Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/Den olifant

Uit Wikisource
Den olifant (1862) door Alexander Willem Michiel van Hasselt
'Den olifant,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 257-277 en 321-347 en 353-381 . Dit werk is in het publieke domein.
[ 257 ]
 


 

 


"The Elephant, the Lord paramount of the forests."
Tennent.
De Indische olifant, naar p. gervais

De Indische olifant, naar p. gervais [1]..

[ 258 ]Wanneer mij werd afgevraagd, wat mij — would be toxicoloog en araneoloog — toch heeft bewogen, om te schrijven over een zóó alledaagsch onderwerp als den olifant, — over een dier, zóó oneindig verschillende van de klasse der spinnen en zoo geheel ontbloot van vergiftige hoedanigheden,—dan komen mij tot antwoord drie gronden voor den geest.

Behalve innige bewondering van God's onmetelijke schepping, van zijne levende wonderen, kleine zoowel als groote, die evenzeer in staat zijn het oog als den geest te boeijen, — zijn die bevat in één denkbeeld, ééne beschrijving en ééne klagt:

Ais denkbeeld zweefde mij voor, hier als 't ware een tegenhanger te vinden voor harting's "magt van het kleine" in de "onmagt van het groote." Een kolos, wiens ligchaamsgewigt meermalen dat van 25, soms zelfs dat van 50 volwassen personen evenaart, magteloos te zien als een kind tegenover den ijzeren wil van den mensch; gedwee gehoorzamend aan, zelfs onwillig bedwongen door een klein haakje in diens betrekkelijk zwakke hand!

Als klagt bevreemdde mij het getuigenis onlangs door tennent afgelegd: "dat er nog zoo weinig met zekerheid omtrent den olifant bekend was." Kan het mogelijk zijn, na meer dan 2000 jaren van waarneming nog geene voldoende kennis van dien "zoon van den Radja", dien "vriend van de maan"[2], welke reeds in de oudste geschriften en overblijfselen der Indische geschiedenis en mythologie eene hoofdrol speelde;—van het grootste land-dier, dat in omvang door geen ander, in hoogte alleen door den giraffe wordt overtroffen!

Als beschrijving eindelijk trof mij de waarlijk poëtische ontboezeming van haafner: "Wie is u gelijk, o edel dier! wie u gelijk onder de geraasmakende burgers der wouden? Uw voorhoofd is als een ondoordringbaar schild; uw magtige tromp als eene vernielende waterhoos! Uwe schrikkelijke slagtanden zijn als twee klippen in de verbolgene zee. Uwe stem huilt als een stormwind tusschen de kloven der bergen. Uw ligchaam is als eene graauwe rots, die zich [ 259 ]over de toppen van het geboomte verheft. Uw gang is statelijk, als de gang eens helds, trotsch en vol zelfvertrouwen, in het gevoel van uwe kracht!"

Is haafner's beeld getrouw? Tennent's twijfel gegrond? Mijne tegenstelling juist? Ziedaar vragen, wier beantwoording ik aan de aandacht mijner geëerde lezers zelven overlaat. Mijne eigene overtuiging is thans gevestigd, doch niet dan na een herhaald bezoek der vijf levende olifanten, die zich in de beide diergaarden van ons vaderland bevinden, en niet dan na menigen strooptogt op letterkundig gebied [3] , waarvan ik hun thans de hoofdtrekken wensch mede te [ 260 ]deelen. Ik geef niet meer dan ik kan, in het minst niet in den waan deze stof te hebben uitgeput of zelf niet te zullen falen. Ik koester echter de vaste overtuiging, dat, zoo al velen niet veel "nieuws" zullen vernemen, toch mijn verzamelde buit de som van kennis bij eenigen mijner lezers — even als die van mij zelven — eenigermate zal kunnen verrijken. In waarheid, ik had te voren niet gedacht, dat een zóó algemeen bekend terrein, — door de aanwezigheid dezer dieren op kermissen en in menageriën zelfs zóó populair, — toch zóóveel kon bevatten, wat nog niet door allen werd gekend.

 

 

Over geen dier is misschien meer strijd gevoerd of hebben althans meer dwaalbegrippen bestaan, en zijn door de reizigers van vroegeren tijd vooral meer verdichtselen in omloop gebragt, dan juist over den olifant. Menige vraag is aangaande hem te doen, die eerst voor korten tijd is opgelost, en op meerdere moet men nog het juiste antwoord schuldig blijven. En deze hebben niet alleen betrekking op zijne eigenschappen en gewoonten, maar ook op verscheidene zijner organen, zoo uitwendige, als vooral inwendige, over wier fijner maaksel eerst in onzen tijd eenig meerder licht begint op te gaan.

[ 261 ]Bestaat er, kan men vragen, meer dan één fossiele soort? en zijn er meer dan drie levende soorten? Komt er onder deze eene afzonderlijke ruigharige soort voor? en is er werkelijk een eigene witte olifant? Kan de olifant een 4 à 500-jarigen ouderdom bereiken en eene hoogte van 20 voeten of meer[4]? Is hunne huid kogel- of schotvrij? Wisselen zij nu en dan hunne slagtanden? Zijn die bij den man bovenwaarts, bij het wijfje naar beneden gerigt? Dient hunne snuit of hunne maag hun als reservoir voor drinkwater? Bestaat de eerste uit één of uit twee buizen? Is één daarvan voor het ademhalen, de andere voor het drinken bestemd? Zijn hunne voorpooten langer dan de achterste? Is de voet al dan niet met afzonderlijke teenen of hoeven voorzien, en met hoevele? Hebben zij geene kniegewrichten? Kunnen zij om die reden klimmen noch dalen, en moeten zij daarom staande slapen? Zuigen de jongen met den snuit of met den mond? Begraven zij inderdaad hunne dooden? Kunnen zij werkelijk huilen als een mensch, en is het waar, dat zij daarna hunne oogen met de oorlappen afdroogen? enz.

Op alle deze vragen kan niet iedereen onmiddellijk antwoord geven zoo als het behoort (natuurlijk de geleerden uitgesloten), maar de olifant heeft toch eenige eigenschappen, die wij allen kennen. Zoo immers leerden onze ouders reeds van buffon, dat hij niet alleen zoo slim is als een vos, zoo talentvol als een aap, zoo vernuftig als een bever, maar zelfs zoo knap als een schoolmeester in het verstaan van "alle talen!" En wie zou verder niet weten, dat zij sterk genoeg zijn om geheele: "wouden" te kunnen "ontwortelen," — dat zij in wraakgierigheid haast niet onderdoen voor een' Korsikaan, — dat zij in kuischheid bijna de Diana der mythologie evenaren?

En toch, vreemd genoeg, men mag ook hier zonder schroom vragen: Is zelfs dit een en ander wel getrouwelijk voorgesteld? — In geenen deele; zeer veel kan zelfs op deze "algemeene kennis" [ 262 ]worden afgedongen. Waarheid en overdrijving vormen, — zoo als trouwens meer in de natuurlijke geschiedenis van het dierenrijk, doch hier niet het minst, — dikwijls een moeijelijk te ontwarren geheel. Vele hunner zoogenoemde "eigenschappen" heeft men bestudeerd in den gevangen staat of heeft men waargenomen door het vergrootglas der dressuur, of zelfs der verbeelding. Hunne organen heeft men langen tijd niet goed gekend, door gemis aan voldoende en herhaalde gelegenheid tot ontleedkundig onderzoek. Juist hunne grootte was hier een beletsel om gemakkelijk tot eene naauwkeurige kennis te geraken. Bij het feit hunner buitengemeen snelle ontbinding in de heete gewesten, voegde hun omvang het bezwaar van vervoer naar meer geschikte oorden of naar deskundigen in Europa. Dit is zóó waar, dat men steeds nog slechts enkele, en niet eens zeer volledige, beschrijvingen bezit van de hersenen der olifanten, van hunne zenuwen, van hunne bloedvaten. Bij hunne betrekkelijke zeldzaamheid en hun vrij langen levensduur, staat verder ook in Europa de gelegenheid tot dit onderzoek niet dan bij groote uitzondering voor de anatomen open. En hoezeer de ontleedkunde, zelfs ook bij zulk een ligchaams omvang, tot kennis noodzakelijk is, mag ons blijken uit de klassieke dwaling, waarin zij, die zich tot daartoe hadden vergenoegd met uitwendige aanschouwing, voor lange jaren, te Versailles zijn vervallen. Een jonge olifant, in de menagerie aldaar sedert vele jaren ter bezigtiging gesteld, was tot aan zijnen dood, in 1681, steeds voor een mannetje aangezien. Eerst bij het lijkonderzoek, door de leden der akademie van wetenschappen bijgewoond en door perrault opgeteekend, bleek, dat men een wijfjes-olifant had bezeten!

Niet alle olifant-achtige dieren, die eenmaal hebben bestaan, worden nog levende aangetroffen. Talrijke fossiele, grootere en kleinere, overblijfselen getuigen, dat, in vroegere geologische perioden, vormen daarvan hebben geleefd, die thans nog slechts onder den grond of in het pool-ijs of in sommige musea bewaard worden. Hiertoe behooren in de eerste plaats de onderscheidene Mastodon-soorten der tertiaire formatie, mede snuit- en slagtanden dragende gevaarten, grooter nog, althans langer, dan de eigenlijk gezegde olifanten. Met dezen maakten zij wel is waar eene paralelle reeks uit, doch [ 263 ]van dezen verschilden zij onder anderen door den meer tepel- of knobbelachtigen vorm der kiezen. Vóór den "zondvloed" schijnen deze dieren nagenoeg over de geheele aarde, ook over de Nieuwe Wereld, verspreid te zijn geweest.

Op hen zijn, tijdens de latere quaternaire formatie, de Mammouth-soorten gevolgd, ware olifanten, door sommigen in Elephas primigentus, insignis, priscus en nog een aantal andere (?) soorten onderscheiden. Vele fossiele voorwerpen daarvan, enkele malen in hun geheel, worden zelfs nog heden ten dage in het diluvium of in ijsmassa's aangetroffen. Zij waren mede over de gansche aarde, ook in Noord-Amerika, in welk werelddeel de tegenwoordige olifanten niet voorkomen, — verspreid, vooral naar de pool-streken toe, doch ook verder, bijv. in Europa, van N. Rusland af tot Z. Italië toe, alsmede in ons vaderland en aangrenzende rijken. Inzonderheid echter in Siberië wordt daarvan voortdurend nog zooveel opgedolven, dat daar te lande de volks-sage zou gaan: "als konden zij het daglicht niet verdragen, en leefden zij daar tegenwoordig nog, op de wijze der mollen, onder den grond voort!" De Mammouth-soorten echter zijn alle voor goed uitgestorven, ofschoon ik moet opmerken, dat welligt kort na hen, of misschien zelfs gelijktijdig met hen, zich reeds sporen van de tegenwoordige olifanten hebben opgedaan. Volgens cuvier althans vertoonen eenige Siberische Mammouth-vormen groote overeenkomst met den tegenwoordigen Indischen olifant, en werd onlangs door anca de mangalaviti bekend gemaakt, dat ook in grotten op Sicilië fossiele beenderen en tanden zijn opgegraven, die tot den gewonen Afrikaanschen olifant schijnen te hebben behoord.

 

 

De thans levende olifanten werden, — vóórdat camper, blumenbach en cuvier dit vraagstuk tot helderheid hadden gebragt, — voornamelijk door vergelijkend onderzoek van de kroonen der kiezen, — geacht slechts één soort te vormen. Door hen echter werden zij toen in twee soorten, den Aziatischen of oud-Indischen en den Afrikaanschen [ 264 ]gesplitst. Eerst in den nieuweren tijd zijn temminck en vooral

Voorhoofd en oor van den Indischen olifant

Voorhoofd en oor van den Indischen olifant.

Voorhoofd en oor van den Afrikaanschen olifant.

Voorhoofd en oor van den Afrikaanschen olifant.


schlegel tot de ontdekking geraakt van eene ware derde soort, de [ 265 ]Sumatraansche (of Ceylonésche), die van den op het vasteland van Indië levenden olifant moet worden onderscheiden. Of het bij deze drie soorten zal blijven, is niet zeker; althans schlegel heeft onlangs het vermoeden uitgesproken, dat, even als voor den Indischen, ook later voor den Afrikaanschen mogelijk blijken zal, dat daarvan twee of meer soorten voorkomen. Aanleiding tot deze veronderstelling vond hij niet alleen in eenig verschil in den vorm van den schedel, maar: ook in de zoo zeer uiteenloopende geographische verspreiding der olifanten van Afrika.

Behalven in de vindplaats echter, worden, ter onderlinge karakterisering der reeds bekende soorten, de voornaamste onderscheidingskenmerken gevonden in: de figuren van de bovenvlakte der platen of lamellen, waaruit de kiezen bestaan; het getal der valsche ribben, der

Kiezen van de twee hoofd-soorten.

Kiezen van de twee hoofd-soorten.

Kiezen van de twee hoofd-soorten.

rugge- en staart-wervels; de meerdere of mindere bolheid van het voorhoofd; den grooteren of kleineren omvang van het oor; de zwakkere of sterkere ontwikkeling der slagtanden [5]. Ter loops is vroeger nog [ 266 ]van eene vierde soort (of liever variëteit) gewag gemaakt, en wel door een onzer landgenooten op Ceylon, den heer bres, door buffon aangehaald, „Diep in het binnenland zou daar een ruigharige dwerg-olifant voorkomen, niet grooter dan eene koe, maar zeer schuw en ontembaar." Dit berigt staat geheel op zich zelf en schijnt geen vertrouwen te verdienen. Tennent intusschen spreekt het niet bepaald tegen, doch zegt alleen, dat het "behaard" zijn eener zoodanige "caste" van olifanten niet tot eene geldige tegenwerping zou mogen worden gemaakt tegen de "mogelijkheid" dier "waarneming". Volgens zijne ervaring toch is de huid van alle olifanten in hunne jeugd, en dan vooral bij pas gevangenen, aan de schouders en op het hoofd meer of minder met wollige haren bedekt, die zij er echter òf zelve spoedig grootendeels afschaven, òf door het rossen van de huid er weldra worden afgeschuurd. Er zou ook hiermede in verband kunnen worden gebragt hun oponthoud op eene koelere streek van het eiland, alwaar de haargroei sterker ontwikkeld kan zijn, tot bescherming van de huid, overeenkomstig met de behaardheid daarvan bij den El. primigenius in het noorden van Rusland.

De vindplaats der olifanten wordt door hunne soort-namen aangewezen. Tegenwoordig zijn zij oorspronkelijk in het wild slechts aan te treffen, zoo ver bekend is, in Azië en in Afrika.

De eigenlijke, oud-Indische of Indiaansche leeft op het vasteland van Indie, tot op ongeveer 35° Noorder Br. in Thibet en Tartarije, doch vooral bezuiden den kreeftskeerkring en ten oosten van den Indus, in geheel Hindostan, Bengalen en het vaste land van achter-Indië, vooral in het rijk der Birmans, — Ava, Pegu, Siam, — tot in Cochin-China toe.

De Sumatraansche wordt gevonden op twee Indische eilanden, t.w. op het eiland van dien naam en op Ceylon. Dit echter is er veel rijker aan dan Sumatra. Op Ceylon waren zij in vorige eeuwen (1672) zoo overvloedig, dat men, volgens baldaeus, "daar te Lande niet wel kan reijzen, of men moest met zoldaten vergezelschapt zijn ende met trommels of een bekken, daar men op slaande, geluijt maakt, waarvan zij wegh loopen." Zij zijn er, — met uitzondering der kuststreken en der sterk bebouwde binnenlanden, zoo als de omtrek van Colombo, vanwaar zij geheel zijn verdreven, — nog altijd zeer algemeen, ofschoon [ 267 ]sterk aan het afnemen, zoo door het opruimen van de bosschen en het aanleggen van groote wegen, als door het steeds zekerder treffende schot der Engelsche jagers. Bij de zamenwerking dezer oorzaken, en inzonderheid wanneer men overweegt, dat zij sedert onheugelijke tijden vandaar naar het vasteland van Azië worden uitgevoerd, mag het wel bevreemden, dat zij op dit eiland nog op verre na niet zijn uitgestorven. Deze omstandigheid vindt alleen verklaring in de beperking van hunne slagtanden, wier veel grootere ontwikkeling zoovelen hunner makkers in Indië en vooral in Afrika, door de hooge handelswaarde daarvan, meer zonder ophouden ten verderve strekt. Ook op Sumatra wordt, om dezelfde reden, en omdat men er ze ook niet afrigt, slechts zeer weinig jagt op hen gemaakt.

Komt deze of eene andere soort ook op Borneo voor? Ritter en met hem eenige andere aardrijkskundigen laten hem dáár in het hooge noordwesten (Borneo proper) of ook in de binnenlanden nog steeds voortleven.... in hunne boeken, want in naturâ schijnen zij daar aan de beste natuuronderzoekers te blijven ontsnappen. Die men er gezien heeft, worden geacht er van elders te zijn ingevoerd, op gelijke wijze als zulks ook met Java en andere eilanden van den Indischen Archipel het geval is geweest of nog geschiedt[6].

Voor de Afrikaansche soort (of soorten), — welke tegenwoordig niet dan bij hooge uitzondering wordt getemd of afgerigt, — wordt algemeen beweerd, dat zij geheel dit werelddeel bewonen, althans in de voor hen geschikte streken, en in zooverre zij ook hier niet door de bestaande bevolking uitgeroeid of voor de toenemende landontginning teruggeweken zijn, zoo als in de omstreken van de Kaap de Goede Hoop. Overigens worden zij nagenoeg in geheel Zuid-Afrika, van omstreeks 32° Z. Br. (ten Noorden van Port Natal) af, tot aan de linie (Congo, Zanguebar, Mozambique), aangetroffen, terwijl in de noordelijke helft van dit werelddeel, Abyssinië ten Oosten, maar vooral [ 268 ]Senegambië en Guinea in het Westen, tot op omstreeks 17° N. Br.[7] hun voorname vaderland worden genoemd. Hooger noordelijk echter zijn zij veel zeldzamer, doch wordt hunne vroegere aanwezigheid daar, vooral op te maken uit de geschiedenis van Carthago, meer dan waarschijnlijk. Niet overal evenwel leven zij er in gelijke menigte. Als bijzonder rijk aan olifanten staat het binnenland der van ouds zoo zeer befaamde "tand-kust" te boek; barth deed het Niger-gebied, en in Bornou (centraal Afrika) het binnen-meer Tsad, livingstone en wahlberg deden in het Zuiden de Zambesi-rivier en het meer Ngami ten dezen eene zekere vermaardheid verkrijgen.

Komt de Afrikaansche (of eene andere) soort ook op Madagaskar voor? Ter loops, en met een teeken van twijfel, vond ik dit eiland opgegeven onder de vindplaatsen van den olifant. Dit vermoeden schijnt, behalve op enkele onzekere berigten uit vorige eeuwen[8], mij toe slechts te berusten op de overeenkomst in hemels-breedte met de door olifanten in Zuid-Afrika bewoonde streek. Ten overvloede heb ik, onder anderen, de "Laatste Reis" van ida pfeiffer vergeleken, doch vond, in het algemeen overzigt, dat zij (bladz. 85 der Hollandsche vertaling, v. 1862) over de Fauna van Madagaskar geeft, hoegenaamd geene melding van olifanten gemaakt.

Wáár men hen intusschen in de genoemde warme werelddeelen ook verspreid weet, men stelle zich daarom niet voor, dat zij zoo bijzonder aan eene hooge temperatuur gebonden zijn, of de zonnewarmte beminnen. Integendeel, de nacht is hun lievelingstijd. De koelte en de rust der wouden, de tegenwoordigheid van het de geheele natuur verfrisschende water zijn de hoofdvoorwaarden voor de keuze van hun oorspronkelijk verblijf. Gedurende de hitte van den dag houden zij zich veeltijds op in de dikste schaduw der maagdelijke bosschen, [ 269 ]en het is in den regel eerst tegen het vallen van den avond, dat zij zich daarbuiten wagen om hunne soms verre togten af te leggen naar wateren bevattende dreven; alwaar zij, gelijk tennent zich uitdrukt, gedurende den ganschen nacht plassen en spelen, tot het krieken van het eerste morgenrood, dat hen tot waarschuwing strekt om zich op nieuw te gaan verschuilen in de diepste diepten van het woud. Deze schrijver doet dan ook zeer bepaald uitkomen, dat de olifant in geenen deele groote warmte zoekt of behoeft. Inzonderheid die van Ceylon houdt zich bij voorkeur in de koele bergstreken op en leeft daar soms in kudden, op eene hoogte van 8000 voeten boven de zee, waar het zelfs meestal in den morgenstond rijpt.

Ofschoon dit kolossale dier, in den zin van omvang en inhoud, te regt "een monster van stof" is geheeten, wordt de grootte der olifanten, zoo in oude als zelfs in enkele nieuwere populaire geschriften, veeltijds met overdrijving aangegeven. Ons oog, zoo weinig gewoon aan het beeld van zulke levende gevaarten, is al ligt geneigd om den reeds grooten omvang daarvan nog te overschatten, bij gemis aan voldoende punten van vergelijking. Eene hoogte van 20 voeten, meermalen aan dit dier toegeschreven, is fabelachtig, en werd zelfs niet eens door de Mastodonten bereikt. In den regel moet dit cijfer, en dan nog wel meer bepaald voor de grootere, mannelijke dieren, tot op hoogstens de helft daarvan worden terug gebragt. Zelfs de Zuid-Afrikaansche, — waaronder de grootsten zijn, — halen meestal niet meer dan 9 tot 10 voet, en de Ceylonésche zijn gemiddeld niet hooger dan 8, en bereiken niet dan zelden 9 voeten. Slechts bij eene hooge uitzondering wil men enkele individuën hebben waargenomen, die van 11 tot 12 à 13[9] voet maten, gemeten, zoo als hier overal bedoeld wordt, van de zolen der voorpooten tot op den schouder of schoft (volgens sommigen zelfs tot op het hoogste gedeelte van den kop). En eene zoodanige hoogte springt dan ook duidelijk genoeg in het oog, als men zich die bijv. verzinnelijkt door de plaatsing van twee lange menschen boven elkander.

[ 270 ]Over hunne lengte, in de horizontale afmeting, zijn de opgaven minder juist of minder eensluidend. In de eerste plaats, omdat men daarop niet altijd even veel de aandacht heeft gevestigd, daar niet steeds op eenig soortelijk verschil ten dezen is gelet, maar ook vooral, dewijl nu eens de tromp (gelijk veeltijds), dan weder (ten onregte) ook de staart mede in berekening zijn gebragt. Op de laatste wijze metende komt buffon tot eene lengte van "soms wel 25 voeten!" Ook daar waar, als bij leunis, van eene hoezeer "zeldzame" lengte van 18 voet wordt gesproken, is waarschijnlijk de staart ook mede gemeten. Zonder dit aanhangsel, is eene lengte van 15 tot 16 voeten al zeer buitengewoon; althans bij den volwassen Indischen olifant, van omstreeks 9 voet hoogte, bedraagt de ligchaamslengte, — en dan nog wel van de punt der tromp tot aan den staartwortel, — niet veel minder of meer dan 18 voet. De snuit niet medegerekend, wordt de gemiddelde ligchaamslengte circa op 8 tot 9 voeten geschat.

Voeg bij die lengte en de bovengezegde hoogte den breeden omvang van het plompe ligchaam en de grove pooten der olifanten, dan behoeft het niet te verwonderen, dat hunne zwaarte, of hun gewigt, zeer groot is. De volwassen Ceylonésche (Sumatraansche) olifant wordt gemiddeld bevonden van 3 à 5000 oude ponden te wegen. Met zekerheid nogtans weet men, dat dit cijfer veel hooger kan stijgen. Zoo meldt houel omtrent een der ons ontvreemde en in Frankrijk gestorven Ceylonésche olifanten, dat die 6000 ponden woog. Zoo dekker, van den Indischen, die te Amsterdam werd gedood, dat die de 7000 ponden haalde. En zeer onlangs las ik een Journaal-berigt over een Afrikaanschen, te Parijs overleden olifant, die 8000 ponden zwaar was, alzoo het gewigt evenarende van ruim 50 menschen! — Reeds sedert jaren heeft men in de olifanten-landen een gemakkelijk middel gevonden, om, zonder ze nog te hebben gezien, vooraf te kunnen berekenen, hoe groot een zoodanig dier moet zijn, wanneer men zich in zijne nabijheid bevindt, hetgeen voor jagers en reizigers van belang kan wezen. Zoowel op Ceylon als in Afrika is namelijk algemeen de bevestiging verkregen, dat dit, voor volwassen olifanten, op te maken is uit de afmetingen van het versche spoor, of van het indruksel hunner voetstappen in weeken kleigrond. De hoogte van het dier zal [ 271 ]men dan vrij naauwkeurig gelijk vinden aan 2malen den omtrek (of 6-malen de middellijn) van het spoor van den vóórvoet. Zoo mat b.v. livingstone meer dan eens zulke sporen op van omstreeks 4½ voet omtrek, en bevond dan ook werkelijk, dat die hadden toebehoord aan groote olifanten van ongeveer 9 voeten hoog.

Dat de olifant om zóó groot en zwaar te worden, eenen hoogen ouderdom moet bereiken, staat vast; dat hij echter 4 tot 5 eeuwen oud kan worden, — zoo als strabo, philostratus[10] en enkele andere schrijvers na hen hebben beweerd, — is later door geen' enkelen geloofwaardigen natuuronderzoeker bevestigd. Wel is waar is die meening bij verscheidene Aziatische en Afrikaansche volksstammen nog altijd populair, doch op welken grond? Voornamelijk dezen, dat in de bosschen, waar zij zich in het wilde ophouden, zoo uiterst zelden, of zelfs volgens anderen nooit, lijken van olifanten of andere overblijfselen dan alleen enkele, geheel of ten deele afgebroken slagtanden worden aangetroffen. Alhoewel deze waarneming vrij algemeen zelfs door de beste reizigers en ooggetuigen bewaarheid is gevonden, geeft zij volstrekt geen afdoend bewijs voor de stelling, die hier bewezen moet worden. Vooreerst immers zullen deze bosschen zelve veeltijds wel ouder zijn dan 4 à 500 jaren, en zou men, na verloop van dien tijd, dan toch hebben moeten beginnen ook de lijken hunner bewoners aan te treffen! Maar, ten tweeden, men kan dit feit ook op andere wijzen verklaren. Of door de zamenwerking van millioenen roofinsecten[11], duizenden roofvogels en nachtelijke roofdieren, òf wel door de mogelijkheid, dat de wilde olifant, den dood voelende naderen, de ontoegankelijkste plaatsen in het woud, òf afgelegene schuilhoeken in het hooge, onbezochte gebergte opzoekt, om daar te sterven, zoo als tennent dit schijnt aan te nemen. Eene zoodanige stille afzondering vóór den dood is meermalen ook bij andere dieren waargenomen, en heeft meer grond van waarschijnlijkheid, dan eene derde hier insgelijks [ 272 ]toepasselijke verklaring, volgens welke dit feit in verband zou staan met de "gewoonte" der olifanten om hunne overledene betrekkingen zelve "te begraven." Deze hypothese toch is zonder eenig nadenken gesteld. Welke werkzaamheden, welke kunststukken zelfs door den olifant kunnen worden verrigt, — tot de "gravende" diersoorten behoort hij niet. Zijne organen stellen hem daartoe niet in staat; hoogstens zouden zij, die van slagtanden zijn voorzien, den grond ordeloos kunnen omwoelen. En al lieten die hem toe een kuil te graven, diep en ruim genoeg om een gevaarte te bevatten van 3 tot 8000 ponden, zoo zou hij al ligt een graf hebben gedolven, waaruit hij zich zelven niet zou weten te verlossen. Maar bovendien, noch in den wilden, noch in den getemden staat, heeft de ervaring eenig bewijs voor dit ambt van "doodgraver" aan het licht gebragt. In elk geval bewijst het besproken onderwerp niets voor of tegen den buitengewoon langen levensduur der olifanten.

Omtrent hunnen ouderdom toch is tegenwoordig vrij algemeen onder de zaakkundigen aangenomen, dat zoowel de gewone, alsmede zelfs de mogelijke leeftijd dezer dieren niet zoo bijzonder veel hooger stijgt dan soms bij den mensch. Hoe vreemd dit ook klinken moge, tegenover de overdrijving, waaraan wij ten dezen van onze jeugd af gewoon zijn, werd deze stelling van schlegel, tennent en anderen, althans voor Ceylon, vrij voldoende bevestigd. Op dit eiland leven de oudste, tamme olifanten in den regel niet langer dan 70 jaren! Dat zij er, even als de mensch, 100 jaren oud kunnen worden, daarvan heeft laatstgenoemde zelf een' levenden getuige gezien. Een bewijs van meer bespiegelenden aard voor de waarschijnlijkheid van dien levensduur, als normale grootheid, meent everard home te mogen trekken uit de vergelijking van den leeftijd, op welken bij hen en andere plantenetende dieren de gewone tanden en kiezen geheel zijn afgesleten[12]. Dit geschiedt, naar zijne opgaaf, bij het schaap en het hert tusschen het 10de tot het 15de levensjaar, bij het runderengeslacht tegen het 20ste jaar, bij het paard omstreeks de 40 tot 50 jaren (?), terwijl daarentegen bij de 100-jarige olifanten de kiezen (natuurlijk de laatstgewisselde, zie daarover nader) nog bruikbaar [ 273 ]voorhanden zouden zijn. — Een meer wetenschappelijk en zekerder uitgangspunt tot eene dergelijke berekening is dat, 't welk door flourens is bekend gemaakt. Het berust op de volkomene verbeening der uiteinden van de lange beenderen. Deze verbeening, welke de eindpaal van den groei aanduidt, grijpt bij den mensch omstreeks het 20ste, bij den olifant omtrent het 30ste levensjaar plaats. Uit eene vergelijking nu dezer tijden met dien bij andere dieren (het paard 5, den hond 2 jaren), is hem deze physiologische wet gebleken: dat vijfmalen dit volwassen tijdperk overeenkomt met het (gemiddelde) maximum van aller levensduur, d.i. alzoo 10 jaren voor den hond, 25 voor het paard, 100 voor den mensch, 150 voor den olifant. En inderdaad omtrent de mogelijkheid van het maximum van dien termijn bestaan voor den olifant enkele vrij geloofwaardige berigten, inzonderheid weder uit Ceylon. tavenier, onder anderen, vermeldt er een van 180 jaren, volgens opgaaf van een' cornac, wiens vader, grootvader en overgrootvader, evenals hij, denzelfden olifant hadden opgepast. Robertson geeft een tweede, authentiek genoemd, voorbeeld van een olifant, die eerst aan de Portugezen had toebehoord, van hen in het jaar 1656 door de Hollanders was afgenomen, en eindelijk in 1799 uit onze handen in die van de Engelschen was overgegaan. Stelt men, dat dit individu in het Portugesche tijdvak nog slechts 10 jaren telde, dan moet het onder zijne laatste meesters ruim 150 jaren oud zijn geweest. Deze en dergelijke zoo hoog bejaarde olifanten mag men evenwel veilig tot de hooge uitzonderingen brengen, evenals dergelijke cijfers, die (als curiosa) omtrent den ouderdom van sommige menschen[13] zijn te boek zijn gesteld.

Mogten deze opgaven nu al worden aangenomen voor den getemden olifant, voor zijn gevangen staat, — werpt misschien iemand hier tegen, — zij behoeven daarom nog geenszins te gelden voor dit dier in het wild, in de vrije natuur levende. "Welligt kan het [ 274 ]dan zeer veel ouder worden!" [14]. Voorzeker is onze kennis omtrent dit punt ontleend aan de waarneming van den olifant in gevangenschap, — of liever in dienstbaarheid, — onder welke het bekend is dat hij, in den eersten tijd, aan vele zware en zelfs doodelijke ziekten en gebreken onderhevig is [15]. Maar blijft hij daarvan zoo geheel bevrijd in den wilden staat? En wat leert de ondervinding omtrent vele andere dieren, wier geslacht aan eene dergelijke dienstbaarheid van den mensch sedert eeuwen is onderworpen? Zouden onze huisdieren, zouden het rund en het paard in den vrijen toestand zooveel ouder kunnen worden dan in zamenleving met den mensch? De analogie pleit daarvoor geenszins, zelfs meer voor het tegendeel. Immers wat de beschaving is voor den mensch, is de domesticiteit voor het dier, en de ervaring heeft op statistieke gronden bewezen, dat de beschaving veeleer den levensduur verlengt, dan dat zij dien verkorten zou. Het komt mij uit dien hoofde niet waarschijnlijk voor, dat de wilde olifant tot een' zoo veel hoogeren ouderdom zou geraken, dan dien, welken men hem in den getemden staat, — wanneer hij daaraan eerst gewoon is geworden, — heeft zien bereiken.

Het uitwendig voorkomen van den olifant maakt geen behagelijken indruk. In het algemeen staat hij, althans bij oppervlakkige beschouwing, onder de "leelijke" dieren te boek. Zelfs hier echter geldt weder de spreuk: "dat men niet moet redetwisten over den smaak." Althans één der vurige bewonderaars van dit dier, de schilder zover, vond de twee door hem waargenomen, en in zijn pracht-plaatwerk vereeuwigde, olifanten "bepaaldelijk schoon" niet alleen, maar hij ergerde zich telkens, wanneer vele bezoekers, in zijne tegenwoordigheid, het tegendeel durfden beweren[16]. Behalve hunnen schijnbaar [ 275 ]onevenredigen bouw, werkt intusschen ook de vale en doffe kleur van hunne huid geenszins mede om deze bewondering algemeen te maken. Insgelijks niet zijne vele, somtijds zelfs kloofvormige huidrimpels, alsmede de modder of klei, waarmede die zoo door hen zelven, als door hunne oppassers bedekt wordt. Dit maakt de grondkleur hunner huid dikwijls onduidelijk. Deze is eenigermate verschillende naar de soorten, meer grijs-bruinachtig bij de Aziatische, zwarter bij den Afrikaanschen. Daarenboven komen soms schakeringen voor in het roode of in het gele, doch deze meestal meer omschreven in vlekvorm, aan den kop en het voorstuk. Ofschoon die kleurswijzigingen tot de z.g. schoonheden van den olifant worden gerekend, zijn die dikwijls het eenvoudig gevolg van ontvellingen, door het schaven der huid, wegens een jeukend uitslag, teweeg gebragt[17].

Als eene zeer algemeen door de Oosterlingen erkende "schoonheid" staat de witte huidkleur, — hunne geheiligde kleur, — in hoog aanzien. Men weet, dat de witte olifanten met eenen bijgeloovigen eerbied worden begroet. Maar bestaat er wel een "witte" olifant? Of kleurt men ze slechts zoo, met krijt of kalk, even als men zegt, dat ook de roode en de zwarte wel eens worden geverwd? Het is mogelijk, dat dit een en ander somtijds geschiedt, doch het is zeker, dat er ook ware witte olifanten worden gevonden. Wel is waar evenaart die kleur nimmer "de blankste sneeuw", gelijkerwijze soms dichters daarvan met overdrijving zongen, — en meestal is dit z.g. "wit" niet veel meer dan de huidkleur van den Europeaan uit onze hemelstreek, of wordt het omschreven als van een licht "rosé" of van eene zg. vleeschkleur. Maar wat is die? Is zij te vergelijken met den grijsheids-toestand, bijv. van de schimmelpaarden? Wordt zij veroorzaakt door een wit schub-uitslag, eene soort van melaatschheid alzoo? Deze en meer andere hier geopperde hypothesen zijn gewis zelden van toepassing; het vraagstuk heldert zich nog eenvoudiger op; die z.g. "verklaringen" zijn overbodig geworden. De echte witte olifant namelijk [ 276 ]is eene pathologische variëteit, vallende in de algemeene kategorie van het albinisme. Hij behoort tot de "albino's", gelijkerwijze er onder andere diersoorten, en zelfs onder het menschengeslacht, mede enkelen worden gevonden. Bij die wijziging is werkelijk het huid-pigment, de kleurstof der huid, afwezig, en heeft deze, even als de staartharen, dan eene meer of minder sterk uitgedrukte grijs-witte kleur. Deze toestand kan doorgaans inzonderheid hierdoor met zekerheid worden herkend, dat de regenboog of iris (het bekende, anders bruin of blaauw gekleurde vlies, dat den zwarten oogappel omgeeft), insgelijks door het ontbreken der gewone kleurstof, eenen witachtigen of liever licht-rooden tint aanneemt. Een feit, waardoor deze verklaring wel het sterkst wordt gestaafd, is, dat juist in Siam, waar de witte olifant het meest schijnt voor te komen, het albinisme ook bij andere dieren, — buffels, herten, apen, — betrekkelijk menigvuldig wordt waargenomen. Hoe dit zij, daar te lande vooral, maar insgelijks in Ava, Pegu en aangrenzende rijken, wordt de witte olifant nog steeds (ofschoon niet zóó algemeen en niet meer zóó onvoorwaardelijk als voorheen) beschouwd als vertegenwoordiger der geesten van hunne vroegere koningen, als een attribuut der waardigheid van den vorst, als waarborg zelfs voor het bezit van zijnen troon! Hij heeft daar zelfs zijn eigen paleis, zijn' eigenen hofstoet en oppassers, tot 30 in getal, waaronder 4 gouden-waaijer- en scherm-dragers. Het inwendige van dit verblijf is met weelde ingerigt; zelfs zijn voedsel wordt hem niet dan uit gouden schotels gereikt. Die hem daar hunne opwachting willen maken, moeten hunne schoeisels afleggen. Hij is dan ook in het bezit van eigene inkomsten. De Engelsche kapitein der genie yule berigt, dat, toen de koning van Ava onlangs een gedeelte daarvan tot andere doeleinden wilde gebruiken, hij vooraf zijne schriftelijke verontschuldiging deswegens aan zijnen "favoriet" deed toekomen. Hoe "koninklijk" ook genaamd, wordt hij evenwel door de vorsten, die den titel aannemen van "Heer van den witten olifant", zelden of nooit bereden. Wel maakt hij een der voornaamste vertooningen uit op feestdagen en bij alle plegtige optogten. Hij wordt dan vooral, en meer nog dan de andere "staatsie-olifanten"' (zie daarover later), prachtig [ 277 ]uitgedoscht. Zijn schabrak of harnachement is van scharlakenroode

De staatsie-olifant

De staatsie-olifant.

zijde, en dit in velerlei figuren of karakters met gouddraad geborduurd, en met dergelijke franjes of torsades gegarneerd. Zijn geheele hoofd- en slurptooisel schittert van robijnen en diamanten. De hals wordt met gouden kettingen, het ondereinde der pooten soms met zilveren of andere belletjes omhangen, Zelfs de piek van zijnen hoofdgeleider is met parelen of edelgesteenten versierd. Uitsterven mag hij nimmer; is er op het oogenblik van zijnen dood geen bepaald witte in de koninklijke stallen aanwezig, dan wordt er een opvolger verkozen uit degenen, die het meest die kleur nabj komen, Bij zijn overlijden neemt het geheele hof, althans dat van Siam, — alwaar men ook zijne beeldtenis in 's Lands vlag voert, — den rouw aan; er worden dépéches aan bevriende staten gezonden, ridderorders van den "witten olifant" uitgereikt, of andere "gedachtenissen" aan den overledene rondgedeeld.

(Wordt vervolgd).
 

 
[ 321 ]
 

STUDIËN OVER DEN OLIFANT;

DOOR

A. W. M. van HASSELT.

(Vervolg van bladz. 277.)

 

 

Het is niet ten onregte, dat de olifant tot de dikhuidige dieren wordt gebragt, en ik zie geen voldoenden grond om hem, volgens enkele zoologen, in eene afzonderlijke orde te plaatsen, afgescheiden van den rhinoceros of zelfs van den hippopotamus, en alleen de laatsten, met nog enkele anderen, als eigenlijk gezegde "pachydermata" te beschouwen. Immers de huid-dikte van den olifant kan niet alleen tot twee Ned. duimen bedragen, maar vooral spreekt die door het hooge gewigt der huid in haar geheel genomen, dat tot 500 oude ponden en meer stijgen kan. De huid alleen van den grooten Indischen olifant van den zoologischen tuin te Amsterdam woog niet minder dan 1000 pond[18]! Niettegenstaande deze zware en dikke huid is de olifant veel aan uitslagen, ontvellingen en verzweringen onderhevig en is zijne huidgevoeligheid op verre na niet gering. Met een ligten druk van de punt zijner speer weet de cornac zijnen olifant te leiden en te bestraffen. Of nog eenvoudiger bereiken sommigen dit doel, door de werking van een ijzeren haakje, dat even als een huissleutel in den zak wordt gedragen. De oppasser van den Sumatraanschen olifant, in den dierentuin te Rotterdam, volgt de laatste gewoonte, en toont u aan, hoe hij in staat is, den zijnen daarmede in alle rigtingen te dwingen, vooral wanneer hij het haakje even boven of naast het oor aanzet. Ook aan de voeten zijn zij bijzonder [ 322 ] gevoelig. Voor aanraking, zelfs bedreiging daarvan, met de gewone speerpunt zijn sommigen nog bevreesder dan voor die van het hoofd of het oor. Het is waarschijnlijk om deze gevoeligheid eenigermate te verminderen, dat zij zoo algemeen, het zij in den wilden staat, hetzij in

Staart-pluim van den olifant.

Staart-pluim van den olifant.

gevangenschap, de gewoonte hebben, hunne huid met eene laag aarde of modder te bekleeden. Soms wentelen zij zich daartoe na het baden, dat een hunner voornaamste behoeften uitmaakt, in het slijk; meer algemeen spuiten zij daartoe eerst water over het lijf en blazen daarover met de slurf stof of zand heen. Zoowel voor den invloed der zonnestralen, als inzonderheid voor de steken en beten, of zelfs de bewegingen van vele insekten, vooral in de huidnaden of plooijen, toont hij zich hoogst gevoelig. Bepaaldelijk worden, in dit opzigt, de vliegen algemeen zijne "ergste vijanden" genoemd. Met den snuit en met de ooren weert hij zich daartegen zooveel hij kan; zelfs is bekend, dat hij zich vaak van bebladerde takjes of halmen als vliegen-waaijer bedient.

Aan zijnen staart heeft hij tot het verjagen van insekten slechts weinig. Ofschoon soortsverschillen voorkomen, is deze in den regel onaanzienlijk, betrekkelijk dun, en reikt hij naauwelijks tot aan den hiel. De pluim aan het uiteinde daarvan is dikwijls eenigzins meer en ontwikkeld. Hoe rijker de pluim, hoe langer de staart, des te edeler wordt de olifant geacht, en omgekeerd. Ook op zich zelf is de eerste, die uit dikke, hoornachtige, zamengestelde borstelharen bestaat, van eene glinsterend zwarte kleur, in hoog aanzien bij de Oosterlingen. Bijzonder hoog staat echter eene fraaije staart-pluim van eenen "witten" olifant aangeschreven. Een exemplaar daarvan, — [ 323 ]meldt ons bowring,—werd voor weinige jaren door den vorst van Siam, als een koninklijk geschenk (thans gedeponeerd als curiosum in een der Musea van Londen), aan koningin victoria toegezonden.

Even weinig ontwikkeld als de staart is, zoo krachtig en zelfs buitengemeen groot vertoont zich de kop van den olifant, die nagenoeg een derde gedeelte van het geheele ligchaam uitmaakt. Hij kan daarmede, drukkender wijze, soms eene geweldige kracht uitoefenen, even nuttig in dienstbaarheid als gevaarlijk bij vijandige bedoelingen. Inzonderheid de meer of minder bolle of holle vorm van het voorhoofd heeft de opmerkzaamheid der zoologen tot zich getrokken en hun tot mederigtsnoer gestrekt in het bepalen der soorten (zie bladz. 264). In betrekking tot den omvang is het hoofd evenwel niet zoo zwaar en log, als men zich op het uitwendig voorkomen zou voorstellen.

Doorsnee van de kop

Doorsnede van den kop van den olifant.
a. Cel-holten in het voorhoofdsbeen.
b. Hersen-holte.

De beenderen daarvan zijn wel groot, doch betrekkelijk ligt, uithoofde der vele wijdmazige ruimten of celholten, die zich tusschen de binnen- en buitenplaat van den schedel bevinden. Deze zijn met lucht gevuld, in gedeeltelijke verbinding met den neus en het inwendige gehoor en min of meer analoog aan het beenachtig skelet bij de vogels.

Met deze monsterachtige gedaante van het hoofd is die van de bladvormige oorschelp (zie bladz. 264) in overeenstemming, doch meer bepaald bij den Afrikaanschen. Hare grootte bij den Indischen staat tot die bij den vorigen als 1 tot 3. Bij een door livingstone gejaagd wijfje, in Z.-Afrika, bedroegen hare beide afmetingen zelfs 4 voeten, iets minder [ 324 ]of iets meer. Eens zag hij eenen inlander, bij gelegenheid eener zware regenbui, zich geheel en al verschuilen in en onder het oor van eenen pas gedooden olifant!

Wat ook de bewonderaars der "schoonheden" van dit dier mogen beweren, zij zullen niet ontkennen, dat zijn sleuf- of geulvormige mond een zeer onbehagelijk voorkomen heeft. In het bijzonder geldt dit van de dunne, spits-kegelvormige, kleine en slappe onderlip. Belangrijker echter zijn de gewone, buitengemeen zware en harde maaltanden of kiezen, die eigenlijk uit verscheidene lamellen of platen tot één stuk zijn te zamen gesmolten.

Olifants-kies.

Olifants-kies, met eerstbeginnende afslijping der kroon, tot aanwijzing der vele lamellen.

In iedere kaakhelft worden daarvan hoogstens slechts twee te gelijkertijd gevonden, soms ook maar anderhalve of slechts één, in nu eens meer dan minder afgesleten of verbruikten toestand. Na hunne verslijting, worden zij niet, op de gewone wijze der tandwisseling, van onderen naar boven door nieuwe vervangen, maar van achteren naar voren. Elke oorspronkelijk aanwezige tand zou aldus tot 8-malen kunnen worden verwisseld, zoodat, zegt vrolik, "het volle getal van elkaar allengs vervangende kiezen 32 zou bedragen" [19] . Met de slijting of afslijping hunner kroon- of kaauwvlakten staan ook de reeds besprokene, even eigenaardige als fraaije en tot het onderscheiden der soorten dienstbaar gemaakte, elliptische of ruitvormige figuren van dezen (zie blz, 265) in verband. Overeenkomstig met het getal der afzonderlijke kies-lamellen, nemen deze figuren in aantal bij de oudere of laatst te voorschijn tredende kiezen toe, en kan dit getal, volgens bürmeister, tot 28 klimmen, zelfs bij den Indischen tot 26. Vooral op de geslepen en gepolijste platen van dwarse doorsneden — welke teregt als natuur-historische sieraden worden vertoond — ziet men deze tandfiguren bij uitnemendheid, en [ 325 ]kan men daaraan de opvolging van het cement, het email en de dentine bij ieder figuur afzonderlijk naauwkeurig onderscheiden. Meer bewondering nog wekten van oudsher hunne twee, buitenen voorwaarts uitstekende, groote slagtanden. Over dezen werd onder de geleerden eenige strijd gevoerd, of zij werkelijk — zooals in de wandeling door het publiek — voor z.g. honds-, hoek- of oogtanden zijn te houden, dan wel meer als snijtanden te beschouwen zijn. De laatste en meest geldige meening wordt, onder anderen, door onzen j. van der hoeven voorgestaan, op grond dat zij niet opgroeijen uit de opperkaak zelve, maar uit de hier zeer ontwikkelde tusschenkaaksbeenderen. Toegevende aan het algemeen spraakgebruik ten onzent, zullen wij ze, niettegenstaande dit ook om nog andere redenen minder juist is, evenwel "slagtanden" blijven noemen. Nog een tweede strijd er over heeft in vorige eeuwen bestaan, namelijk: of zij het wel waren, die het ivoor opleverden? Om de curiositeit teeken ik dienaangaande uit het oude werk van ludolf de volgende regelen op: "Men heeft langen tijd geloofd, dat men het yvoor uit de Tanden van die Dieren haalde, doch twee redenen hebben ons uit dien dut geholpen, want het is uit het Bekkencel en niet uit de Kaeken, dat deze "stoffe voortkomt;" enz.

Niet alle olifanten bezitten slagtanden; althans vele wijfjes vertoonen niet veel meer dan rudimentaire sporen daarvan, van slechts eenige duimen lengte. De Sumatraansche soort is er het karigst van voorzien, de Afrikaansche het meest (vergelijk de Tabèl op blz. 265). Bij de eerste zijn zij ook dunner, slanker en krommer; bij de laatste dikker en regter. Soms staan zij loodregt benedenwaarts, doch veel tijds zijn zij een weinig vóór-bovenwaarts gebogen, soms zelfs omgekruld. Bij enkelen divergeren de punten, bij anderen convergeren die, soms zelfs zoo, dat zij elkaar overkruisen, gelijkerwijze het geval is bij den onlangs in den dierentuin te Amsterdam aangekomenen. Hoogst zelden groeijen zij spiraalvormig, doch daaronder heeft men er zelfs gezien, die eene geheele omwinding maakten. Langwerpig kegelvormig van gedaante, zijn zij aan de basis het dikst, alwaar zij volgens buffon, bij de Afrikaansche, den omvang "kunnen" bereiken van eene "gewone mans dij". Dit klinkt, wel is waar, wat sterk, doch livingstone [ 326 ]verzekert toch ook, dat hij er gemeten heeft, die daar ter plaatse eenen omtrek hadden van 21 E. duimen, d.i. ruim 52 centimeters. Bij die ontwikkeling kunnen ze dan, in het geheel, eene lengte bereiken van wel tot 8 voeten! Meestal, vooral bij de Indische soorten, zijn zij de helft minder lang en zijn die daar boven gaan, van 5 tot 6 voet, al zeer groot te noemen. Of er slagtanden bestaan van de thans levende soorten van 10, zelfs van 12 voeten lengte, durf ik niet beweren; wel staat het hier en daar geschreven of gedrukt! Misschien dat hier verwarring bestaat met fossiele voorwerpen, even als ditzelfde soms mag gelden voor de ongelijke opgaven omtrent het mogelijke gewigt dezer tanden. Zoo b.v. hebben de zeer hooge cijfers daaromtrent veelal betrekking op die van den Mammouth. Doch of het zelfs voor dezen wel waar is wat leunis zegt, dat diens stoottanden "dikwijls" 480 ponden wogen, zou ik betwijfelen, tenzij daarmede — tegen den hier aangenomen regel — het gewigt der beide tanden was bedoeld. Evenwel wordt ook door hartenfels en anderen melding gemaakt van enkele slagtanden van Elephas primigenius, die tot 300 à 350 pond zouden hebben gewogen. Ook daarvoor durf ik niet instaan; wel, dat er meermalen Mammouth's-tanden gevonden zijn, van 150 ponden per stuk. — Terugkeerende tot de thans levende soorten, weet men dat ook daarvan zeer hooge tandgewigten zijn opgeteekend. Zoo spreekt men ook hier van 200 pond en zelfs meer (?); met meer zekerheid beweert livingstone, op zijne voorlaatste reis, er één gezien te hebben van 126 pond, en leest men, dat p. camper er één in zijn bezit heeft gehad van 105 pond. Reeds a priori, bij het overwegen dat deze tanden aan hun dikste gedeelte of grondvlakte, hoezeer bij het leven gevuld met het vaatrijk merg der pulpa dentis, hol zijn, mag worden verondersteld, dat zulk eene zwaarte tot de hooge uitzonderingen behoort. Maar ook volgens de meest geloofwaardige bronnen, wordt dit gewigt slechts uiterst zelden (of volgens sommigen "nimmer") bereikt. Alhoewel meer bijzonder in Afrika olifantstanden, van zeer oude mannetjes, van 80 à 100 ponden niet zoo geheel ongewoon schijnen, wegen zij in den regel niet meer dan 60, volgens schlegel hoogstens 70 ponden. De laatste cijfers zijn trouwens ook als "gemiddeld" handelsgewigt aangenomen. Dat ze zoo [ 327 ]zelden grooter of zwaarder worden, zou geacht kunnen worden in verband te staan met het wisselen ook van deze tanden, dat de ouden — ælianus, plinius, en later zelfs shaw, — meenden om de 10 à 20 jaren te geschieden, even als het hert jaarlijks zijn gewei verliest. Men weet thans dat dit gevoelen onjuist is. Wel verliest de jonge olifant ze in zijne eerste jeugd, doch slechts éénmaal, op de wijze der melktanden; daarna blijven zij dezelfde, tot aan den dood of tot eenige ziekte of uitwendig geweld ze soms doet uitvallen of afbreken. Waar is het, dat men, om deze en andere redenen, meermalen enkele geheele of gebroken slagtanden in de bosschen aantreft. Tennent geeft eene betere verklaring voor de hooge zeldzaamheid van slagtanden, die boven het genoemde cijfer gaan. Dit hangt eenvoudig hiervan af, dat op de met deze tanden, en inzonderheid met groote, gewapende olifanten, veel meer, ja hier en daar soms uitsluitend jagt wordt gemaakt, zoodat juist deze slechts bij uitzondering hunnen vollen wasdom kunnen bereiken.

Waartoe hun de slagtanden, deze zoo vruchtbare oorzaak van hunnen dood, dienen, is, vreemd genoeg, nog niet geheel voldoende bekend. Zeker is het, dat juist de meest gewone voorstelling er van, als "wapen" om er hunne vijanden mede te "doorboren", — ook besloten in den Hollandschen naam, en in de Fransche benaming van "défenses" — de minst algemeen gepaste is. Niet alleen worden de olifanten, theoretisch, door de zwaarte van het hoofd en den bouw van den nek, belemmerd om er een ruim en vrij gebruik van te maken tot stooten of steken, maar vooral is dit herhaalde malen, bij ondervinding, gebleken. Wanneer zij zulks soms, — bij jagtongelukken of bij executiën,—wilden beproeven, tegen op den grond geworpen personen, zag men er ze dikwijls uit ongewoonte, mede missteken, en het dan ook bij eene enkele poging laten. Over het opvangen der door hen in de lucht geworpen ruiters, zelfs "paarden"(!), op de slagtanden, hoezeer de mogelijkheid, voor de eersten, niet kan worden ontkend, is voorzeker ook meer "geschreven" dan waargenomen. Tennent getuigt, althans voor de Ceylonesche, dat zij zelden slagen in het dooden dergenen, die in hunne magt vielen, waarvan volgens hem, omstreeks drie vierden, grootendeels om deze reden, den dood ontkwamen. Zelfs in hunne onderlinge gevechten maken zij [ 328 ]er niet dan bij uitzondering gebruik van en alsdan nog meer tot drukken dan wel tot stooten. Meer zouden zij, bij het temmen van wilde makkers, deze er mede tot hun pligt weten te brengen[20]. Men heeft gezegd, dat zij ze soms bezigen, vooral in Afrika, om er bij drooge tijden mede in den zandgrond te boren, ten einde wellen van drinkwater of saprijke aardvruchten of wortels op te sporen; even zoo wil men gezien hebben, dat zij er de stammen van jonge palmen of andere boomen mede openreten om er het merg uit te halen; doch dit is voorzeker niet gewoon. Veel algemeener is het gebleken, dat zij ze te baat nemen als beveiligings-bolwerk voor hunnen snuit om aanvallen van andere dieren op dit deel op te vangen, en veel meer nog als hulpmiddel voor dezen en de lip, tot het afbreken of afplukken van takken, bladen en vruchten, waarmede zij zich dagelijks voeden. Zelfs zouden de kleine, rudimentaire slagtanden der Ceylonésche olifanten hierdoor(?) meermalen eene kleine sleuf of groeve verkrijgen nabij de punt. Bij sterken wasdom nogtans zijn zij hun, in het nemen van voedsel, veeleer hinderlijk, dan voordeelig, zelfs in die mate, dat men ze deswegens, bij de getemden, wel eens ten deele afzaagt. Het zijn overigens de dienstdoende olifanten, die er zich eerst in hunnen gevangen staat het best van leeren bedienen, inzonderheid tot het opligten en vervoeren van zware lasten.

Veel meer nog dan door de beschreven deelen, en zonder uitzondering, kenmerkt zich de kop van den olifant door zijne lange, bewegelijke "tromp", "slurf" of "snuit". Door dit orgaan is hij de eenige, nog overgebleven vertegenwoordiger van de familie, of zelfs orde der ware Proboscidea of snuitdragende dieren. Hoedanig het moet worden beschouwd, als een' lange neus of als eene verlengde hand, ook daarover zou weer kunnen worden gestreden, ware het niet eenvoudiger op te merken, dat de beteekenis van beide deze deelen daaraan kan worden gehecht. Niet onaardig heeft reeds buffon dit uitgedrukt door de voorstelling "als droeg de olifant zijnen neus in de hand"! [ 329 ]De tromp, — eene deels rolronde, deels kegelvormige buis, — uitwendig geteekend door vele kringsgewijze huidrimpels, is inwendig bekleed met een glad, stevig slijmvlies en over hare geheele lengte door een middelschot in tweeën gescheiden. Dit binnenste bekleedsel en deze buizen zou de olifant, gedurende den slaap, tegen het indringen van muizen en andere kleine dieren beveiligen door het voorste uiteinde van de slurf alsdan "in den mond te houden". De oppassers, welke ik dienaangaande ondervroeg, verklaarden mij, zulks nimmer te hebben waargenomen, doch wel, dat de tromp in den slaap wordt opgerold of binnenwaarts omgekruld. Geheel van voren is deze voorzien met een eigenaardig uitsteeksel, dat veeltijds "vingervormig verlengsel" wordt genaamd, en dan ook zoo bij het grijpen als tasten inderdaad de diensten van een vinger verrigt. Aan het tegenovergestelde binnen-uiteinde dezer buizen bevindt zich eene soort van klepvlies, waardoor de toegang tot de inwendige neusholte willekeurig kan worden afgesloten. Aan fijne gevoeligheid paart dit deel eene buitengewone bewegelijkheid. Het bezit dan ook een' zeldzamen rijkdom van zenuwen daartoe dienende[21] en een spiertoestel, die bewonderenswaardig is.

Spiertoestel van de slurf

Spiertoestel van de slurf, volgens perrault.

Tusschen de huid en het deels peesachtig binnenbekleedsel van de slurf zijn duizende langere en kortere spierbundels dooreen geweven. Deze worden, volgens cuvier, in buitenste [ 330 ]overlangsche en binnenste dwarsloopende onderscheiden, waarvan de eersten in eene menigte bogen zijn afgedeeld, wier uiteinden op de binnenbekleeding zijn ingeplant, terwijl de laatsten, van daar overal straalsgewijze tusschen de eerstgenoemde doordringende, zich met hunne pees-uiteinden in de huidbekleeding verliezen. Door de geheel of gedeeltelijk afwisselende zamentrekking en ontspanning van dezen toestel in veelvoudige rigtingen, kan de tromp verkort of ingetrokken, gekromd en gestrekt, naar boven of naar beneden, ter regter- of ter linkerzijde bewogen worden, — in voortdurende onrust en even krachtig als vlug. Regt naar boven en achteren is de beweging het meest beperkt; vandaar dat de gewone verblijfplaats van den cornac op den nek in zooverre veilig is, als deze daar door de tromp niet kan worden bereikt, niettegenstaande hare groote lengte, die op 5 tot 8, en volgens sommigen nog meer(?), voeten wordt geschat. Wat de olifant als speciale diertype is, dat is hij voornamelijk door dezen snuit. Daarin is de geheele eigenaardigheid van zijn wezen als het ware opgelost. Zonder dit werktuig is hij verloren; het verlies er van maakt hem volkomen hulpeloos en staat voor hem gelijk met den hongerdood. Dit ligchaamsdeel is zijne ware "défense". Verbazend is de kracht, die hij daarmede kan uitoefenen, hetgeen reeds mag worden afgeleid uit het gewigt daarvan, dat b.v. bij een' volwassen mannelijken olifant der Indische soort bevonden werd ruim 120 ponden te bedragen. Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat hij gezegd wordt den mensch te kunnen dooddrukken met zijne slurf, of hem tegen een boom, rots of muur te kunnen slingeren of doodslaan, Met een' wel aangebragten slag daarmede kan hij hem, zelfs het paard, de beenen breken, ja, een' sterken tijger nedervellen. Afgerigte olifanten zag men met de slurf gewigten van 150 pd. in de hoogte werpen en weder opvangen. Tennent verhaalt van een Ceyloneschen olifant, die, in een tweegevecht, met zijne tromp een stuk van 2 voeten lengte afbrak van den zwaren slagtand zijns tegenstanders! Maar niet alleen als wapen van aanval of verdediging om te wringen, te trekken en te slaan, of tot het verrigten van velerlei arbeid, die krachtsontwikkeling vereischt, — nog tot verscheidene andere doeleinden weet hij er zich van te bedienen. Bij het tasten [ 331 ]en het rieken, bij het nemen van voedsel en het drinken, bij het ademhalen en het schreeuwen, bewijst zij hem veelvoudige diensten. Bij onderscheidene dezer of andere omstandigheden weet hij haar naar verkiezing als pers- of als zuigpomp te doen werken, zelfs tot het oprapen der kleinste voorwerpen. Al verder bezigt hij haar om er mede te dreigen, zoowel als om er mede te streelen, even als hij, in den getemden staat, ook zeer gevoelig blijkt te zijn voor liefkozingen op dit deel aangebragt.

Maar wordt de slurf ook gebruikt tot het zogen en het zuigen? Men heeft dit beweerd, zoowel voor het moederdier als voor den jongen olifant. Het wijfje zou daarmede de moedermelk uit hare borsten — die, naar men weet, hier niet aan het achterlijf, maar aan de borst zijn geplaatst, optrekken — en dit vocht in de keel van het jong spuiten. Of wel — en dit vermoeden was veel algemeener, daar het zelfs tijdelijk door buffon op aprioristischen grond werd verdedigd — zouden de jongen zelve regtstreeks zuigen met hunne tromp. Beide deze veronderstellingen zijn later, door levaillant en anderen, bewezen als tot de vele dwaalbegrippen over den olifant te moeten worden gebragt. De jonge olifant zuigt evenmin met de tromp, als de jongen van andere zoogdieren dit met de pooten of een pasgeboren kind dit met de handen doet, maar bepaald en op de gewone wijze met den mond. Trouwens was dit feit reeds aan aristoteles bekend, doch men had in diens opgaaf geen vertrouwen gesteld. De oorzaak van de eerstgenoemde dezer dwalingen ligt misschien in de waarneming, dat het wijfje soms onder het zogen, met de slurf de borsten zamendrukt, ten einde het uitvloeijen van het zog in den mond van het jong te bevorderen. De aanleiding tot de tweede onderstelling kan welligt worden gevonden in dezelfde waarneming voor het jong, maar ook in de zeldzame gelegenheid, die althans aan Europesche waarnemers ten deele viel, om dit vraagpunt door eigen aanschouwing tot klaarheid te brengen. Immers zijn, zoover ik weet, alleen in vorige eeuwen te Rome enkele, doch in de latere menageriën van Europa geene jonge olifanten ter wereld gekomen, en ook in de tropische gewesten behoort dit tot de groote uitzonderingen. Deze bestaan echter, en hoe uiterst zelden ook, is het dus niet waar, dat [ 332 ]de olifanten in den gevangen staat zich "nimmer" in levende jongen mogen verheugen. Omtrent deze verrigting in den wilden toestand moet, ik nog opmerken, dat het insgelijks eene verkeerde meening is, alsof iedere wijfjesolifant uitsluitend en alleen haar eigen jong (meer dan één tegelijk worden er haar niet geboren) zogen zou. Bres en vele anderen na hem zagen herhaaldelijk bij in kudden levende olifanten de verschillende wijfjes de zorg van voedster ook voor de jongen van anderen overnemen. Overigens dragen zij — hoezeer in den regel niet meer dan vele andere dieren — groote zorg voor hunne jongen. Livingstone zag, hoe een aangevallen wijfje, blijkbaar, haar jong plaatste aan hare schotvrije zijde en er telkens bij iedere nieuwe wonde, die zij zelve ontving, hare slurf over uitstrekte.

De olifant zelf voedt zich overigens gaarne rijkelijk met voortbrenselen uit het plantenrijk, liefst min of meer saprijke en zetmeel, suiker of gom bevattende deelen; het merg of ook de groenende jonge takjes, toppen en knoppen van vele palmen, boomen en heesters![22], die hij soms, even als de vruchten, één voor één voorzigtig afbreekt of plukt. Bij gebrek wordt ook de schors genomen of zelfs bollen of wortels opgegraven. Kokosnooten, vooral jonge, worden eerst vertreden onder den voetzool en dus van de ruwe bastvezelen ontdaan en dan met de maaltanden gekraakt, met even groot gemak als de aap dit een amandel doet. Behalve in het wild hooge grassoorten, en in dienstbaarheid ook hooi, eet hij gaarne sago, jonge bamboe, suikerriet, rijst, gierst, maïs- en ander graan, alsmede de halmen daarvan, pisangs, boomvruchten, meloenen, in Afrika druiven, overal vijgen, enz. Het nuttigen van de laatsten, alsmede van de bladen der vereerde Ficus religiosa werkt, onder anderen op Ceylon, mede tot het jagen en vangen van den olifant. De priesters namelijk kunnen het schenden van dezen "heiligen" boom niet toelaten en daarenboven maken zij zelve liever gebruik van de olifanten bij hunne "godsdienstige" optogten en ceremoniën.

Even als hij zijn voedsel met de slurf in den mond brengt, zoo [ 333 ]ook drinkt hij met dit deel, doch spuit dan het vocht met een hoorbaar gemurmel, eenigzins dieper in de keel. Aan drinken heeft hij groote behoefte en hij gebruikt groote hoeveelheden water, in den zomer wel tot 30 emmers daags. Een, in vorige jaren te Napels levende, wordt gezegd alsdan soms tot 900 pinten daags te hebben gedronken. Op de hoedanigheid van het drinkwater komt het bij hem minder aan; dat uit poelen of moerassen schijnt hem niet alleen even goed te smaken als rivier- en welwater, maar men leest zelfs, dat hij eenigzins modderig water verkiest, en dit daartoe(?) te voren met zijn snuit omroert. Of geschiedt dit misschien, ten einde de hem anders in de slurf hinderlijke of nadeelige plantendeelen of waterdieren te verwijderen en te verjagen? Haafner althans was van deze meening, die ik met hem deel. Dat hij zooveel water behoeft, is niet alleen om te drinken, maar hij maakt daarvan ook een ruim gebruik tot zijne afwasschingen.

Daartoe is in zijne maag,—die overigens enkelvoudig is en niet

Maag van den Olifant, met hare klepvliezen.

Maag van den Olifant, met hare klepvliezen.

ingerigt op de wijze der herkaauwende dieren, — en aan zijnen slokdarm, een klepvlies- en spiertoestel voorhanden [23], waardoor hij [ 334 ]in staat wordt gesteld het vroeger ingenomen water weder met de slurf op te pompen, tot tijd en wijle als hij het, — bij gebrek aan verschen toevoer, op reizen als anderzins, — tot zijne huidverfrissching behoeft.

Zijne overige buiksingewanden zijn bijzonder groot, onder anderen de lever, die geene galblaas bezit[24], en het darmkanaal, dat bij eene lengte van omstreeks 60 voet, in enkele deelen der dikke darmen, eene doorsnede kan vertoonen van 2 voeten. De ruimte daarvan is dan wijd genoeg, dat een mensch er kan doorkruipen, waarvan de heer Offic. v. gez. schubart, uit eigene ervaring in zijne jeugd kan getuigen, na proefneming daar omtrent op een gedroogd praeparaat, afkomstig van den Indischen olifant uit den Amsterdamschen dierentuin. Het fraaije skelet van dit dier, — welks linker schouderblad de sporen vertoont der geweerkogels, waardoor het is moeten worden gedood, — maakt een der sieraden uit van het museum dier inrigting en ieder bezoeker kan zich ook daaraan overtuigen van de onjuistheid eeniger beweringen aangaande den bouw zijner bewegingsorganen.

Zijne pooten zijn regte kolommen of zuilen, die betrekkelijk digt bij elkaar zijn geplaatst. In het beentoestel zijn de voorste niet langer dan, maar gelijk aan de achtersten; uitwendig schijnt dit niet zoo, doch zulks hangt af van den vorm van den romp. Wel zijn zij iets dikker dan de achtersten, doch weder niet "bijna dubbel van dien omvang", gelijk een der vele "elephantographen" beweert. Zekerder is, dat zij niet éénhoevig, maar veelhoevig zijn, en ook dit behoeft geen twistpunt meer op te leveren, zoo als ten tijde van ray de wilde en anderen. Er bevinden zich werkelijk vijf onbewegelijke teenen aan iederen voet, doch de hoefaardige nagels zijn in dit getal [ 335 ]
Voet van den Olifant.

Voet van den Olifant.

wel steeds aanwezig aan den voorvoet, doch niet altijd aan den achtervoet, die veeltijds bij den Indischen vier, bij den Afrikaanschen slechts drie bezit. Edele individu's der Sumatraansche soort vertoonen nogthans meermalen het volkomen twintigtal nagels. Dat er over deze deelen is getwist, hangt ten deele af van de betrekkelijk late volkomen ontwikkeling der nagels, en dat zij dikwijls meer of minder geïncrusteerd zijn in de eeltachtige huid van den platbollen voetzool. Hoe beter zigtbaar zij zijn, hoe ronder en gladder, van des te edeler "caste" wordt de olifant door de Oosterlingen gehouden.

Dat de olifantspoot geene gewrichten zou hebben, — waardoor het dier, eens gevallen, niet weer zou kunnen opstaan en waardoor het verpligt zou zijn staande te slapen,— is een van de oudste, of, naar de uitdrukking van tennent, van de klassiekste" of "eerwaardigste" dwalingen der oudheid. Tallooze citaten getuigen daarvan, en het "nec in somno jacet" was een geliefkoosd thema der Romeinsche dichters, waaraan een feit ten gronde lag, dat zelfs in het midden der vorige eeuw nog niet voldoende was opgeklaard. De waarheid is, dat zij zeer goed kunnen gaan liggen en ook vrij goed kunnen opstaan, dat zij ook zeer dikwijls, even als andere dieren, op een der zijden zelfs, liggen te slapen. Maar de waarheid is ook, dat zij daarna niet zoo gemakkelijk kunnen opstaan als de meeste andere viervoeters, en dat zij zoo goed gedragen en gesteund worden door hunne kolossale beenen, dat zij gemakkelijker op deze lang kunnen blijven staan. Zij kunnen best gaan liggen, maar willen dikwijls niet, en het is volkomen waar, dat zij ook staande slapen, vooral als zij oud zijn of in gevangenschap stram en stijf zijn geworden. De pas gevangen olifanten vooral slapen, — naar de meest geloofwaardige getuigenissen van oudere en nieuwere dagteekening, — soms 3 à 4 maanden achtereen, — niet dan [ 336 ]staande. Een in de menagerie te Versailles is zelfs 5 jaren aanhoudend op de been gebleven, en vrolik deelt mede, dat ook de te Amsterdam gedoode sedert 14 jaar niet meer had gelegen. Jagers willen ook meermalen wilde olifanten hebben gezien, die, tegen een zwaren boom of eene rots geleund, stonden te slapen, wanneer zij op weg naar hunne wouden, uit vermoeijenis, eenigen tijd aan deze behoefte gehoor gaven. Hiermede staan ook in verband de deels ware verhalen over het vangen dezer dieren, door het inzagen der z.g. "slaapboomen" van den olifant, welke laatste echter veeltijds dien naam niet verdienen, maar meer dien van boomen, waartegen zij zich, in het voorbijgaan, wrijven of met opzet de huid schuren. Tot staving van het groote gemak, waarmede het ligchaam van den olifant op zijne beenen overeind wordt gehouden, haalt overigens tennent het berigt aan van Engelsche jagers, die, de door hen geschoten olifanten zonder eenige beweging ziende blijven, naderbij traden, en bevonden, de een, dat hij in knielende, de ander dat hij zelfs in staande houding was doodgebleven! Hoe vreemd ook, is dit geval, — dat naar ik meen niet eenig is, — niet onmogelijk te achten, eensdeels op grond van het voorafgegane, anderdeels op dien der analogie met menschen door den bliksem plotselijk gedood. Daarvoor is verklaring gevonden in het aannemen eener ongewoon snelle lijkverstijving van den spiertoestel.

In plaats van onbewegelijk in zijne geledingen, in plaats van log en traag, zoo als zijne oppervlakkige beschouwing doet vermoeden, is de olifant integendeel veeleer een bewegelijk dier. Wanneer hij zich stil houdt, dan is hij niet wel of op het punt van kwaadaardig te worden. Als hij gezond en tevreden is, maakt hij allerlei eigenaardige bewegingen. Schommelen, rieken of snuffelen met de tromp; — slaan met den staart; — zwabberen met de ooren (vooral sterk onder het loopen); — heen en weer of op en neder schudden met het hoofd, zelfs wiegelen met het geheele voorlijf; — knikken of buigen van de knieën; — voor en achteruit loopen; enz. Dit laatste geschiedt soms in eenen juist afgemeten rhytmus of cadence, zelfs met bepaalde, dansaardige[25] gracie, zoo als men het onder anderen, kan gaan zien [ 337 ]bij den kleinsten Sumatraanschen olifant te Amsterdam. Hoezeer die beweging hem misschien alleen eigen is in den gevangen staat en wel in eene zeer beperkte ruimte, geldt dit geenszins voor allen, gelijk wel eens is verondersteld. Zoowel livingstone als tennent getuigen beiden, dat zij dezelfde of analoge gewoonten ook vertoonen bij bespieding in den wilden toestand. In stede van stijf te zijn in zijne gewrichten, knielt hij met groot gemak op zijne voorbeenen, zoo als in het oosten dagelijks te zien is bij het maken van hunnen salam of groet, bij het opstijgen van den berijder, het belasten van den olifant als anderzins. Ook de achterbeenen buigt hij zeer goed, doch knielt daarmede op eene eigenaardige wijze, als de mensch, den voetzool achter het ligchaam uitstekende, en daardoor gemakkelijker weder oprijzende dan wanneer de voeten naar voren of onder het lijf waren gebragt. Uitmuntend komen hem deze bewegingen in zijne bergachtige woudstreken te stade.

Met overleg en beleid, minstens die van den muilezel evenarende, klimt hij soms moeijelijke bergpaden en steile hoogten op; zelfs op de hoogste bergen van Ceylon werden zijne sporen aangetroffen. Hij weet die evenzeer met groote behoedzaamheid af te dalen, zelfs bij eene helling van 45° op den beganen grond. Daartoe gaat hij liggen met den buik tegen den bodem, de voorpooten regt vooruitgestoken, terwijl hij zich, op de achterbeenen geknield, kruipende voortbeweegt. In het water beweegt hij zich betrekkelijk zeer vlug, zonder noodig te hebben om "over den bodem daarvan te loopen", zoo als oudtijds wel eens is beweerd, terwijl men hem, om dit doel te bereiken, veeltijds geheel onder den waterspiegel ziet duiken. Alleen van tijd tot tijd ter verkenning zijner rigting de oogen even daarboven uitstekende, is er overigens van den zwemmenden olifant soms niets anders te zien dan de snuit, waardoor hij ademhaalt. Een zijner bewegingen, waarover de reizigers van ouds de minst eensluidende berigten gaven, is zijn gang. Niet tevreden met hem te laten galopperen, zelfs chargeren, als een rennend paard, werd soms zelfs de gelijkenis met de vaart van eenen spoorwagen uitgesproken! De waarheid is, dat de olifant niet galoppeert, dat de sprongen van den galopgang hem niet mogelijk zijn. Daar hij geene sleutelbeenderen en geene uitstekende hielbeenderen of spronggewrichten heeft, zouden de gelidsverbindingen [ 338 ]zijner ledematen niet in staat zijn de springbewegingen en de schokken van zulk eene massa zonder nadeel te wederstaan. Zijn snelste gang bestaat in eene soort van schoffeldraf, dien hij echter zoodanig kan versnellen, dat die gelijk staat met den snelsten loop van een mensch, of met den handgalop van het paard. Een goed doorrennend paard kan hem best ontkomen, een mensch in het open veld niet, vooral omdat deze wel, de olifant niet in zijnen vaart gestuit of belemmerd wordt door kleine terreinverhevenheden of struikgewas. Alleen door zig-zagsgewijze of kringswijze gangen, vooral met behulp van boomen of andere hindernissen, kan de mensch hem ontloopen, daar de olifant niet in staat is zulke snelle wendingen te maken, als deze. In den stap vordert hij, uithoofde van zijne ligchaamslengte‚ tamelijk vlug. Ik vond dien geschat op 5 Eng. mijlen in het uur, en goed doorstappende zou hij dan met gemak dagelijks eenen weg van ruim 15 uren gaans afleggen. Hoezeer de spoed zijner versnelde bewegingen meermâlen met groote overdrijving is voorgesteld, schijnt de onwederstaanbare kracht daarvan, inzonderheid wanneer men eene dravende kudde dezer dieren beschouwt, niet wel te kunnen worden overdreven. Men zegt, dat zij, die het daveren van den grond, daardoor, vooral in de stilte van den nacht, veroorzaakt, nimmer hebben gehoord, zich daarvan geene goede voorstelling kunnen maken, evenmin als van den anderen kant iemand zich verbeelden kan, hoe onmerkbaar zacht en als het ware steelsgewijs ze soms kunnen wegsluipen door het hooge gras. Het eerste rumoer wordt nogthans onbeschrijfelijk genoemd, te meer daar de dreun hunner voetstappen als het ware onophoudelijk wordt versterkt door het knappen der boomtakken en het gekraak der door hen verbrokene of uitgetrokken stammen zelfs van zeer zware boomen.

Is dit laatste geluid wezenlijk? Breekt en ontwortelt de olifant zelfs de sterkste boomen? Deze uitdrukking behoort alweder tot de dichterlijke overdrijvingen in de geschiedenis van dit dier, doch waarvan ook latere reizigers, vooral cumming, zich niet hebben kunnen onthouden. Deze verhaalt, dat, na zulk eenen marsch door het woud, "de digt bij den grond afgebrokene stammen in zoo grooten getale verspreid lagen, dat men er niet meer door kon komen." Pringle stemt echter [ 339 ]dezen toon reeds iets lager en beperkt dit slechts tot de minder groote stammen van sommige Acacia-boomen of Mimosa's, en wel "na het vallen van hevige slagregens, welke den grond hadden doorweekt." Het is vooral tennent, die alle overdrijving ten dezen terugwijst. A priori reeds is deze op te maken uit de omstandigheid, dat de olifant zelf een' grooten tegenzin heeft in het loopen over en tusschen gevelde boomen, en feitelijk is hem gebleken (bij gelegenheid van een olifantsjagt), dat een "boom" (welke soort wordt niet gezegd) van 12 E. duimen in middellijn de geweldigste krachtsinspanning van een' grooten olifant weerstond. Dat zij het vaak, ook bij zwaardere en dikkere boomen, met de slurf beproeven, is zeker; meerdere jagers, die zich op boomen hadden gered, getuigen als uit eenen mond, dat zij dan met alle magt er aan schudden of trekken. Wat echter het meest is waargenomen, komt neder op het ontwortelen of omverstuwen — met behulp van het lijf, den kop en de slagtanden, doch vooral van de tromp — van "jonge" kokos- en sagopalmen of daarmede overeenkomende dunnere boomen. En dan nog, voegt tennent daarbij, kost dit, althans den tammen olifant, in den regel, veel tijd en groote moeite. Uilkens schrijft, dat zij zulks bij de genoemde palmen dikwijls doen om er "de vruchtdragende kruin van te bereiken", en baldaeus geeft zelfs een plaatje, waar hij eene dusdanige "jaarlijksche ruïne van honderden wilde palmeerboomen" plastisch voorstelt. Of dit geheel aan de natuur is ontleend, durf ik evenwel niet beweren, daar men er één dezer olifanten (die <no wiki>[N.B.]</no wiki> allen met groote slagtanden zijn geteekend) op ziet toesnellen in vollen galop!

Bij deze en andere gelegenheden voegt zich nog eene tweede oorzaak van het geraas, dat eene aannaderende kudde eigen is, namelijk dat van hun stemgeluid. Ook dit moet, om gekend te zijn, worden gehoord en is moeijelijk vatbaar voor beschrijving. Zij brengen in hoofdzaak een drievoudig en dit onderling verwikkeld geluid voort door den mond, de lip, den keel en de tromp, met welke laatste zij daarenboven nog een eigenaardig geluid maken, door haar snel en met kracht in de rondte te draaijen. Het verschilt naarmate zij genoegen of onbehagen, woede of vrees, of wel eenige of andere ligchamelijke behoefte willen te kennen geven. Nu eens is het een diep of dof kreunen of [ 340 ]steunen, knorren of brommen, dan weder een meer schel geschreeuw of geblaas met de slurf, dat door livingstone is vergeleken met het fluitje eener locomotief(?), doch veel algemeener met de toonen van eene trompet. Van hier niet alleen de naam van "tromp", maar ook vindt men sprekend daarheen gewezen in oude teekeningen van dit deel, als van voren in den vorm van eenen waldhoorn uitloopende. De olifant zelf wordt gezegd bijzonder aandoenlijk te zijn tegen den indruk van sommige geluiden, vooral van die van vele schreeuwende menschenstemmen. Zijn gehoor is dan ook zeer ontwikkeld en scherp, zelfs wordt het muziekaal genoemd. Zeker is het meermalen waargenomen, dat het geluid van sommige instrumenten, of ook dat van "concerten hun aangeboden", hen bijzonder vermaakte of opwekte[26]. Ook bleek het niet alleen bij de dansoefeningen der gedresseerde olifanten, maar desgelijks bij de Ceylonesche werk-olifanten, die men eenen gelijkmatige inspanning vorderenden arbeid dikwijls veel juister zag verrigten onder het gelijktijdig voorzingen van een of ander matrozenliedje door hunne oppassers. In het wild herkennen zij daardoor den wil der geleiders van de kudde; zelfs uit de verte en na tot diep in de bosschen verspreid te zijn geweest, verzamelen zij zich op niet eens sterke geluiden door dezen voortgebragt.

Hersenen v.d. olifant

Hersenen van den Olifant
a. Reukzenuwkwabben (groot).
b. Gezigtszenuw (betrekkelijk klein).
c. 5de paar (zeer groot voor het gevoel in de snuit).
d. 7de paar (zeer groot voor de beweg. van de snuit).

Daarbij intusschen worden zij niet minder ondersteund door hunne insgelijks fijne reukorganen. Harrison vestigde ten dezen de oplettendheid op de bijzondere grootte van hun reukzenuwtoestel, vooral van de reukzenuwkwabben der hersenen. Op den reuk [ 341 ]af bespeuren zij ligtelijk de nabijheid van den mensch, ten einde zich daartegen te vrijwaren, zouden sommige olifantjagers in de binnenlanden van Afrika de list gebruiken om zich vooraf te besmeren met versche mest van den olifant. Is echter zijn reukvermogen wel zoodanig, dat hij met regt een liefhebber is genoemd van "bloemengeur"? Buffon vermeldt wel is waar deze eigenschap, wanneer hij zegt: "Il aime les fleurs odorantes, il les cueille une à une pour en faire des bouquets et en savourer lodeur"! Daar B, er evenwel op laat volgen: "il les porte à sa bouche et semble (?) les gouter", en er een weinig later nog bijvoegt: dat hij gaarne oranjebloesems eet,—zal deze voorstelling van den olifant als bloemist wel weder tot de dichterlijke opvattingen kunnen worden teruggebragt en eenvoudig in verband staan met zijne smaakorganen. Op de gezegde zintuigen verlaat hij zich veel meer dan op zijn gezigtsvermogen, dat vrij beperkt is. Men kent niet alleen zijn oog als betrekkelijk klein, maar de ontleedkunde heeft ook aangewezen, dat de oogzenuw (zie blz. 264) en de verdere zenuwtoestel voor het zien niet alleen betrekkelijk, maar zelfs absoluut klein zijn. Bovendien is de zijdelingsche plaatsing van het oog en de geringe bewegelijkheid van den hals het vrije zien niet gunstig. Dat hun oog meermalen tranen stort en wel met groote droppels of zelfs in stroomen, is herhaaldelijk waargenomen, zoowel na zware verwondingen als wanneer zij pas gevangen en gebonden zijn. Men wil zelfs hebben gezien, dat een getemde wijfjesolifant den dood van haren mannelijken levensgezel "bitter" heeft beweend!

Het karakter dezer dieren (waarover later meer, bij het "gevaar van den olifant voor den mensch"), is trouwens in het algemeen zeer zachtzinnig. Zij zijn even vrees- en schrikachtig, als voorzigtig en bedaard. Ware dit van eene tegenovergestelde natuur, maakte de olifant misbruik van zijne herculische kracht, "gewis, — zegt tennent, — zoude Ceylon reeds voorlang grootendeels ontvolkt zijn geweest!" Alleen de in eenzaamheid levende olifanten zijn veelal kwaadaardig, en de jongen zijn in den regel tamelijk ondeugend en onhandelbaar. Vriendschap voor den mensch, wanneer hij in dienstbaarheid leeft, is hun in hooge mate eigen; vooral zijn zij zeer aan hunne cornac's of mahout's gehecht, welker minste stembuigingen zij kennen en gehoorzamen. [ 342 ]Hoewel zeer enkele voorbeelden daarvan zijn opgeteekend, gaat die genegenheid evenwel in den regel niet zoo verre, dat zij na het vertrek of den dood van dezen niet meer willen werken of eten. Althans zijn de Ceylonesche werkolifanten vrij spoedig aan de nieuwe, zich meermalen afwisselende oppassers gewoon. Ware vijandschap of antipathie tegen andere dieren, met welke hij het vrije leven in de bosschen deelt, voedt hij van nature en uit zich zelven niet. Zijn traditionele "haat" tegen den rhinoceros, den wilden buffel, het wilde varken, enz. door den eenen schrijver, van plinius tot buffon, den anderen naverteld, bestaat niet. Hij zoekt ze niet en zij zelve gaan hem gaarne uit den weg; alle andere dieren, getuigt anderson, ziet men voor eenen naderenden troep olifanten de wijk nemen. Hij heeft ook voedsel genoeg en behoeft dit geenszins aan anderen te betwisten. Dit kan alleen soms gelden bij gebrek aan voldoende hoeveelheid water om te drinken of te baden, — doch rondom groote poelen en plassen zag men meermalen velen der bovengenoemde grootere en andere kleine dieren in zijne nabijheid zonder schijn van eenige onderlinge beleediging. In den wilden staat vooral boezemen drie wezens hem zoo geene vrees, toch onrust in, t.w. de mensch, en de getrouwe gezellen van dezen, het paard en de hond, doch niet zoo zeer uit vijandige gezindheid, wanneer hij niet aangevallen of gekwetst wordt, dan wel omdat hij in zijne eenzame wildernissen niet gewoon is hen te ontmoeten. Ook de bewegelijkheid, de wildheid, de drukte van den hond zijn hem, die zoo zeer gehecht is aan kalmte en stilte, veeltijds niet goed uitstaanbaar. Van zijne zijde, zegt men wel eens van dit uit den aard zoo vreedzame dier, "kent hij geene andere vijanden dan de vliegen!" Andere hun schrik aanjagende invloeden, als van schreeuwen, flambouwen, vuurwerk, enz., ontvlugten zij in den regel reeds uit de verte, daarbij, volgens barth, nu en dan met de slurf zand in de hoogte blazende. Dit is echter niet alleen een teeken van onrust, maar ook wel van woede, waarin dit dier kan geraken en waarbij hij zich dan ook wel eens met kracht tegen de zijden van het ligchaam slaat, onder het uitstooten zijner dreigende stemgeluiden. Hoezeer toch van "verraderlijkheid" of zelfs van "wraakzucht" bij dit dier niet dan zeldzame voorbeelden worden [ 343 ]ontmoet, — onder welke ik evenwel de waarheid der oude geschiedenis van den nat gespoten "kleedermaker van Bagdad" en tutti quanti geenszins wil ontkennen, — kan hij, ook in den getemden staat, in hevige vlagen van woestheid of razernij geraken. Deze aanvallen kondigen zich gelukkigerwijze, bij den tammen olifant, door onderscheidene afwijkingen in zijne gewoonten aan, maar ook bij allen (?) door het uitvloeijen van een kleverig vocht uit eene hem in het bijzonder eigene onderhuidsche wangklier, gelegen in de slaapstreek, tusschen het oog en het oor, doch waarvan overigens de verrigting nog niet bekend schijnt. In het wild zijn hieraan (en soms, naar men zegt, tevens aan doofheid) vooral de eenzaam zwervende olifanten onderhevig. Aangaande dezen herinneren wij slechts, dat de olifant behoort tot de gezellige dieren, en aldus, in grootere of kleinere kudden, vereenigd leeft. Het aantal individu's die deze zamenstellen kan veel verschillen, daar iedere kudde eene eigene familie daarstelt, zoo als dit meermalen is waargenomen door kleine eigenaardigheden aan al de leden daarvan toekomende en betrekking hebbende op de huidkleur, den vorm van het oor of het oog, den bouw der nagels, enz. Op Ceylon bestaat elke zoodanige oorspronkelijke groep meestal uit niet meer dan 20 tot 30 individu's; op Sumatra zijn die soms veel minder talrijk, veeltijds slechts van 8 tot 10 bij elkaar. Bij het verlaten der oorden nogthans, waar zij geen ruim of genoegzaam voedsel meer kunnen vinden, of ook bij hunne nachtelijke togten uit de wouden of bergen naar de vlakten, vereenigen deze familiën zich dikwijls tot veel grootere troepen, die gaandeweg kunnen aangroeijen tot eene tijdelijke vereeniging van een 100 à 200 stuks, waarvan onder anderen barth en wahlberg in Afrika getuigen waren. Zulke trekkende kudden moeten een zeer indrukwekkenden aanblik opleveren, en algemeen is daarbij de regelmatigheid opgemerkt, waarmede die zijn zamengesteld. Veeltijds gaat een zwaar getande mannelijke olifant, — bij uitzondering ook wel eens een bijzonder groot en krachtig wijfje, — als aanvoerder geheel vooraan, onmiddellijk gevolgd door eenige der sterkste mannelijke of vrouwelijke dieren. Dan volgen de jongen, daarachter gaan de gewone wijfjes, en de trein wordt gesloten door eene achterhoede weder van eenige mannetjes of althans zwaar gewapende wijfjes.

[ 344 ]Geheel anders nu is het gesteld met de eenzame zwervers of bannelingen, waarvan reeds bij herhaling gewag werd gemaakt. Deze op zich zelve levende olifanten of "ronkedoors" (ook "rogue", "goonda", "hora" enz. genaamd) zijn in den waren zin van het woord "verschoppelingen", slagtoffers van de sterk uitgedrukte familie-aristocratie der olifanten. In geene kudde worden zij opgenomen, door allen worden zij afgewezen en met trompslagen weggejaagd. Hun oorsprong wordt geacht drievoudig te zijn: òf het zijn, in een tweegevecht, overwonnen minnaars en dit wel het meest, daar de eenzame olifant veeltijds van het mannelijk geslacht is; — òf het zijn bij jagtgelegenheden afgedwaalde individu's, die hunne eigene kudde niet meer hebben. kunnen terugvinden; — òf het zijn soms getemde vlugtelingen, die insgelijks niet geslaagd zijn in het opsporen van hun eigen geslacht. Tegen deze bannelingen — die trouwens, hierdoor of van zelve, veeltijds van eene zeer booze natuur zijn, — vertoonen zij zich buitengemeen hardvochtig, doch ook in het algemeen behoort meewarigheid jegens natuurgenooten, die niet van hun eigen stam zijn, niet tot hunne grootste deugden. Bij groote jagten had men meermalen gelegenheid dit verschil op te merken. De pas gevangen en gebonden olifanten worden dan door hunne nog niet geboeide makkers dikwijls op eene teedere wijze getroost door zacht streelende bewegingen met den snuit; de tamme olifanten daarentegen, die gebezigd werden om hen te helpen vangen en verder in bedwang te houden, verrigten dit werk met de uiterste onverschilligheid en (immers wanneer zulks hun niet door de cornac's wordt bevolen) zonder eenig spoor van mededoogen met hunne vaak in wanhoop nederliggende slagtoffers. Dit is wel bevreemdend, daar zij overigens zoo zacht van aard zijn en in den getemden staat, vooral jegens den mensch, — in zoo verre die hen met goedheid bejegent, — zoo bijzonder trouwhartig. Reeds van ouds werden daarvan, — even als van hunne groote dankbaarheid, — onderscheidene ware geschiedenissen medegedeeld, die bekend genoeg zijn. Onbekend echter was mij, — doch ik durf het niet geheel als zeker aannemen, — wat chomel dienaangaande heeft opgeteekend. Hij verhaalt, dat men ze niet alleen meermalen kan zien spelen met de kinderen hunner oppassers, maar dat [ 345 ]deze laatsten ze soms, bij hunne zuigelingen, de dienst toevertrouwen van "baboe" of kindermeid, en hen daarbij de wacht laten houden, terwijl men wil hebben gezien, dat zij met de slurf de vliegen van de slapende kleinen verjagen!

Trouwens zij zijn tot zoodanige dienstverrigtingen omzigtig genoeg; althans hunne groote voorzigtigheid mogt liever ten spreekwoord zijn geworden dan die der slangen, omtrent welke men voor deze eigenschap weinige of geene bewijzen heeft. Ik laat daar de bijzonderheden van eenige meer gewone opgaven, deels goed geconstateerd, deels nog eenigzins twijfelachtig, deels eenvoudig af te leiden uit vroegere ervaring van ongelukken bij hen zelven of hunne makkers. In het voorbijgaan herinner ik, onder dezen, aan hunne zorgvuldigheid bij het bestijgen van bergpaden of bij het gaan over kleine wegen tusschen de rijstvelden; — aan het zoogenaamde peilen of sonderen van den grond, op onbekend terrein of in die landen, waar men tracht hen in wolfskuilen te vangen; — aan het beproeven der stevigheid van vlotten, vaartuigen of vooral van bruggen met één der voorpooten, vooral wanneer zij bijzonder zwaar beladen zijn; — het tijdelijk verwisselen van hun verblijf onder de hooge boomen van het woud tegen dat in het open veld, bij het uitbarsten van een hevig onweder enzv. Welligt is echter deze laatste waarneming meer in verband te brengen met hunne begeerte naar den verfrisschenden regen, die daarop volgt, dan wel als een voorzigtigheidsmaatregel te beschouwen. Meer bepaald echter vestig ik de opmerkzaamheid op eene hoogst belangrijke en even leerzaam als natuurlijk geschetste mededeeling over deze eigenschap door tennent. Hij ontleende die aan het avontuur van een zijner vrienden, den majoor skinner, belast met het opnemen en aanleggen van wegen in het binnenland van Ceylon.

In de nabijheid van een zijner kampementen, op de grens van een donker oorspronkelijk woud, bevond zich een door het drooge jaargetijde half uitgedroogd moeras, het eenige wat op vele mijlen in den omtrek te vinden was. In den omringenden bodem waren duidelijk versche olifantssporen waar te nemen, doch verschrikt door de luidruchtige werkzaamheden der koelie's hadden de olifanten zich op den dag volkomen schuil gehouden. Den majoor bekroop de lust, om hen in den nacht te bespieden [ 346 ]en hij vertrouwde daartoe op hunne behoefte aan water. Bovendien bood zich tot dit doel eene gunstige gelegenheid als van zelve aan in de aanwezigheid van eenen even hoogen, als zwaren boom, die schuins over het moeras uitstak, Hij koos daarin des avonds eene veilige plaats, na in zijn kamp alle lichten en wachtvuren te hebben doen uitblusschen. Na twee uren te vergeefs op den uitkijk te hebben gezeten, zonder iets te vernemen, — vertoonde zich in het opkomend maanlicht, op den afstand van omstreeks 300 ellen, een zeer groote olifant aan den rand van het bosch. Uiterst langzaam naderde hij tot op ongeveer 100 el van de poel, en hield daar onbewegelijk stand. Uit het woud zelf deed zich ook geen het minste gedruisch vernemen. Nadat deze kolossale veldverkenner eenige minuten had getoefd, vorderde hij telkens eenige ellen, op gelijke wijze driemalen halt houdende. Hij was nu beter te zien, stilstaande als een muur, en met de ooren zoo veel mogelijk voorwaarts gestoken. Eindelijk marcheerde hij door tot aan den kant van het water. Zijne voorpooten daarin zettende bleef hij in die houding weder eenige minuten onbewegelijk rondzien. Zonder eerst zijn eigen dorst te lesschen, keerde de waakzame bespieder, even behoedzaam als hij gekomen was, terug naar den uitgang van het bosch. Het duurde niet lang of daar voegden zich vijf andere, mede groote olifanten bij hem, met welken hij, even als de vorige maal alleen, langzaam vooruitging tot op weinige schreden van het moeras. Daar stelden deze zich op eenigen afstand van elkander op post, terwijl de aanvoerder nogmaals terugging naar het bosch, waar zich nu eene kudde van 80 of 100 stuks in stilte achter hem schaarde. Niet minder bedaard en langzaam als te voren geleidde hij deze tot aan de plaats waar de uitgezette voorposten stonden. Daar hield de geheele kolonne halt, terwijl de chef voor de tweede maal den oever van de plas ging recognosceren. Thans voor goed overtuigd zijnde, dat er geen onraad was, scheen hij, door een of ander signaal, — dat den majoor zelven echter was ontgaan, — order te hebben gegeven tot een' algemeenen aanval. Als op een oogenblik toch snelde de geheele kudde onbekommerd vooruit en stortte zich in het water, — nu met eene even groote mate van vrolijkheid en vertrouwen, als zij te voren stilte en behoedzaamheid had getoond. Eindelijk [ 347 ]en niet vóór dat alles te water was, begaf zich ook de leider zelf daarin, en vergastte zich onze berigtgever nu, tot loon voor zijn geduld, in een onbeschrijfelijk schouwspel van gewemel, en een ongehoord gewoel beneden hem in het moeras, dat zij wel half ledig dronken of deden wegspatten door het spuiten met hunne slurf, door hun gedartel en hun geplas. Toen hun geheime bespieder er genoeg van had gezien, maakte hij opzettelijk eenig onverwacht geluid, door het afbreken van eenen dooden tak in zijne nabijheid, en als bij een algemeen "sauve qui peut", vloden allen op eens weg, in dezelfde rigting als zij gekomen waren, doch nu ieder voor zich en zonder verdere voorzorgen, dan alleen dat eenige jongen door de ouden werden medegesleept.

(Wordt vervolgd.)
[ 353 ]
 

STUDIËN OVER DEN OLIFANT;

DOOR

A. W. M. van HASSELT.

(vervolg en slot van bladz. 347.)

 

 

Bij het overwegen der laatst besproken eigenschappen van den olifant is het geen wonder, dat vele enthusiasten zich van ouds geene te geringe voorstelling hebben gemaakt van zijne intellectuële vermogens, ja, hem een "wonder van "vernuft" hebben genoemd. Zijne schranderheid zou, volgens hen, niet alleen die van alle andere dieren te boven gaan, maar die gezamenlijk in zich vereenigen. Hij zou zelfs de eenige zijn onder de dieren, die tot den mensch nadert door eenig gevoel voor "godsdienst" — eene poëtische afleiding uit hunne eigenaardige ("biddende") bewegingen met den snuit, en uit hunne nachtelijke optogten, gelijk gesteld met die der volgelingen van boudha of brama! Uit hoofde van deze hunne togten in den avond of in den nacht, zijn zij wel eens als "maan-aanbidders" begroet. Ook werd tot het "groot verstand" van den olifant door anderen besloten op grond van de grootte van zijn hoofd, vooral de hoogte van zijn voorhoofd, alsmede van het gewigt zijner hersenen, dat grooter is dan dat van eenig ander landdier, zelfs van den mensch, en van de talrijkheid zijner hersenkronkels. De laatste nogthans zijn wel menigvuldig, doch weinig ontwikkeld en smal. Zijne schedelbeenderen zijn, dit is waar van eenen buitengewonen omvang, doch gedeeltelijk hol, en zijne hersen-holte is, bij vergelijking, volstrekt niet bijzonder groot (zie bladz. 323). En wat hier het voornaamste is, het gewigt van zijne hersenmassa is wel absoluut groot, doch bij vergelijking, [ 354 ]d.i. in betrekking tot de geheele ligchaams-massa, geenszins ongewoon. Volgens benaderende opgaven toch is de verhouding van zijn hersen-gewigt tot dat van zijn ligchaam niet meer dan van 1: 500. Deze is nu wel is waar gunstiger dan bij het rund, waar dezelfde verhouding staat als 1: 800, doch van den anderen kant stelt zij hem slechts gelijk met die bij het varken, en wordt zij overtroffen door die bij het paard (1: 400) en bij het schaap (1: 300), ja, zelfs door die bij den ezel (1: 250); terwijl zij in dit opzigt met die bij den mensch (1: 50 à 60) volstrekt in geene vergelijking kan komen.

Men heeft wijders aangevoerd: dat de olifanten, — hetgeen ook waar is, — zeer opmerkzaam zijn, ja, dat zij zelfs begrip schijnen te hebben van de natuurkunde, b.v. van de "specifieke zwaarte der ligchamen." Zoo b.v. zouden zij bij het doorwaden van poelen en plassen hunne jongen "alleen" laten gaan, omdat als zij zich zelven gelijktijdig te water begaven, de waterspiegel voor dezen te hoog rijzen zou! Maar is dit wel een feit? En zou die voorzorg wel noodig zijn? De jonge olifant zwemt immers zeer goed, en voor zoo verre die hulp behoeft, wordt hij door de moeder voortgeholpen met den snuit. Even zoo vindt men opgemerkt, dat zij ook het letterkundig talent zouden bezitten van "vrij gemakkelijk vreemde talen te verstaan," b.v. die van hunne zich soms uit Hindostan, Barbarije, Italië, Frankrijk en andere landen opgevolgd hebbende geleiders! Is dit niet weder eene even overdreven opvatting als de vorige? Hier echter ligt een feit ten grondslag, doch dit wordt verklaard door het gemak, waarmede zij zich inderdaad door de menschelijke stem-buiging laten regeren, in welke taal die ook wordt voortgebragt. Overigens deelt ook de hond, zelfs het paard, deze eigenschap met hen, Dat zij elkander op geheimzinnige wijze "waarschuwen" bij naderend gevaar, — dat zij onbeschrijfelijk goed en onbegrijpelijk stil kunnen "wegschuilen", — dat zij, eens gevangen geweest zijnde, later zich niet zoo ligt weer laten "verschalken", — dat zij zich zelfs uitmuntend "dood" kunnen houden[27], enz., — dit een [ 355 ]en ander, hoe vast ook bevestigd, kan niet als even zoo vele blijken van buitengewoon dieren-verstand in rekening worden gebragt. Immers vele dieren, en wat de laatste waarneming betreft, zelfs de minder aanzienlijken, zoo als het stekelvarken, vele torren en spinnen, doen dit evenzoo. Velen zijn ook veel moeijelijker te verschalken of te schieten dan zij, en sommigen weten zich, eens gevangen, veel beter te bevrijden. Het is b.v. juist geen bijzonder bewijs van groote schranderheid, wanneer men leest, dat, bij groote jagten, gebonden olifanten in den regel niet in het minst worden geholpen door hunne nog vrije makkers in het losmaken of verbreken hunner boeijen. De waarheid is dan ook, dat de olifant, in zijn volmaakt wilden staat, veeleer eenvoudig van natuur schijnt dan slim. Hij behoeft dit ook niet te zijn, althans niet in zijne wildernisssen; hij behoeft geene vijandige dieren te vreezen; hij heeft zich geene moeite te geven tot het vervaardigen van holen of nesten, daar hij die niet bewoont; listen, om zich voedsel te verschaffen, zijn voor hem geen vereischte, daar dit hem rijkelijk en als van zelf ten dienste staat. Maar, vraagt men, wat kan hem dan den aanstoot geven tot zoodanige uitingen van voorzigtigheid, als waarvan zoo even ter loops gewag werd gemaakt en een weinig vroeger (blz, 345) een zoo sprekend voorbeeld werd aangehaald? Eensdeels zoeke men dit in zijnen betrekkelijk langen levensduur, die hem in staat stelt eene rijpere ervaring op te doen dan vele andere dieren. Anderdeels en wel grootelijks is het een uitvloeisel van zijne ongezochte aanraking met den mensch, die hem overal in zijne eenzaamheid is komen verstoren, of wel van vrees voor dezen zijnen grootsten vijand. Even zoo is het deze, die zijnen aanleg, zijne leerzaamheid, in den getemden staat, weet te ontwikkelen. Veel wat men "zijne schranderheid" heeft [ 356 ]genoemd, kan op rekening worden gesteld van afrigting door den mensch. En hierin, in zijne leerzaamheid, wordt hij door geen ander dier, zelfs niet door den hond overtroffen. Immers hij heeft dit buitengewoons, dat hij eene inderdaad bewonderenswaardige mate van toepassing van het eens geleerde kan verkrijgen. Het schijnt zelfs, zegt tennent, dat hij dikwijls het "doel" begrijpt van den arbeid, dien men van hem begeert, en dat hij soms "uit eigen beweging" en zonder vooraf verkregen wenken handelt. Vele schrijvers brengen daarvoor een tal van bewijzen bij. Ik behoef onder dezen voorzeker slechts in het voorbijgaan te herinneren aan het reeds algemeen bekende voorbeeld van den Bengaalschen oorlogs-olifant, — die de zware raderen opligtte van een artillerie-voertuig of affuit, die, zonder deze voorzorg, eenen gestruikelden kanonnier zouden hebben overreden. Niet minder eenparig is het getuigenis over de bekwaamheden van de werk-olifanten, en vele ooggetuigen stonden verbaasd over de "mathematische" juistheid van hunnen arbeid, welke die der inlandsche werklieden soms overtreft (?), en over de bedaardheid en het overleg, waarmede zij begaafd zijn. Een viertal minder algemeen bekende voorbeelden moge deze eigenschappen nader toelichten:

Zoo berigt leon de wailly, van twee Ceylonesche gouvernementswerk-olifanten, die bij den constructiewinkel in de nabijheid van Colombo bezig waren met het opstapelen van zwaar timmerhout. "Ce que j'en ai vu, — getuigt deze reiziger van den nieuweren tijd over hen, — a changé mon étonnement en une sorte de respect et d'admiration." Niet alleen toch viel hem daarbij hunne gepaste zamenwerking tot één doel in het oog, maar ook de wijze, waarop zij zich het werk verligtten. Toen namelijk de stapel hun wat hoog werd, plaatsten zij twee der langste balken daartegen in eene schuinsche rigting, en stuwden nu met vereenigde krachten de nog overige blokken langs dit hellende vlak naar boven! "Ce ne fut pas la partie la moins amusante de la scène, — voegt d.w. er bij, — que l'examen soigneux qui fut fait de la pile par un de ces éléphants, à chaque bloc qui était posé, pour's'assurer sil était bien de niveau avec le reste!'

[ 357 ]Men kon tegenwerpen: "misschien was hun dit vroeger voorgedaan", en uit dien hoofde is misschien het tweede voorbeeld, van tennent zelven, nog sprekender. Een werk-olifant was alleen in het bosch bezig met eenen ruwen, pas gevelden boomstam op zijne slagtanden te vervoeren naar het arsenaal. Dit had plaats langs een smal pad, zoodat hij telkens, met zijnen in de dwarste geplaatsten last, nu aan de eene dan aan de andere zijde door de takken en struiken belemmerd werd. Nu draaide hij den kop schuins ter zijde, zoodat de boom min of meer in de lengte-rigting van het pad kwam, en arbeidde aldus, hoezeer met moeite, voort. Op dit pad ontmoette t. hem op een rijtoertje. Zijn paard stond eensklaps verschrikt stil. De olifant legde zijnen last neder en plaatste zich een weinig ter zijde. Het paard durfde echter niet voorbij te gaan. De olifant drong zich thans achterwaarts tusschen de struiken om ruimer plaats te maken. Nog aarzelde het paard, waarop de olifant, als met een blijk van ongeduld, zich nog dieper terug trok, om het pad geheel vrij te laten. Voorbij gereden zijnde, zag hij het vlijtige dier onmiddellijk zijne zware taak weder vervolgen. (In het voorbij gaan zij echter aangemerkt, dat deze "vlijt" wel eene uitzondering mag heeten. In den regel toch is ook de werk-olifant geen voorstander van den "vrijen arbeid". Meestal scheidt hij, zoodra de geleider zich maar even verwijderd heeft, terstond uit, en gaat zich schommelen, met water spuiten, met zand blazen of wel fourageren in de nabijheid).

Eene derde waarneming is afkomstig van een' Ceyloneschen planter. Deze werd overvallen door een' zwervenden olifant. Hij vlugtte in een zwaren boom. Na vruchtelooze pogingen om een dikken tak daarvan te bereiken, ging het dier weg en kwam opvolgend aandragen met 20 à 30 stuks ruw timmerhout, dat in de nabijheid lag. Hij stapelde dit vrij regelmatig op aan den voet van den boom en beproefde toen, daar op staande, nog eens, doch gelukkig weder te vergeefs, zijn doel meer te naderen. Was deze gevaarlijke en slimme zwerver welligt een weggeloopen werk-olifant? Daarover wordt echter niets medegedeeld.

Mijne vierde waarneming ontleen ik aan henri de marcenij. Op eene tijgerjagt, door hem in Britsch-Indië bijgewoond, zakte onvoorziens [ 358 ]één der drijf-olifanten, — tegen den zin van het dier, door zijnen geleider onverstandig aangespoord, — in een moeras. Het voorzigtige dier verroerde zich niet, als overtuigd, dat elke beweging het slechts te dieper zou doen zinken, maar liet zich zoo zacht mogelijk op zijde zakken. Er werd een aantal zware takkebossen voor hem geworpen en een touw midden onder zijn lijf gebragt. De uiteinden daarvan werden aan den tromp van een der sterkste olifanten aangeboden. Tot aller verbazing weigerde dit anders werkzame en gewillige dier en liet het hem toegereikt touw bij herhaling vallen. Door speerbedreigingen tot gehoorzaamheid gedwongen, vatte hij ten slotte de touwen aan, doch trok die te gelijk, met een enkelen ruk van den kop, ongeduldig in stukken. Hij scheen te kennen te willen geven, dat die zóó niet sterk genoeg waren tot het doel. Althans nadat eene andere lijn, nu verdriedubbeld, op gelijke wijze was aangebragt, trok hij gretig en uit al zijne magt, terwijl de ingezakte olifant thans zijne voorpooten, met eene geweldige inspanning, op de rijsbossen plaatste, en weldra met behulp van zijnen wakkeren makker bevrijd werd.

Zijn echter alle olifanten van dezen stempel? Behalve groote individuële verscheidenheden, nemen vele natuuronderzoekers aan, dat ook de eene soort de andere in intellectuëlen aanleg verre te boven gaat. Vrij algemeen wordt als zoodanig de Sumatraansche soort, als het gemakkelijkst tembaar en het best te dresseren, op den hoogsten trap geplaatst, de Afrikaansche op den laagsten, terwijl de oud-Indische daar tusschen het midden zou houden. Ofschoon deze vergelijking niet geheel van grond is ontbloot, moet zij toch ook niet te absoluut worden aangenomen, althans in zoo verre deze ontleend is aan hunnen verschillenden graad van dressuur. Deze toch is niet alleen een uitvloeisel van hunne eigene vatbaarheid, maar tevens van de bekwaamheid hunner onderwijzers. Immers hoe bevattelijk ook, zal geene soort zich zoodanig uit zich zelve ontwikkelen, wanneer zij, die haar willen afrigten, niet zelve verstandig genoeg zijn. Men zou de zaak dan ook kunnen omkeeren en de aangegeven ontwikkelingstrappen verklaren uit hunne betere of slechtere opvoedingswijze. De Ceylonezen schijnen daarvan van oudsher bijzonder [ 359 ]goed den slag te hebben gehad, de Indische volkeren iets minder, en de tegenwoordige Aethiopiërs het allerminst. Dat althans hunne dressuur niet alleen aan den olifant ligt, maar ook aan zijne meesters, is gemakkelijk genoeg te bewijzen uit de geschiedenis der Afrikaansche soort. In onzen tijd toch heet deze slechts weinig intelligent en moeijelijk of niet te temmen, doch juist zij was het, die in vorige eeuwen zoowel de oorlogs-olifanten der Karthagers heeft opgeleverd, als de kunst-olifanten der Romeinen, wier "tours d'adresse" destijds de wereld verbaasden. Zij die hen hadden afgerigt behoorden toen ter tijde tot volken, die aan de spits stonden der beschaving; althans op stoffelijk en zinnelijk gebied. Dit element behoort hier dus wezenlijk in de vergelijking te worden opgenomen, tenzij men welligt mogt kunnen bewijzen, dat de destijds levende Afrikaansche olifant aan eene andere Noordelijke soort heeft toebehoord. Dat voor het overige de te Rome koorddansende of voor triomf-karren gespannen olifanten werkelijk Afrikaansche zijn geweest, daarvoor heeft vroeger armandi en later de Engelsche admiraal smyth (aangehaald door livingstone) een nieuw bewijs bijgebragt. Op teekeningen, medailles of penningen, aldaar in den jare 197 v. Chr. vervaardigd, kan men hen zeer goed als zoodanig herkennen aan hunne groote ooren en het bolle voorhoofd.

Hoe weinig overigens ook voor den dans gebouwd, kan men hen dien ook in onzen tijd zien uitvoeren. Yule was daarvan voor eenige jaren in Achter-Indië ooggetuige. Hij zegt echter, hunne dansen beteekenden dáár niet veel; het was meer eene soort van huppelen, door het beurtelings optillen en min of meer zijdelings uitslaan der pooten. Veel beter geoefend zijn de gedresseerde olifanten, die men tegenwoordig kan gaan zien en die sedert een tiental jaren in het Cirque Napoléon, van dejean te Parijs, vertoond worden. In verscheidene dansen en kunsten geoefend, worden deze ware "saltim-banques" genoemd. Van ouds reeds was het gebleken, dat men met hen zeer ver kan gaan in het afrigten; niet alleen wordt dit voor de gezegde ligchaamsbewegingen vermeld, maar aan het hof van China zou men zelfs in het bezit zijn geweest van een' zingenden olifant!? Deze kon niet alleen, op kommando, "briesschen als een paard, loeijen [ 360 ]als een stier, brullen als een leeuw", maar zelfs "zingen als een vogel"! Hoe onwaarschijnlijk deze vergelijkingen, vooral de laatst genoemde, ook mogen klinken, is dit verhaal niet geheel onmogelijk. Hun stemgeluid is inderdaad vatbaar voor vele wijzigingen (zie bladz. 339); en ik meen bij tennent ook te hebben gevonden, dat zij met de onderlip eigenaardig zachte geluiden kunnen maken, die ook door hem, als oor-getuige, vergeleken worden met het "snateren van vogels".

Hunne afrigting tot werk-olifanten, door sommigen wel eens zeer bezwaarlijk genoemd, is dit weinig of niet. Op Ceylon kost die wel veel beleid en groot geduld, doch betrekkelijk geringe moeite en weinig tijd. Het slaan met de slurf, — dat zij in den beginne onophoudelijk doen — leert men hen gemakkelijk af door het opvangen der slagen op de punten der pieken, waarmede de geleiders gewapend zijn. De pijnlijke wonden, die zij zich zelven daarbij telkenmale toebrengen, schrikken hen spoedig genoeg af. Opgelijke wijze leert men hem gaan in eene bepaalde rigting, door zijn snuit, ooren en pooten, — behalve aan de begeerde zijde, — van alle kanten met speerpunten te bedreigen. In den aanvang gaat hij niet uit dan met gekoppelde pooten, doch voornamelijk wordt daarbij de hulp der tamme olifanten ingeroepen. De koorden, waarmede zijn hals als met een stevigen driedubbelen "collier", is omgeven, worden dan mede geslagen om die van twee getemde, tusschen welke hij overigens onophoudelijk geplaatst is, zoowel in den stal, als bij het voeren en baden. Van lieverlede worden deze middelen van bedwang verminderd, en in den regel zijn, vooral de grootsten, omstreeks in ééne maand reeds grootendeels getemd, gaan na twee maanden uit, alleen met een' cornac, en kunnen reeds na drie tot vier maanden, aan het werk worden gezet. Het is echter niet alleen op Ceylon, dat zij bij de constructiewinkels der civiele Engelsche ingenieurs dienst doen, ook op het vaste land van Indië zijn er zelfs vele en blijvende gedenkteekenen van hunne arbeidzaamheid te vinden. Vele dier prachtige moskeën aldaar, — van welke onder anderen één in het rijk van Delhi uit 480 kolommen van gehouwen steen, ieder van 7 vademen lengte, is opgebouwd, — zouden zonder hunne medewerking waarschijnlijk nimmer tot stand zijn [ 361 ]gebragt. De steenen daartoe werden mijlen ver door hen uit het gebergte aangevoerd. Voor dergelijke transporten, ook van houtblokken of andere zware vrachten, worden zij veelvuldig gebezigd. Insgelijks bij het laden en ontladen van schepen, bij het maken van wegen, het slaan van bruggen, het overtrekken van rivieren (met groote lasten op den rug, terwijl de geleiders zich soms aan de ooren en den staart vasthouden), het vervoer van koopwaren of van reizende personen, in draagbedden of min of meer fraaije palanquins, waarvan zich vooral de Oostersche vorsten bedienen; enz.

Doen zij echter ook wel eens dienst als houthakkers? werpen zij de boomen neer, die moeten dienen voor timmerhout? Uit hetgeen reeds werd medegedeeld over het ontwortelen van dezen (zie bladz. 338) zal wel voldoende zijn gebleken, dat zij daartoe niet deugen. Insgelijks zal leunis zich wel vergist hebben, wanneer hij hen de rijstvelden en plantaadjes laat bewerken!! Dáár zijn zij niet veel te vertrouwen. Misschien heeft hij dit verward met de opgaaf, dat men hen somtijds gebruikt om klei te trappen. Dit is waar; zij doen zulks ten dienste der steenbakkerijen op Ceylon.

Ofschoon zij bij uitzondering ingespannen worden bij wijze van trekdieren, zijn zij veel beter geschikt als lastdieren. Hunne trekkracht is door vroegere schrijvers overdreven, waar die aan 5 of 6 paardenkrachten gelijk wordt gesteld; althans tennent beweert, dat 2 sterke paarden, als zoodanig en op den duur beter voldoen dan één olifant. Buitengemeen groot is daarentegen hunne draag-kracht, die, voor de slagtanden, met den tromp,op 1 à 2000 ponden, voor den rug zelfs op 3000 pond en nog hooger wordt berekend. Desalniettemin zullen zij weldra meer tot de weelde-dieren dan als werk-dieren worden aangehouden. Bij het meer en meer voorhanden zijn van groote wegen en kanalen zijn paarden en ossen daartoe om meerdere redenen verkieselijk. De olifant toch kan zeer slecht werken in de zon, wordt dikwijls juist daardoor ziek of ongesteld, ook staat zijne huid ligt bloot aan ontvellingen (het z.g. "gedrukt" of doorgereden zijn). Bij zware bevrachting is hij te nadeelig voor de wegen en vooral voor de houten bruggen; ook maakt hij het gelijktijdig gebruik van paarden bezwaarlijk, daar deze zeer bang voor hem zijn. Voornamelijk evenwel [ 362 ]zijn het de hooge kosten van zijn levensonderhoud en zijne bewaking en verzorging — (door een drietal personen), — die hier in aanmerking komen. Daar hij gemiddeld gezegd wordt dagelijks 200 pond groen voer of hooi en ½ schepel rijst, of eenig ander graan, te behoeven, kost hij, naar sommige berekeningen, in de Oostersche landen f 700 à f 900 jaars aan onderhoud. Van daar heeft de Engelsche Oost-Indische Compagnie, op Ceylon, tegenwoordig — niet zoo als men nog leest, — "maar een 200tal meer in dienst", maar is de olifant-stapel der administratie van de groote wegen aldaar, volgens tennent, in de laatste jaren tot verre daar beneden, zelfs tot de 30 stuks verminderd!

In Hindostan nogthans zijn zij op den duur zeer veel in gebruik en bij allerlei gelegenheden tegenwoordig. Behalve dat zij onmisbaar zijn bij het vangen van hunne eigen natuurgenooten, doen zij ook op andere jagten groote diensten. Onder anderen beschrijft de marcenij, hoe zij, bij gelegenheid van eene tijgerjagt, vooruit werden gezonden, als het ware in eene tirailleur-linie uitgezwermd. In de nabijheid van den meer en meer ingesloten tijger gekomen, hoorde men, vóór nog iemand der jagers dien ontdekt had, hen allen te gelijker tijd alarmkreten maken als tot waarschuwing. Tevens zag men, hoe zij allen hunne trompen ontrolden en omhoog staken, ten teeken zoowel van voorzigtigheid en zorg voor dit deel, als van toerusting tot den strijd, en als een even zeker signaal voor den jager, als bij ons het "staan" van den hond voor het wild. Daarna zich meer en meer in gesloten linie scharende, gingen zij er in versnelden draf op af; inderdaad, voegt de schrijver er bij, eene ware charge van zware kavallerie opleverende. Bij alle plegtigheden, zoo wereldlijke optogten als kerkelijke ommegangen, in grooten getale aanwezig, vormen de staatsie-olifanten, in vele Indische landen, op kostbare wijze getooid (vergelijk bladz. 277), eene hoofdvoorwaarde voor den luister van het feest. Niet alleen zijn de pagoden versierd met de grootst mogelijke slagtanden, maar deze bezitten ook eigene olifanten, van de fraaiste en edelste soort, aan de tempeldienst verbonden. Hunne priesters voeren ze, onder anderen op Ceylon, mede bij de nachtelijke, heilige processiën met de reliquiën van boudha. Vele monumenten [ 363 ]der Hindoe's en vele afgodsbeelden der Heidenen getuigen voor de hooge vereering van dit dier. Het beeld van één der laatsten, dat van "quenavady", draagt zelfs het hoofd van eenen olifant!

Quenavapy. Afgodsbeeld der Hindoes.

Quenavapy. Afgodsbeeld der Hindoes.

Onder het hier minder passende opschrift "Benützung", maken enkele schrijvers melding van hun gebruik "tot het ter dood brengen van veroordeelden", zoo als dit in Siam en elders, ook nu nog (?), zou geschieden. Wel leest men, dat zij dit ambt, van scherpregter, niet dan met tegenzin vervulden, doch anderen betwijfelen zulks. Het bestond overigens in het vertreden met de voorpooten van of het knielen met de achterpooten op de slagtoffers, en soms het één voor één afrukken hunner ledematen met den snuit. Soms ook werden de misdadigers geboeid, aan de olifants-pooten geketend en in draf [ 364 ]medegesleept, tot afschrik voor het volk. Dit werd, ten hunnen koste, in de Romeinsche amphiteaters, soms ook "vergast"', op hunne gevechten tegen gevangenen of slaven. Op Ceylon liet men ze vroeger, meer tot vermaak der vorsten of rijksgrooten, onderling slag leveren. Bij uilkens ziet men een dergelijk olifanten-gevecht afgebeeld, dat in den tijd onzer voormalige O.-Indische compagnie werd bijgewoond, als agent van deze, door den heer c. de kock, die twaalf jaren op dit eiland had doorgebragt. Het geschiedde des nachts, bij maneschijn, in een goed omheind plein, te Kandy. De beide partijen waren vooraf sterk gevoed en werden aangevoerd door mannetjes. Deze vochtten dan ook het meest, zoo door stooten met de slagtanden of meer met den kop, als vooral door omslingering hunner slurven worstelende. Hoezeer van nature niet strijdzuchtig, werden zij soms daartoe aangevuurd door het ingeven van sterke dranken, waarop zij niet weinig belust zijn.

Inzonderheid nam men dit hulpmiddel te baat bij de oorlogs-olifanten van den ouden tijd. De Indiërs lieten hen onvermengden wijn drinken, gekruid met wierook of andere specerijen; ook leest men, dat men hun moerbeziën- of druivensap liet zien om hen bloedgierig te maken (?). Een aantal Romeinsche en Joodsche geschiedschrijvers (verg. bladz. 260) hebben uitvoerige berigten nagelaten omtrent de krijgsolifanten der ouden; ook armandi, wiens werk ik evenwel niet heb kunnen raadplegen, moet daarvan het voornaamste in zijne Histoire militaire des éléphants hebben bijeengebragt. Het is overdreven, dat de Groote Mogollen, die ze in oorlogstijd soms zelve bereden en er in vredestijd steeds eenigen bij hun paleis op wacht lieten trekken, er tot 10,000 van hebben bezeten of er eens, achter den Ganges, 6000 te velde gebragt. Mogelijker is, dat kosroe, Sultan van Mansoura, een aantal van 900 strijdbare olifanten ter zijner beschikking heeft gehad. Zeker is het, dat deze en andere Indische vorsten er soms van 50 tot 200 (zelfs 3 à 400?) in hunne onderlinge of andere oorlogen hebben medegevoerd; althans in sommige veldslagen werden er meer dan eens 30 à 40 stuks gedood of gevangen genomen. De Egyptenaren en de Perzen, onder anderen één der ptolomaei en koning sapor, voerden ze tegen antiochus en andere Romeinsche [ 365 ]veldoversten ten strijde. Later bezigden de Romeinen ze zelve, onder anderen in hunne oorlogen tegen de Galliërs, ruim 100 jaren vóór onze jaartelling. Het allerlaatst onder de Europeanen maakten de Portugezen er gebruik van, b.v. in hunne gevechten met den sultan van Kandy (op Ceylon) in 1591. Doch het meest beroemd zijn de olifant-gevechten uit vroegere eeuwen, vooral die tusschen de 200 tot 400 jaren vóór Chr., zooals tusschen antigonus en seleucus, — antiochus epiphanes en judas maccabaeus, — tusschen darius of porus en alexander den Groote, — juba en caesar, — jugurtha en metellus, tusschen hasdrubal of hannibal en scipio africanus en andere Romeinsche veldheeren, — waarbij ze soms door Frankrijk en Spanje naar de velden van Italië moesten worden overgevoerd. De geschiedverhalen uit de Punische oorlogen en dien tegen jugurtha vooral behelzen daarover vele belangrijke bijzonderheden. Men koos daartoe veeltijds mannetjes of sterke wijfjes uit, voorzien met kurassen of harnassen van ijzer, hoorn of buffelleder om het lijf, en soms met eene soort van maliënkolder om de slurf, die bovendien ook wel gewapend werd met ijzeren kettingen en staven of met sikkelvormige zwaarden. Op den rug van het dier waren dikwijls houten torentjes of kasteeltjes geplaatst, met boogschutters of andere krijgslieden bezet. Men wendde hunne kracht niet alleen aan als die van eenen stormram, om poortdeuren open te stooten, maar vooral om het voetvolk te chargeren, en meer in het bijzonder om de kavallerie van den vijand in wanorde te brengen. De paarden toch zijn zeer bevreesd voor deze dieren, terwijl de ruiters met wel aangebragte trompslagen uit den zadel werden geligt. Groote dienst deden zij meermalen door het afsnijden der vijandelijke legerkorpsen en als bedekkingsmiddel, om zich achter hen, als achter eene levende verschansing, op te stellen. Ten dien einde werden zij dan in de eerste linie geplaatst, doch de ervaring leerde weldra het gevaar hiervan inzien. Immers eens aan het wankelen gebragt of op de vlugt geslagen, bragten ze eene schromelijke verwarring aan in de gelederen van hun eigene krijgsmagt. Later hield men hen om die reden meermalen tot op beslissende oogenblikken, bij de achterhoede, in reserve. De Romeinsche soldaten vooral bekwamen spoedig van den eersten [ 366 ]schrik, hun door de krijgsolifanten aangejaagd. Zij hielden zoo lang mogelijk stand tegenover hunne aandruischende charges, doch openden dan snel, regts en links, hunne phalangen, lieten ze voorbij draven, en wierpen nu van ter zijden en achteren hunne speren en pijlen op hunne cornac's; en wanneer ze hen niet konden ontwijken, rigteden zij bij uitsluiting hunne zwaardslagen op hunne trompen om die te verwonden of een deel daarvan af te houwen. De slurfslagen der olifanten zelve vingen zij op de punten hunner spietsen op. Ook tegen een algemeen en plotseling aangeheven krijgsgeschreeuw bleken ze meer dan eens niet goed bestand te zijn, en — ofschoon door dressuur soms daartegen eenigzins te verharden — waren ze meestal niet moeijelijk door stroovlammen of ander vuurwerk tegen te houden. Volgens suyker en verburg, zouden de Tartaren, in hunne oorlogen met de Mogollen, dit hulpmiddel in het groot hebben gebezigd. Bij eene aaneengekoppeide kudde buffels werden op de hoornen drooge takkebosjes aangebragt, deze in brand gestoken, en zij dan naar het vijandelijk leger gejaagd. Het behoeft dus wel geene nadere verklaring, dat sedert het algemeen gebruik van buskruid en vuurwapenen hunne oorlogswaarde, vroeger reeds als zeer beperkt gebleken, al meer en meer is verminderd. Intusschen is deze in Indië nog niet geheel en al opgeheven. De Anamniten, in Cochin-China, gebruiken ze nog. In Ava, Agam en andere Achter-Indische rijken worden zij nog steeds aangehouden. In het geheele rijk der Birmans heeft de generaal d'orgoni (een Fransche renegaat) zeer veel medegewerkt hen op eene nieuwere wijze te organiseren, deels volgens de vroegere methode, deels gewijzigd en meer ingerigt tot geweer- en zelfs artillerievuur (zie l'Illustration, 1854, p. 57). In den jongsten Britsch-Indischen oorlog zijn zij ook aan de Engelsche armee van gewigtige dienst geweest, vooral echter als onbetaalbare steun voor den artillerie-transporttrein, om in bergachtige streken het veldgeschut en ander zwaar oorlogs-materiaal te vervoeren. E. melton maakte van eene dergelijke toepassing, voor twee eeuwen reeds, gewag, in zijne "zee- en landreizen". Hij schrijft: "hoe achter de stukken kanons van den Grooten Mogol, die ieder door 20 ossen voortgetrokken wierden, een sterke Elephant ging, die, wanneer de ossen eenige [ 367 ] ongelijke weg ontmoetten, daar ze niet wel voortkonden, met zijn snuit de stukken voortstiet." Inzonderheid tot zoodanige doeleinden werden nog onlangs, volgens eene mededeeling van diard, verscheidene olifanten uit Ceylon naar Bengalen overgebragt.

Hedendaagsche oorlogsolifant. (Birmannie.)

Hedendaagsche oorlogsolifant. (Birmannie.)

Van hoe veelzijdig gebruik ook bij het leven, betrekkelijk nog meer wordt de olifant gezocht na zijnen dood. In de eerste en voornaamste plaats denkt een ieder hier terstond aan het elpenbeen of ivoor, door zijne slagtanden opgeleverd. Tallooze nut- en weelde-artikelen worden zoowel van dezen, als ook soms van hunne gewone maaltanden, niet alleen in Europa, maar vooral in China en elders vervaardigd. Daarover echter kan men het meest wetenswaardige nalezen in een vroeger opstel, van den heer wr. (winkler?), in het Album, jaargang 1859. [ 368 ]Alleen ter aanvulling van het daar reeds gezegde over de uitgebreidheid van den ivoor-handel en het groote getal olifanten daarvoor opgeofferd, voeg ik er bij, dat de cijfers dienaangaande door latere schrijvers nog hooger worden opgegeven. Daargelaten andere koopsteden, zoo als Hamburg, alwaar in het begin dezer eeuw jaarlijks 1000 à 1500 stuks slagtanden zouden zijn ingevoerd, hebben die opgaven meer bepaald betrekking op den invoer daarvan in Engeland. Het laatste vind ik dien geschat op gemiddeld 1 millioen ponden ivoor jaarlijks, dat, à 60 pond het stuk berekend, beantwoordt aan een cijfer van meer dan 8000 grootendeels mannelijke olifanten daarvoor gedood! Men weet voorts, dat die tanden op sommige der tropische markten ook als betaalmiddel gelden, en dat zij in vorige eeuwen bij wijze van belasting in zekeren getale aan de vorsten of overheerschende volken moesten worden opgebragt. Als gebrande ivoor (ebur ustum), zoo witte als zwarte, worden zij bereid tot polystmiddelen of zwartsel, terwijl de olifantsbeenderen tegenwoordig ook gemalen worden tot beenderenmest voor de Ceylonesche koffijplantaadjes. Daartoe dient waarschijnlijk nog meer hunne mest — die zij in ruime hoeveelheid opleveren, — echter zou deze, vooral in Afrika, meer gedroogd, en tot brandstof aangewend worden, of ook, door de Kaffers, volgens kolbe, bij gebrek van beter, als tabak worden gerookt!

Zeer uitgebreid is wijders de toepassing hunner ligchaamsdeelen niet. De huid is weinig tot looijen geschikt, ofschoon zij de Aethiopiërs dient tot het maken van overtreksels voor schilden, voor tafels en zitbanken. De staartharen worden verwerkt tot hals- en armsieraden, met goud gemonteerd, doch zijn meer in volksaanzien als talisman tegen ligchaamsgevaar. Van het vet, vooral dat der ingewanden, worden onderscheidene smeersels en zalven toebereid. De massa dierlijk voedsel, die met hen voor den mensch verloren gaat, is te betreuren. Op Ceylon bijv. wordt hun vleesch niet, dan alleen uit nieuwsgierigheid en bij hooge uitzondering gegeten. Alleen de Hottentotten, de Fanties en andere Afrikaansche volksstammen schijnen het in het geheel niet te versmaden. Daar het vrij taai is, bereidt men er dan veeltijds eene nog al smakelijke soep van. Barth en wahlberg proefden het meermalen en noemen het zelfs lekker, min of meer overeenkomstig met [ 369 ]varkensvleesch. Hier en daar, door de Afrikanen, als "lekkere beetjes" beschouwde deelen zijn het hart en de voeten, doch vooral de slurf en de tong, welke laatste in smakelijkheid voor de ossentong niet zou onderdoen.

Alles bij elkaar genomen, moet echter het voordeel, dat de mensch van dit dier trekt of trekken kan, even groot genoemd worden als het zelf is. Maar is het alleen een nut-dier, en staat daar geenerlei nadeel tegenover? Allereerst moet dit beantwoord worden door de schade, die zij, niet in hunne woeste wildernissen, maar in den omtrek van bebouwde streken, in het groot kunnen te weeg brengen. Belangrijke verwoestingen werden soms door hen aangerigt op de plantaadjen van verschillenden aard, vooral die waar het suikerriet wordt gekweekt. Jonge kokos-, bananen- en andere vruchtboomen (zie blz. 338), allerlei tuingewas, zelfs enkele woningen of schuren en soms kleine dorpjes worden dan omvergeworpen, verbroken of verwoest. Somtijds vindt men in één enkelen nacht de eene of andere nieuwe aanplanting geheel vernield. Het geeft dan den eigenaar wel zeer geringen troost, wanneer men uit Sumatra vermeldt: "dat zij bijna nooit twee nachten achtereen op dezelfde plantaadje komen stroopen"; zekerder middel is, in die gevallen nachtwakers aan te stellen, die met fakkels rondloopen en wachtvuren onderhouden. Eigenaardig is, dat deze verwoestingen niet altijd of alleen geschieden uit behoefte aan voedsel, maar dat het schijnt, alsof er soms moedwillige vernielzucht onder schuilt. Dit laatste is evenwel meer toepasselijk op de strooptogten der eenzame zwervers, dan op die van geheele kudden. De eerste, de ronkedoors, zijn evenwel bijzonder brutaal; op den klaren dag zag men er één eene rijstschoof weghalen van het veld, waar men bezig was met rijstsnijden. Een ander, die onbemerkt tot in de buitenwijken van Kandy was doorgedrongen, had zich des nachts vermaakt met het open- en afdraaijen der kranen van de waterleidings-buizen! Het heette uit z.g. baldadigheid of "straatschenderij"; zou het niet meer eenvoudig een gevolg zijn geweest van behoefte aan water? of zelfs van nieuwsgierigheid? Zoo lees ik, dat zij meermalen, bij het aanleggen van wegen in de binnenlanden, des nachts telkens de seinstokken of rooipalen uittrokken, die daar des daags waren geplaatst. Doch het nadeel hunner bezoeken [ 370 ]ligt niet alleen in diergelijke aanvallen, maar hun doortogt alleen, hunne gangen over weeke of bebouwde gronden, bijv. natte rijstvelden, zijn hoogst schadelijk, niet alleen voor het gewas zelf, maar ook wegens de groote en diepe gaten in den bodem achtergelaten. Deze olifantstreden, meermalen ook in de wildernis waargenomen, kunnen als het ware een onafzienbaar maas- of netwerk in den grond daarstellen, naauwelijks een enkelen pas ondoorploegd latende. Deze hebben wel het voordeel, dat zij bij het jagen dezer dieren het duidelijkst mogelijke spoor aanwijzen, doch zijn in een ander opzigt hoogst lastig en zelfs gevaarlijk voor de reizigers. Immers in drooge jaargetijden worden deze gaten zoo hard als steen, en belemmeren dan den marsch eener karavane uitermate. De paarden vooral trappen er dikwijls in, struikelen er over of overkooten zich. Barth klaagt er zeer over en zag één zijner bedienden door een' zoodanigen val met het paard het been breken.

Overigens is de olifant uit zich zelven weinig te vreezen voor den mensch. De eenzame stilte zijner donkere loofdaken beminnende, zoekt hij hem in den regel niet met vijandige bedoelingen op. Hij is even vreesachtig als voorzigtig. "Ware hij van eene tegenovergestelde natuur, maakte hij misbruik van zijne meer dan Herkulische kracht en bouw, gewis, — zegt een ooggetuige, — ware Ceijlon reeds voor lang grootendeels door hem ontvolkt geworden." Alleen bij uitzondering geeft men sommige treffende voorbeelden daarvan aan, van woest geworden of kwaadaardige zwervelingen, die dan ook wegens hunnen verraderlijken aard buitengewoon worden gevreesd. Bij onverwachte ontmoetingen ontwijken zij overigens den mensch veeleer of trekken onbezorgd door. Iets te digt in zijne nabijheid komende, geven zij veeltijds onderscheidene uitingen of teekenen van vrees of soms van ongeduld, door het blazen van zand in de hoogte. En dit vooral, naar beweerd wordt, meer tegen blanken dan inlanders! Het omgekeerde alzoo, wat ten dien opzigte aangaande de verscheurende dieren wordt gesteld. Bij aanvallen bepalen zij zich meermalen slechts tot verdediging, soms zelfs tot lijdelijke afwachting. Echter prijst de Engelsche majoor rogers de "devotion and loyalty", waarmede de gansche troep onmiddellijk den aanvoerder en de jongen omringt, dezen met hun [ 371 ]eigen ligchaam dekkende en zooveel mogelijk beveiligende. Met verschil naar de min of meer edele familiën, casten of kudden, bieden sommigen een dapperen tegenstand, en alsdan zag men nagenoeg nimmer de geheele kudde aan het gevecht deelnemen, — gelijk onder anderen bij de wilde buffels het geval is, — doch wagen nu en dan een of twee eenen afzonderlijken uitval. Pijnlijk, doch niet gevaarlijk aangeschoten zijnde of hunne jongen gedood ziende, vervallen zij echter dikwerf in aanvallen van woede, waarbij zij den aanvaller met ware razernij vervolgen. Men weet, dat onder anderen wahlberg bij eene zoodanige ontmoeting op zijne tweede Afrikaansche reis, in de nabijheid van het meer Ngami, verpletterd werd. Zijn Noordsche landgenoot anderson was gelukkiger en, ofschoon zwaar gekneusd, bragt hij het leven bij eene dergelijke gelegenheid er van af. Ik zal naauwelijks anders dan ter volledigheid behoeven te herinneren aan het gevaar, dat ook door olifanten in den getemden staat kan ontstaan, wanneer zij, zoo in als buiten hunnen brons-tijd, in kortere of langere vlagen van woestheid ontsteken. Behalve in het Oosten, waar dan meermalen zelfs hunne eigene cornac's niet worden gespaard, zijn daarvoor ook bewijzen in Europa opgedaan. Dit is dan ook één der groote bezwaren, die tegen hunne bewaring in diergaarden in het midden worden gebragt. Exeterhouse te Londen, de ménagerie van Genève, de zoölogische tuin te Amsterdam kunnen, onder anderen, daarvan getuigen. Het laatstgenoemde voorval is beschreven in het Amsterdamsche Handelsblad van den 18 Augustus 1849, door den heer directeur westerman, wiens voorzorgen daarbij genomen hoogelijk verdienen te worden geprezen. Toen de olifant reeds zijne laatste kluisters had verbroken en op het punt stond van uit zijne bewaarplaats te ontsnappen, toen alle andere middelen vruchteloos waren beproefd, werd er besloten hem dood te schieten. Daar dit meermalen is gebleken door ongeoefenden ligter gezegd te zijn dan gedaan, werden daartoe verscheiden maatregelen van voorzigtigheid genomen. Onder anderen had hij vooraf op eene schetsteekening, in levensgrootte, de juiste plaatsing van het hart aan zijne schutters aangewezen, waarin het gevaarlijk geworden dier dan ook werkelijk en spoedig doodelijk werd getroffen. Overigens is de groote moeite opmerkelijk, die men somtijds heeft gehad in het [ 372 ]dooden van den olifant, in tegenstelling staande van het gemak, waarmede beweerd wordt, dat de Indische cornacs, de tijdens hunne bevrijding wild geworden olifanten om het leven brengen; soms door een' enkelen lanssteek in den nek, vlak bij het achterhoofd. Het ingeven van vergift, bij deze gelegenheid meermalen beproefd, mislukte in den regel om twee redenen: eerstens, omdat zij zoo groote hoeveelheid daarvan kunnen verdragen, en ten anderen, dewijl zij dit bij herhaalde toediening zoo hardnekkig weigeren of wegwerpen, hoe zorgvuldig ook ingehuld, zelfs in hunne anders meest geliefde versnaperingen.

Niettegenstaande deze en andere oorzaken van gevaar, is het aantal ongelukken, door hen te weeg gebragt, niet zeer aanzienlijk. Dominus baldaeus overdrijft weder een weinig, waar hij schrijft: "Aldergevaerlikst zijn zij, des avonts, wanneer zij hongerigh zijn (sic); jaerlijks dooden zij vele menschen." Tegenwoordig althans is dit niet zóó erg meer. Uit officiële sterfte-lijsten voor Ceylon blijkt, dat voor een 5jarig tijdvak aldaar niet meer dan 16 doodsgevallen, dat is iets meer dan slechts 3 per jaar, en dit op eene bevolking van omstreeks één en half millioen, op rekening zijn gekomen van den olifant. Dit neemt niet weg, dat zoowel om deze en andere redenen, als vooral ten behoeve van den landbouw, wegens het groote gevaar van verwoesting der aanplantingen, bruggen en wegen in de olifants-landen, — zoo als daarvan nog zeer onlangs mededeeling, ook bij ons, uit het Palembangsche bergland werd gedaan, — veelvuldig jagt op hen werd en nog wordt gemaakt. Toen de Ceylonezen dit een geruimen tijd, gedurende onze laatste oorlogen met de Engelschen, hadden moeten nalaten en het hun door de O-I. Compagnie opgelegde getal jaarlijks niet konden leveren, namen hunne verwoestingen aanmerkelijk toe. Ook het Engelsche gouvernement tracht tegenwoordig nog door geldpremiën deze jagt aan te moedigen, ten gevolge waarvan er eens in drie jaren 3500 gedooden werden aangegeven. Nog meer, ja, zonder ophouden worden zij gejaagd, òf om hen levend te vangen en te verkoopen voor dienst of tot praal, òf vooral niet minder ter wille van het steeds nog dure ivoor, òf ook alleen uit z.g. "liefhebberij" Een' dezer jagt-liefhebbers nogthans, de Britsche majoor [ 373 ]rogers, — die er zelf 1400 zou hebben geveld, — leverde dit vermaak tevens zoo veel voordeel op, dat hij, door den verkoop van de slagtanden, zich in staat zag gesteld zijne aanstelling als hoofd-officier te bekostigen. Voor zulke jagers is het een geluk te achten, dat de vorsten van Kandy hunne magt hebben verloren. Zonder hunne speciale vergunning toch mogt voorheen deze jagt niet worden uitgeoefend en werd overtreding daarvan als hals-misdaad gestraft.

Zij, die zich op de olifanten-jagt begeven, moeten voor het overige wel weten wat ze ondernemen. Zoowel te paard als te voet blijft het steeds één dier groote jagten, waar levensgevaar aan verbonden is. Livingstone zegt dienaangaande: de kreten, die de eens in woede ontstoken ven nu "chargérende" olifant slaakt, zijn wel in staat hem, die daaraan nog niet gewoon is, in verwarring te brengen." Zelfs de paarden blijven daardoor soms, huiverende van schrik, als aan hunne plaatsen geboeid. Men kent zeker reeds de voorbereidingswijze tot deze jagt, waaraan de Engelsche missionaris jeugdige of beginnende olifantenjagers wil onderwerpen. Daartoe zouden zij zich vooraf eerst eenige malen moeten hebben geoefend op de rails van eenen spoorweg. Men moet het in zijne magt hebben "om dáár met de meeste kalmte te blijven stand houden, tot op eenige weinige yards van den in volle vaart aansnellenden locomotief! Die dat, goed en rustig, op zich zelven vermag, mag het, volgens hem, wagen. Dit zeker krachtig en doelmatig voorschrift ziet op de noodzakelijkheid om de meest mogelijke bedaardheid te behouden in het toebrengen van een weltreffend kogelschot van nabij. Men legt zich daarom tegenwoordig meer en meer toe, om ze, op een' geringen afstand, in eens te dooden of te vellen, en de plaatsen aan het voorhoofd of de hoofdslapen te raken, waar de kogel het best de hersenholte kan bereiken. Met zwaar kaliber-geweren wordt ook wel op de voorpooten gemikt; hoe krachtig ook gebouwd, zijn die daardoor te breken, en het dier is dan geheel à la merci van den jager. Aan het onkwetsbare vermogen van zijne huid is het minste geloof niet te slaan; niet alleen door de beenderen slaan vooral de tegenwoordige punt- en buks-kogels door, maar zelfs gewone ronde (vooral koperen) kogels kunnen tot in het midden der zóó harde slagtanden doordringen; een zeer zeldzaam exemplaar, hetwelk dit ten duidelijkste kan [ 374 ]aantoonen, is in het rijke kabinet van den heer w. vrolik voorhanden. Waarschijnlijk was de kogel, in jeugdigen leeftijd, in de pulpa dentis geschoten, terwijl van lieverlede daar om heen van rondom het tandbeen is afgezet en het vroegere wondkanaal geheel afgesloten.

Dwarse doorsnede van een zeer zwaren slagtand

Dwarse doorsnede van een zeer zwaren slagtand, in het midden waarvan een geweerkogel werd aangetroffen.

Intusschen hadden ongeoefenden meermalen gelegenheid om, bij het schieten met ronde kogels uit gladloops-geweren, aan zijne kwetsbaarheid te twijfelen. Livingstone verhaalt zelf, eens 12 en nog wel bijzonder zware kogels, allen treffers, op een Afrikaanschen olifant te hebben verschoten, zonder hem te dooden. Cumming wil eens 85 gewone ronde kogels en daarna nog 4 "zesponders (?)" daartoe noodig hebben gehad! Uit het Nederlandsche fort St. Elmina, op de kust van Guinée, werden, naar men schrijft, bij gelegenheid dat een wilde olifant tot in de nabijheid van het fort was verdwaald, niet minder dan 300 gewone ronde kogelschoten gelost, eer men hem zag nederstorten. Het is evenwel gebleken, dat men ze vrij spoedig doodelijk kan treffen, wanneer men hen slechts lang genoeg afwacht en niet schiet dan vóór zij tot op een 80 ellen, volgens anderen nog digter, tot op een 15 passen, zijn genaderd! Een Engelsch officier, oswell genaamd, zou het in dit opzigt in Afrika niet minder ver hebben gebragt, dan gérard, de beroemde leeuwendooder der Franschen. Doch om hen op zijne manier af te wachten, daartoe behoort groote moed, die, volgens livingstone, zich grondende op de heldendaden van dien officier, inzonderheid aan de Engelschen toekomt. De Britsche zendeling neemt bij deze gelegenheid het woord om in zijn' nationalen [ 375 ]trots een "courage-parallel" te trekken tusschen zijne landgenooten, de Hollandsche boeren en de inlanders, welke niet vrij schijnt van grootspraak: "Als een bosjesman, zegt hij, per hoofd en per jagtsaizoen, één olifant weet te dooden, en een "Boër" (of boer) er twee kan vellen, dan legt een Engelschman er wel twintig neêr"! Wáár is het, dat de Afrikaansche jagers zelve hen dikwijls niet dan met groote inspanning overwinnen of afmaken. Soms met honderden werpspietsen, lansen en pijlen te gelijk wordt het arme dier over het geheele lijf getroffen, zoodat het er als een reusachtig stekel-varken uitziet en niet dan hoogst langzaam, door bloedverlies uitgeput, bezwijkt. Ook laat men, evenals bij de vangst van het nijl-paard, wel eens eene soort van harpoen, met een zwaar gewigt belast, uit hooge boomen nedervallen op en in zijnen rug. Dat de punten dezer moordtuigen veeltijds vergiftigd zouden zijn, is niet gebleken; wel vond ik vermeld, dat men op Sumatra soms de olifanten tracht te vergiftigen door op de door hen bezochte en verontruste plaatsen suikerriet neder te leggen, doortrokken met eene sterke oplossing van rattenkruid, alsook in Bengalen door rijstballen, bedeeld met het sap van een zeer vergiftigen wortel (Nepal-root; van eene Aconitsoort? Vergelijk echter bladz. 371). Eene andere wijze van vangen is door middel van wolfskuilen, een of twee bij elkaâr, en zoo natuurlijk met zand, gras en riet overdekt, dat de inlanders er soms zelve invallen. De olifant kan zich daaruit niet verlossen, wel worden, naar gezegd is, de jongen door middel van de slurf er somtijds uit bevrijd door de ouden.

Bij de Afrikanen der binnenlanden bestaan eigene jagtwetten op het bezit van dit kolossale wild. In gemeenschap van velen gedood zijnde moet een hunner Hoofden de deeling leiden. Als er een, gewond zijnde, op het grondgebied van een' anderen stam bezwijkt, dan vervalt één der slagtanden als eigendom aan dezen. Veelal trekken zij tot deze vangst in grooten getale uit, sommigen onder het zingen op eerbiedigen en meêwarigen toon van een lied, welks inhoud weinig strookt met hunne vaak wreede handelwijzen, en dat hierop neêrkomt:

[ 376 ]"O Hoofd! o Vorst! wij zijn wel is waar gekomen om u te dooden;
"Maar behalve u moeten er nog veel meer sterven;
"En....o Hoofd! o Hoofd! de Goden hebben het zoo gewild!" [28].

De beschrijvingen van het dikwijls langdurig lijden der olifanten bij gelegenheden van dezen aard laten nogtans een' droefgeestigen indruk na. Veel meer opwekkends, zelfs boeijends leveren de verhalen op omtrent het levend bemagtigen dezer dieren door de z.g. "kraal-jagten". Reeds van jaren, ja men kan bijna zeggen van eeuwen her dagteekenen deze. Op nagenoeg gelijke wijzen worden ze beschreven door den ouden haafner en baldeus, als door tennent, die er een in 1847, en de wailly, die er een in 1849, allen op Ceylon, hebben bijgewoond. Daar, waar deze vangwijze ook onder het Portugesche en Hollandsche bestuur in zwang was, geschiedt ze nog steeds een tot twee malen des jaars op last van het Engelsche gouvernement. Eene dergelijke manier zag yule, insgelijks niet lang geleden, ook in Indië volgen in het Birmannische keizerrijk. Zij is in de olifanten-landen zóó algemeen verspreid, dat zelfs bij sommige Afrikaansche stammen, onder anderen de Fantie's, eene dergelijke kraal-vangst geschiedt, ofschoon meer in het klein, om de olifanten gemakkelijker te kunnen dooden. Waar die in het groot wordt uitgeoefend, behoort zij tot de groote volksfeesten. Een, soms twee maanden te voren reeds worden de noodige, voorbereidende maatregelen van allerhanden aard daartoe getroffen. Alle autoriteiten en genoodigden begeven zich den vorigen dag naar de bestemde plaats in het binnenland op weg, en wordt het reisgezelschap veeltijds door de tegenwoordigheid ook van dames uit de omstreken opgeluisterd. In de nabijheid der bestemde plaats worden zoo te land als te water tijdelijke logementen ingerigt, en ter plaatse der vangst zelve, amphitheaters-gewijze, staan- en zitplaatsen, op hooge en sterke boomen, voor de schaar van toeschouwers, wier geduld echter soms één of meer dagen op de proef wordt gesteld, eer het beslissende, nachtelijke uur daar is.

De eigenlijk gezegde »kraal", "korahl" of "corral", — zoo als [ 377 ]die thans[29] nog wordt ingerigt, — bestaat uit eene digte palissade ring van boomstammen, onderling verbonden door vlechtwerk van touw, rotting en vooral van dikke, doch buigzame slingerplant-stengels.

Eene olifantenkraal op Ceylon

Eene olifantenkraal op Ceylon (naar baldaeus).

Tusschen de stammen zijn ruimten, die wel een mensch, maar geenszins een olifant doorlaten. Bij den ingang van het allengs naauwer en naauwer toeloopende eindperk kan eene sluiting door zware, dwars neer te laten balken worden aangebragt. Vooral de wijd uiteenloopende vleugels worden zoo natuurlijk mogelijk gemaskeerd door groene takken of rijswerk. Het geheel is zeer goed te vergelijken met eene visch-fuik; insgelijks met eene eendenkooi, "waarin de elefanten, zegt baldaeus, dan verleijdt werden, gelijckerwijze de Hollantsche entvogels." Reeds lang te voren worden zij uit de verste verte aangedreven en omsingeld door soms een 1000 tot 2000tal inlandsche drijvers[30] . Al naauwer en naauwer ingesloten, vorderen zij in de rigting der wijde vleugels van de kraal. Aan alle zijden zijn ze omgeven van een nu eens zwijgend dan weer zich verheffend rumoer. Dit wordt gevormd uit de vermenging van gillende en schreeuwende menschenstemmen met het geraas der cimbalen en Turksche bekkens en met het tusschenpoozend geknal der [ 378 ]vuurwapenen. In lange of korte dagreizen, naderen zij, meer en meer, het hun wachtende lot. Steeds kleiner wordt de om hen getrokken

Eene olifantenkraal vanuit de lucht

Eene olifantenkraal, van uit de hoogte gezien (naar tennent).

cordon, die in Indië soms mede door een groot aantal van tamme drijfolifanten is zamengesteld, en in den nacht omsluit hen een cirkelboog van flambouwen, voetzoekers, vuurpijlen en ander vuurwerk. Genoegzaam gevorderd, vermenigvuldigt zich eensklaps het geweld achter hen, waar nu tevens alles in vuur wordt gezet, uitgenomen de kraal fuik zelve. Deze blijft, als een verraderlijk toevlugtsoord, alleen nog in diepe duisternis gehuld. De indruk door dit een en ander, en niet het minst door de steeds luider wordende teekenen van het aannaderen van den verwilderden troep, beangstigt bij vele toeschouwers, — hoe veilig ook geplaatst, — het van verwachting kloppende hart. "Je n'oublierai jamais" — schrijft de waillij — "l'étrange et'sáuvage beauté de ce tumultueux moment! Les éléphans sauvages arrivèrent comme la foudre, arrachant, renversant, écrasant tout devant eux, trompettant ou rugissant de toutes leurs forces. La lune commencait à briller, et sous épais ombrage on entrevoyait en bas un amas mouvant et indescriptible de créatures informes et gigantesques; etc" Zoodra nu eerst de geleider, soms nog door lok-olifanten voorafgegaan, de fuik is ingetreden, volgt een grooter of kleiner deel der kudde, somtijds deze in haar geheel, van 30 tot 100(?) stuks op eens, en stort zich binnen de eigenlijke afperking der kraal. Op een gegeven signaal, [ 379 ]worden de val- of slagboomen neêrgelaten, en te gelijker tijd plotseling de onmiddellijke nabijheid dezer omheining door stroomen van licht en gejoel omringd. Herhaaldelijk wagen de stoutsten en sterksten uit den hoop, na van hunne eerste verbazing te zijn bekomen, soms verwoede aanvallen op de palissaden. Slaagt men niet hen van deze pogingen af te brengen, — waartoe vooral het slaan of dreigen met lange en wit geschilderde staken, voor welke zij zeer bevreesd zijn, dienstig blijkt te zijn, — dan ziet men zich genoodzaakt, één of twee der belhamels, à bout portant, neer te schieten; een maatregel, die tevens de overgeblevenen tot afschrik schijnt te strekken. De reeds binnen zijnde of thans ingelaten tamme olifanten, deelen regts en links trompslagen uit of dringen dezen of genen der gevangenen tusschen zich in. Nu gaan de daarin het meest befaamde inlanders over, hen, één voor één, de pooten eerst met touwen, daarna met kettingen te boeijen en aan zware boomstammen vast te maken. Die dezen soms gevaarlijken arbeid op zich nemen, zijn te voet; zij verschuilen zich onder de gedresseerde olifanten, en aangevallen wordende vlugten zij tusschen de palissaden door, naar buiten. Vreemd is, dat, — naar men leest, — nooit aanvallen geschieden op de berijders der getemde olifanten, die binnen de omheinde ruimte zijn, zelfs niet, al wagen deze zich tot onder het bereik der vijandelijke trompen.

Eene tweede wijze eindelijk — en deze is vooral niet minder bewonderingswaardig, hoewel niet zoo schitterend, — wordt mede op Ceylon gevolgd, om den olifant levend magtig te worden. Het is eigen aan enkele casten van olifant-jagers aldaar, die deze vangst, zonder kunstmatige voorbereiding, doch als het ware uit de losse hand durven ondernemen. Enkele malen slechts geholpen door een lokwijfje, meermalen alleen door eenige honden, om de aandacht van den olifant af te leiden, gaan deze jagers, slechts met hun tweeën, er op los. Zij zijn geheel gehuld in groen-bebladerde takken en eenvoudig gewapend met lange, stevige koorden of riemen van buffelleêr. Beurtelings weet een van dit moedig jager-paar, nu één hunner van voren, dan weder de ander van achteren, de oplettendheid van het door hen opgezochte dier tot zich te trekken. Dit oogenblik maken zij zich, mede om beurten, ten nutte, ten einde het, nu eens [ 380 ]onmiddellijk (bij het optillen van een been), dan eens bij wijze van lazzo geslingerd, alle vier pooten met strikken te omgeven. In het eerst worden de uiteinden der koorden slechts uit de verte om een boomstam geslagen, dan, na terugtreden van het dier, meer en meer ingekort,

Een gebonden wilde olifant

Een gebonden wilde olifant (naar tennent).

en zoodra zij voldoende zijn aangehaald om den olifant te bevestigen, staken zij hun moeitevollen en natuurlijk vaak mislukkenden arbeid van dien eersten dag. Slechts even buiten het bereik van hun overwonneling slaan zij hun nachtleger, — eene eenvoudige loof hut, — op en leggen vóór hetzelve een groot wachtvuur aan, zoodanig dat de olifant door het gezigt en den rook[31] daarvan zooveel mogelijk wordt gekweld. Eerst nadat deze zich een paar dagen in onbeschrijfelijke pogingen ter zijner bevrijding heeft uitgeput, brengen zij hem rijkelijk water en zijne lievelingsvruchten aan. Het duurt evenwel soms weken, eer hij voldoende getemd wordt geacht, om de reis uit de bergstreek der [ 381 ]wouden naar de vlakte met hem te durven ondernemen. Daarbij kost het dan nog de grootste inspanning, hen in de begeerde rigting te doen gaan, vooral dáár, waar plaatsen moeten worden gepasseerd, niet voorzien van boomen, waaraan zij des noodig kunnen worden vastgelegd.

Wij vinden, geëerde lezers! vooral in deze laatste beschrijvingen bevestigd, hoezeer noch de reusachtige omvang van dezen Sultan der wouden,—noch zijne verbazende kracht, — noch zijn "snedig begrip " — hem bescherming verleenen tegen het beleid van den mensch, die, hoe veel zwakker ook in ligchaamsbouw, hem toch oneindig te boven gaat in de gaven van het verstand. Zij dan al haafner's ontboezeming: "U is de voorrang, magtigste onder de magtigen, redelijkste onder de onredelijke schepselen, U, o elefant!" zeker niet verre van de waarheid, als niet minder waar mogen daar tegenover worden gesteld de kernachtige woorden van tennent: "Niets in de natuur, zelfs niet de bloedige jagt op den walvisch, is zóó zeer in staat de heerschappij van den mensch over de dierenwereld, zelfs in hare stoutste verligchamelijking, in het levendigste daglicht te plaatsen, dan juist de geschiedenis van den olifant!" [32]. Laat echter deze zelfkennis ons niet tot zelfverheffing leiden, maar tot vernedering. Oneindig hooger dan de mensch staat boven den olifant, is beider schepper verheven. De studie van het wezen der dieren, gepaard met het bewustzijn van onze voortreffelijkheid, ook zij voere ons meer en meer op tot verheerlijking van Hem, die in zich de diepste wijsheid vereenigt met de hoogste magt. Hem is de opperheerschappij!

Utrecht, 1862.
 

 


  1. ↑ De overname van deze figuur en de volgende, waaronder enkele oorspronkelijke teekeningen, heb ik, als vroeger, weder te danken aan de kundige hand van den heer Officier van gezondheid der 2de klasse schubart.
  2. ↑ Nog altijd worden de tamme olifanten in Britsch-Indië met deze en dergelijke namen, b.v. de "morgen-ster", de "granaat-appel", enz., aangeduid.
  3. ↑ Mijn voornaamste leiddraad was, — behalve de Zoölogische Handboeken of geschriften over dit onderwerp, van buffon, cuvier (G. en F.), geoffroy st hilaire, gervais (p.), leunis, milne edwars, schlegel, (h.), uilkens, van der hoeven (j.), vrolik (w.), —het teregt reeds beroemde werk van james emerson tennent, K. C. S., L. L. D., getiteld Ceylon, London, 1859, alsmede een afzonderlijk uitgekomen en vermeerderd uittreksel uit hetzelve, The Natural History of Ceylon, 1861. (T. was jaren lang, sedert 1845, in eene gouvernements-betrekking op dit eiland, Van het begin zijner komst aldaar af heeft hij het zich, — in tegenoverstelling van vele schrijvers over den olifant, die hem alleen in den gevangen staat bestudeerden, — ten doel gesteld, dit dier in het wild na te gaan, en zijne eigene bevindingen te toetsen aan de mededeelingen er over van vele inlandsche olifanten-jagers. Owen heeft het gedeelte van zijn werk, dat over den olifant handelt, — vol, II, van pag. 271 tot 404,—aan eene zorgvuldige revisie onderworpen). — Verder raadpleegde ik: {{sc|d. livingstone, L. L. D., Fellow o. t. Fac. o. ph. a. surg. o. Glasgow, Missionary Travels in South Africa, London, 1857. (Hij reisde van de Kaap uit zoowel naar de meer bekende West — als naar de toen nog veel minder bezochte Oost-kust, en bragt in het geheel 16 jaren in het binnenland van Afrika door, alwaar hij zich thans op nieuw bevindt). — Houel, Histoire naturelle de deux éléphants, etc., Paris, 1803. (H. maakte eene bijzondere studie van de, in 1798, door de Franschen onzen stadhouder ontnomen, en met groote moeite en kosten naar Parijs getransporteerde, Ceylonésche olifanten, eenen mannelijken en eenen vrouwelijken, die reeds veertien jaren in Holland hadden geleefd. Hij was gedurende acht weken, soms geheele dagen, bij hen, sliep zelfs meermalen in hun verblijf, of waakte bij maanlicht, niet alleen om hen goed waar te nemen, maar ook om hen in alle houdingen af te teekenen, hetgeen hem dan ook uitmuntend is gelukt). — J. haafner, Reize te voet door het eiland Ceilon, 1810. (Ofschoon niet bekend om zijne groote waarheidsliefde en ook hier geenszins van overdrijving vrij te spreken, komt mij toch voor, dat hetgeen H. over de levenswijze van den olifant mededeelt, in het algemeen, hierop eene loffelijke uitzondering maakt). — H. barth, Reisen und Entdeckungen in Nord u. Central Afrika, 1857. — J. a. wahlberg, Levensgeschiedenis en reizen in Z.O. Afrika, in 1839 en 1854. — Anderson, Aventures et chasses dans 'l'Afrique Australe, 1850. — H. schlegel, Bijdrage t.d. Gesch. v.d. Olifanten, in Versl. en Meded. d, Kon. Akad., XIIe deel, 1ste stuk, 1861.—Chomel, Algem. Woordenboek, in voce Olyphant. — Suijker en verburg, Algemeene Geschiedenissen. — Tegenwoordige Staat van alle Landen en Volkeren (Siam, Afrika). — J. a. dekker, Eenige bijzonderheden omtrent den olif. v. Nat. Art. Mag. te Amsterdam, Repertorium, 3de jaarg. — Une Ambassade Anglaise, p. j. bowring; Episode d'un voyage, p. h. d. marcény; Voyage dans le Royaume d'Ava, p. h. yule; Comment on attrape les éléphans, p. l.d. wailly; A peep at the elephant, in harper’s Magazine; Reisen in Guinea, v. chailly, enz. (Alle voorkomende in onderscheidene, deels z.g. geïllustreerde, Tijdschriften). — Verder nog ph baldaeus, Beschrijving van het machtige eiland Ceylon, Amsterdam, 1672; p. e. melton's Zee- en Landreizen, van 1660 tot 1677 ; Ludolf, Historie van Abissiniën, 1687 ; (welke laatste werken mijn vriend dr. h.j. broers mij ter inzage gaf). — Onder de Latijnsche schrijvers der oudheid werden o.a. geraadpleegd: plinius, appianus, aristoteles, flavius, josephus, plinius, plutarchus, sallustius, titus, livius. (Hierbij kan ik niet nalaten, mijn' waarden oom, mr. evera, te Delft, ook hier mijn’ hoogen dank te betuigen voor de verleende hulp in het even vlijtig als het oordeelkundig verzamelen en uittrekken van een groot deel dezer, vooral der laatstgenoemde bronnen).
  4. ↑ Daar de lengtematen omtrent den olifant veelal in "voeten" en onderdeelen daarvan worden opgegeven, moet ik eens vooral opmerken, dat ik er niet zal bijvoegen, of Rijnl., Eng. of Par. voeten worden bedoeld. Daar het verschil hier slechts 1, hoogstens 2 Ned. duimen bedraagt, mag dit bij een dier van dezen omvang wel worden voorbijgezien.
  5. ↑

  6. ↑ Volgens schlegel, is het tot hiertoe bekende geographische gebied der beide Aziatische olifant-soorten bevat in een' langwerpigen vierhoek, ingesloten door de kromme lijnen, gevormd tusschen 35° N. Br, tot 5° Z. Br. en 65° tot 165° O. L. (merid, v. Parijs).
  7. ↑ Dit was het meest noordelijke punt van Afrika, waar barth olifanten heeft ontmoet. Te Kano, bij het meer Tsad, in Bornou, ontdekte hij het bestaan van een uitgebreide ivoor-markt.
  8. ↑ Marco paolo o.a. beweerde, in zijne Beschrijving van Oost-Indiën, te Parijs uitgegeven in het jaar 1556, dat er "nergens ter wereld meer olifanten worden gevonden dan op Madagaskar", doch schijnt dit alleen af te leiden uit den ivoor-handel aldaar; alzoo geen vaste grondslag.
  9. ↑ De Koning van Napels "zou" er in 1745 een van den Sultan van Turkije ten geschenke hebben ontvangen, die eene hoogte had van ruim 13 voet!
  10. ↑ P. verhaalt: "dat Ajax, één der olifanten, die tegen alexander den groote streden, daarna nog 400 jaren heeft geleefd"!
  11. ↑ Onder anderen azen de z.g. vleeschvliegen buitengewoon sterk op hunne lijken. Letterlijk een oogenblik nadat een der pas gevangen olifanten was overleden, zag tennent dien, mede letterlijk, "bezaaid" met myriaden van zwarte vliegen".
  12. ↑ Men vindt eene mededeeling daarover in harper's New monthly Magazine, 1860, March, no. 118.
  13. ↑ Een tal van opgaven daaromtrent uit den vroegeren en lateren tijd daarlatende, herinner ik aan eene der jongste mededeelingen uit Amerika (Washington). Zij betreft drie hoogbejaarde menschen aldaar, en nog wel uit een en dezelfde familie, hetgeen trouwens meer plaats vindt. Het geldt een' zoon, die 128 jaren was geworden, een vader van 182 en eene grootmoeder van 148 jaar! Zie Archiv. Belg. de méd., etc. Janvier, 1862. Ofschoon dit een goed Tijdschrift is, kan ik voor de geloofwaardigheid dier getallen (ze zijn van verdachten oorsprong) niet instaan.
  14. ↑ Cuvier zegt: il est probable, qu'il peut vivre, dans l'état sauvage jusqu'à près de deux siècles.
  15. ↑ Van de 138 gevangen olifanten toch, waarvan op Ceylon tot 1856 aanteekening is gehouden, zijn er, in het eerste jaar dat zij dienst deden, niet minder dan 72 bezweken! (tennent).
  16. ↑ Dit herinnerde mij aan een gezegde van den heer westerman, directeur van den Zoölogischen tuin te Amsterdam, bij gelegenheid dat ZEd. mij en eenige andere heeren uit Utrecht zijne pas aangekomen Hippopotami aanwees, en waarbij hij ook deze dieren, in zijn lofwaardig enthusiasme, "hoe langer zoo mooijer" noemde, hoe meer hij ze aanschouwde.
  17. ↑ Tennent maakt de opmerking, dat de huid aan de achterpooten, ter plaatse waar die door de touwen of kettingen zijn opengeschaafd, na de genezing eene gelijksoortige kleur aanneemt.
  18. ↑ Eens voor al doe ik opmerken, dat overal waar ik mij van dezen gewigtsnaam bedien, zonder meer, steeds het oude pond, niet het nieuwe, Nederl., wordt bedoeld.
  19. ↑ Het leven en maaksel der dieren. — Vergelijk mede hierover gervais, Hist. natur. d. mammifères, waar meerdere bijzonderheden te vinden zijn aangaande dit onderwerp, voor een groot deel ontleend aan de nasporingen van corse en de blainville.
  20. ↑ Baldaeus heeft dienaangaande de volgende kernachtige zinsnede: "dan werden de Wilde Elephanten geleijdt tusschen twee Tammen, die, als hij wederhoorigh is, van de Tamme met de Tanden in zijn Huijt gestooten werdt, dat hij kreeuwt; zoo leert hij gehoorzaamheijdt"; enz.
  21. ↑ De zenuwen van den snuit zouden, volgens buffon, "in aantal nagenoeg gelijkstaan met de overige zenuwen van het geheele ligchaam te zamen genomen". Hoewel op deze vergrooting van de waarheid veel is af te dingen, moet toch worden erkend, dat de takken van het 5de en 7de zenuwpaar, voor de proboscis bestemd, buitengewoon ontwikkeld, ja ongemeen dik en breed zijn.
  22. ↑ De botanische namen van eenigen der voornaamsten zijn de volgende: Sagus Rumpfii, Musa Paradisiaca, Cocos nucifera, verscheiden Artocarpus-, Acacia- en Caryotasoorten, Aegle Marmelos, Mimusops Indica, Mesua ferrea, enz,
  23. ↑ In den z.g. blinden zak van de maag bevinden zich verscheidene kringsgewijze klepvliesvormige plooijen, alwaar het water, als in een réservoir bewaard, langen tijd goed blijft, zoo als door camper reeds is vermeld en door Home nader bevestigd. Bij de inplanting van den slokdarm in de maag is een sterke spierbundel aanwezig, die zich bovenwaarts inplant aan den achterwand van de luchtpijp, ter hoogte van hare splitsing, waardoor de maagmond eenigzins naar boven kan worden getrokken en de maag alzoo geholpen wordt in het opbrengen van het water uit het gezegde réservoir naar den slokdarm, Zie harrison, aangehaald door tennent, die daaromtrent weldra nieuwe anatomische onderzoekingen van owen toezegt; pag. 314. Hierdoor zou de olifant, even als de kameel en de lama door hunne "watercellen", een' geruimen tijd zonder drinken kunnen blijven. Den geheelen dag, in de bosschen vertoevende, heeft hij daartoe trouwens ook slechts zelden gelegenheid.
  24. ↑ In plaats van deze is de leverzelfstandigheid zelve doorsneden met buitengemeene groote en wijde galbuizen of gangen, eene ontdekking kort voor zijnen dood door onzen schroeder van der kolk gedaan. Zie Verslagen en Mededeelingen van de Kon. Akad. v. wetens., XIIde deel, 3de stuk, 1861.
  25. ↑ Op den eigenlijk gezegden "olifants-dans" komen wij later terug.
  26. ↑ Houel en anderen.
  27. ↑ Cripps, aangehaald door tennent, verhaalt van een' pas gevangen olifant, die, naar het dorp gebragt wordende, zich eensklaps hield als kon hij niet meer voert, en nederviel, zonder eenig uitwendig teeken van leven meer te geven. Na vruchtelooze pogingen om hem weder te doen bijkomen, ontdeed men den gewaanden doode van zijne strikken en verwijderde zich. Eenige schreden voortgegaan hoorde men hem trompetten, ijlings opstaan en de vlugt nemen naar het woud. Is echter deze krijgslist geheel oorspronkelijk bij hen of weder nabootsing? Immers wordt door meerdere schrijvers opgegeven, dat de olifant inderdaad meermalen onderhevig is aan eenen plotselingen dood. Bij pas gevangenen neemt men dit niet zelden waar, en noemt dit "het breken van hun hart."
  28. ↑

    O Chief! Chief! We have come to kill you!
    O Chief! Chief! Many more will die besides you!
    The God's have said it!

    Livingstone
  29. ↑ Eene wijziging is, dat men soms de uiteinden zoo smal maakt, dat de olifant zich daarin niet kan omkeeren.
  30. ↑ In Siam wil een der ambassadeurs van Frankrijk, — de ridder chaumont, — voor een paar honderd jaren een dergelijke drijfjagt hebben bijgewoond: " waarbij bij de 47,000 mannen in de bosschen of op de bergen een kring (NB.) in 't vierkant hadden geslagen van 26 mijlen in 't lang"!
  31. ↑ Dit herinnert mij aan eene wijze, waarop de Indianen van Guyana hunne pas gevangen, onhandelbare apen temmen, namelijk door hen op te hangen in den rook!
  32. ↑ "Nothing in nature, not even the bloody chase of the wale, can afford so vivid an illustration of the sovereignty of men over brute creation, even in its most stupendous embodiment."