Aardige sprookjes/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
23 Aardige sprookjes door Onbekend

24. De Rattenvanger van Hameln

[ 50 ] Heel lang geleden had de stad Hameln veel te lijden door de muizen, die in groote menigte de inwoners lastig vielen. De muisjes werden zelfs zoo brutaal, dat ze niet eens meer bang waren voor de menschen, en hen maar zoo voor de voeten liepen. In dezen nood raadpleegden burgemeester en verder stadsbestuur, hoe ze aan die plaag een einde konden maken. Terwijl ze druk aan 't redeneeren waren, hoorden ze op eens eene vreemde muziek, en toen ze uit het raam keken, zagen ze iets wonderlijks.

Een zonderling gekleed man liep op straat, blies een vroolijk wijsje op een fluit en begon toen te zingen:

„Ik ben bij elk bekend als zanger,
En als uitstekend rattenvanger.
Al wie mijn diensten noodig heeft,
Die help ik, mits men loon mij geeft.
Al wemelt het van ratten, muizen,
'k Verdrijf dat goedje uit de huizen,
Voor weinig geld, ik doe het graag,
Verlos ik ieder van die plaag.“

Toen de raadsleden dit hoorden, lieten ze den zonderlingen vreemde op 't stadhuis komen. De rattenvanger kwam, en nu ging men aan 't onderhandelen. De gemeenteraad wilde maar honderd daalders geven, doch de vreemdeling verlangde er twee honderd. Na veel over en weerpraten kwam men overeen, dat hij dadelijk, als de ratten en muizen verdreven waren, honderd daalders zou ontvangen, de andere honderd zou hij over een jaar kunnen krijgen. De rattenvanger nam dit aan, en eischte alleen, dat vóór zonsopgang geen enkel inwoner van de stad op straat zou komen, want anders hielp zijn middel niet.

Nauwelijks begon het 's ochtends te schemeren of de rattenvanger liep door alle straten, links en rechts door de stad, terwijl hij voortdurend op zijne fluit blies. Hij werd gevolgd door een heel leger van ratten en muizen, en uit alle hoeken en gaten kwamen er nieuwe troepjes bij, die zich bij de anderen voegden. Al blazend op de fluit liep hij de rivier in, en werd daarin gevolgd door alle viervoeters, die hem achterna liepen, zoodat ze alle, zonder uitzondering, den dood in het water vonden.

Toen de rattenvanger nu den volgenden dag terugkwam om van den burgemeester het geld te halen, dat hij verdiend had, weigerde deze hem de honderd daalders te betalen. Een van de raadsleden zei: „Waarom zouden we hem zooveel geld geven, hij heeft zelf geen halve cent behoeven uit te geven. Hij heeft niet eens vergif noodig gehad. En om een uurtje op de fluit te blazen, daarvoor kan hij onmogelijk zooveel geld verlangen.“ Toen de rattenvanger niet langer wilde wachten en zijn geld verlangde, zei de burgemeester: „We zijn van gedachten veranderd. Tweehonderd daalders is te veel voor je moeite. Als er over een jaar geen rat of muis meer te zien is geweest, dan kun je op dien tijd honderd daalders als belooning ontvangen.“

Nu werd de rattenvanger boos, en zei: „Schaamt ge u niet, uw woord te breken? Ik heb uwe stad een groote weldaad bewezen! Op welke wijze ik u van de muizen heb verlost, komt er niet op aan, als ge er maar geen last meer van hebt!“

Volgens het gevoelen van de raadsleden, was hij onredelijk boos, en ze lieten hem in de gevangenis brengen, en daarenboven nog met een ketting vastbinden. De arme rattenvanger bracht den nacht slapeloos door, en liet den volgenden morgen aan den burgemeester berichten, dat hij geen loon verlangde, als men hem maar weer in vrijheid stelde. Dit geschiedde, en de vreemdeling verliet spoedig de stad, maar nam zich voor, geduchte wraak te nemen.

Op een zondag, het was een mooie zomerdag, waren alle inwoners der stad Hameln met hun vrouwen en groote kinderen in de kerk. Alleen de kleine kinderen en de oude, zwakke mannen en vrouwen waren thuis gebleven.

Zoodra nu het gezang in de kerk klonk, kwam de rattenvanger, nam zijn fluit, blies een vroolijk wijsje en zong toen een mooi liedje, zoodat alle kinderen, jongens en meisjes, uit de huizen kwamen en hem achterna liepen. Zelfs de kleinsten, die nauwelijks op hun voetjes kenden staan, liepen of strompelden hem achterna. De vroolijke deuntjes, die de vreemde man speelde, deden allen hem achterna loopen en juichend en zingend gingen allen met hem mee. Zoo ging het de poort uit, een heel eind over het land heen tot aan een berg, die de Koppenberg heette.

Hier stond de speelman stil en zag boosaardig lachend over al die kinderen naar de stad, hief dreigend de hand op en riep haar een vloek toe. Toen begon hij weer op de fluit te blazen, de berg opende zich, de rattenvanger ging er in, en alle kinderen volgden hem.

Alleen een klein kind, dat een eindje achter den troep was gebleven, bevond zich nog buiten, toen de berg op eens weer dicht ging. Dit kind liep verschrikt naar de stad terug, en vertelde aan de ouders, die thuis kwamen, wat er gebeurd was.

Huilend en schreiend liepen de moeders naar den berg, liepen er van alle kanten om heen, maar zagen nergens eene opening. De berg bleef dicht, al schreiden de ouders ook nog zoo.

Een paar dagen geleden vonden de inwoners het goed, dat de burgemeester zoo zuinig geweest was, nu echter vonden ze dat verkeerd, want waren de raadsleden niet zoo onrechtvaardig geweest, dan zou de stad die droefheid niet ondervonden hebben.

 

 
[ 51 ]
 

De Rattenvanger van Hameln.