Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/Loopende visch

Uit Wikisource
Loopende visch (1862) door Tiberius Cornelis Winkler
'Loopende visch,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 222-223 . Dit werk is in het publieke domein.
[ 222 ]
 

NOG EEN LOOPENDE VISCH.

 

 

In het Duitsche Tijdschrift die Natur zegt dr. gergens, dat hij, bij al het wetenswaardige, dat er in dat tijdschrift over kruipende, loopende, springende en klimmende visschen vermeld is — een opstel, dat de lezers van het Album der Natuur eerder gelezen hebben dan die der Natur, daar het uit het nederduitsch in het duitsch vertaald is — nog eene bijdrage leveren kan, en wel betreffende een zeer bekend en in vele opzigten merkwaardig vischje, de stekelbaars, Gasterosteus aculeatus. Hij zegt daarvan het volgende:

"In bijna alle beken in den omtrek van Mentz vindt men eene menigte stekelbaarsjes, die daar veeltijds tot sieraad van aquariën worden gehouden, omdat deze visch de gevangenschap beter dan onze andere inlandsche visschen schijnt te kunnen verdragen. Op een uitstapje naar het dorp Bodenheim zag ik in de nabijheid van een molen, die toen in eene suikerraffinaderij veranderd was, aan den voet van den heuvel een smal, naauwelijks een voet breed beekje, waarin vele stekelbaarsjes vrolijk rondzwommen. Terwijl ik de vrij steile helling, ongeveer 45°, beklom, bespeurde ik hier en daar natte groeven, waarin waterstraaltjes van naauwelijks een vinger breedte naar beneden ritselden; en daarin eene menigte stekelbaarsjes, die zich door middel van hunne zijstekels vlijtig stroomopwaarts werkten.

Dat zonderlinge klimmen geschiedde vrij gemakkelijk en schielijk, geen van alle vischjes wilde naar beneden, allen deden moeite om uit de kleine beek en bij de steile helling op te komen, en maakten daartoe gebruik van de smalle, kromloopende watergootjes, zonder ooit op het drooge te komen. Toen ik boven gekomen was, ontdekte ik het doel dier eigenaardige wandeling: er bevond zich daar, als kolk voor den molen dienende, een groote vijver, waaruit de dunne waterstraaltjes zijpelden. Het was duidelijk, dat de vischjes door de waterarmoede van het beekje aanleiding gekregen hadden om eene betere [ 223 ]verblijfplaats op te zoeken, die hun ruimte genoeg aanbood om hunne jongen groot te brengen.

Zulk een handelen naar omstandigheden laat zich slechts door een daaraan beantwoordenden graad van geesteswerkzaamheid verklaren, niet echter door die zoogenoemde aangeborene natuurdrift, die men instinkt heeft genoemd, en die gewis slechts in de verbeelding van den mensch, maar niet in de natuur bestaat. Hoe konden de stekelbaarsjes weten, dat zij slechts bij de helling op behoefden te klimmen, om boven datgene te vinden wat hun beneden in het beekje ontbrak? Was misschien een van allen vooraf op kondschap uitgegaan en had gunstige tijdingen gebragt? of had een bewoner van den vijver, die naar beneden verdwaald was geraakt, hen berigt gebragt? Het is duidelijk, dat eene ondervinding die wandeling had moeten voorafgaan, maar ondervindingen vooronderstellen een denkvermogen en hebben het nemen van een besluit ten gevolge. Zulke feiten zijn geschikt om een veel hooger begrip van het zieleleven der dieren te krijgen, dan door de eenzijdige bewering van vele pedagogen: zulk eene bewering is slechts te verontschuldigen door eene hoogst gebrekkige kennis der natuur, die door vele leden van dien stand als een voorregt van hunnen stand aangezien wordt."

Bij het algemeen voorkomen van het stekelbaarsje in ons Vaderland is 't niet onmogelijk, dat misschien een der lezers van het Album door het waarnemen van een dergelijk feit de juistheid der waarneming van dr. gergens eens bevestige.