Album der Natuur/1862/Oost-Indische visschen
| Oost-Indische visschen (1862) door Pieter Harting |
| 'Oost-Indische visschen,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 285-287 . Dit werk is in het publieke domein. |
OOST-INDISCHE VISSCHEN.
Richesse oblige! De waarheid van dit gezegde is door de Nederlanders gevoeld en, wij mogen er bijvoegen, het is door hen meermalen en in meer dan een opzigt in toepassing gebragt.
Geen rijker bezittingen dan de Oost-Indische eilanden. Rijk niet alleen door die voortbrengselen, welke de handel naar alle oorden der wereld voert en waardoor onze schatkist gebaat wordt, maar ook rijk door de natuurschatten, welker exploitatie aan de wetenschap is toevertrouwd en waarvan het batig saldo gestadig aan haar reeds opgezameld kapitaal wordt toegevoegd.
Heeft Nederland zijne verpligtingen, welke door het bezit dier schoone eilandengroep daaraan opgelegd werden, begrepen en nagekomen? Wij gelooven die vraag, voor zoover zij de taak van het wetenschappelijk onderzoek dier gewesten betreft, toestemmend te mogen beantwoorden. Eene lange reeks van namen van mannen, die hunne gezondheid, rust, veiligheid, sommige hun leven daarvoor hebben veil gehad, zoude daarvoor ten getuige kunnen worden aangevoerd, en 's Rijks museum en 's Rijks herbarium zijn daar om in stomme maar welsprekende taal hunne daden te vermelden en hunnen lof te verkondigen.
Doch niet alleen zij, aan wie de officiële taak was opgedragen, die rijke gewesten met een wetenschappelijk oog te doorzoeken, ook anderen, daartoe alleen gedreven door de zucht om kennis op te doen en uit te breiden, hebben daartoe van de heerlijke hun geschonken gelegenheid tijdens hun verblijf aldaar gebruik gemaakt. Eenen eersten rang onder hen bekleedt de heer Dr. p. bleeker, onlangs in ons vaderland teruggekeerd met eene verzameling van visschen, waaraan hij vijftien jaren van zijn leven gearbeid heeft, en die in rijkdom alle andere dergelijke verzamelingen, uit een even beperkt gebied te zamen gebragt, overtreft.
[ 286 ]Die rijkdom, zij is vooreerst te danken aan de onvermoeide vlijt van den heer bleeker zelven en aan de welwillende ondersteuning van zoo velen, die hem uit alle oorden van den archipel visschen toezonden, maar ook voornamelijk aan den rijkdom der Oost-Indische vischfauna zelve. Om daarvan eenig denkbeeld te geven, voeren wij hier aan, dat de verzameling van den heer bleeker niet minder dan 2170 soorten van Oost-Indische visschen bevat, dat is ongeveer een vierde van alle tot dusverre bekende vischsoorten. Daaronder zijn meer dan 1100 nieuwe soorten, derhalve ruim de helft van het geheele getal.
Reeds heeft de heer bleeker in eene reeks van geschriften verslag van zijne menigvuldige ontdekkingen op dit gebied gegeven. Thans is hij overgegaan tot het uitgeven van een groot en kostbaar werk, waarin alle Oost-Indische visschen zullen afgebeeld en beschreven worden. Het draagt den titel van Atlas ichthyologigue des Indes orientales Neêrlandaises, en wordt uitgegeven in afleveringen, waarvan reeds drie verschenen zijn. De afbeeldingen worden in kleurendruk uitgevoerd op de steendrukkerij van den heer mieling te 's Gravenhage en kunnen de vergelijking met de beste voortbrengselen van dien aard in het buitenland niet alleen doorstaan, maar overtreffen zelfs de meeste door de juistheid der uitvoering. Wanneer het werk op gelijke wijze wordt voortgezet, dan zal het een waar prachtwerk worden, dat niet alleen den roem van vaderlandsche geleerdheid, maar ook van vaderlandsche kunst door de geheele beschaafde wereld verspreiden zal.
Wij wenschen den heer bleeker gezondheid en kracht toe, opdat hij zijne grootsche taak tot den einde toe afwerke.
Maar nu nog eens: Richesse oblige! De man van wetenschap heeft het zijne gedaan, doet Gij, die boven anderen met tijdelijke middelen gezegend zijt, thans ook het uwe! Vooral zij deze oproeping gerigt tot die velen, die hunnen rijkdom vergaderd hebben in de oorden, waar ook de schrijver van dat werk een groot deel van zijn leven doorbragt, woekerende met zijnen tijd, niet om wereldsch goed, maar om kennis te vergaderen. Hij verlangt van U niet het eerste, maar het middel om de laatste te verbreiden. Toont door Uwe inteekening [ 287 ]op een plaatwerk, dat een sieraad zal zijn in elke bibliotheek, dat Gij niet behoort tot hen, die enkel aanbidders van den god Gulden zijn, maar dat Gij bereid zijt alle pogingen te ondersteunen, die strekken kunnen tot bevordering der kennis van Gods heerlijke schepping en van den roem uws vaderlands. Toont dat Gij de waardige nakomelingen zijt van een voorgeslacht, dat meermalen blijken heeft gegeven van de wetenschap op prijs te stellen en te willen schragen door middelen, zonder welke werken als die van seba, van rumph, nosemann, sepp en zoovele anderen nimmer het licht zouden hebben gezien. Nog eenmaal herhalen wij het met nadruk, maar tevens met vertrouwen: Richesse oblige!