Album der Natuur/1862/Amerikaansch Polynesië
| Amerikaansch Polynesië (1862) door Anne Tjittes Reitsma |
| 'Amerikaansch Polynesië,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 54-59 . Dit werk is in het publieke domein. |
AMERIKAANSCH POLYNESIË.[1]
Het ontzaggelijk waterbekken, dat zich van de oostkust van Azië tot aan de westkust van Amerika uitstrekt, begint van jaar tot jaar voor handel en volkenverkeer eene grootere beteekenis te krijgen. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika hebben hunne grenzen tot aan den grooten oceaan uitgebreid en in het goudrijke Californië een nieuw veld geopend voor den wereldhandel. De krachtige pogingen, door verschillende volken sedert jaren aangewend, doen met zekerheid vooruit zien, dat de landengte van Panama in Midden-Amerika niet op den duur als een onoverkomelijke slagboom het regtstreeksch verkeer van Europa met den grooten oceaan zal verhinderen. De havens aan de kusten van Zuid-Amerika zullen onvermijdelijk worden gedrongen om ook een meer actief aandeel aan het volkenverkeer te nemen. — Voegen wij daarbij, dat terzelfder tijd aan de overzijde der zee op Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland eene aan het wonderbare grenzende toeneming van bevolkingen ontwikkeling van handel en industrie plaats grijpt, dat de havens van het onmetelijke China, zij het dan ook nog onder menige beperking, zich voor de handeldrijvende natiën openen, dat Japan zelfs zijn met hardnekkigheid volgehouden toestand van volstrekte afscheiding begint op te geven, dat Rusland aan de monden van den Amur op groote schaal eene kolonisatie aanvangt, die voor zijn onmetelijk gebied in Azië een uitweg naar zee opent; — dan is er waarlijk geene groote profetengave toe noodig om het vooruit te zien, dat de oceaan, aan welks kusten deze groote veranderingen plaats hebben, eens even druk bevaren zal worden, als de Atlantische oceaan, die Europa en Afrika van Amerika scheidt.
Maar een noodzakelijk gevolg hiervan is, dat dan ook de tallooze [ 55 ]eilanden en eilanden-groepen, die over deze zee, en wel het digtst tusschen de keerkringen, verspreid liggen, eene grootere belangrijkheid verkrijgen, dan zij ooit te voren hadden. Vele dezer eilanden, soms geheel onbewoond en alleen om hunne guanobeddingen nu en dan bezocht, zullen welligt eenmaal de stations worden op de verschillende waterwegen, die den oceaan doorkruisen.
Het kan dus in het geheel niet bevreemden, dat vooral die Europesche volken, welke aan den wereldhandel ijverig deel nemen, er op uit zijn om deze onbeheerde eilanden zich toe te eigenen en als wettig verkregene bezittingen te beschouwen. Zoo maken onder anderen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika aanspraak op een aantal eilanden, welke op eene uitgestrektheid van 21 graden breedte en 38 graden lengte verstrooid liggen en zich onder den aequator tusschen 9 graden noorder- en 12 graden zuiderbreedte en tusschen 150 graden ooster- en 8 graden westerlengte (Greenwich) bevinden.
Dit gedeelte van den grooten oceaan behoort tot de minst bekende streken der geheele aarde. De gewone vaarwaters tusschen Azië en Australie aan de ééne en tusschen Amerika aan de andere zijde gaan ver of ten noorden of ten zuiden deze streek voorbij. Alleen het oostelijk gedeelte wordt nu en dan doorkruist van schepen, die tusschen de Sandwichs-eilanden en Tahiti varen. Wetenschappelijke expedities, zoo als van cook, broughton, kotzebue en wilkes, hebben slechts de randen van dit watergebied aangeraakt, zoodat men er nog ver van af is met eenige volledigheid te kunnen opgeven, wat binnen de grenzen van dit gebied is gelegen.
Vraagt men naar het regt, hetwelk de Vereenigde Staten op deze eilanden-groepen vermeenen te hebben, het heeft geen anderen grond, dan dat hunne zeevaarders de eilanden uit deze streek grootendeels ontdekt of althans naauwkeuriger onderzocht hebben. Vooral is dit door hunne walvischvaarders en door de expeditie van wilkes geschied. Welke waarde deze bezitting voor hen hebben zal, kan eerst de toekomst leeren. Veel is hiervan zeker niet te verwachten. In de laatste jaren hebben wel eenige schepen daar guano gevonden, en wel in eene aanmerkelijke hoeveelheid, maar of hij bruikbaar ís en op de meeste dezer eilanden voorkomt, is vooralsnog onzeker. [ 56 ]Van andere produkten wordt het meest de kokospalm vermeld. Zonder uitzondering bestaan al deze eilanden uit koraal-formatiën, die zich slechts weinig boven de oppervlakte der zee verheffen en gewoonlijk dien eigenaardigen ringvorm met eene daarin beslotene lagune vertoonen, welke de zoogenoemde Atollen kenmerkt. Dat de kokospalm hier voor den handel van beteekenis kan worden, bewijst het voorbeeld van het Torring-eiland, van hetwelk thans reeds eene aanzienlijke hoeveelheid kokosnootolie wordt uitgevoerd. Echter zijn niet alle eilanden zoo gezegend. Het volkomen gebrek aan drinkwater, waaraan vele en daaronder de grootste dezer eilanden, zooals Palmyra en Christmas-eiland lijden, verhindert alle duurzame kolonisatie. Schildpadden vindt men in grooten getale op de meeste eilanden, ook is de zee rijk in visschen. Slechts zeven van deze eilanden, welke men bezocht heeft, zijn werkelijk bewoond, de overigen zijn grootendeels onbewoonbaar. De Amerikanen kunnen dus van deze nieuwe bezitting geene groote schatten verwachten.
De voornaamste eilanden, die tot dit zeegebied behooren, zijn de Walker-eilanden, Sarah Anne, Christmas-eiland, Fanning-eiland, New-York- of Washington-eiland, de Samarang-eilanden, Palmyra-Makin- of Pitt-eiland, Maraki- of Matthew-eiland, de Phoenix- en Union-eilanden, Swain-eiland, Gente Hermosa, San Bernardo en Danger-eilanden, de Perrhyn-, Wostock-, Flint- en Caroline-eilanden, benevens eenige, die in de binnenzee van dit watergebied verstrooid liggen.
Slechts van enkelen van deze valt iets belangrijks te zeggen. Het Christmas- of Kerst-eiland is het grootste en het meest bekende. Het is reeds door cook op zijne derde reis den 24 Dec. 1777 ontdekt. Het verheft zich niet meer dan tien voet boven de oppervlakte der zee en heeft de gedaante van een hoefijzer, dat eene ondiepe baai omsluit. Een rif van koraalrotsen omringt het geheele eiland. De grond bestaat uit verrotte planten, vogelmest en zand. Het eiland heeft volstrekt geen zoet water en is dan ook onbewoond. Het is daarentegen rijk aan zoutmeren van een aanzienlijk zoutgehalte. De plantengroei bestond vooral in laag houtgewas, gras en kokosboomen. De zeelieden van cook vingen er omstreeks 300 schildpadden, die gemiddeld 90 tot 100 pond zwaar waren.
[ 57 ]Het Fanning-eiland, met uitmuntend drinkwater voorzien, is buitengemeen rijk in kokospalmen. De tegenwoordige bezitter, een Engelschman van geboorte, bewoont het met eenige blanken en ongeveer 150 kleurlingen van naburige eilanden. Zijne kokosplantaadjes zijn van zeer veel aanbelang, daar kapitein bent, die het in Augustus 1858 bezocht, er eene lading van 80 tonnen kokosnootolie, ter waarde van ongeveer 53,000 franken, innam.
Het Makin- of Pitt-eiland schijnt vrij sterk bevolkt te zijn. Toen het in 1841 door kapitein hudson bezocht werd, vertoonden zich meer dan 20 kanos, elk met tien tot twintig inboorlingen. Op een dezer kanos bevond zich een blanke, een Schot van geboorte, die voor zeven jaren op zijn eigen verzoek hier was achtergelaten, maar nu naar Europa wenschte terug te keeren. De inboorlingen hadden hem vriendelijk behandeld en in de eerste maanden, omdat hij de eerste blanke was, dien zij zagen, bijna vergood. Zij voeren geene oorlogen onder elkander en hebben zeer weinig wapenen. Zeldzaam hebben zij eenigen twist en dan meestal over hunne vrouwen. De doodstraf treft hem, die het serail der hoofdelingen schendt. Hunne gelaatstrekken zijn regelmatig, zelfs schoon; zij hebben fraaije tanden en glanzend zwart haar, dat in krullen bij het hoofd nederhangt. Ook zijn zij wat lichter van kleur dan de bewoners der andere Gilbert-eilanden. Hunne gestalte is rond en zij schijnen overvloed van levensmiddelen te bezitten, zoodat zij zeer vet worden, waartoe vooral het drinken van kokosnoten-siroop veel bijdraagt. Zij dragen baarden en de mannen zijn van de schouders tot over de knieën getatoeeerd. Zij hebben een vriendelijk gelaat en schijnen zeer vreedzaam. Opmerkelijk was vooral het vertrouwen, waarmede zij het schip betraden; ook bemerkte men bij hen geen gebedel, ook geene pogingen tot stelen, zooals bij de meeste andere eilanders. Hunne kanos waren grooter en beter gebouwd dan die der zuidelijke eilanden, ook van eene andere houtsoort, maar nagenoeg van dezelfde gedaante. Veelwijverij is onder hen gebruikelijk en vele voorname hoofdelingen en landbezitters hebben tusschen de 20 en 50 vrouwen, de koning zelfs nog meer, terwijl de lagere klassen en de slaven tot den ongehuwden staat veroordeeld zijn. De vrouwen worden goed behandeld en [ 58 ]nooit te koop aangeboden. Het eiland moet eene bevolking van 5000 inwoners bezitten.
De Union-groep bestaat uit drie eilanden, van welke het Duke of York-eiland reeds in 1765, het Duke of Clarence-eiland in 1791 en het Bowditch-eiland in 1841 door de expeditie van wilkes ontdekt werd. Deze drie eilanden zijn bewoond. Op het eerste eiland vond wilkes eene bevolking van ongeveer 120 personen. Kleur, gelaatstrekken en taal hadden in het oog vallende overeenkomt met die der Samoa-eilanden. De inboorlingen meenden, dat het schip van den hemel gekomen en dat de officieren goden waren. Men vond er 18 boomsoorten. Er was geen drinkwater, maar de inwoners weten in hunne behoefte te voorzien door in de stammen der kokosnootboomen holten in te snijden, die zich dan met vocht vullen. Op het tweede werd men verhinderd aan land te gaan. Het laatstgenoemde dezer eilanden is de zetel van den koning. De bewoners noemen hun eiland, dat in den vorm van een driehoek 8 Engelsche mijlen lang en één mijl breed is, Fauna Loa, het groote land. Het is met de twee andere eilanden ook het eenige land, dat zij kennen. Zij waren, evenals de bewoners der andere eilanden, schoon en mannelijk gebouwd en hadden over 't geheel een vriendelijk aanzien. Hun geheel gedrag gaf eene vermenging van vrees en vriendelijkheid te kennen. Nergens zag men eenig spoor van vuur, zoodat het waarschijnlijk is, dat zij al hunne levensmiddelen raauw eten. Dit vermoeden wordt nog daardoor bevestigd, dat de inboorlingen zeer onrustig werden, als zij vonken uit staal en vuursteen springen of den rook van sigaren uit den mond zagen gaan. Zij waren zeer diefachtig en wisten zeer behendig den officieren deze en gene kleinigheid te ontvreemden. Het getal der inwoners mag ongeveer 600 bedragen.
Het Perrhyn-eiland, in het jaar 1788 voor het eerst van verre gezien, werd in 1816 door kotzebue en in 1841 door wilkes expeditie bezocht. De inboorlingen, die in hunne kanos in groot aantal het schip omringden, waren de wildste wezens, die men ooit had aangetroffen. Hun geschreeuw was ontzettend en van de geweldigste verdraaijingen van ledematen en hevige gebaren vergezeld. Zij waren geheel naakt; enkelen slechts droegen een kort schortje van kokos[ 59 ]bladen. Hun geschreeuw was oorverdoovend, de klank van hunne stem buitengemeen wanluidend, in het ééne oogenblik hoog en scherp, en dan weder aan een diepen, brommenden bastoon gelijk. Bij hun spreken sloegen zij zeer hevig op hunne dijen; anderen wrongen de handen en schreeuwden, terwijl hunne oogen uitpuilden en maakten vreeselijke grimassen, zoodat men ze voor razenden in hunne hoogste woede zou houden. Zij waren niet in staat hunne opmerkzaamheid ook slechts voor één enkel oogenblik bij eene zaak te bepalen; maar hunne blikken zweefden met koortsachtige snelheid van het eene voorwerp naar het andere. Zij hadden wapens in hunne kanos verborgen. Eenigen gelukte het bij het schip op te klouteren en op het dek te komen. Men moest spoedig het dek van hen zuiveren en ze over boord jagen, omdat zij vele dingen behendig wegkaapten. Toen begonnen zij groote stukken koraal op het dek te werpen; eenige geweerschoten, boven hunne hoofden afgevuurd, bragten hen niet van hun stuk. Zij sloegen in hunne kanos onder hevig geschreeuw met hunne speeren in het rond, zoodat men een aanval te gemoet zag. Eindelijk kwam er toch eene soort van ruilhandel tot stand en voor messen en doeken wierpen zij hunne wapens en halsbanden aan boord. Evenals andere inboorlingen van Polynesië schijnen zij een half amphibisch ras te zijn. Bij de minste kleinigheid, die over boord viel, doken zij, zonder zich te bedenken, onder. Zij hadden eene lichte olijvenkleur met zwart haar, zij waren athletisch van gestalte, slank en schoon gebouwd en niet getatoeëerd. Slechts twee of drie vrouwen lieten zich zien: van teedere gestalte, lichte kleur en vrouwelijke gelaatstrekken met lang glanzig haar en schoone witte tanden. De wildheid der bewoners maakte het ongeraden op het eiland te landen en het naauwkeurig te onderzoeken.
Of er ooit een tijd zal komen, dat het bezit van de tallooze, doorgaans kleine koraaleilanden in deze streek des grooten oceaans van eenige waarde zijn zal, laat zich vooraf niet berekenen. Maar zeker is het, dat, zoo daartoe eenige kans bestaat, de ondernemingsgeest der Noord-Amerikanen wel zal weten daarvan gebruik te maken.
- ↑ Uit petermann's Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie, V, 1859.