Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/Noordpoolzee

Uit Wikisource
Noordpoolzee (1862) door Anne Tjittes Reitsma
'Noordpoolzee,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 158-160 . Dit werk is in het publieke domein.
[ 158 ]
 

NOG IETS OVER DE OPENE NOORDPOOLZEE.

 

 

Wij hebben vroeger reeds in een opstel over de noordpoolreizen in de laatste jaren, geplaatst in het Album der Natuur van 1860, aangewezen, hoe vooral door de togten van dr. kane in het hooge noorden het reeds bestaande vermoeden was versterkt, dat zich rondom de nog nooit bezochte Noordpool eene opene zee zou bevinden, die, althans onder begunstigende omstandigheden, nu en dan bevaarbaar zoude zijn. Dat morton, één van kane's togtgenooten, in Smith-Sund op 82° 17 noorderbreedte eene opene zee ontdekte, bragt er niet weinig toe bij om dat vermoeden te bevestigen.

In den laatsten tijd heeft a. mühry van Göttingen de meteorologische waarnemingen, in de laatste jaren op verschillende plaatsen van het noordpoolgebied door een aantal kundige reizigers gedaan, verzameld en met elkander vergeleken, en zijne resultaten medegedeeld in het bekende tijdschrift van dr. petermann, Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie, 1861, VIII. Uit de door hem medegedeelde feiten leidt hij het gevolg af, dat de streek, waar de koudste luchtsgesteldheid op het westelijk halfrond, de westelijke koude-pool, gevonden wordt, gelegen is in de ruimte tusschen 72° en 78° noorderbreedte en tusschen 70° en 115° westerlengte. Daar wordt bij windstilte en helderen hemel in den winter eene steeds toenemende koude waargenomen, terwijl de winden, van welken kant zij ook aankomen, warmere lucht aanvoeren en dus de koude doen verminderen. De meeste warmte schijnt dan van het oosten en zuidoosten te komen, maar ook uit het noorden en noordwesten stroomt eene warmere lucht toe. Ook is de lucht, die van dien kant wordt toegevoerd, met meerdere waterdampen bezwangerd.

Uit deze verschijnselen leidt hij het gevolg af, dat er hoogerop in het noorden geen groot vastland liggen kan, maar dat zich daar eene zee bevinden moet. Wanneer die zee, zoo als scoresby reeds beweerde, ook met eene ijskorst van 20 voet dikte bedekt mogt zijn, zoo zal toch de warmte, zoover het zeewater vloeibaar blijft, met de diepte toenemen. Daar nu in de streek, waar de hoogste koude wordt [ 159 ]waargenomen, ook uit het noorden warmere lucht wordt aangevoerd, kan men aannemen, dat die mildere temperatuur van de uit het noorden aanstroomende lucht een gevolg is van uitgestrekte watervlakten, die zich daar bevinden.

Op deze wijze laat zich verklaren, dat morton op zoo hooge breedte een open vaarwater en talrijke sporen van plantengroei en dierlijk leven ontdekte. Het wordt dan tevens duidelijk, waarom langs de geheele kust van het vasteland, hetwelk de noordpoolzee omgeeft, de koudere lucht van het zuidelijk gelegen vasteland, de warmere daarentegen van de noordelijk gelegene zee wordt aangebragt. De noordpoolreizigers hebben dan ook tot hunne eigene verwondering aan de noordkusten van de groote eilanden van den ijszee-archipel ten noorden van Amerika in den zomer niet alleen eene opene zee, maar ook planten en dieren in veel grootere hoeveelheid aangetroffen dan aan de zuidkusten van die eilanden.

Uit de vergelijking van eene menigte meteorologische waarnemingen blijkt het, dat behalve de westelijke koude-pool er zich ook in het oostelijk halfrond, op het vasteland van Azie, eene oostelijke koude-pool moet bevinden tusschen 60° en 70° noorderbreedte en 120° en 140° oosterlengte.

Wij bezitten wel aangaande den omvang en de meteorologie van dit allerbelangrijkst terrein geene volledige kennis; maar zooveel is zeker, dat de koude, die rondom de Aziatische koude-pool gedurende de drie wintermaanden December, Januarij en Februarij heerscht, nog sterker is, dan die rondom de Amerikaansche koude-pool wordt waargenomen. In Nischne Kolymsk op 69° noorderbreedte en 160° oosterlengte aan de noordkust van Azië, waar de winterkoude reeds eenigzins minder is dan in het meer westelijk op 139° lengte aan dezelfde kust gelegen Ustjansk, komen ook de koudere winden uit het zuiden, de warmere uit het noorden. Men mag ook daaruit weder het gevolg afleiden, dat in het midden van den noordpool-oceaan zich geen uitgestrekte streken vastland bevinden.

Als resultaat van de meteorologische waarnemingen in het hooge noorden mag men dus aannemen, dat er twee middenpunten van winterkoude of zoogenaamde koude-polen bestaan, een in het westelijk [ 160 ]halfrond ten noorden van Amerika en een in het oostelijk halfrond in het noordelijk gedeelte van Azië. Van die punten af, waar de hoogste winterkoude ontstaat, wordt de temperatuur van lieverlede eenigzins milder. De naar die punten gerigte luchtstroomen voeren, van welken kant zij ook komen, warmere lucht aan, terwijl de van die punten uitgaande luchtstroomen naar alle zijden heen koudere lucht verbreiden. Men kan dus zeggen, dat zich rondom die koude-middenpunten een gebied uitbreidt, waar in den winter een warmere temperatuur bestaat, dan in de onmiddellijke nabijheid der koude-polen. Nu valt de noordpool van onze aarde niet zamen met één der koude polen. Er bestaan dus twee streken, waar het in den winter kouder is dan aan de noordpool. De grond van dat verschijnsel laat zich alleen daaruit verklaren, dat zich aan de noordpool geen uitgestrekt vastland, maar eene zee van groote uitgestrektheid bevindt.

Sir j. herschell heeft dan ook in zijne onlangs uitgekomen Physical Geography, 1861, p. 79, de volgende verklaring afgelegd:

"Het is uit vele verschijnselen hoogst waarschijnlijk, dat aan de noordpool over een zeer groot gebied van het midden dier poolzee open water bestaat gedurende het grootste gedeelte der warmere maanden."

De laatste Amerikaansche expeditie onder haijes, die zich thans aan het noordeinde van Smith-Sund bevindt, heeft ook bijzonder in last om het bestaan van de opene poolzee, die kane's reisgenooten ontdekt hebben, nader te onderzoeken. Ook de Zweedsche expeditie, die voor korten tijd naar Spitsbergen is afgevaren, heeft het oogmerk om van daar over het ijs verder naar de noordpool door te dringen. Of deze togten zullen bijdragen om het vraagstuk van eene opene poolzee volledig op te lossen, zal de tijd moeten leeren![1].

 

 


  1. Wij stippen hierbij nog aan, dat haijes onlangs van zijnen togt is teruggekomen, zonder dat het hem gelukt was zelfs tot op de reeds vroeger door hem en kane bereikte breedte door te dringen. Hij geeft echter den moed niet op en bereidt zich op eenen nieuwen togt voor, indien namelijk de oorlog tusschen zijne noordelijke en zuidelijke landgenooten dat niet verhindert. Ook de Zweedsche expeditie is teruggekeerd, zonder haar doel bereikt te hebben.