Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/Het landschap

Uit Wikisource
Het landschap (1862) door Frederik Willem van Eeden
'Het landschap,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 207-221 en 225-240. Dit werk is in het publieke domein.
[ 207 ]
 
 

 

I

 

Drie verschillende toestanden kenmerken de betrekking van den mensch tot de natuur. — De mensch in zijne grootste ruwheid, slechts levende om te eten, te drinken en zich te vermenigvuldigen, die alles, wat het vervullen dier behoeften in den weg staat, eene doodelijke vijandschap heeft toegezworen, deze mensch is geheel in de magt der natuur, — is slaaf der natuur.

Wanneer de eerste behoeften des levens vervuld zijn en de mensch door zijn arbeid de magt van honger en gebrek voor een wijl heeft weten te beteugelen, dan worden deze vijanden vervangen door eene niet minder geweldige vijandin, de verveling; — en de zucht naar afleiding, naar nieuwe genietingen begint zich te openbaren. De mensch ziet rondom zich om voedsel te vinden voor zijne weetgierigheid en stof voor meerderen arbeid; hij leert de natuur beter kennen en die kennis toepassen in zijn dagelijksch leven. Hij sluit een verdrag met zijne vijanden en zijne hartstogten en begrijpt de waarde van matigheid, orde en vrede. In dit tijdperk is hij bondgenoot der natuur.

Als echter de werkkring der gedachten zich uitbreidt en de mensch inziet, dat zijn bondgenootschap met de natuur slechts eene tamelijk goede orde van zaken doet geboren worden en zijn rusteloos streven slechts ten halve voldoet; als daarenboven de nood hem dwingt, telkens [ 208 ]nieuwe en rijkere bronnen van bestaan te vinden voor zich en zijn geslacht, dan dringt hij met een wakker oog tot in de geheimste schuilhoeken van zijn bondgenoot. Hij leert inzien, hoe hare meest uiteenloopende verschijnselen een en hetzelfde karakter hebben en hij den grootsten invloed op haar kan uitoefenen, wanneer hij zijne plannen grondvest op hare wetten. Werkingen, die oppervlakkig bijna niet te bespeuren zijn, weet hij met honderdvoudige kracht te voorschijn te roepen, leemten aan te vullen, overtolligheden weg te nemen en de natuur zelve dat te laten verrigten, waartoe zij hem vroeger slechts eene sobere medewerking verleende. De natuur volgt gedwee de teugels van zijn zacht en verstandig bestuur, en, schijnbaar vrij, beweegt zij zich geheel in den kring, dien hij haar heeft afgebakend. De mensch beschouwt haar nu als een minder wezen, eene blinde magt, die hij zich onderwerpen moet; de aarde verkrijgt een nieuw aanzien, en er ontstaat een oneindige rijkdom van voortbrengselen, de gewrochten van kunst en vernuft, die van de overige natuur slechts daarin verschillen, dat zij door tusschenkomst van den mensch zijn te voorschijn geroepen. De natuur verrigt nu het werk des menschen en de mensch is haar magtige gebieder, — zoo hij waarlijk groot is, ook in haar hoofdkwartier, zijn eigen hart.

Nergens vinden wij deze drie toestanden treffender uitgedrukt dan in het uitwendige gewaad der natuur, in het landschap, het levende beeld, dat ons haar in haren schoonsten rijkdom vertegenwoordigt.

Het landschap is een beeld der natuur, voortgebragt door den indruk van den bodem, den plantengroei en het water, die ons omringen. Naakte rotsen, woestijnen en steppen, oorspronkelijke wouden en de onafzienbare zee zijn de zuiverste uitdrukkingen dezer drie factoren en als 't ware de grondstof, waaruit het landschap is geformeerd. Elk dezer factoren kan echter op verschillende wijze werkzaam zijn. Van daar eene ontzaggelijke verscheidenheid in de tafereelen, die door hunne zamenwerking ontstaan. Al naarmate een hunner de overmagt boven de beide andere bezit, zien wij in het landschap een ander karakter, zoodat wij in het geheel drie hoofdkarakters kunnen aannemen, die op den beschouwer een verschillenden indruk maken. Vooreerst de bergstreken, heuvellanden en vlakten, waar de bodem met [ 209 ]zijne verheffingen den grondtrek uitmaakt en den horizont met zijne hoekige, golvende of regte lijnen teekent; — daarna het boschachtige land, waar de plantengroei het hoofdbestanddeel is en het uitzigt door donkere boomvormen wordt gesloten, en eindelijk de zeestranden, meren en groote rivieren, waar het water zijne overmagt doet gelden. Hoewel elk dezer hoofdkarakters zijne eigenaardige schoonheid bezit, vormen zij toch bij gelijke zamenwerking het volkomenste beeld.

De bergen vertoonen, naarmate zij van verschillenden oorsprong en zamenstelling zijn, ook verschillende gedaanten. Zoo vinden wij den majestueuzen koepelvorm bij de trachietbergen, lange ruggen met kegelvormige toppen bij het basalt, terwijl het kalkgesteente die scherpe, loodregte en zonderling getakte rotsen vormt, die ons in de verte aan reusachtige bouwvallen doen denken.

De altijd groene pijnboomen geven donkere tinten en scherpe omtrekken, — de boomen met afvallend loof vertoonen meer ronding en helderder kleur. In een eikenbosch staan de boomen op eenigen afstand van elkâar in zelfstandige ontwikkeling en laten daardoor het kreupelhout vrij spel; terwijl in beukenwouden bijna geen kreupelhout en in de donkere dennenbosschen geen gras kan opschieten.

Het water doorstroomt het landschap in breede rivieren of daalt van de heuvels in kleine beekjes, die hier en daar melkwit tusschen het geboomte schitteren en zich in de diepte verliezen. Het rust als een spiegelglad meer tusschen blaauwe bergen of grijze en groene rotsen of valt met hevig geraas als een breed gordijn in lager bedding.

De bodem, de plantengroei en het water zijn de blijvende kenmerken van het landschap, in onderscheiding van die, welke slechts eene tijdelijke en afwisselende waarde bezitten en die wij daarom veranderlijke kenmerken kunnen noemen. Deze zijn de wolken, de kleuren, de dieren, de jaargetijden, — vlugtige verschijnselen, welke het geheel verlevendigen en voltooijen, zonder evenwel meer dan eene ondergeschikte rol te spelen.

Groot is de invloed van het uiterlijk voorkomen der natuur op het menschelijk gemoed en wij allen worden in onze gedachten en handelingen min of meer geleid door de stemming, die onze omgeving in [ 210 ]ons heeft opgewekt, — de stoffelijke mensch onbewust, de denkende dikwijls tot zijne verwondering en beschaming. Het leven der menschen is met dat der natuur zoodanig ineengeweven, dat elke storing daar buiten eene storing in zijn gemoed teweeg brengt. Is de natuur in evenwigt, zijn hare verschijnselen in zachte overeenstemming, dan gevoelt de mensch zich behagelijk en hij noemt de uitdrukking der natuur schoonheid. Zoo vormen de drie blijvende kenmerken van het landschap bij harmonische zamenwerking een geheel, dat ons gemoed aangenaam aandoet; — maar naarmate een hunner het landschap min of meer beheerscht, is het evenwigt en ook onze gemoedsrust verbroken.

Verplaatsen wij ons in eene woeste bergstreek, in een breed en diep dal, waar zonderling gevormde rotsen dreigend overhangen en waar de oneffene bodem, zonder boom noch plant, zonder een enkel grasscheutje, alleen met groote en kleine steenblokken bezaaid is, als had daar eene geweldige instorting plaats gehad. Hier overvalt ons eene angstige huivering; er is niets dat aan onze zucht tot leven en genot te gemoet komt; wij zien de doode, koude aarde, en ook in ons binnenste is het verlaten en eenzaam.

Maar wanneer door datzelfde oord een bergstroom met woedende snelheid voortjaagt en de menschelijke stem schier onhoorbaar maakt door zijn donderend geweld; wanneer op de toppen en langs de hellingen der rotsen de spitse gedaanten der pijnboomen over den afgrond hangen en donker tegen het graauwe luchtruim afsteken, dan vervullen ons bewondering en ontzetting; het verhevene verheft ook ons gemoed, en wij noemen het landschap romantisch.

Neerdrukkend en vernietigend is de eerste indruk van een oorspronkelijk woud der keerkringen, waar de boomstammen in ontzettende wanorde als zuilen in eene onmetelijke kerk omhoog rijzen, terwijl een nevelachtig waas het uitzigt belet, en het digte dak van meestal dikke lederachtige bladeren het zonlicht buiten sluit en alles in een geheimzinnig halfdonker hult. Bij de gansche afwezigheid van al het menschelijke, hebben die reuzenstammen iets menschelijks, iets bezields, dat hen nog huiveringwekkender maakt. De kruip- en slingerplanten, die hen tot verstikkens omklemmen, vertoonen iets hatelijks, iets dierlijk-egoïstisch, en de zoele, vochtige lucht, de [ 211 ]aanwezigheid van zoo vele vreemdsoortige, niet duidelijk zigtbare voorwerpen, waarvan het onzeker is, of zij van plantaardigen of van dierlijken oorsprong zijn, dit alles vervult ons met onrust en angst; wij gevoelen ons in pijnlijke afhankelijkheid en gevangenschap en zoeken reikhalzend een uitweg uit dit heiligdom der plantenwereld.

Hoe verandert deze stemming, wanneer wij op eene opene plek in dat woud een breeden stroom zien, ingesloten door den donkeren boschrand en waarin zich een sierlijk overhangende palmboom spiegelt. Hier uit zich weder het verhevene, maar kalmer, plegtiger dan in de romantische bergstreken. Ginds treft ons het scherpe en hoekige der vormen, de tegenstelling van horizontaal en verticaal, zigtbaar in den loodregten stand der rotsen tegen den bodem en van de stammen der pijnboomen tegen hunne takken; hier is alles meer gewelfd, meer door kromme lijnen begrensd, in zachte tegenstelling met het watervlak; ginds valt de naauw ingesloten stroom met hoekige wendingen van rots op rots, hier vliet hij in breede bedding met kleine golfjes geleidelijk voort. Ginds wekt de natuur tot krachtige werkzaamheid, hier bezielt zij den mensch met vromen ernst en voert hem tot stille overpeinzing. Bij het oorverdoovend geraas van den bergstroom worden helden gevormd, volken bewogen en koningrijken gesticht, bij het plegtig ruischen der breede rivieren ontwaakt het godsdienstig bewustzijn en leidt tot aanbidding van hoogere, alles besturende magten. Ginds is de plaats van hercules en theseus roem, hier zien wij sakontala met hare vriendinnen in het heilige woud.

Niet minder dan tusschen de kale rotsen of in het digte woud overvalt den mensch een gevoel van sombere verlatenheid in de barre steppen, woestijnen, moeraslanden en heiden, waar niets dan de vale bodem en de onmetelijke hemel het oog mag treffen. De onvruchtbaarheid en onbewoonbaarheid dier streken, de oneindige ruimte, die hem omgeeft, het gemis van alle voorwerpen, die aan den mensch herinneren, doet hem zijne minderheid en afhankelijkheid tegenover de natuur gevoelen. In deze streken beseft hij, dat eene vijandige magt hem elk oogenblik met dood en vernietiging bedreigt. Nergens vindt hij eene schuilplaats om de woede der stormen en onweders [ 212 ]of de brandende hitte der zon te ontgaan, en met koning lear kan hij op de barre heide uitroepen:

Here I stand your slave,
A poor, infirm, weak and despis'd old man!

Met diep ontzag erkent de eenvoudige mensch in de oorspronkelijke natuur zijne afhankelijkheid, en de magt, die hij niet kan ten onder brengen, wordt zijn god. Hij heeft de verbazende krachten nog niet leeren kennen, die in hem sluimeren en waarmede hij de vreeselijkste werkingen der natuur kan trotseren en hij zoekt buiten zich, wat hij, bij een volkomen zedelijk bewustzijn, in zichzelven zou hebben gevonden. Zijn leven is een natuurleven, eene slavernij onder de verschijnselen, die hem omringen. In dien toestand wacht hij zich wel, het landschap en zijne overleveringen te veranderen of te hervormen. De natuur is hem een heiligdom; hare wouden mogen niet worden omgehouwen, want zij zijn de tempels ter aanbidding der geesten en hoogere magten, die in de ontoegankelijkste bergstreken hunne zetels op aarde hebben gevestigd. De mensch leeft van de vruchten der boomen, van jagt en vischvangst; hij weidt zijn vee op de grazige heuvels; maar het landschap blijft in denzelfden toestand, en de mensch is als het dier, slechts een voorwerp van ondergeschikte waarde, een afhankelijk deel der natuur.

Naauwelijks echter kiest de mensch eene vaste woonplaats, naauwelijks heeft hij van de eerste gezaaide graankorrels een rijken oogst verkregen, of de eerste schrede is gedaan tot zijne ontwikkeling en tot die hervorming van het landschap, waarvan ons werelddeel over zijne geheele oppervlakte de blijken draagt. De wouden maken allengs plaats voor eentoonige akkers, de stroomen dienen als middel tot vervoer en tot beweging van molens; de boomstammen worden tot huizen zaamgevoegd of uitgehold tot vaartuigen, de eerbiedige bewondering voor de natuur maakt plaats voor eene zekere vertrouwelijkheid. Was de mensch in zijn eersten toestand onder den invloed der natuur, thans doet zich zijn invloed op haar gevoelen.

Aan den zoom der wouden en op de hellingen des heuvels ziet men nu eenvoudige woningen; de golvende lijnen van het oorspronkelijke [ 213 ] landschap worden afgewisseld door de regtlijnige, scherp begrensde omtrekken van het werk des menschen. De natuur heeft een deel van hare regten aan den mensch afgestaan en de mensch eischt van haar niet meer dan hij voor zijne instandhouding noodig heeft. Zulk een zamenzijn kan eeuwen zonder verandering duren en na langen tijd is het, of beide partijen tot één geheel zijn zamengesmolten, gelijk twee hoog bejaarde echtgenooten, die door het langdurig zamenzijn elkander sprekend gelijken.

Er zijn in de landelijke dalen van Normandië kleine, stille afgelegene dorpjes, wier graauwe huisjes zoo natuurlijk rondom den eerwaardigen, beschermenden kerktoren zijn geschikt, en die het voorkomen hebben als waren zij tegelijk met de heuvels en de boomen door de natuur voortgebragt. De groen en graauw bemoste daken zijn digt met huislook en andere wilde planten begroeid, terwijl breede zoden van Iris de dakvorsten van het eene einde tot het andere bedekken, en in het voorjaar de daken met hare duizende groote blaauwe bloemen versieren. In zulk een landschap ziet men eene aangename overeenstemming tusschen natuur en mensch, eene vreedzame verbroedering, die kalmte geeft aan het gemoed. Staat het landschap in zijn woesten, oorspronkelijken vorm magtig boven den mensch of dreigend tegenover hem, hier heeft het eene gemengde uitdrukking. De idyllische natuur is in de plaats gekomen van de romantische.

Hoewel de bergen, de plantengroei en het water hun karakter niet verliezen, moeten zij in het idyllische landschap een gedeelte van hun invloed aan de ondergeschiktere kenmerken afstaan, omdat deze eene naauwere betrekking hebben tot den mensch en zijne huishouding. Van daar een grootere rijkdom, eene bevallige en lagchende afwisseling. Zagen wij straks de forsche tafereelen van salvator rosa, claude lorrain en ruysdael, hier aanschouwen wij de bezielde landschappen van berchem, hobbema en poussin. Bernardin de st. pierre schildert ons het idyllische landschap in zijne eerste wording, waar hij de woonplaats van paul en virginie aldus beschrijft:

"Les ravins bordés de vieux arbres inclinés sur leurs bords formaient des souterrains voûtés, inaccessibles à la chaleur, où on allait prendre le frais pendant le jour. Un sentier conduisait dans un bosquet d'arbres [ 214 ]sauvages, au centre duquel croissait à l'abri des vents un arbre domestique chargé de fruits. Là était une moisson, ici un verger. Par cet avenue on apercevait les maisons; par cet autre les sommets inaccessibles de la montagne."

Vooral de invloed der jaargetijden en van de luchtsgesteldheid, die voor den landbouw van zoo veel gewigt is, doet zich in het idyllische landschap gelden. Het zachte groen der lente, de donkere volle tinten van den zomer, de veelkleurige herfst en de vale winter hebben hier grooter beteekenis dan in het woeste gebied der natuur. De rozenroode gloed, waarin de besneeuwde toppen der bergen bij het morgen- en avondlicht schitteren, de digte nevel, die hun voet onzigtbaar maakt, het blaauwe verschiet in de vlakte, het gezang der vogelen en het gegons der bijen, dat alles maakt oneindig dieper indruk, wanneer menschelijke woningen zich daarbij vertoonen en wij akkers, weiden en boomgaarden zien. Eene zachte overeenstemming heeft dan den mensch aan de natuur en de natuur aan den mensch verbonden.

Maar de natuur is een trouwelooze bondgenoot en vergeet niet ligt de vernederingen, die haar zijn aangedaan, door de diensten, welke de mensch, in zijn arbeid, van haar heeft geëischt. Zij tracht zich te wreken door overstroomingen, bergvallen, aardbevingen, vulkanen en stormen, — en de liefelijke idylle wordt droevig gestoord. Maar de mensch heeft meer en meer zijne krachten leeren kennen en gaat moedig en onbezweken met zijn arbeid voort. Nu hij zijn bondgenoot begint te wantrouwen, wordt hij sterker dan ooit. Hij maakt dijken tegen de zee en droogt meren en moerassen uit tot vruchtbaar land. Hij legt effene wegen door de ontoegankelijkste bergstreken, hij doorboort de dikste rotsen en overschrijdt de breede rivieren met zijne vermetele bruggen. Hij bant de natuurverschijnselen in hunnen kring of maakt ze onschadelijk. Hij stelt zich gewapend tegenover hen om hen bij elken aanval met de telkens vermeerderende wonderen van zijn vernuft telkens dieper te vernederen. Het bondgenootschap is verbroken, en de mensch is nu de heerscher en spot met de vruchtelooze woede, waarmede de natuur, als een koppig lastdier, het gareel wil vernielen.

Allengs heeft zich deze periode ontwikkeld en met haren [ 215 ]vooruitgang vervalt meer en meer de oorspronkelijke natuur, die eenmaal over het menschelijk geslacht heerschappij voerde. Ons vaderland is eene van hare schoonste overwinningen, een gedenkteeken van 's menschen zegepraal over de magt des waters. Ons land is een kunstland; de natuur draagt hier een menschelijk gewaad. En ook dit landschap is in zekeren zin schoon. Onze landschapschilders hebben het begrepen en hun roem is ons een waarborg daarvoor. Wij ergeren ons niet, wanneer de mensch de hem omringende natuur omwerkt en herschept om er het meeste voordeel van te genieten. Integendeel, onze polders, doorsneden met regtlijnige wegen en kanalen, beplant met lange reeksen van ijpen of wilgen, omzoomd door boschjes, hooischelven en kerktorentjes, hebben niets terugstootends. Zij spreken alleen van gezond verstand en welberekend eigenbelang. Er is niets doelloos in, al heeft het geheel ook weinig verheffing.

Eenvoud en klaarheid kenmerken het Nederlandsche landschap, dat, meer dan wij begrijpen kunnen, den vreemdeling boeit. Een kronkelend riviertje, in ongelijke groepjes omzoomd door het teedere doorzigtige riet; hier en daar een knotwilg of eene opene plek, waardoor de weide en het vee zigtbaar worden; in het verschiet een paar boerenwoningen, een popelboschje, een molen, een ophaalbrug, een turfschip en een hengelaar, en achter dit alles het licht der ondergaande zon of der opkomende maan; eene heldere lucht met kleine wolkjes, ziedaar een uitsluitend Nederlandsch tafereel. Hier heerscht noch weemoed noch ontzetting, maar onverstoorbare kalmte. Alles is gelijk aan den aard des volks, prozaïsch en alledaagsch. De afwezigheid van het doellooze, overdragtige werkt aangenaam op het gezond verstand, en vooral voor hem, die zich aan het romantische heeft overladen, zijn zulke landschappen onwaardeerbaar.

Moeten wij evenwel altijd in zulk eene omgeving blijven, dan zal ons schoonheidsgevoel meer en meer verkwijnen, onze opvattingen worden nuchter, plat, dikwijls gemeen, — en de meeste onzer kunstwerken zullen daarvan de blijken dragen. Daarom is het vooral voor den Nederlander van groot belang, dat hij zich niet in zijn zelfgenoegzaam proza opsluit, maar ook de meer verhevene schoonheid van andere streken leert kennen en waarderen.

[ 216 ]Ons landschap kan zich niet dikwijls tot het idyllische, den laagsten trap van de dichterlijke uitdrukking, verheffen. Zelden ziet men hier, dat de mensch met de hem omringende natuur als het ware een innig verbond heeft gesloten. Welgewapend met zijne molens, goed verschanst achter zijne dijken, staat hij eer vijandig tegenover haar. Slechts in enkele toestanden verkrijgt ons landschap eene meer dichterlijke tint.

Ook wij kennen de poëzie van het besneeuwde landschap. De boomen, tot op hunne kleinste takjes met een witten rand voorzien, hebben dan iets van kunstboomen, de woningen, met hetzelfde kleed bedekt als de omringende landerijen, met de grillige ijskegels aan hare daken, zien er uit als waren zij een deel der natuur, — natuurhuizen. — Vandaar eene toenadering tusschen huizen en boomen, tusschen natuur en mensch. De struiken en heesters verkrijgen door de dikke laag sneeuw, die hen in al hunne vormen bedekt, een wonderbaar gevuld aanzien, dat bij de herinnering aan hunne vorige kaalheid aangenaam afsteekt. Als de zon bloedrood achter die besneeuwde boschjes te voorschijn komt, en de plegtige stilte slechts nu en dan wordt afgebroken door een eenzamen vogel, die groote sneeuwvlokken van de takken schudt, dan gevoelen wij eene opwekking tot die kalme stemming des gemoeds, die de stormen des levens doet bedaren en door kinderlijk natuurgenot vervangt.

Niet minder wordt ons dit genot gegund, wanneer de kalme glans der maan zooveel prozaïsch en nuchters verbergt en alleen de hoofdvormen doet uitkomen; wanneer de nacht

is but the daylight sick.
It looks a little paler: 'tis a day
Such as the day is when the sun ds hid.
(Shakspeare, Merchant of Venice.)

Het maanlicht veroorzaakt, even als de sneeuw, eene verbroedering tusschen natuur en mensch. Het maanlicht heeft, gelijk alle weêrgekaatst licht, eene geheimzinnige aantrekkelijkheid, en brengt ons in eene kalme, half beschouwende, half fantazerende stemming. Het neemt de hardste tegenstellingen weg, maakt de omtrekken minder [ 217 ]duidelijk, doet die ineensmelten door zwakke verlichting en donkere schaduw, en brengt zoo meer ronding, meer verheffing in onze platte natuur.

Ook wanneer het licht der zon bij haar opkomen nog getemperd en beneveld is door den lageren dampkring, heeft dat licht eene eigenaardig schoone uitwerking, die nog verhoogd wordt door de verlichting van beneden naar boven, waardoor de voorwerpen der natuur een frisch en levendig aanzien verkrijgen en het groen jeugdiger schijnt, omdat de helderder gekleurde ondervlakten der bladeren dan het meest in het oog vallen. Hierop berust ook de aangename uitwerking van eene illuminatie in het groen.

Even als teruggekaatst of getemperd licht ons aangenamer aandoet dan het felle daglicht, evenzoo boeijen afbeeldingen ons dikwijls meer dan de dingen, die zij voorstellen, lezen wij liever een tragedie dan er een te beleven en nemen ook dikwijls de symbolen der waarheid voor de waarheid zelve. Ook de schoone kunsten veroorzaken eene verbroedering tusschen mensch en natuur, een idyllisch-passieven toestand. Afbeeldingen geven vaak verkeerde voorstellingen, maar zij wekken ook aangename gewaarwordingen, en nog gevoelen wij ons geheimzinnig aangetrokken tot de landschappen op de eigenaardige grove houtsneêplaatjes in de folianten van vorige eeuwen, die ons in onze jeugd reeds geboeid hebben. Die zonnen met menschenaangezigten en scherp geteekende straalkransen, die geharceerde luchten, die wollige, volle boomen, zij spreken van eene andere, eene droomwereld, waarin wij, gelijk in den maneschijn, gaarne eenige oogenblikken omdwalen.

Het Nederlandsche landschap, dat zich slechts zelden en in bijzondere toestanden, zooals bij sneeuw en maanlicht, van eene volslagene nuchterheid tot het idyllische verheft, bereikt nog zeldzamer dien trap van schoonheid, waardoor de romantische natuur wordt gekenmerkt. Slechts op onze heiden zou onze stemming iets weemoediger kunnen worden en nu en dan, bij storm of onweder, zelfs in onrust, vrees en ontzetting overgaan. Maar toch zouden de heksen uit den Macbeth zich daar niet te huis gevoelen, want zij verlangen digte nevels om zich en zwarte rotsen en over het algemeen den somberen [ 218 ]graauwen hemel, die de Schotsche hooglanden zoo vaak bedekt. De meest verhevene, maar ook verschrikkelijkste vertooning, die onze natuur maakt, heeft plaats, wanneer zij, gelukkig bij uitzondering, ons nog hare laatste trekken speelt en ons leert, dat wij met ons vernuft en onze ontwikkeling nimmer moeten stilstaan; — wanneer onze dijken, door ijsschotsen geperst en gebeukt, de immer zwellende stroomen niet kunnen tegenhouden en het land in eene zee veranderd wordt, eene ijszee, waarmede de toppen der boomen en de daken der woningen eene akelige tegenstelling vormen. Dan zou men kunnen zeggen, dat er een romantisch waas over het landschap komt, ja zelfs dat het anders zoo nuchtere volk, van de grootsten tot de geringsten, door dichterlijk gevoel schijnt bezield.

Wanneer wij den invloed van het karakter der natuur op dat van den mensch nagaan, dan zien wij bij de bewoners van trotsche en weelderige landstreken meer neiging tot zinnelijkheid en hartstogt dan bij die van armere gewesten, en wij merken op, dat verstand en beschaving zich liefst ontwikkelen in die oorden, welke geen bijzonder natuurschoon bezitten. De wilde natuur is het gemoedsleven gunstig, eene schrale omgeving scherpt rede en vernuft.

In de woeste bergstreken van Scandinavië en Schotland, den Kaukasus en Montenegro vormden zich krijgshaftige, wreede natiën, wier poëzie bestond uit zegezangen en verdelgingskreten, wier godsdienst bloeddorstige dapperheid was. Vreedzaam en meer beschouwend, maar ook gloeijend en fantastisch uitte zich eenmaal het dichterlijk gevoel in de paradijsachtige natuur van Hindostan, en loste zich, afkeerig van onderzoek en studie, in de erkentenis op, dat het beter is, niet te zijn dan te zijn, gelijk de poëzie van byron, die ons leven "a false nature' noemt.

Geheel tegenovergesteld was de invloed van de opene, schrale natuur van China, die door een gematigd of ruw klimaat en armoede aan bosschen is gekenmerkt. Daar ontwikkelde zich eene hooge mate van vernuft en kunstvlijt, en alleen eene eeuwen lange afzondering van de overige volken belette allen vooruitgang.

In de eentoonige vlakten van den Nyl en den Euphraat rezen voor vele eeuwen de eerste wonderen der beschaving op, terwijl in de [ 219 ]weelderige bergen van Abyssinië steeds ruwe negers in hutten gewoond hebben. Niet in het rijk gezegende Sicilië, maar op den steenachtigen onvruchtbaren bodem van Attica werd de eerste grond gelegd voor de alles overwinnende magt van ons werelddeel, en misschien is er een verband tusschen Italië's lagchende natuur en de vele ondeugden, die zijne anders zoo ontwikkelde bewoners hebben ontsierd. Ja zelfs thans nog ziet men, waar zich in de heerlijkste oorden der wereld een beschaafd menschenras vestigt, dit allengs achteruitgaan, in geestkracht en kennis verslappen en overgaan tot eene verdorvenheid, die erger is dan de dierlijke, maar eenvoudige natuur der wilden, Vooral de tropische gewesten zijn nog steeds moeijelijk genaakbaar voor onze beschaving. Bij den schitterenden plantengroei, bij die altijd groene landschappen ontbreekt de krachtige, zuiver gevoelende mensch. Schoonheidsgevoel en geestkracht veranderen daar in zinnelijkheid en onverschilligheid, en het spreekwoord blijft waar, dat niemand ongestraft onder palmen wandelt. Ware dit niet zoo, dan zou Java thans niet meer eene Nederlandsche, maar Nederland misschien eene Javaansche bezitting zijn. Hoe milder natuur, hoe wilder bewoners.

Hoewel het niet is uitgemaakt, of onze beschaving geschikt is voor alle klimaten en bestemd om de gansche aarde te vervullen, zien wij toch de onmiskenbare bewijzen van hare overwinnende magt. De hervorming, die wij de menschelijke periode der natuur kunnen noemen, gaat onafgebroken voort. Wie in ons werelddeel een luchtje wal scheppen in de vrije natuur, moet zich begeven naar de steppen van Rusland, de moerassen van Hongarije, de toppen der Alpen en Pyreneën, of in de eenzame fiords van Noorwegen, die huiverig kalme inhammen, waar het altijd stille water bijna geheel door loodregte rotsen is ingesloten.

Maar die vrijheid der natuur, evenals die der wildernissen in andere werelddeelen moge voor onze verbeelding iets aanlokkelijks hebben, in de werkelijkheid zou zij ons niet meer behagen, niet meer zijn overeenkomstig onze behoeften. Die vrijheid der wildernis is slechts schijnbaar en de tallooze gevaren, waaraan zij ons bloot stelt, brengen ons terug tot een gevoel van afhankelijkheid. Wordt de beschaafde [ 220 ]mensch gedwongen, in eene woeste landstreek te wonen, dan zal zijn eerste werk zijn zich vrij te maken en het landschap naar zijne inzigten te herscheppen. De mensch gevoelt zich dus alleen vrij in de natuur, die hij zich zelf gevormd heeft, evenzeer als hij slechts door eene eigene, zelfstandige overtuiging zedelijk vrij kan zijn. Onze bouw- en weilanden zijn voor ons even zoo goed natuur als de oorspronkelijke wouden voor den wilde.

Meer en meer verminderen die wouden, met de ontwikkeling van onze beschaving. De verbazende verscheidenheid van boomen en planten verdwijnt voor de uitgestrekte, eentoonige katoenvelden, koffijtuinen en graanakkers. De wilde dieren verminderen in aantal, en de lagere menschenrassen sterven uit of smelten ineen met het magtige ras, dat thans aan het hoofd staat.

Elke beschouwing der natuur is onvolledig, die niet deze periode van de werking des menschen in zich opneemt, en onze eeuw heeft het voorregt, eene innige vereeniging te zien ontstaan van de kennis der natuur met het menschelijk bedrijf. Het denkbeeld, in göthes Faust uitgedrukt, wordt werkelijkheid, en de wetenschap neemt, na eindelooze omzwervingen in het bovenzinnelijke, ploeg en spade ter hand en wordt de stoffelijke weldoenster der menschheid. De invloed van de natuur op den mensch was het onderwerp van vroegere beschouwingen; wij, kinderen der negentiende eeuw, mogen ons verheugen in het bezit van talrijke bijdragen tot eene geschiedenis van den invloed des menschen op de natuur. En gelijk eene oppervlakkige beschouwing van de natuurlijke landschappen ons reeds den aard van hunne bewoners doet vermoeden, zoo zal ook omgekeerd de gedaante der kunstmatig gevormde landschappen ons toonen, op welken trap van ontwikkeling hunne ontwerpers hebben gestaan.

Verre het grootste gedeelte der menschheid kent geen anderen prikkel tot arbeid, dan behoefte en zinnelijkheid. De hervorming, die de mensch in de natuur tot stand brengt, is dus het beeld van den honger of van de begeerte naar genot en verstrooijing. De boer, die zijn akker beploegt, is het werktuig der behoefte, de hovenier, die het edele takje ent op den wilden stam, vertegenwoordigt de zucht naar zingenot. De behoefte is eene strenge leidsvrouw en duldt geene [ 221 ]buitensporigheden. Haar invloed op de natuur moge niet strekken tot verfraaijing, zij schept niets doelloos, niets dat het gezond verstand beleedigt. Doch wanneer de weelde 's menschen drijfveer is, hangt zijne hervorming der natuur geheel af van zijn schoonheidsgevoel. Eerst wanneer wij het oorspronkelijke hebben afgebroken en tot eigen genot alles op nieuw zullen opbouwen, blijkt het, wie wij zijn en tot welken trap van ontwikkeling wij gekomen zijn. De kunstmatige landschappen, de tuinen en parken bewijzen ons de heerschappij van den mensch over de natuur; maar zij zijn ook een getrouw beeld van de wijze, waarop hij deze heerschappij gebruikt of misbruikt.

 

 
[ 225 ]
 

HET LANDSCHAP;

DOOR

F.W. van EEDEN.

(Vervolg en slot van bladz. 221.)

 

 

II.

 

Welligt zijn er, die zich nog herinneren, in hunne jeugd gespeeld te hebben op een der ouderwetsche hofjes, waarmede sommige steden onzes lands zoo ruim zijn bedeeld. Vierkante plekjes grond, ingesloten door een steenen rollaag en omringd door gele klinkerstraatjes, die zoo uitnemend geschikt waren voor het kegelspel, den kwelgeest der oude vrouwtjes. Regte of gebogene symmetrische paadjes, omzoomd met palmrandjes, verdeelden het vierkant in regelmatige figuren en in het midden verhief zich een hardsteenpilaartje met of zonder zonnewijzer. In die tuintjes bloeiden de witte lelie, de oranje lelie, de blaauwe Iris, het bakkruidje, de korenbloem, het nieskruid en de vastenavondzotjes. Aan de vier hoeken stonden vier pyramidaal geknipte palmboompjes en aan het einde een heg van donkeren Taxus, het paradijs der hofjeskatten. Wie zich deze hofjes niet meer herinnert (want niet enkel vorstenhoven vielen voor de zucht naar verandering), die heeft zich schadeloos kunnen stellen door den indruk van de prentjes van van alphen, die de moderne kritiek langer hebben getrotseerd. Die hooge, gladgeschoren hagen, die vierkante vijvers, die balustraden met hare vazen en steenen bollen, die kogelronde oranjeboomen, die riviergoden met hunne lange baarden en drietanden, zij herinnerden ons aan eene voorbijgegane wereld, eene wereld, die wij niet terug verlangden, evenmin als de symmetrische zedeleer van hare bewoners, omdat hare vormen stijf, gedwongen, somber en [ 226 ]onnatuurlijk waren, en wij spraken over hen hetzelfde vonnis uit als over de pruiken en hoepelrokken van eene bij uitnemendheid kunstmatige periode.

Dat vonnis was onbezonnen en wij vergaten daarbij, dat de zucht naar mathematische vormen, de aanleg tot symmetrie den mensch, als het ware, is aangeboren en ook de schoonste uitdrukking is van zijne rede. De plaatjes van van alphen, de ouderwetsche hofjes wijzen ons terug op een glansrijk tijdperk. De stijve vormen, die wij thans misschien te zeer verachten, zijn geene uitvinding van wansmaak en valsch vernuft. Het schoonste monument van dien stijl, het park van Versailles, bewijst ons, dat een verheven denkbeeld den ontwerper bezield heeft. De breede terrassen zijn als de voorpleinen, de allee met hare wit marmeren standbeelden is de vorstelijke zaal, de schaduwrijke met groen overwelfde paden zijn de zijgangen en het geheel is een paleis achter het paleis, even trotsch en vorstelijk als dit, maar gebouwd, niet uit steen, maar uit de levende natuur. Hier heeft de mensch gezegd: Ik zal de natuur herscheppen naar mijn beeld, ik zal in haar mijne begrippen van orde en regelmaat toepassen; ik zal toonen, dat zij is om den mensch en niet de mensch om haar. Ik zal de natuur zoodanig hervormen, dat zij alleen de decoratie is van het tooneel, waarop ik mijne rol vervullen wil en maak haar tot een achtergrond voor de gewrochten mijner kunst Hoe schoon de natuur is, — voor den mensch is niets schooner dan het menschelijke.

Zoo sprak de eeuw van lodewijk XIV, en de schoonste uitdrukking van dit denkbeeld is het werk van andré le nôtre, het park van Versailles.

In plaats van de natuur tot voorbeeld te kiezen, heeft le nôtre getracht, in zijn stijl alle overeenkomst met haar te vermijden. De omringende velden en bosschen werden zorgvuldig bedekt en door hooge muren met poorten en hekken afgesloten, als iets onheiligs en onzuivers; de oneffene grond werd gelijk gemaakt en slechts door vlakke terrassen opgehoogd. Op het hoogste terras stond het huis, alles beheerschend en op alle punten schitterend in het oog vallend. Geene overlading met bloemen, maar deftige grasperken, doorsneden met kiezelpaden, glad als kolfbanen, omringd door marmeren zitbanken [ 227 ]en versierd met prachtige fonteinen en antieke vazen, vormden het tapijt; de wanden waren glad geschoren heggen of door ruitvormig latwerk beteugeld boomgewas. De overwelfde loofgangen waren in architectonische vormen gedrongen en beantwoordden aan strenge regelen. Geen gedeelte, dat niet met een ander gedeelte overeenstemde; alles was volmaakt symmetrisch en met wiskunstige juistheid bepaald.

De stijl van le nôtre wekt tot deftigen ernst, tot vereering des menschen. Zijne parken zijn vooral schoon, wanneer zij rijk bevolkt zijn met hertogen en markiezinnen, met menschen van de oude, hooghartige aristocratie. Alleen te zijn in zulk een natuurpaleis, is even ondragelijk als de eenzaamheid in eene vorstenwoning. "Such symmetry is not for solitude", zegt byron. Nooit konden ze dan ook beter bevolkt worden dan in eene eeuw, toen geen schatten gespaard werden om er het verblijf luisterrijk te maken. In den avond van den 7den Mei 1664 heeft het park van Versailles in zijne grootste pracht geschitterd, toen alle lanen en gangen met gekleurde doorschijnende vazen waren verlicht en Chineesch vuurwerk en welriekende fonteinen overal de lucht met aangename geuren vervulden; toen talrijke genoodigden in de rijkste verkleeding dit tooneel bevolkten en de koning in zilveren wapenrusting boven allen uitblonk. Toen mogt le nôtre zijn grootsten roem inoogsten van het werk, dat honderd millioen guldens aan het rijk had gekost. Zijn stijl werd overal in het beschaafd Europa gevolgd, in Italië in de villa's Ludovisi en Pamfili, in Engeland in Greenwich- en St. Jamespark, in Nederland in de tuinen van Rijswijk, Honselaarsdijk en het Loo.

Le nôtre was echter geen uitvinder, maar de hervormer van eene overoude kunst. De Fransche tuinstijl, waarvan hij de grondvester was, is niet anders dan de uitdrukking van hetzelfde denkbeeld, dat de oudste menschengeslachten bij het planten hunner tuinen heeft bezield, maar gezuiverd van den wansmaak, dien vele eeuwen van verval daarin hadden achtergelaten. De oudste oorkonden van ons geslacht noemen de tuinen als ommuurde en afgesloten plaatsen, in tegenstelling met de omringende wildernis, in zekere orde met boomen beplant, plaatsen, waar de mensch, beveiligd voor de gevaren daar [ 228 ]buiten, rust kon scheppen en de wrange boomvruchten door zorgvuldige aankweeking tot kostelijk ooft kon veredelen.

Hoe sober is de beschrijving van het aardsche paradijs, die wij in het boek Genesis lezen. Hoe stoffelijk, hoe boersch klinkt het, dat de boomen daar goed tot spijze waren. Het is alsof de schrijver door een praktischen, huishoudelijken geest was bezield, waardoor hij vooral het nut deed uitkomen en zich het zuivere schoone zelfs een weinig schaamde. Dienzelfden geest vinden wij niet minder in de woorden van den Prediker: "Ik maakte mij lusthoven en ik plantte boomen daarin van allerlei vrucht." Wel heeft eene latere poëzie, en vooral de weelderige verbeelding van milton, in zijn "Wilderness of sweets", ons voor die soberheid schadeloos gesteld; doch het blijft waar, dat de oudste lustverblijven weinig meer waren dan vierkante omsloten boomgaarden. De tuinen der Hesperiden, een niet minder aanlokkelijk oord der oude wereld, waren diep uitgegravene vierkante ruimten, door muren omringd, waar oranjeappelen, moerbeziën, wijn, olijven en amandelen groeiden, en alleen de gloeijende verbeelding van lateren tijd dichtte ook het eenvoudige voorgeslacht eene gelijke weelde toe. Lezen wij in de Odyssee het naïve verhaal van de ontmoeting van ulysses met zijn vader, dan merken wij op, dat de boomen in laërtes tuin op rijen geplant waren en slechts uit peren, vijgen en druiven bestonden. De tuin van alcinous, koning van Phaeacië, mede in de Odyssee beschreven, had bovendien eene afdeeling voor moeskruiden en was door regtlijnige heggen ingesloten. In de oudste tijden dus zocht de mensch, in zijne hoven, beveiligd voor de gevaren der woeste natuur, te voorzien in zijne begeerte naar vruchten tot verkoeling, aromatische kruiden tot prikkeling en wijn om zijn gemoed tot vrolijkheid te stemmen. De oorspronkelijke natuur had op hem nog een overweldigenden invloed; zij dreigde hem met vele verschrikkingen en hare grootsche tooneelen vervulden hem met angst. Hij gevoelde zich in hare omgeving als in eene gevangenschap, en zijne eerste poging tot bevrijding was haar te vergeten in eene natuur, die hij zich zelf naar zijn aanleg en behoeften had gevormd. Het regtlijnige, symmetrische, dat zijne eenvoudige woningen kenmerkte, werd ook de grondslag van zijn tuinstijl en beantwoordde volkomen aan het doel. [ 229 ]Het planten van tuinen werd een onderdeel der bouwkunst en de tuin was niet meer dan een boomgaard, een bevoorregte akker. Eerst veel later, toen met de vermeerdering van het menschelijk geslacht ook de weelde toenam, lieten de grootste vorsten zich, nevens hunne paleizen, eigenlijke lusthoven maken, waarin zij, te midden van sierlijk plantsoen en schoone bloemen, in zalige rust hunne dagen doorbragten, of zich verlustigden met de jagt op allerlei wild, dat in afzonderlijk omheinde ruimten of parken werd verzameld of aangefokt. Bij den aanleg dier waranden vertoonden zich van lieverlede twee verschillende rigtingen, die wij de menschelijke en natuurlijke, of met eene in onze eeuw veelgeliefde uitdrukking, de regtzinnige en de liberale rigting kunnen noemen. De eerste verving de vruchtboomen en moeskruiden door sierboomen en heesters, maar behield de oude symmetrie, bleef die getrouw tot in de kleinste bijzonderheden en maakte den tuin geheel in overeenstemming met het huis, de tweede trachtte den wilden rijkdom der natuur na te bootsen, verbande de symmetrie en vormde het grootste contrast met de strenge regelen der bouwkunst, De eerste rigting ontwikkelde zich in het oude Egypte en had daar, twintig eeuwen vóór onze tijdrekening, reeds een hoogen trap van volmaaktheid bereikt. Uit Egypte werd zij waarschijnlijk naar ons werelddeel overgebragt, voornamelijk bij de Romeinen en verspreidde zich later met de literatuur en de regtspleging van dit volk over het noorden en westen. De natuurlijke rigting werd gevolgd in Azië, vooral in China, in Syrië en Perzië.

De Grieken hechtten in hun schoonste tijdperk weinig waarde aan tuinen. Toen de bouw- en beeldhouwkunst bij hen het toppunt van bloei hadden bereikt, werd aan de verfraaijing van lust- en wandelplaatsen slechts geringe zorg besteed. Bij hun streven naar een zuiver menschelijk ideaal, zagen zij de overige natuur voorbij, die trouwens weinig indruk maakte op hun gemoed. Het genot, dat zij in hun aardsch paradijs, de vallei van Tempe, smaakten, werd minder opgewekt door het schoone der natuur, dan wel door de overleveringen, die aan dat oord waren verbonden. Eerst eene grootere weelde voerde de Romeinen tot die overdaad in architectonische versierselen, beelden, vazen, fonteinen, fraaije steenen en mozaïekwerk, die in hunne [ 230 ]villa's bijna geen schaduw der natuur overlieten. Toen ontstond ook de zucht om de boomen in regelmatige vormen en figuren te leiden, en in de beschrijving, die ons van plinius landgoed is overgebleven, zien wij het model van den lateren Franschen stijl. Alleen de villa Tiburtina van hadrianus en de Domus aurea van nero maakten eene uitzondering op den heerschenden smaak. Tacitus verhaalt, dat nero een huis bouwde, niet met versierselen van goud en paarlen, zoo gewoon in alledaagsche pracht, maar gelijk eene wildernis, met lanen en vijvers, met boschjes, opene plaatsen en vergezigten. Wij zien hieruit, dat democratische en tyrannieke beginselen kunnen zamengaan.

De regelmatige stijl, die bij de Romeinen heerschte, werd door de Italianen der middeneeuwen gevolgd en, door noordelijken wansmaak niet verbeterd, in Frankrijk. Engeland en ook in ons land ingevoerd, waar zij, vóór de hervorming door le nôtre, algemeen in zwang was.

Het park van Nonesuch, het vorstelijk lustverblijf van hendrik VIII en in zijn tijd het prachtigste van Engeland, moet veel overeenkomst gehad hebben met een kinderbouwspel of een kabinet van zeldzaamheden. Groote pyramiden of bekkens van marmer, bronzen groepen van Apollo. Diana, satyrs en andere mythologische personen, en van leeuwen, beeren en tijgers, hier en daar een pyramidaal of tot een gedrochtelijk beeld geknipt palmboompje tusschen de monumenten en eindelijk een echo en zes syringenboomen rondom eene fontein. Deze stijl doet ons denken aan de tuintjes in de Zaanstreken, waardoor ons land eene buitenlandsche vermaardheid verkregen heeft. En werkelijk waren deze uit dezelfde periode afkomstig. Nog vinden wij het dorp Broek in Waterland vermeld in alle buitenlandsche "Guides", nog moeten wij steeds den spot van het buitenland verduren om onze tuintjes met zeldzame steentjes en glaskoralen omboord, met plankjes in de paden, met hunne paarden en koetjes, draakjes en doolhofjes van geknipten palm. Die stijl, dien de buitenlanders den oorspronkelijken Nederlandschen hebben genoemd, is niet anders dan de oude tuinstijl vóór le nôtre, de stijl der Romeinen, Italianen en van het park van Nonesuch, die door ons uitgebreid handelsverkeer met Italië reeds kort na de middeneeuwen hier werd ingevoerd. De Nederlanders hadden alleen dit oorspronkelijke, dat zij dien stijl in het uitvoerigste [ 231 ]miniatuur toepasten. De oorzaak hiervan ligt niet zoozeer in een zonderlingen kunstzin, gelijk die der Chinezen, als wel in den invloed van een klein en digt bevolkt land op de individuële ontwikkeling zijner bewoners, wanneer deze, na een stoffelijk arbeidzaam leven, zich in stille rust nederzetten om den verkregen rijkdom te genieten. De Nederlanders hebben veel aanleg, meer algemeenen aanleg zelfs dan eenig volk ter wereld, en zij kunnen groot worden, wanneer zij hun vaderland alleen gebruiken tot een pied à terre. — Maar sluiten zij zich op in hunne kleine omgeving, dan krimpen zij ineen als de beelden in een tooverspiegel en behouden alle eigenschappen in mikroskopischen zin. — Laat ons dan op onze groote zwervers zien, op een erasmus, een agricola, een grotius, een de ruyter, een bilderdijk en zoo vele anderen, en hopen, dat wij, bij onzen roem in het uitvoerige, onzen grooten aanleg niet zullen vergeten.

Bij het Italiaansche en middeneeuwsche poppenspel was de stijl van le nôtre werkelijk eene groote verbetering, hoe gedwongen en stijf die ons thans ook moge schijnen. Le nôtre heeft het eerst de tuinen van de overtollige monumenten en versierselen der kunst gezuiverd. Hij heeft de voorwerpen der natuur meer invloed gegund, meer tot de grondstof van zijn werk verheven, al gaf hij die stof ook vormen, die voor het doode marmer en graniet berekend zijn, maar niet voor het altijd vrije en werkzame plantenleven. — De boomen maken bij hem den achtergrond en de hoofdvormen van zijn meesterstuk uit, als lanen, loofgangen en heggen, zijne wandelpaden zijn breed en niet door overlading met bonte rijen van onovereenkomstige voorwerpen ontsierd. Zijne zitbanken en standbeelden mogen te veel aan den mensch herinneren, zij storen ons schoonheidsgevoel niet: zij hebben niets kleingeestigs, maar passen juist in hunne omgeving. De wit marmeren groepen in het park van Versailles vormen zelfs eene aangename tegenstelling, wanneer men hare schoone vormen van de overzijde tegen het donkere groen zoo zuiver ziet afgeteekend. Zijne fonteinen vooral zijn prachtig en op juist gekozen plaatsen aangebragt. Een grootsche fontein in een regelmatig park, de fonkelende in nevel vervliegende stralen bij het zuivere groene gras en de statige boomrijen, geven een indruk, die de bevalligste beelden der vrije natuur [ 232 ]trotseert. Reeds in het zooveel kleinere park te Brussel kan men dien verheven indruk ondervinden en onbewust iets beseffen van de groote waarheid, dat de gansche natuur niets is tegenover den mensch in zijne hoogste volmaaktheid.

Maar de schitterende periode van den Franschen stijl is voorbijgegaan met al de deugden en ondeugden van zijne vereerders. De gladgeschoren hagen werden ruig boomgewas, de standbeelden vielen om, de vijvers vermodderden; slechts hier en daar treurt nog een bemoste riviergod om den val der oude aristocratie. Alleen Versailles is gebleven, — een gebalsemd lijk!

Ook de kunstlandschappen zijn het tooneel geweest van omwentelingen, die haar ontstaan aan dezelfde oorzaken te danken hebben als die, welke het leven der volken en de opvattingen in kunst en wetenschap veranderden. Monarchiën maakten plaats voor volksregering, het stelsel van linnaeus werd door het natuurlijk systema overschaduwd, de tragedie moest wijken voor hare schitterende zuster, de opera, en de klassieke poëzie werd verzwolgen in eene zee van romans. Ook het park van Versailles zou zijn lot niet ontgaan zijn, wanneer het niet door de zeldzame kloekmoedigheid van den architect leroy was behouden gebleven. Toen het bewindvoerend gemeen dit prachtig gedenkstuk als nationaal eigendom wilde verkoopen, was hij het, die voorstelde om het paleis te bewaren voor nationale instellingen en de gronden voor vrucht- en moestuinen ten behoeve des volks. Dit voorstel werd aangenomen; sommige gedeelten van het park werden beplant met appelen, andere met aardappelen en de republiek was tevreden. Hoe zeer leroy aanspraak maakt op bewondering, kunnen zij vooral beseffen, die weten, hoeveel aanlokkender het is, te vernielen dan op te bouwen.

Een andere geest bezielde de kunst en het is zonderling, dat die omwenteling in het aanleggen van tuinen uitging van de vormelijkste en regtzinnigste natie der wereld. Engeland, dat vóór hendrik VIII nimmer in zijne parken heeft uitgemunt, — dat later, onder karel II, den stijl van le nôtre geheel overnam, — Engeland gaf het eerste sein tot de geheele omkeering. Alle symmetrie moest verdwijnen; hoog en laag, bosch en kreupelhout, vijvers en lanen, alles moest in [ 233 ]wilde wanorde dooreen liggen en niets mogt in de verte zelfs aan de regte lijn herinneren.

Het denkbeeld, dat bij de ontwerpers der eerste Engelsche tuinen (kent en bridgeman) ten grondslag lag, was de afschudding der mathematische vormen en de onbepaalde huldiging van de slang-lijn, de zoogenaamde schoonheidslijn van hogarth. Baco van verulan, pope en addison, maar vooral de groote dichter van het Verloren Paradijs waren de voorloopers van den natuurlijken stijl in Engeland. Baco heeft den in zijn tijd bestaanden wansmaak, vooral de geknipte hagen en de "sculptures of verdant green", hevig aangevallen en niet minder toonde de dichter pope zijne liefde tot het natuurlijke landschap door den aanleg van zijn tuin te Twickenham, eene der eerste proeven van den zoogenaamden Engelschen stijl.

Maar ook die stijl was geene nieuwe uitvinding. Reeds tasso was miltons voorganger geweest, en over het paradijs van armida ligt een Oostersche gloed, die onmiskenbaar is overgewaaid uit de lusthoven van schriras. De tuinen of paradijzen in Perzië en Syrië waren reeds in de oudste tijden schilderachtig aangelegd, rijk voorzien van welriekende bloemen, vooral rozen, en bloeijende heesters, en door natuurlijke bronnen bevochtigd. Strabo beschrijft het lustoord aan den Orontes in Syrië als een uitgestrekt bosch, waar laurieren en cypressen eene koele schaduw verleenden, waar duizende kleine beekjes uit de heuvelen ontsprongen en de zinnen werden gestreeld door welluidende toonen en aromatische geuren. De fabelachtige verhalen van nebucadnezar berigten ons, dat deze koning, om eene zijner Medische gemalinnen het gemis van de schoone natuur haars vaderlands te vergoeden, eene pyramide van terrassen bouwde en deze met natuurlijk aangelegde boschjes beplantte, een berg, die midden in de ontzaggelijke stad oprees en waarvan elke zijde eene lengte had van vierhonderd voeten.

China is het land, waar de natuurlijke stijl reeds in overouden tijd algemeen werd toegepast; evenwel met zulk eene kleingeestige uitvoerigheid, dat de Chineesche tuinen niet meer zijn dan eene karikatuur van het oorspronkelijk landschap, dat zij moeten voorstellen. Die aaneenschakeling van eilanden, rotspartijen, boschjes, tempeltjes, [ 234 ]bruggen en watervallen is door eene al te groote verscheidenheid eentoonig. Kunstmatige rotsen en grotjes in eene van nature niet rotsachtige streek, beleedigen het ontwikkelde schoonheidsgevoel. De bij de Chinezen zoo zeer geliefde pioenrozen, met hare lompe, opgeblazene en gedrochtelijk zware bloemen en de tallooze voorwerpen van opschik, die een Chineeschen tuin vervullen, herinneren ons aan den aard zijner bewoners. De Chinezen zijn in zeker opzigt in den natuurlijken stijl, wat de Hollanders in een vroeger tijdperk in den symmetrischen geweest zijn.

De oorsprong van den natuurlijken stijl verliest zich, evenals die van zijn broeder, den symmetrischen, in den nacht der eeuwen, — en, mag men eene gissing wagen, dan is de eerste ontstaan in eene kale, onherbergzame natuur, de laatste in de volle weelde der oorspronkelijke bosschen, — de eerste uit de zucht naar zinnelijk genot, de laatste uit de behoefte aan veiligheid en levensonderhoud; — dan heeft de mensch getracht in zijne lusthoven eene tegenstelling te vormen met zijne omgeving en dat te voorschijn te roepen, wat de omringende natuur hem niet aanbood. In de groene velden en zonnige bergen van Italië moest de natuur in de tuinen bijna geheel wijken voor de kunst, in de dorre woestenijen van Perzië en Syrië, in het weinig aanlokkelijk klimaat van China, zocht men de schoonheid eener meer weelderige natuur kunstmatig na te bootsen.

Is de Fransche stijl het beeld van orde en regelmaat, van den mensch in zijne redelijke volkomenheid, de Engelsche geeft een beeld van de natuur, maar zonder den mensch. De Fransche stijl is louter eene decoratie van het tooneel, waarop de mensch zich beweegt, in de Engelsche tuinen moet de natuur tooneelspelen, terwijl de mensch eene bijzaak, hoogstens eene decoratie is. De Fransche parken waren onafscheidelijk van de paleizen, waartoe zij behoorden; zij waren daarvan het vervolg, het evenbeeld; in de Engelsche tuinen kunnen des noods de gebouwen geheel en al gemist worden. In den symmetrischen stijl zien wij den mensch, die de natuur aan zich heeft onderworpen en tot in het gedwongene getrouw blijft aan de regelen, die hij zich in zijne huizen en woonkamers gesteld heeft; de natuurlijke stijl heeft die regelen afgeschud, maar zich daardoor tot een slaafsch nabootser [ 235 ]verlaagd, hetgeen vooral ergerlijk in het oog valt bij de toepassing op kleine schaal. Een kleine Engelsche tuin met zijne slingerpaadjes, heuveltjes, zitplaatsjes en perkjes kan geen goeden indruk maken op ons schoonheidsgevoel en pleit voor eene flaauw hartige zucht tot navolging. De slingerlanen, die in groote parken liefelijke schaduw geven en wier bestemming is, ons ongemerkt tot de schoonste gedeelten van het meesterstuk te voeren, kunnen, wanneer wij ze geheel overzien, daaraan niet beantwoorden. Zij zijn niet natuurlijk, want zij veroorzaken noodeloozen omweg door een grasperk, dat men met weinige schreden kan meten; zij zijn evenmin kunstmatig schoon, want zij doen ons wenden en draaijen langs onbeduidende voorwerpen, rondjes en ovaaltjes met alledaagsche bloemen, die alleen van ver een goeden indruk maken. En die heuveltjes en goudvischkommen, hoe spreken zij van eene bekrompene zelfgenoegzaamheid! Beter voldoen ons kleine tuintjes, op de Fransche wijze aangelegd. Deze maken geen aanspraak op iets anders dan ons een vrij uitzigt te geven, dat in overeenstemming is met onze woning en met deze als het ware een geheel uitmaakt. Regte lijnen en symmetrie misstaan ook geenszins in het klein; zij dragen den stempel van eenvoudigheid en willen geen valsche vertooning maken; er is geene overlading met bloemen, die wansmaak aanduidt. Zulke tuintjes worden evenwel weinig aangetroffen;meestal zijn de woonhuizen van den middenstand vergezeld van bespottelijke nabootsingen van den natuurlijken, of liever Chineeschen stijl. Eene gunstige uitzondering maken de tuintjes, die zich vóór vele der talrijke kleine landhuizen rondom Parijs bevinden. Een groot grasperk, ingesloten tusschen breede rijen van de liefelijk zacht rozekleurige Silene, en in het midden daarvan eenige rozen rondom een geelbloeijend heestertje, ziedaar alles.

Omwentelingen brengen zeldzaam duurzame toestanden te weeg. Zij voeren van het eene uiterste in het andere, en wil men eene onophoudelijke aaneenschakeling van omwentelingen vermijden,dan moeten de belangen der beide partijen in een groot en gezamenlijk belang worden opgelost en verzoend. De aanhangers van den natuurlijken stijl zagen spoedig in, dat zij te ver waren gegaan, dat zij door te groote natuurlijkheid onnatuurlijk werden, dat de eindelooze krommingen [ 236 ]hunner slingerpaden even gedwongen en eentoonig waren als de regte dreven van le nôtre, ja nog vervelender, omdat zij de trotschheid van de laatsten misten; dat hunne vergezigten in schoonheid wonnen, wanneer daarin een prachtig gebouw als hoofdpunt was opgenomen; dat eindelijk het bijeenbrengen van de ontelbare soorten van vreemde sierheesters een bonten, karakterloozen indruk maakte. Aan de andere zijde erkende men, dat de symmetrische stijl in zijne breede terrassen, fonteinen en grasperken eene groote waarde bezat. Daarbij had de geest des volks eene geheel andere rigting aangenomen. De liefde tot eene onverstoorbare kalmte, den zaligsten toestand van vroegere geslachten, had plaats gemaakt voor de zucht naar onrust, naar beweging, naar ontwikkeling. De mensch hechtte geene waarde meer aan een blijvend genot als het toppunt zijner wenschen, maar verandering werd zijn genot. Alles wat leven, beweging ademde, was hem welkom en hij erkende met den dichter van Troilus and Cressida:

"Things won are done. Joys soul lays in the doing."

Zonder ontwikkeling geen leven, zonder worden geen zijn, die grondwet der natuur bezielde het edelste, het eigenlijk heerschende deel der menschheid. Göthe, wiens heldere blik onze praktische, werkzame, stoffelijke eeuw zoo juist heeft voorzien, is ook de aankondiger geweest van de nieuwere rigting in het aanleggen van lusthoven, en in zijne Wahlwerwandschaften vinden wij menig blijk, dat zijn veelzijdige geest zich met voorliefde met dit onderwerp heeft bezig gehouden.

De eerste, wiens geniale kunst aan de eischen des tijds beantwoordde, was de Engelschman humphrey repton. Hij was het, die vóór ongeveer 40 jaren de natuurlijke en symmetrische rigtingen met elkander verzoende en zamensmolt tot een levend en lagchend beeld, een landschaps-ideaal, een tafereel vol bezieling en ontwikkeling. De kunst om tuinen aan te leggen, vroeger een onderdeel der bouwkunst, is door repton verheven tot eene landschapskunst, even voortreffelijk als de schilderkunst, ja hooger, daar zij hare gedachten in de natuur zelve teruggeeft. Hare beoefenaars moeten zoowel eene hooge mate van schoonheidszin bezitten als doordrongen zijn van de kennis der [ 237 ]natuur en van hare wetten. Niet het geduldige doek en de gehoorzame verwen zijn hun materiëel, maar de stugge bodem en de altijd veranderende plantenwereld. Niet onmiddellijk kunnen zij over de waarde hunner schepping oordeelen, maar eerst na eenige jaren, als het geboomte zich behoorlijk heeft ontwikkeld; ja zij moeten zorgen, dat hun meesterstuk, in weerwil van die gedurige verandering, een meesterstuk blijft. Het formeren van landschappen is eene kunst, eene schoone kunst, de laatste, die tot volmaking kwam en welligt de moeijelijkste, reusachtigste en ondankbaarste van alle. Het is daarom niet te verwonderen, dat zoo weinigen slechts in deze kunst een meesterstuk hebben geleverd, wanneer geen oorspronkelijke rijkdom der natuur hun te hulp kwam. Doch hoewel er schaars een repton of een pückler muskau optreedt, zoo worden de werken van beiden toch meer algemeen bekend en bewonderd. Het meerdere reizen, het aanschouwen van verhevener natuurtafereelen veredelt den algemeenen smaak en maakt het voor ingebeelde kunstenaars hoe langer hoe moeijelijker, voor hunne geestlooze voortbrengsels bijval te vinden.

Onze kunstlandschappen hebben voor ons geen geringer beteekenis dan de oorspronkelijke natuur voor onze voorvaderen, en daar wij ons eigenlijk dagelijks daarin bewegen, zijn zij voorzeker onze aandacht waard. Lusthoven zijn er geweest reeds voor duizenden van jaren; maar vroeger slechts bij uitzondering, terwijl zij thans werkelijk een kenmerk zijn van het landschap der beschaafde wereld. Vroeger uitsluitend in het bezit der vorsten en daardoor wereldberoemd, liggen zij thans binnen het bereik van den minsten burger, en geene stad van eenig belang, die niet hare sierlijk aangelegde plantsoenen bezit. De drie kenmerkende vormen van het oorspronkelijk landschap vinden wij, hoewel minder krachtig, in ons kunstlandschap weder. De mijlen uitgestrekte, trotsche parken vertegenwoordigen de romantische, de bevallige buitenplaatsen de idyllische natuur, terwijl de afgemetene alleen voor bloemen bestemde ruimten in de onmiddellijke nabijheid der woningen de blijken dragen van den onbepaalden invloed des menschen.

Het park is de verwezenlijking van eene grootsche gedachte. Het stelt eene wildernis voor, maar eene veredelde, van onreine bestanddeelen [ 238 ]gezuiverde wildernis. Het omvat heuvels en meertjes en bosschen, maar allen in overeenstemming met elkander en medewerkende tot eene eenheid, die in al de vergezigten te voorschijn treedt. Geene angstvallig afgebakende of evenwijdig begrensde lanen ontsieren het en maken het vervelend, maar onze weg voert langs afwisselende boomgroepen, die nu eens terugwijken en in lage boschjes uitloopen, dan weder vooruitspringen en het uitzigt voor een wijl belemmeren, om het daarna bij eene prachtige waterpartij of in eene breede, met struikgewas begroeide vallei weder te openen. Geen vreemdsoortige gewassen nemen den indruk van oorspronkelijkheid weg. De boomen zijn meerendeels inheemsch of zulke, die sinds lang het burgerregt hebben verkregen, en slechts wilde bloemen versieren het gras en het kreupelhout. Hier en daar verrijzen de zwaarmoedige pijnboomen, met hunne donkere pyramiden of horizontale kruinen, in kleine groepjes op een verheven punt en vormen eene tegenstelling met het heldere groen der lage eiken. Op de eilanden en landtongen spiegelen de slanke, witte berken zich met hunne fijne, altijd bewogene takjes in het effen water en rondom de meertjes en vijvers steekt het zilvergraauw der wilgen levendig af tegen den donkeren achter — grond van het dennenbosch. Nu eens zien wij eene kleine groep van breedgetakte eiken op eene opene plaats, of in de lommerrijke diepte aan den voet des heuvels eene natuurlijke bron tusschen natuurlijke rotsen, door de sierlijk gevederde varens overschaduwd, of een boschje van zware beuken of linden voert ons ongemerkt in de nabijheid van het trotsche kasteel, dat het omringende geboomte van alle zijden beheerscht.

Zulke parken zijn in ons land zeer zeldzaam, daar de vlakke bodem en de geringe uitgestrektheid der landgoederen de uitvoering van een grootsch onderwerp belemmeren. Een park zonder heuvels is eentoonig en de lage, drassige grond in vele streken van ons land maakt het gezigt van groote waterpartijen slechts op enkele zeer warme dagen verkwikkend. Maar al te dikwijls vervult het Haagsche bosch ons met een huiverig gevoel, als wandelden wij in een vochtigen kelder. Is het waar, dat de mensch zijn genot zoekt in de tegenstelling met het alledaagsche, dan moeten wij Nederlanders onze buitenverblijven [ 239 ]vestigen op de hoogste, droogste plaatsen en het water slechts eene zeer ondergeschikte rol laten spelen.

Het aanleggen van eene zoogenaamde buitenplaats vordert wel eene minder grootsche opvatting dan het ontwerpen van een park, maar daarentegen oneindig meer uitvoerigheid, meer vaardigheid in het bijzondere, meer zoogenaamde kunstgrepen en onschuldige bedriegerijen, waaraan het genie zoo gaarne vreemd blijft. Het park is eene ruwe, maar geniale schets, de buitenplaats eene afgewerkte schilderij.

Wanneer wij ons op eene goed aangelegde buitenplaats bevinden, schijnt haar omvang ons veel grooter dan deze werkelijk is. De kunstenaar heeft zorgvuldig alle grenzen verborgen, maar zoodanig, dat wij van dat verbergen zelf niets bespeuren. Het is alsof de gansche omgeving tot het gebied des eigenaars behoort. Daarenboven zijn alle voorwerpen, die het oog zouden beleedigen, schuren, tuinmanshuizen, moestuinen en muren door boomgewas bedekt. De lanen zijn evenwijdig tusschen bloemrijke grasperken of boschjes begrensd, wier boomen en heesters meestal een uitheemschen oorsprong verraden. Eiken met scherp uitgesneden bladeren, tulpenboomen, magnolias, rhododendrons, bontbladige boomen, de onovertroffen syringen en gouden regens, bonte rijen van bloeijende heesters geven het geheel een feestelijk aanzien. Bij de schoonste uitzigten verheft zich een onmisbaar koepeltje, hetzij in antieken stijl en tegen een groep donkere sparren, hetzij gothisch en door de ronde kruinen van eiken of beuken beschaduwd. De wegen zijn meest gekromd, doch niet in het kleingeestige; dikwijls ook regtlijnig, vooral wanneer zij breed op het woonhuis uitloopen; de vijvers slingeren in sierlijke bogten of komen tusschen het groen hier en daar te voorschijn en doen zich voor als kleine meertjes. Kunstrotsen, monumenten, zeldzaamheden, grotten, nagemaakte bouwvallen, verschrikkende fonteintjes en dergelijk kinder spel zijn zorgvuldig achterwege gelaten en het woonhuis is niet een zamenraapsel van verschillende bouworden, maar eenvoudig, landelijk en aanlokkend, wit gepleisterd en omringd door donkere boomgroepen. Het huis is schoon, maar heeft geene oneigenaardige versierselen noodig om zulks te schijnen. Wij zien dan ook geen gevel-ornementen, geen vazen, potten of doellooze zuilen; maar het uitwendige zegt [ 240 ]ons, dat het daar binnen goed is, en meer verlangen wij van een landhuis niet. Het huis is eene zedige jonkvrouw, geen praalzieke oude vrijster.

Voor het huis ligt de vierkante of langwerpige bloemtuin, die ons met zijn eenvoudigen, symmetrischen aanleg, ofschoon met oneindig lagchender indruk, herinnert aan den stijl van Versailles en de hofjes, waar wij als kinderen hebben gespeeld.

In het park, op de buitenplaats, bemerkten wij geen symmetrie, niet omdat zij daar ontbrak, maar in den natuurlijken stijl opgenomen en daarmede innig verbonden, was zij daar in het verborgen werkzaam en schiep het evenwigt in de wanorde en de eenheid in de verscheidenheid. Zoo brengt ook de schilder evenwigt in zijne voorstelling, zonder stijfheid, zonder dat zelfs zijn overleg zigtbaar wordt. Het groote geheim der kunst ligt in de juiste vereeniging van het altijd wisselende leven met de strenge, onveranderlijke vormen van onze rede. Evenals de stoom het werktuig in beweging brengt, zonder dat wij hem werkende aanschouwen, evenzoo is de wet der schoonheid de grondslag, maar de verborgene grondslag van elk meesterstuk. Hiermede is dus werkelijk het vonnis van den zuiver symmetrischen stijl uitgesproken, en wij erkennen hem als de uitdrukking van de dorre rede, zonder gevoel en leven, als de theorie zonder de praktijk, als het woord zonder de daad. Maar ook den zuiver natuurlijken stijl verwerpen wij, omdat hij een leven is zonder wetten, eene toomelooze anarchie, die tot vernietiging leidt. Eerst wanneer de rede in het leven, de theorie in de praktijk, het woord in de daad opgaat, eerst dan wordt de kunst geboren.