Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/De jongste ontdekkingsreis

Uit Wikisource
De jongste ontdekkingsreis (1862) door Anne Tjittes Reitsma
'De jongste ontdekkingsreis,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 25-32 . Dit werk is in het publieke domein.
[ 25 ]
 

DE JONGSTE ONTDEKKINGSREIS IN HET
BINNENLAND VAN AUSTRALIË.

 

 

Reeds in 1858 had de regering van Zuid-Australië een prijs van 2000 pond sterling uitgeloofd aan den stoutmoedigen reiziger, dien het gelukken mogt dwars door het binnenland de noordwestkust van Australië te bereiken. Twee mannen dongen naar dien prijs. Een van hen, tolmer genaamd, ving tegen het einde van September 1859 de reis aan, maar zag zich genoodzaakt, na eenige mislukte proefnemingen, de geheele onderneming te staken. De andere, j. mac dougall stuart, aanvaardde den 2 Maart 1860 zijnen togt, waartoe twee rijke kolonisten hem in staat hadden gesteld, en drong het binnenland in.

Maanden lang hoorde men niets van hem of zijne reisgenooten, totdat men in October onverwacht het berigt ontving, dat hij behouden was teruggekeerd.

Daar het parlement hem spoedig na zijne aankomst in de kolonie eene belooning van 2500 pond sterling toelegde om hem in staat te stellen zijnen togt te hervatten en ten einde te brengen, vond men goed vooreerst de resultaten van zijne reis geheim te houden, opdat niet een ander daarvan de vruchten plukken en aan hem den wel verdienden lauwerkrans ontrooven mogt. Daaraan is het toe te schrijven, dat men in het eerst aangaande de uitkomsten dezer onderneming nog slechts zeer onvolledige berigten ontving.

Uit die voorloopige berigten bleek reeds, dat deze reis voor de kennis van het binnenland, waarover tot hiertoe de strijdigste gevoelens gekoesterd werden, een veel helderder licht zou doen opgaan. Bij gelegenheid van eenen maaltijd, die ter eere van stuart te Adelaïde werd gegeven, liet een van de regeringsleden, die met de [ 26 ]uitkomsten van stuarts reis bekend was, zich daarover aldus uit:

"Het van stuart ontdekte land is niet de onvruchtbare woestijn, die men vermoedde; vele streken zijn wel ongeschikt voor bebouwing van den grond, maar een groot gedeelte zal als weide voor het vee te gebruiken zijn. Slechts op eene uitgestrektheid van ongeveer 60 Engelsche mijlen was stuart buiten staat water te vinden. Op vele plaatsen is er voortreffelijk gras, ofschoon ook veel spinifex gevonden wordt. Men zag prachtige eucalypten en andere boomen, waaronder ten minste vier soorten van palmen waren. Het getal der inboorlingen scheen niet groot te zijn, totdat stuart aan het verste punt zijner reis kwam; toen kwamen zij in zoo groote menigte te voorschijn en boden zulk eenen krachtigen tegenstand, dat stuart van zijne wapens gebruik moest maken. Naar alle waarschijnlijkheid wordt een weg geopend, op welken paarden naar het noorden vervoerd kunnen worden om ze vandaar naar Indië over te schepen. Het gewigt dezer ontdekkingen geldt alle Australische koloniën en zal waarschijnlijk de vestiging eener nieuwe kolonie in het noorden ten gevolge hebben."

Een Zuid-Australisch dagblad deelde toen reeds over deze ontdekkingsreis de volgende opmerking mede: "Het binnenland is geene lage zee, noch eene onvruchtbare woestijn; het is integendeel eene hoog gelegene streek, over 't algemeen vruchtbaar en doorgaans niet geheel van water verstoken. Het ministerie, hetwelk in het bezit is van het geheim van den heer stuart, heeft zich wel verbonden dit thans niet te verraden; maar gedurende de debatten in het parlement vernam men genoeg om de bovenstaande beschrijving te regtvaardigen; ook stemmen de mondelinge mededeelingen der drie koene reisgenooten daarmede overeen. Op de geheele reis veroorzaakte eene landstreek van ongeveer 60 mijlen breedte, die wel geene woestijn, maar geheel waterloos was, het grootste bezwaar. Het grootste gedeelte van het bereisde land is in staat menschen te voeden, want het is van inboorlingen bewoond. Deze waren alle volkomen vriendschappelijk gezind en bewezen den reizigers de grootste diensten, terwijl zij hen van dierlijk voedsel voorzagen. De oorlogzuchtige stam, die stuart tot den terugtogt dwong, was de eerste, die vijandelijk optrad. De grond moet weelderig met bekende en onbekende grassoorten [ 27 ]bedekt zijn, onder welke zich eene nieuwe, door paarden inzonderheid gezochte voederplant bevindt. Ook schijnt de natuur reeds voor de toekomstige behoeften van beschaafde menschen in het verre binnenland gezorgd te hebben; want zij heeft daar reeds den aardappel, den getrouwen gezel der beschaving, geplant. — Wij hooren uit bijzondere bronnen, dat stuart een groot meer in het noordelijk binnenland ontdekte, welks uitgebreidheid hij met het bloote oog niet kon over zien. Zijn water was blaauw en daarom waarschijnlijk van aanmerkelijke diepte; ook bevatte het eene groote menigte visschen. Het lag regts van den weg, toen stuart naar het noorden ging. De heer stuart ontmoette ook eenen merkwaardigen, geheel alleen staanden pilaar van zandsteen van honderd voeten hoogte."

Thans is het dagboek van dezen merkwaardigen togt in het licht verschenen. Het eenvoudig, onopgesmukt verhaal vervult den lezer onwillekeurig met bewondering voor den moedigen reiziger, die onder de grootste ontberingen en de vreeselijkste gevaren het doel van zijnen togt met onwrikbare volharding tot het uiterste toe vervolgde, en die, toen hij eindelijk door de omstandigheden zich in de volstrekte noodzakelijkheid zag om, eer hij dat doel bereikt had, terug te keeren, den moed had om kort daarop dienzelfden togt voor de tweede maal te aanvaarden.

Hij was den 2den Maart met twee reisgenooten, de heeren kekwick en head, en 13 paarden van Chambers-Creek, een riviertje aan de zuid-westzijde van het Gregory-meer, op reis gegaan en in noordelijke rigting tusschen 133 en 135 graden oosterlengte tot ruim 19 graden zuiderbreedte doorgedrongen. Hij is dus van het zuiden naar het noorden juist door het centrum van Australië getrokken, nagenoeg even ver van de oost- en van de westkust verwijderd. Tot op 40 Duitsche mijlen was hij aan de Victoria-rivier en de streek aan de Carpentaria-golf, die in 1856 door gregory was bereisd, genaderd, toen een vijandelijke aanval der inboorlingen hem bij den verzwakten staat van zijn gevolg tot den terugkeer noopte.

Wat stuart in het binnenland vond, heeft zeker velen verrast. Tot hiertoe hadden zich de uiteenloopendste vooronderstellingen aangaande de natuurlijke gesteldheid van die onbekende streken ver[ 28 ]breid, meestal bloote hypothesen, uit de opmerking van enkele verschijnselen opgemaakt. Oxley en velen met hem vermoedden, dat het binnenland van Australië eene zeer groote binnenzee bevatte. landon geloofde, dat het uit ondiepe waterplassen bestond, die in den zomer in dorre vlakten veranderden. Eyre vooronderstelde daar drooge, zandige, laag liggende vlakten, afgewisseld met uitgedroogde of ondiepe zoutmeren. Juke stelde het zich als eene onmetelijke woeste vlakte voor, die zich van de Carpentaria-golf tot aan de groote Australische bogt in het zuiden uitstrekte. Heising hield het voor eene ongenaakbare woestijn, die volgens sturt met evenwijdig loopende roode zandduinen van het noorden naar het zuiden was doorsneden. Strzelecki, murchison en anderen namen eene naar het centrum toenemende daling van den bodem met zich daarin bevindende zoutlagen aan.

Al deze hypothesen zijn door de ontdekkingsreis van stuart voor goed weêrlegd. Stuart heeft veeleer, gelijk reeds ook door vele nieuwe reizigers vermoed was, in het binnenland eene veel grootere verscheidenheid gevonden; eene gedurige afwisseling van laagten en hoogten, van woeste zandvlakten, grasrijke landstreken, dor struikgewas, sierlijke wouden, waterrijke heuvelreeksen en weelderige dalkloven; een land, dat evenzeer van hooge gebergten en altijd waterhoudende rivieren verstoken is, als het vrij is van woestijnvlakten, die eenigermate met de bekende woestijnen onzer aarde kunnen vergeleken worden. De meest verschillende, uit andere landen bekende vormen zijn zoo door elkander gemengd, dat niet één enkele gezegd kan worden de heerschende te zijn.

Hooge gebergten vindt men in het binnenland van Australië niet. De bodemverheffingen, die stuart beschrijft, zijn voor het grootste gedeelte slechts lage heuvels en heuvelketens, somtijds kleine hoogvlakten, slechts bij uitzondering hoogere bergen, zooals Mount-Denison, of bergketens, zooals de Mac-Donnell-keten; en deze laatsten zelfs hebben, naar het schijnt, geene grootere betrekkelijke hoogte, dan de bergen van de Flindners-keten, dat is nagenoeg 2 of 3000 voet.

Het is hoogst waarschijnlijk, dat de bodem van het zuiden naar het noorden van lieverlede hooger wordt, zonder dat ergens eene aanzien[ 29 ]lijke bodemverheffing of eene daling beneden den zeespiegel plaats heeft. Volgens babbage ligt het punt, vanwaar stuart zijne reis aanving, het Gregory-meer, 90 voet boven de oppervlakte der zee, en in het noorden in de streek ten zuiden van de Carpentaria-golf, vond gregory bodemhoogten van 1300, 1400 en 1000 voet met langzame afhelling naar het binnenland. Uit verschillende waarnemingen schijnt te volgen, dat het Torrensbekken het laagst gelegene deel van het Australische vastland is, en dat ook deze binnenzee nog boven de oppervlakte van den oceaan is gelegen.

Van geene der talrijke rivieren, die stuart op zijnen togt ontdekte, kan men aannemen, dat zij een uitgang naar de kust heeft. Allen verliezen zich na korten loop in de vlakten van het binnenland, zonder zich tot een uitgebreid stroomgebied te vereenigen. Geene rivier houdt het geheele jaar door stroomend water.

Wat het klimaat in het binnenland betreft, is het van belang aan te merken, dat gedurende de geheele reis de zuid-oostewind verreweg de meest heerschende was, daarna de oost- en zuidewind; de andere windrigtingen kwamen slechts zeldzaam voor. Dikwijls werd eene snelle afwisseling van temperatuur waargenomen, gelijk ook reeds bij andere togten in het binnenland is opgemerkt. Stuart had kort voor den aanvang van zijn tweeden togt op den 19 December 1860 bij de Chambers-creek eene temperatuur van 128° Fahr. in de schaduw, terwijl de thermometer den volgenden dag slechts 43° aanwees. In het zuidelijk gedeelte van Australië regent het slechts in den winter, van Maart tot September, in het tropische, noordelijk gedeelte slechts in den zomer, ongeveer van November tot April. Deze beide gordels, de noordelijke en zuidelijke, raken echter elkander niet onmiddellijk, zoodat er tusschen deze beide een overgangsgordel ligt, waar in alle tijden des jaars, maar slechts onregelmatig en in geringe hoeveelheid, regen valt. Hieruit laat zich verklaren, dat stuart in Maart in Zuid-Australië dikwijls hevige en aanhoudende regens had, terwijl hij, toen hij den keerkring naderde en tot op 19° zuiderbreedte doordrong, van April tot Augustus slechts drie malen eene onbeduidende regenbui beleefde en den grond zoo uitgedroogd vond, alsof het er in jaren niet geregend had. Toen hij weder binnen de grenzen van [ 30 ]Zuid-Australië kwam, had hij in Augustus nu en dan weder hevige regens.

Den 1 Januarij 1861 heeft stuart reeds zijn tweeden ontdekkingstogt naar het noorden van Australië ondernomen met het plan om in Junij of Julij terug te keeren. Men mag van dien kloeken reiziger verwachten, dat die togt nog meer dan de eerste zal bijdragen om ons met de natuurlijke gesteldheid van dit tot hiertoe zoo onbekende gedeelte onzer aarde nader bekend te maken.

Het spreekt van zelf, dat de ontdekkingen, op deze reis gedaan, een nieuw licht verspreiden over de vraag, wat er van de binnenlanden van Australië in de toekomst te wachten is.

Over de waarde dier binnenlanden werd al zeer verschillend geoordeeld. Terwijl b.v. crawford onlangs nog in eene zitting van het Londensche geographisch gezelschap verklaarde, dat het voor de wetenschappelijke wereld genoegzaam bewezen was, dat het binnenland van Australië niets dan eene wilde woestijn is, wenscht sir roderick murchison Australië geluk met de ontdekking van een voor de kolonisatie wonderbaar geschikt gebied in zijn binnenland. Het eene is zoowel overdreven als het andere. Hoe toch kan men een land als eene woestijn beschouwen, hetwelk een groot aantal bronnen bezit, overvloedig voedzaam voedergewas en krachtige boomvegetatie voortbrengt en reeds in zijn natuurstaat overal ingeborene volksstammen voedt? De wanhopige toestand, waarin stuart zich somtijds bevond, en die een ongunstig licht op dit land zou kunnen werpen, kwam grootendeels daarvan, dat hij de eerste was, die het betrad. Hij moest zonder de minste plaatselijke kennis, zonder eenigen gids, als in het duister naar het voor reizigers zoo onmisbare water zoeken.

Elke togt in geheel onbekende streken heeft uit den aard der zaak met groote bezwaren te kampen. Diezelfde omstreken van het Torrensbekken, welke eyre voor onbereisbaar hield, zijn tegenwoordig met de kudden der kolonisten bedekt. Maar van de andere zijde kunnen wij niet verwachten, dat de door stuart bezochte streken bijzonder geschikt zijn voor de eigenlijk gezegde kolonisatie. De akkerbouw zal wel op zijn hoogst alleen in die streken mogelijk zijn, waar eene kunstmatige bewatering der velden bewerkstelligd kan [ 31 ]worden, omdat er gebrek is aan genoegzamen regen en altijd stroomende rivieren. Tusschen de voor ontginning vatbare streken liggen altijd weder onbruikbare dorre zandvlakten en met struikgewas begroeide streken. Daarentegen zal de veeteelt ook hier met goed gevolg beproefd kunnen worden. Er zal zich in het binnenland meer een nomadisch dan een gezeten kolonistenleven ontwikkelen, gelijk dit reeds in vele oorden van Australië's binnenland wordt waargenomen.

De meest bevoegde beoordeelaars over deze zaak zijn ongetwijfeld de Australische kolonisten zelve. Hooren wij daarom, hoe de heer baker, een Zuid-Australiër, die sedert jaren in de streken van Mount Hopeless en Mount Flint aan het Torrensbekken de veeteelt uitoefent, zich daarover in eene zitting van het geographische gezelschap te Londen, in Februarij 1861, uitliet. "Ik vergelijk het land," zegt hij, "niet met de weelderige weidegronden van Engeland, maar met die districten van Australië, die, hoewel eens voor niets waard gehouden, thans met schapen en runderen bedekt zijn, en als ik het uit dit oogpunt beschouw, durf ik zeggen, dat het veel voortreffelijker is, dan vele nu reeds in bezit genomene landerijen. Het zal een handelsweg naar de noordwestkust openen, en wij hopen, dat het het middel zal worden tot oprigting van eene groote en bloeijende kolonie aldaar. Al werd er geen ander doel mede bereikt, zoo blijft het toch eene hoogst gewigtige ontdekking. Zij toch zal, naar mijne overtuiging, ten gevolge hebben, dat alle koloniën, die later aan de noordkust mogen aangelegd worden, met vee uit het binnenland zullen worden verzorgd. Wel houd ik het niet voor waarschijnlijk, dat men van de door stuart bezochte streken land voor den akkerbouw zal kunnen maken, maar dit weet ik zeker, dat het tot de veeteelt zal worden gebruikt. Neemt men ook al aan, dat de afstand van de havens te groot is om met voordeel wol te produceren, zoo zullen de nu reeds bezette weilanden bevrijd worden van de noodzakelijkheid om rundvee aan te fokken. Daardoor zullen wij in staat zijn het getal onzer schapen te vermeerderen. Het zal een land voor het rundvee worden en zoo zijdelings het middel aan de hand geven om den toevoer van wol voor de Engelsche markt te vermeerderen. De prijs van het vleesch in Zuid-Australië zal aanzienlijk dalen en men zal [ 32 ]zelfs met goed gevolg ons hoornvee naar Engeland kunnen uitvoeren.

"De hoofdzaak echter is, dat stuart's ontdekkingen ons naar alle waarschijnlijkheid een ruime landstreek openen, de vorming van nieuwe, bloeijende koloniën, tot verligting van de overbevolkte deelen van dit koningrijk ten gevolge hebben en daardoor een middel zal worden om onze medemenschen wel te doen.

"In Australië heeft bijna elke bereisde landstreek bewezen beter te zijn, dan zij in den beginne liet vermoeden. Ik kan mij nog herinneren, met welke groote gevaren onze vroegere gouverneur gawlez op zijnen eersten ontdekkingstogt, niet ver van de bewoonde distrikten, te kampen had. Nu zou hij die reis geheel op zijn gemak, zonder eenig bezwaar, kunnen ondernemen. Als men in aanmerking neemt, dat het door den gouverneur gawlez bereisde land thans bewoond en goed bebouwd is, dat het land, hetwelk kapitein stuart doortrok en van hetwelk hij geen zeer gunstige meening kon verbreiden, thans eene groote hoeveelheid wol uitvoert en prachtige kudden voedt; als ik zie, dat de kolonisatie aan de Darling zich naar alle zijden heen uitbreidt en waarschijnlijk in korten tijd tot aan de Cooper-creek reiken zal over een vroeger onbruikbaar gehouden land; als ik de beschrijvingen, die van deze landstreken gegeven worden, met de tegenwoordige uitkomsten vergelijk en dan stuart's ontdekkingen beschouw, dan houd ik mij ten volle overtuigd, dat het door hem bezochte binnenland eenmaal een goed weideland worden zal."

(Naar peterman's Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie, 1861, 1, V).

R.