Album der Natuur/1862/Kersen
| Kersen (1862) door Alexander Willem Michiel van Hasselt |
| 'Kersen,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 351-352 . Dit werk is in het publieke domein. |
KERSEN.
De kersen zijn, zoo als men weet, door den Romeinschen veldheer lucullus uit Klein-Azië naar Italië overgebragt en vandaar verder in Europa bekend geworden. Volgens dierbach (Botanische Zeitung 1831, 2, p. 770—779) waren de kersen in Engeland reeds bekend 120 jaren na Lucullus. Velen meenen, dat de door dezen veldheer bekend geworden soort de zure kers of morel zoude zijn. Volgens een berigt echter van den bekenden kruidkundige dr. koch, die op zijne tweede reis door het oosten de zaak grondig onderzocht heeft (Agronomische Zeitung, 1861, p. 364), schijnt de door lucullus overgebragte niet de zure, maar de zoete kers te zijn (Prunus avium), welke in de lage dalen aan de noordkust van Klein-Azië, in het bijzonder in de nabijheid van Kerasunt en oostelijk van deze stad tot aan den mond der rivier Tschoruk, veel gekweekt wordt en in die gansche streek nog altoos kiras heet, waarvan ons Nederlandsche kers en welligt ook de naam van de genoemde stad Kerasunt af te leiden zijn. Men vindt zeer groote stammen van deze daar gekweekte boomen. Ook in Armenië heet de kers nog heden ten dage keras.
Wat de benaming meikersen aangaat, welke aan de in Nederland meest algemeene soort gegeven wordt, doch welke vruchten hier te lande bijna nooit in die maand tot rijpheid komen, zoo laat zich die benaming zeer gemakkelijk verklaren, 1° uit de omstandigheid, dat de kersen in Italië het eerst ingevoerd zijn en wij ze uit zuidelijk Europa ontvangen hebben, waar de benaming meikersen meer gepast is; onder anderen nog in 1857 kwamen te Weenen de eerste kersen op den 18 Mei ter markt[1]; 2° uit het verschil van tijdrekening. Op 31 Mei, oude stijl, was het reeds werkelijk 10 Junij. Thans is het verschil nog iets grooter. Eerst in de 17e eeuw is men in ons land begonnen den nieuwen stijl te gebruiken; doch toen waren de kersen [ 352 ]hier reeds sinds lang bekend en hadden toen zeker ook reeds den naam van meikersen verkregen. Bij het nazien mijner aanteekeningen over deze onderwerpen vindt ik ook nog het volgende in o.g. heldring, Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche oudheden. Amsterdam 1838, I, bl. 42: Te Angeren, een der oudste plaatsen van de Betuwe, dezelfde, waar men meent, dat de Batavieren het eerst geland zijn, verhaalt men, dat in het begin der 18e eeuw door den heer van der palm het eerst de kersen in boomgaarden gepoot zouden zijn; van welken tijd af de kersen een voorwerp van handel en verzending geworden zijn.
Even als de vogelkers (Prunus avium, sylvestris) bij ons in het wild groeit, zoo ook in de hoogere bergstreken in de bosschen van Klein-Azië Het is uit lange loten van dezen boom, dat de bekende en, vroeger vooral, hooggewaardeerde Turksche pijpenroeren gemaakt worden, luidens het aangehaald reisverhaal van koch; doch niet van Prunus Mahaleb, zoo als men vroeger meende. Deze laatste, de kleine vogelkers of ook wel St. Lucia kers, Weichsel in Duitschland genoemd, en aan de sterke honiggeur der bloemen in onze tuinen wel te kennen, wordt ook wel eens tot bereiding van het likeur Maraskin gebruikt, in plaats van de Prunus Marasca uit Dalmatië, die anders eigentlijk daartoe dient.
Het hout van deze wilde vogelkers, dat tot die lange pijpenroeren dient, is geheel zonder geur en krijgt deze eerst als men die, zoo als men daar gewoon is te doen, een geruimen tijd in rozenwater heeft laten liggen.
- ↑ Provinciale Groninger Courant, 28 Jan. 1860.