Album der Natuur/1858/De kameeldoorn

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De kameeldoorn (1858) door anoniem
'De kameeldoorn,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (zevende jaargang (1858), pp. 128. Dit werk is in het publieke domein.


[ 128 ]

DE KAMEELDOORN.


 

In de woestijnen van Arabië, Indië, Afrika en Perzië komt de kameeldoorn (Hedysarum Alhagi van linnaeus of de Alhagi maurorum van tournefort en decandolle) veelvuldig voor. Deze heester heeft zijn' naam van het bijna dagelijksch voedsel, dat hij aan de kameelen geeft. Zijn altoosdurend groen verkwikt het oog des reizigers, vermoeid van het eentoonig gezigt der onafmetelijke woestijn. Door zijne diep indringende taaije wortels heeft hij het vermogen, om het weinige vocht dat in den dorren bodem aanwezig is, geheel tot zich te trekken. Deze eigenschap is aan de Arabieren bekend, en zij maken daarvan gebruik om een aangenaam verfrisschend en gezond voedsel voor den mensch aan te kweeken. In het voorjaar namelijk kloven zij de steng digt bij den wortel en leggen in de zoo gemaakte spleet een zaadkorrel der water-meloen (Cucurbita Citrullus), waarna zij het ontbloote worteleinde der steng weder met aarde bedekken. De watermeloen wordt zoo tot eene soort van woekerplant en neemt door den wortel van den kameeldoorn in overvloed het vocht op, hetwelk hare eigene meer teedere wortels niet genoeg hadden kunnen opzuigen.

Na het te voorschijn komen in het voorjaar der kleine eironde bladen des kameeldoorns, ontwikkelen zich zijne fraaije roode bloemen en veranderen later in korte geleedde peulen. Uit de takken van dezen heester zweet eene zoete, aan de lucht zich verdikkende, manna-achtige stof uit, welke de Oostersche volken, even als het manna der Israëlieten in de woestijn, tot voedsel gebruiken. (Agron. Zeitung 1855, p. 350.)