Adama van Scheltema/Eenzaam

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Eenzaam van Carel Steven Adama van Scheltema
Uit Eerste Oogst


De sombre pijnen ruischten, kreunend bogen
Hun donkre kronen neder naar de korst
Der aarde, de winden sloege' aan mijn borst
Hun grauwe vleugels, de struiken hadde' oogen.

Ik vluchtte de verlaten hei, - de vorst
Der eenzaamheid, de vale raaf, gevlogen
Op mijn schouders, zat over mij gebogen,
Dat ik de bange lucht nauw aadmen dorst.

Bij 't witte dorp groette een levend wezen,
Een gulle boer van achter 'n volle kan,
En voor zijn groet smolt alle leed en vreezen.

0! wanneer komt de tijd, dat ieder man
In elk paar ooge een vriendengroet zal lezen,
Geen menschenhart eenzaam meer leven kan!