Adama van Scheltema/Herfstnacht

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Herfstnacht van Carel Steven Adama van Scheltema
Uit Eerste Oogst

Langs wei en wilgen glee de vochte nacht,
Het deinzend witte kleed golfde en bezoomde
Het lage land, - boven den herfstdauw doomde
Het blinde oog der maan - zoo stil, zoo zacht.

De schim der stad ontvlood een matte klacht,
Ginder en verder stond een boom en droomde
Eenzaam, - van mistig natte takken stroomde
Aldoor, aldoor een doode bladervracht.

Toen dacht ik aan ons werk, o kameraden!
Hoe nachten nog om onze schouders hangen,
Om zwakke lichtgestalten, zwaar beladen:

Wij schudden 't menschenlot, door vreugd bevangen -
En slechts een dorre vloed van vale bladen
Ruischt in het meer van mateloos verlangen!