het Comité een definitief besluit
vast op basis van het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit. De leidende toezichthoudende autoriteit of, in voorkomend
geval, de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, deelt het Comité de datum mee waarop haar
definitieve besluit ter kennis wordt gebracht van respectievelijk de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en van
de betrokkene. Het definitieve besluit van de betrokken toezichthoudende autoriteiten wordt vastgesteld overeenkomstig
artikel 60a, leden 7, 8 en 9. Het definitieve besluit verwijst naar het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit en geeft aan
dat genoemd besluit overeenkomstig lid 5 van dit artikel zal worden bekendgemaakt op de website van het Comité. Het
in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit wordt aan het definitieve besluit gehecht.

Artikel 66
Spoedprocedure
1.
In buitengewone omstandigheden kan een betrokken toezichthoudende autoriteit, wanneer zij van mening is dat er
dringend moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen, in afwijking van het in
de artikelen 63, 64 en 65 bedoelde coherentiemechanisme of van de in artikel 60 bedoelde procedure, onverwijld
voorlopige maatregelen met een bepaalde geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden nemen die beogen rechtsge­
volgen in het leven te roepen op het eigen grondgebied. De toezichthoudende autoriteit deelt die maatregelen met
opgave van de redenen onverwijld mee aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, het Comité en de
Commissie.
2.
Wanneer een toezichthoudende autoriteit overeenkomstig lid 1 een maatregel heeft genomen en van mening is dat
er dringend definitieve maatregelen moeten worden genomen, kan zij het Comité met opgave van redenen om een
dringend advies of een dringend bindend besluit verzoeken.
3.
Een toezichthoudende autoriteit kan het Comité met opgave van redenen, waaronder de redenen waarom er
dringend moet worden opgetreden, om een dringend advies of een dringend bindend besluit verzoeken wanneer de
bevoegde toezichthoudende autoriteit geen passende maatregel heeft genomen in een situatie waarin er dringend moet
worden opgetreden, teneinde de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen.
4.
In afwijking van artikel 64, lid 3, en van artikel 65, lid 2, wordt een als in de leden 2 en 3 bedoeld dringend advies
of dringend bindend besluit binnen twee weken met gewone meerderheid van de leden van het Comité vastgesteld.

L 119/76

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

Artikel 67
Uitwisseling van informatie
De Commissie kan uitvoeringshandelingen van algemene aard vaststellen om d)de regelingen voor de elektronische
uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten onderling en tussen toezichthoudende autoriteiten en
het Comité, met name het in artikel 64 bedoelde standaardformulier, vast te leggen.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 93, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Afde li ng 3
E ur op e es C omi té vo o r ge geve nsbe sche r m ing
Artikel 68
Europees Comité voor gegevensbescherming
1.
Het Europees Comité voor gegevensbescherming (het „Comité”) wordt ingesteld als orgaan van de Unie en heeft
rechtspersoonlijkheid.
2.

Het Comité wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter.

3.
Het Comité bestaat uit de voorzitter van één toezichthoudende autoriteit per lidstaat en de Europese Toezicht­
houder voor gegevensbescherming, of hun respectieve vertegenwoordigers.
4.
Wanneer in een lidstaat meer dan één toezichthoudende autoriteit belast is met het toezicht op de toepassing van
de bepalingen krachtens deze verordening, wordt overeenkomstig het recht van die lidstaat een gezamenlijke vertegen­
woordiger aangewezen.
5.
De Commissie heeft het recht deel te nemen aan de activiteiten en, zonder stemrecht, aan de bijeenkomsten van
het Comité. De Commissie wijst een vertegenwoordiger aan. De voorzitter van het Comité stelt de Commissie in kennis
van de activiteiten van het Comité.
6.
In de in artikel 65 bedoelde gevallen heeft de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming uitsluitend
stemrecht bij besluiten over op de instellingen, organen en instanties van de Unie toepasselijke beginselen en regels die
inhoudelijk met die van de onderhavige verordening overeenstemmen.

Artikel 69
Onafhankelijkheid
1.
Het Comité treedt bij de uitvoering van zijn taken of de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig de
artikelen 70 en 71 onafhankelijk op.
2.
Onverminderd verzoeken van de Commissie als bedoeld in artikel 70, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 2, vraagt
noch aanvaardt het Comité bij de uitvoering van zijn taken of de uitoefening van zijn bevoegdheden instructies van wie
dan ook.

Artikel 70
Taken van het Comité
1.
Het Comité zorgt ervoor dat deze verordening consequent wordt toegepast. Daartoe doet het Comité op eigen
initiatief of, waar passend, op verzoek van de Commissie met name het volgende:
a) toezien op en zorgen voor de juiste toepassing van deze verordening in de in de artikelen 64 en 65 bedoelde
gevallen, onverminderd de taken van de nationale toezichthoudende autoriteiten;

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/77

b) adviseren van de Commissie over aangelegenheden in verband met de bescherming van persoonsgegevens in de
Unie, waaronder alle voorgestelde wijzigingen van deze verordening;
c) adviseren van de Commissie over het mechanisme en de procedures voor de uitwisseling van informatie wat betreft
bindende bedrijfsvoorschriften tussen verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers, en toezichthoudende autoriteiten;
d) uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken inzake procedures voor het wissen van links,
kopieën of reproducties van persoonsgegevens uit algemeen beschikbare communicatiediensten als bedoeld in
artikel 17, lid 2;
e) onderzoeken, op eigen initiatief of op verzoek van een van zijn leden dan wel op verzoek van de Commissie, van
kwesties die betrekking hebben op de toepassing van deze verordening, en uitvaardigen van richtsnoeren, aanbeve­
lingen en beste praktijken om te bevorderen dat deze verordening consequent wordt toegepast;
f)

uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid ter
verdere specificatie van de criteria en de voorwaarden voor besluiten op basis van profilering krachtens artikel 22,
lid 2;

g) uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid ter
vaststelling van de in de leden 1 en 2 bedoelde inbreuken in verband met persoonsgegevens alsmede van de in
artikel 33, leden 1 en 2, bedoelde onredelijke vertraging, en voor de bijzondere omstandigheden waarin een verwer­
kingsverantwoordelijke of een verwerker verplicht is de inbreuk in verband met persoonsgegevens te melden;
h) uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid ten
aanzien van de omstandigheden waarin een inbreuk in verband met persoonsgegevens waarschijnlijk een hoog risico
oplevert voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, als bedoeld in artikel 34, lid 1;
i)

uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid ter
verdere specificatie van de criteria en de eisen voor doorgiften van persoonsgegevens op basis van bindende bedrijfs­
voorschriften voor verwerkingsverantwoordelijken en bindende bedrijfsvoorschriften voor verwerkers, alsmede op
basis van verdere noodzakelijke eisen om de bescherming van persoonsgegevens van de betrokkenen in kwestie te
garanderen, als bedoeld in artikel 47;

j)

uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid ter
verdere specificatie van de criteria en de eisen voor de doorgiften van persoonsgegevens op grond van artikel 49,
lid 1;

k) opstellen van richtsnoeren voor toezichthoudende autoriteiten betreffende de toepassing van de in artikel 58,
leden 1, 2 en 3, bedoelde maatregelen en betreffende de vaststelling van administratieve geldboeten overeenkomstig
artikel 83;
l)

evalueren van de praktische toepassing van de in de punten e) en f) bedoelde richtsnoeren, aanbevelingen en beste
praktijken;

m) uitvaardigen van richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken in overeenstemming met punt e) van dit lid, ter
vaststelling van gemeenschappelijke procedures waarmee natuurlijke personen inbreuken op deze verordening
kunnen melden, als bedoeld in artikel 54, lid 2;
n) bevorderen van het opstellen van gedragscodes en het invoeren van certificeringsmechanismen voor gegevensbe­
scherming en gegevensbeschermingszegels en -merktekens overeenkomstig de artikelen 40 en 42;
o) verrichten van de accreditatie van certificeringsorganen en van de periodieke evaluatie daarvan overeenkomstig
artikel 43, en houden van een openbaar register van geaccrediteerde organen conform artikel 43, lid 6, en van de
geaccrediteerde verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die in derde landen zijn gevestigd, overeenkomstig
artikel 42, lid 7;
p) specificeren van de in artikel 43, lid 3, bedoelde vereisten met het oog op de accreditatie van certificeringsorganen
overeenkomstig artikel 42;
q) uitbrengen van een advies ten behoeve van de Commissie over de in artikel 43, lid 8, bedoelde certificeringseisen;
r) uitbrengen van een advies ten behoeve van de Commissie over de in artikel 12, lid 7, bedoelde icoontjes;
s) uitbrengen aan de Commissie van een advies om haar in staat te stellen te beoordelen of het beschermingsniveau in
een derde land of een internationale organisatie adequaat is, en om te beoordelen of een derde land, een gebied of
één of meerdere nader bepaalde sectoren in dat derde land, of een internationale organisatie geen passend bescher­
mingsniveau meer garandeert. Daartoe verstrekt de Commissie het Comité alle nodige documentatie, met inbegrip
van correspondentie met de overheid van het derde land, ten aanzien van derde land, gebied of nader bepaalde
sector of met de internationale organisatie.

L 119/78
t)

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

uitbrengen van adviezen over ontwerpbesluiten van de toezichthoudende autoriteiten in het kader van het in
artikel 64, lid 1, bedoelde coherentiemechanisme over aangelegenheden die overeenkomstig artikel 64, lid 2, ter
sprake worden gebracht en uitbrengen van bindende beslissingen overeenkomstig artikel 65, met inbegrip van de in
artikel 66 bedoelde gevallen;

u) bevorderen van samenwerking en effectieve bilaterale en multilaterale uitwisseling van informatie en beste praktijken
tussen de toezichthoudende autoriteiten;
v) bevorderen van gemeenschappelijke opleidingsprogramma's en vergemakkelijken van uitwisselingen van perso­
neelsleden tussen de toezichthoudende autoriteiten, en waar passend, met de toezichthoudende autoriteiten van
derde landen of met internationale organisaties;
w) bevorderen van de uitwisseling van kennis en documentatie over de wetgeving en de praktijk op het gebied van
gegevensbescherming met voor gegevensbescherming bevoegde toezichthoudende autoriteiten van de hele wereld;
x) uitbrengen van adviezen over op Unieniveau opgestelde gedragscodes overeenkomstig artikel 40, lid 9; en
y) houden van een openbaar elektronisch register van besluiten van toezichthoudende autoriteiten en gerechten over in
het kader van het coherentiemechanisme behandelde aangelegenheden.
2.
Wanneer de Commissie het Comité om advies vraagt, kan zij een termijn aangeven, rekening houdend met de
spoedeisendheid van de aangelegenheid.
3.
Het Comité zendt zijn adviezen, richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken toe aan de Commissie en aan het
in artikel 93 bedoelde comité en maakt deze bekend.
4.
Het Comité raadpleegt, waar passend, de belanghebbende partijen en biedt hun de gelegenheid om binnen een
redelijk tijdsbestek commentaar te leveren. Onverminderd artikel 76, maakt het Comité de resultaten van de raadpleging
openbaar.

Artikel 71
Rapportage
1.
Het Comité stelt een jaarverslag op over de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de
verwerking in de Unie en, in voorkomend geval, in derde landen en internationale organisaties. Het verslag wordt
openbaar gemaakt en toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
2.
Het jaarverslag omvat een evaluatie van de praktische toepassing van de richtsnoeren, aanbevelingen en beste
praktijken bedoeld in artikel 70, lid 1, punt l), en van de bindende besluiten bedoeld in artikel 65.

Artikel 72
Procedure
1.
Het Comité neemt besluiten met een gewone meerderheid van zijn leden, tenzij anders bepaald in deze
verordening.
2.
Het Comité stelt met een tweederdemeerderheid van zijn leden zijn eigen reglement van orde en zijn eigen werkre­
gelingen vast.

Artikel 73
Voorzitter
1.

Het Comité kiest met gewone meerderheid een voorzitter en twee vicevoorzitters uit zijn leden.

2.

De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitters bedraagt vijf jaar en kan eenmaal worden verlengd.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/79

Artikel 74
Taken van de voorzitter
1.

De voorzitter heeft de volgende taken:

a) bijeenroepen van de bijeenkomsten van het Comité en het opstellen van zijn agenda;
b) ter kennis brengen van de door het Comité overeenkomstig artikel 65 vastgestelde besluiten aan de leidende toezicht­
houdende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten;
c) ervoor zorgen dat de taken van het Comité tijdig worden uitgevoerd, met name wat het in artikel 63 bedoelde
coherentiemechanisme betreft.
2.

Het Comité stelt in zijn reglement van orde de taakverdeling tussen de voorzitter en de vicevoorzitters vast.

Artikel 75
Secretariaat
1.
Het Comité heeft een secretariaat, dat wordt verzorgd door de Europese Toezichthouder voor gegevensbe­
scherming.
2.

Het secretariaat verricht zijn taken uitsluitend volgens de instructies van de voorzitter van het Comité.

3.
De personeelsleden van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming die betrokken zijn bij de
uitvoering van de krachtens deze verordening aan het Comité opgedragen taken vallen onder een andere rapportagere­
geling dan de personeelsleden die betrokken zijn bij de uitvoering van de aan de Europese Toezichthouder voor
gegevensbescherming opgedragen taken.
4.
Waar passend wordt door het Comité en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming een
memorandum van overeenstemming ter uitvoering van dit artikel opgesteld en bekendgemaakt, waarin de voorwaarden
van hun samenwerking worden vastgelegd en dat van toepassing is op de personeelsleden van de Europese Toezicht­
houder voor gegevensbescherming die betrokken zijn bij de uitvoering van de krachtens deze verordening aan het
Comité opgedragen taken.
5.

Het secretariaat biedt het Comité analytische, administratieve en logistieke ondersteuning.

6.

Het secretariaat is met name belast met:

a) de dagelijkse werking van het Comité;
b) de communicatie tussen de leden van het Comité, zijn voorzitter en de Commissie;
c) de communicatie met andere instellingen en het brede publiek;
d) het gebruik van elektronische middelen voor interne en externe communicatie;
e) de vertaling van relevante informatie;
f) de voorbereiding en follow-up van de bijeenkomsten van het Comité;
g) de voorbereiding, opstelling en bekendmaking van adviezen, besluiten inzake beslechting van geschillen tussen
toezichthoudende autoriteiten, en andere teksten die het Comité vaststelt.

Artikel 76
Vertrouwelijkheid
1.
De besprekingen van het Comité zijn vertrouwelijk indien het comité dit noodzakelijk acht, in overeenstemming
met zijn reglement van orde.

L 119/80

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
Op de toegang tot documenten die aan de leden van het Comité, deskundigen en vertegenwoordigers van derden
worden voorgelegd, is Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (1) van toepassing.

HOOFDSTUK VIII

Beroep, aansprakelijkheid en sancties
Artikel 77
Recht om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit
1.
Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere
betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij
gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de
verwerking van hem betreffende persoonsgegevensinbreuk maakt op deze verordening.
2.
De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het
resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel 78.

Artikel 78
Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een toezichthoudende
autoriteit
1.
Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende
autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
2.
Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het
recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde
toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de
voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende klacht.
3.
Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de
toezichthoudende autoriteit is gevestigd.
4.
Wanneer een procedure wordt ingesteld tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit waaraan een advies
of een besluit van het Comité in het kader van het coherentiemechanisme is voorafgegaan, doet de toezichthoudende
autoriteit dat advies of besluit aan de gerechten toekomen.

Artikel 79
Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een verwerkingsverantwoor­
delijke of een verwerker
1.
Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, waaronder het recht uit
hoofde van artikel 77 een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, heeft elke betrokkene het recht een
doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten uit hoofde van deze
verordening geschonden zijn ten gevolge van een verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan deze verordening
voldoet.
2.
Een procedure tegen een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker wordt ingesteld bij de gerechten van de
lidstaat waar de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker een vestiging heeft. Een dergelijke procedure kan ook
worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de betrokkene gewoonlijk verblijft, tenzij de verwerkingsverant­
woordelijke of de verwerker een overheidsinstantie van een lidstaat is die optreedt in de uitoefening van het
overheidsgezag.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot
documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/81

Artikel 80
Vertegenwoordiging van betrokkenen
1.
De betrokkene heeft het recht een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk dat of die op geldige
wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en
dat of die actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de
bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens hem in te dienen, namens hem de in
artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen en namens hem het in artikel 82 bedoelde recht op schadever­
goeding uit te oefenen, indien het lidstatelijke recht daarin voorziet.
2.
De lidstaten kunnen bepalen dat een orgaan, organisatie of vereniging als bedoeld in lid 1 van dit artikel, over het
recht beschikt om onafhankelijk van de opdracht van een betrokkene in die lidstaat klacht in te dienen bij de overeen­
komstig artikel 77 bevoegde toezichthoudende autoriteit en de in de artikelen 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen,
indien het/zij van mening is dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van deze verordening zijn geschonden ten
gevolge van de verwerking.

Artikel 81
Schorsing van de procedure
1.
Indien een bevoegd gerecht van een lidstaat over informatie beschikt dat bij een gerecht van een andere lidstaat een
procedure inzake verwerking betreffende dezelfde aangelegenheid en dezelfde verwerkingsverantwoordelijke of
verwerker hangende is, neemt het contact op met dat gerecht in de andere lidstaat om het bestaan van die procedure te
verifiëren.
2.
Indien een procedure inzake verwerking met betrekking tot dezelfde aangelegenheid en dezelfde verwerkingsverant­
woordelijke of verwerker hangende is bij een gerecht van een andere lidstaat, kan ieder ander bevoegd gerecht dan dat
welk als eerste is aangezocht, zijn procedure schorsen.
3.
Indien die procedure in eerste aanleg aanhangig is, kan elk gerecht dat niet als eerste is aangezocht, op verzoek van
een van de partijen ook tot verwijzing overgaan, mits het eerst aangezochte gerecht bevoegd is om van de beide
procedures kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging daarvan toestaat.

Artikel 82
Recht op schadevergoeding en aansprakelijkheid
1.
Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft
het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden
schade.
2.
Elke verwerkingsverantwoordelijke die bij verwerking is betrokken, is aansprakelijk voor de schade die wordt
veroorzaakt door verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Een verwerker is slechts aansprakelijk voor de
schade die door verwerking is veroorzaakt wanneer bij de verwerking niet is voldaan aan de specifiek tot verwerkers
gerichte verplichtingen van deze verordening of buiten dan wel in strijd met de rechtmatige instructies van de verwer­
kingsverantwoordelijke is gehandeld.
3.
Een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker wordt van aansprakelijkheid op grond van lid 2 vrijgesteld indien
hij bewijst dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijk is voor het schadeveroorzakende feit.
4.
Wanneer meerdere verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers bij dezelfde verwerking betrokken zijn, en
overeenkomstig de leden 2 en 3 verantwoordelijk zijn voor schade die door verwerking is veroorzaakt, wordt elke
verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voor de gehele schade aansprakelijk gehouden teneinde te garanderen dat de
betrokkene daadwerkelijk wordt vergoed.
5.
Wanneer een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker de schade overeenkomstig lid 4 geheel heeft vergoed, kan
deze verwerkingsverantwoordelijke of verwerker op andere verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die bij de
verwerking waren betrokken, het deel van de schadevergoeding verhalen dat overeenkomt met hun deel van de aanspra­
kelijkheid voor de schade, overeenkomstig de in lid 2 gestelde voorwaarden.

L 119/82

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

6.
Gerechtelijke procedures voor het uitoefenen van het recht op schadevergoeding worden gevoerd voor de in
artikel 79, lid 2, bedoelde lidstaatrechtelijk bevoegde gerechten.

Artikel 83
Algemene voorwaarden voor het opleggen van administratieve geldboeten
1.
Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel
worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend,
evenredig en afschrikkend zijn.
2.
Administratieve geldboeten worden, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, opgelegd naast of in
plaats van de in artikel 58, lid 2, onder a) tot en met h) en onder j), bedoelde maatregelen. Bij het besluit over de vraag
of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan wordt voor elk concreet geval naar behoren
rekening gehouden met het volgende:
a) de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de
verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;
b) de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk;
c) de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden
schade te beperken;
d) de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organi­
satorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25 en 32;
e) eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;
f) de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke
negatieve gevolgen daarvan te beperken;
g) de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;
h) de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in
hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;
i) de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkings­
verantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;
j) het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes overeenkomstig artikel 40 of van goedgekeurde certificeringsmecha­
nismen overeenkomstig artikel 42; en
k) elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte
financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien.
3.
Indien een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker opzettelijk of uit nalatigheid met betrekking tot dezelfde
of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten een inbreuk pleegt op meerdere bepalingen van deze verordening,
is de totale geldboete niet hoger dan die voor de zwaarste inbreuk.
4.
Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot
10 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 2 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar,
indien dit cijfer hoger is:
a) de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker overeenkomstig de artikelen 8, 11, 25 tot en
met 39, en 42 en 43;
b) de verplichtingen van het certificeringsorgaan overeenkomstig de artikelen 42 en 43;
c) de verplichtingen van het toezichthoudend orgaan overeenkomstig artikel 41, lid 4.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/83

5.
Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot
20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar,
indien dit cijfer hoger is:
a) de basisbeginselen inzake verwerking, met inbegrip van de voorwaarden voor toestemming, overeenkomstig de
artikelen 5, 6, 7 en 9;
b) de rechten van de betrokkenen overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 22;
c) de doorgiften van persoonsgegevens aan een ontvanger in een derde land of een internationale organisatie overeen­
komstig de artikelen 44 tot en met 49;
d) alle verplichtingen uit hoofde van krachtens hoofdstuk IX door de lidstaten vastgesteldrecht;
e) niet-naleving van een bevel of een tijdelijke of definitieve verwerkingsbeperking of een opschorting van gegevens­
stromen door de toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 58, lid 2, of niet-verlening van toegang in strijd
met artikel 58, lid 1.
6.
Niet-naleving van een bevel van de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 58, lid 2, is overeenkomstig
lid 2 van dit artikel onderworpen aan administratieve geldboeten tot 20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot
4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit cijfer hoger is.
7.
Onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten
overeenkomstig artikel 58, lid 2, kan elke lidstaat regels vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve
geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen.
8.
De uitoefening door de toezichthoudende autoriteit van haar bevoegdheden uit hoofde van dit artikel is
onderworpen aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig het Unierecht en het lidstatelijke recht, waaronder
een doeltreffende voorziening in rechte en eerlijke rechtsbedeling.
9.
Wanneer het rechtsstelsel van de lidstaat niet voorziet in administratieve geldboeten, kan dit artikel aldus worden
toegepast dat geldboeten worden geïnitieerd door de bevoegde toezichthoudende autoriteit en opgelegd door bevoegde
nationale gerechten, waarbij wordt gewaarborgd dat deze rechtsmiddelen doeltreffend zijn en eenzelfde effect hebben als
de door toezichthoudende autoriteiten opgelegde administratieve geldboeten. De boeten zijn in elk geval doeltreffend,
evenredig en afschrikkend. Die lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 de wetgevingsbepalingen mee die
zij op grond van dit lid vaststellen, alsmede onverwijld alle latere wijzigingen daarvan en alle daarop van invloed zijnde
wijzigingswetgeving.

Artikel 84
Sancties
1.
De lidstaten stellen de regels inzake andere sancties vast die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening,
in het bijzonder op inbreuken die niet aan administratieve geldboeten onderworpen zijn overeenkomstig artikel 83, en
treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Die sancties zijn doeltreffend, evenredig
en afschrikkend.
2.
Elke lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 de overeenkomstig lid 1 vastgestelde wetgevingsbepa­
lingen mee, alsook onverwijld alle latere wijzigingen daarvan.

HOOFDSTUK IX

Bepalingen in verband met specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking
Artikel 85
Verwerking en vrijheid van meningsuiting en van informatie
1.
De lidstaten brengen het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening wettelijk
in overeenstemming met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, daaronder begrepen de verwerking
voor journalistieke doeleinden en ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen.

L 119/84

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
Voor verwerking voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdruk­
kingsvormen stellen de lidstaten uitzonderingen of afwijkingen vast van hoofdstuk II (beginselen), hoofdstuk III (rechten
van de betrokkene), hoofdstuk IV (de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker), hoofdstuk V (doorgifte van
persoonsgegevens naar derde landen of internationale organisaties), hoofdstuk VI (onafhankelijke toezichthoudende
autoriteiten), hoofdstuk VII (samenwerking en coherentie) en hoofdstuk IX (specifieke gegevensverwerkingssituaties)
indien deze noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met
de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
3.
Elke lidstaat deelt de Commissie de overeenkomstig lid 2 vastgestelde wetgevingsbepalingen mee, alsook onverwijld
alle latere wijzigingen daarvan.

Artikel 86
Verwerking en recht van toegang van het publiek tot officiële documenten
Persoonsgegevens in officiële documenten die voor de uitvoering van een taak van algemeen belang in het bezit zijn van
een overheidsinstantie, een overheidsorgaan of een particulier orgaan, mogen door de instantie of het orgaan in kwestie
worden bekendgemaakt in overeenstemming met het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de overheidsinstantie of
het orgaan van toepassing is, teneinde het recht van toegang van het publiek tot officiële documenten in overeen­
stemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening.

Artikel 87
Verwerking van het nationaal identificatienummer
De lidstaten kunnen de specifieke voorwaarden voor de verwerking van een nationaal identificatienummer of enige
andere identificator van algemene aard nader vaststellen. In dat geval wordt het nationale identificatienummer of enige
andere identificator van algemene aard alleen gebruikt met passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de
betrokkene uit hoofde van deze verordening.

Artikel 88
Verwerking in het kader van de arbeidsverhouding
1.
Bij wet of bij collectieve overeenkomst kunnen de lidstaten nadere regels vaststellen ter bescherming van de rechten
en vrijheden met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens van werknemers in het kader van de arbeidsver­
houding, in het bijzonder met het oog op aanwerving, de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van de
naleving van wettelijke of uit collectieve overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen, het beheer, de planning en de
organisatie van de arbeid, gelijkheid en diversiteit op het werk, gezondheid en veiligheid op het werk, bescherming van
de eigendom van de werkgever of de klant dan wel met het oog op de uitoefening en het genot van de met de arbeids­
verhouding samenhangende individuele of collectieve rechten en voordelen, en met het oog op de beëindiging van de
arbeidsverhouding.
2.
Die regels omvatten passende en specifieke maatregelen ter waarborging van de menselijke waardigheid, de gerecht­
vaardigde belangen en de grondrechten van de betrokkene, met name wat betreft de transparantie van de verwerking, de
doorgifte van persoonsgegevens binnen een concern of een groepering van ondernemingen die gezamenlijk een
economische activiteit uitoefenen en toezichtsystemen op het werk.
3.
Elke lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 de overeenkomstig lid 1 vastgestelde wetgevingsbepa­
lingen mee, alsook onverwijld alle latere wijzigingen daarvan.

Artikel 89
Waarborgen en afwijkingen in verband met verwerking met het oog op archivering in het
algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden
1.
De verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of
statistische doeleinden is onderworpen aan passende waarborgen in overeenstemming met deze verordening voor de
rechten en vrijheden van de betrokkene. Die waarborgen zorgen ervoor dat er technische en organisatorische

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/85

maatregelen zijn getroffen om de inachtneming van het beginsel van minimale gegevensverwerking te garanderen. Deze
maatregelen kunnen pseudonimisering omvatten, mits aldus die doeleinden in kwestie kunnen worden verwezenlijkt.
Wanneer die doeleinden kunnen worden verwezenlijkt door verdere verwerking die de identificatie van betrokkenen niet
of niet langer toelaat, moeten zij aldus worden verwezenlijkt.
2.
Wanneer persoonsgegevens met het oog op wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden
worden verwerkt, kan in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden voorzien in afwijkingen van de in de
artikelen 15, 16, 18 en 21 genoemde rechten, behoudens de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden en
waarborgen, voor zover die rechten de verwezenlijking van de specifieke doeleinden onmogelijk dreigen te maken of
ernstig dreigen te belemmeren, en dergelijke afwijkingen noodzakelijk zijn om die doeleinden te bereiken.
3.
Wanneer persoonsgegevens met het oog op archivering in het algemeen belang worden verwerkt, kan in het
Unierecht of het lidstatelijke recht worden voorzien in afwijkingen van de in de artikelen 15, 16, 18, 19, 20 en 21
genoemde rechten, behoudens de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden en waarborgen, voor zover die rechten
het verwezenlijken van de specifieke doeleinden onmogelijk dreigen te maken of ernstig dreigen te belemmeren, en
dergelijke afwijkingen noodzakelijk zijn om die doeleinden te bereiken.
4.
Wanneer verwerking als bedoeld in de leden 2 en 3 tegelijkertijd ook een ander doel dient, zijn de afwijkingen
uitsluitend van toepassing op verwerking voor de in die leden bedoelde doeleinden.

Artikel 90
Geheimhoudingsplicht
1.
Wanneer dit noodzakelijk en evenredig is om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming
te brengen met de geheimhoudingsplicht kunnen de lidstaten specifieke regels vaststellen voor de in artikel 58, lid 1,
punten e) en f), bedoelde bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten in verband met de verwerkingsverantwoor­
delijken of verwerkers die krachtens het Unierecht, het lidstatelijke recht of door nationale bevoegde instanties
vastgestelde regelgeving, aan het beroepsgeheim of aan een andere gelijkwaardige geheimhoudingsplicht onderworpen
zijn. Die regels gelden uitsluitend met betrekking tot persoonsgegevens die de verwerkingsverantwoordelijke of de
verwerker in het kader van een onder die geheimhoudingsplicht vallende activiteit heeft ontvangen of verkregen.
2.
Elke lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 de regels mee die hij heeft vastgesteld overeenkomstig
lid 1, alsmede onverwijld alle wijzigingen daarvan.

Artikel 91
Bestaande gegevensbeschermingsregels van kerken en religieuze verenigingen
1.
Wanneer kerken en religieuze verenigingen of gemeenschappen in een lidstaat op het tijdstip van de inwerking­
treding van deze verordening uitgebreide regels betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met
verwerking toepassen, kunnen die regels van toepassing blijven, mits zij in overeenstemming worden gebracht met deze
verordening.
2.
Kerken en religieuze verenigingen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel uitgebreide regels hanteren, zijn
onderworpen aan toezicht door een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit, die specifiek kan zijn, op voorwaarde
dat de autoriteit voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in hoofdstuk VI van deze verordening.

HOOFDSTUK X

Gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen
Artikel 92
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit
artikel neergelegde voorwaarden.

L 119/86

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

4.5.2016

2.
De in artikel 12, lid 8, en artikel 43, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend
voor onbepaalde tijd met ingang van 24 mei 2016.
3.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12, lid 8, en artikel 43, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegatie
te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het
wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin
genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan
het Europees Parlement en de Raad.
5.
Een overeenkomstig artikel 12, lid 8, en artikel 43, lid 8, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in
werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de
kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het
Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij
daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met
drie maanden verlengd.

Artikel 93
Comitéprocedure
1.
De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU)
nr. 182/2011.
2.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5
van die verordening, van toepassing.

HOOFDSTUK XI

Slotbepalingen
Artikel 94
Intrekking van Richtlijn 95/46/EG
1.

Richtlijn 95/46/EG wordt met ingang van 25 mei 2018 ingetrokken.

2.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening. Verwijzingen naar de
groep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, die bij artikel 29 van
Richtlijn 95/46/EG is opgericht, gelden als verwijzingen naar het bij deze verordening opgerichte Europees Comité voor
gegevensbescherming.

Artikel 95
Verhouding tot Richtlijn 2002/58/EG
Deze verordening legt natuurlijke personen of rechtspersonen geen aanvullende verplichtingen op met betrekking tot
verwerking in verband met het verstrekken van openbare elektronische-communicatiediensten in openbare communica­
tienetwerken in de Unie, voor zover zij op grond van Richtlijn 2002/58/EG onderworpen zijn aan specifieke verplich­
tingen met dezelfde doelstelling.

4.5.2016

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/87

Artikel 96
Verhouding tot eerder gesloten overeenkomsten
Internationale overeenkomsten betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale
organisaties die door de lidstaten zijn gesloten vóór 24 mei 2016, en die in overeenstemming zijn met het vóór die
datum toepasselijke Unierecht, blijven van kracht totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken.

Artikel 97
Commissieverslagen
1.
Uiterlijk op 25 mei 2020 en om de vier jaar daarna, dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement
en de Raad over de evaluatie en de toetsing van deze verordening. De verslagen worden openbaar gemaakt.
2.
In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluaties en toetsingen beoordeelt de Commissie met name de toepassing en
de werking van:
a) hoofdstuk V betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties, in het
bijzonder met betrekking tot krachtens artikel 45, lid 3, van deze verordening vastgestelde besluiten en op grond van
artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG vastgestelde besluiten;
b) hoofdstuk VII betreffende samenwerking en coherentie.
3.
Voor het in lid 1 vermelde doel kan de Commissie zowel de lidstaten als toezichthoudende autoriteiten om
informatie verzoeken.
4.
Bij de uitvoering van de in de leden 1 en 2 vermelde evaluaties en toetsingen neemt de Commissie de standpunten
en bevindingen van het Europees Parlement, van de Raad, en van andere relevante instanties of bronnen in aanmerking.
5.
Indien nodig dient de Commissie passende voorstellen in teneinde deze verordening te wijzigen, met name in het
licht van de ontwikkelingen in de informatietechnologie en de stand van zaken in de informatiemaatschappij.

Artikel 98
Toetsing van andere Unierechtshandelingen inzake gegevensbescherming
Indien passend dient de Commissie wetgevingsvoorstellen in teneinde andere Unierechtshandelingen betreffende de
bescherming van persoonsgegevens te wijzigen en aldus een uniforme en consequente bescherming van natuurlijke
personen te garanderen in verband met verwerking. Het gaat hierbij met name om de regels betreffende de bescherming
van natuurlijke personen in verband met verwerking door instellingen, organen en instanties van de Unie, en betreffende
het vrije verkeer van die gegevens.

Artikel 99
Inwerkingtreding en toepassing
1.
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie.
2.

Zij is van toepassing met ingang van 25 mei 2018.

L 119/88

Publicatieblad van de Europese Unie

NL

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke
lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 april 2016.

Voor het Europees Parlement

Voor de Raad

De voorzitter

De voorzitter

M. SCHULZ

J.A. HENNIS-PLASSCHAERT

4.5.2016
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=AVG&oldid=74683"