Album der Natuur/1862/Over de taal
| Over de taal (1862) door Jan van der Hoeven |
| 'Over de taal,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 80-94 . Dit werk is in het publieke domein. |
OVER DE TAAL EN DE VERGELIJKENDE
TAALKENNIS, IN VERBAND MET DE
NATUURLIJKE GESCHIEDENIS
VAN DEN MENSCH;
DOOR.
De wetenschap der taal, die men ook vergelijkende taalkennis heeft genoemd, is van vrij nieuwen oorsprong. Haar doel is in het eigenlijk wezen der taal in te dringen, en is derhalve zeer onderscheiden van dat, waarmede wij de spraakkunst (grammatica) van een of ander volk aanleeren. Bij deze laatste studie stellen wij ons als einddoel voor, om ons de taal zoo zeer eigen te maken, dat wij haar als middel kunnen bezigen, ten einde de geschiedenis van een volk en zijne letterkundige voortbrengsels te leeren kennen en verstaan, of om die taal te kunnen schrijven en spreken. Bij de algemeene taalkennis beschouwen wij de taal op zich zelve, als einddoel onzer nasporingen. Het onderzoek der taal van een volk, dat noch geschiedkundige belangrijkheid bezit, noch letterkundige voortbrengsels heeft opgeleverd, kan hier dikwerf even gewigtig zijn en even veel opheldering geven, als dat der dusgenoemde klassieke talen of van die der beschaafdste volken van het hedendaagsch Europa.
Wanneer wij nadenken over hetgeen den mensch, het menschelijk geslacht in het algemeen, van de dieren onderscheidt, dan vinden wij geen beter algemeen, uiterlijk kenmerk dan het bezit der taal. Geen volk, hoe weinig ook ontwikkeld, hoe ruw en onbeschaafd, of het bezit eene taal. En wanneer nu de mensch voor den natuuronderzoeker evenzeer het onderwerp zijner nasporingen is als eene plant of eenig dier, dan behoeft het naauwelijks betoogd te worden, dat [ 81 ]ook de taal op zich zelve, de taal in het algemeen, als een vraagstuk van natuurkundig onderzoek beschouwd kan worden.
Er doen zich bij dit vraagstuk verschillende punten op, waaromtrent wij opheldering verlangen; of liever het vraagstuk zelf schijnt zich in verschillende andere op te lossen, waarvan elk wederom zijne eigene moeijelijkheden aanbiedt. Vooral hooren wij de vraag met nadruk opwerpen, welke de oorsprong is der menschelijke taal? Maar als de taalkunde in den geest der natuurkundige wetenschappen beoefend wordt, dan zal het wel in de eerste plaats noodig zijn, dat wij de oplossing der meest algemeene vraagstukken niet aan den aanvang van het onderzoek verwachten, en, al moesten die vraagstukken ook nog lang als onopgeloste raadsels overblijven, dan kon toch de wetenschap, ondanks deze overblijvende onzekerheid, met vruchtbaar gevolg beoefend worden. Men vergeet het maar al te veel, dat in alle natuurkundige wetenschappen vele vragen nog voor geene oplossing vatbaar zijn, en dat het veelal juist die vragen zijn, waarvan men de oplossing reeds verlangde, vóór dat de wetenschap nog ontstaan was. Terwijl de raadselachtige donkerheid dier vragen de eerste aanleiding gaf tot onderzoek, hebben zij, ook wanneer zij onbeantwoord bleven, echter dit onmiddellijk voordeel opgeleverd, dat eene wetenschap ontstond, welke andere vragen oplossen kon en ongekende dingen aan het licht bragt. Hij, die van de geologie de oplossing der vraag over de vorming der aarde verwacht, zal zich teleurgesteld vinden, maar hij zal desniettemin veel van haar vernemen omtrent de opvolging der onderscheidene lagen, waaruit de meeste gebergten bestaan, over veranderingen en verplaatsingen dier lagen, waarbij zij werden opgeheven uit hare vroegere ligging op den bodem der zee, en over de afwisselende en elkander opvolgende reeksen van uitgestorvene soorten, die vroeger de planten- en dierenwereld onzer planeet uitmaakten.
Het aanleeren eener vreemde taal is onder de bewoners van Europa thans zoo gewoon, dat men onder beschaafde menschen slechts weinigen aantreft, die niet, behalve hunne moedertaal, nog eene of twee of zelfs dikwerf drie of vier vreemde talen verstaan. De oude volken ondertusschen, waarvan het hedendaagsch Europa de eerste beginsels der wetenschappen [ 82 ]ontvangen heeft, de Grieken en de Romeinen, in de eerste eeuwen van hunne steeds aangroeijende heerschappij, verstonden geene vreemde talen. De Grieken althans, die de eerste voorgangers en de eenige leermeesters der Romeinen waren, bemoeiden zich niet met het aanleeren van de talen der vreemde volken, die zij als barbaren beschouwden. De grieksche taal werd in Rome eerst aangeleerd, toen de republiek van hare oude eenvoudigheid begon af te wijken, en werd aanvankelijk alleen de taal der beschaafde wereld, die zich onder de regering van augustus en zijne eerste opvolgers meer algemeen begon te verspreiden. De Romeinen, even als de Grieken, op vreemden met minachting nederziende, namen van de Grieken het begrip en het woord van barbaren over om het op alle niet Romeinsche volken, de Grieken alleen uitgezonderd, toe te passen. Het latijn, verbasterd en ontluisterd, bleef gedurende de middeleeuwen de eenige vreemde taal, die de geleerden of liever de klerken en monniken, die den geleerden stand destijds vertegenwoordigden, aanleerden; eerst later, in de vijftiende en zestiende eeuw vooral, begon de aandacht zich weer op de overblijfsels der Grieksche letterkunde te vestigen. Oostersche talen, waaronder men bijkans alleen het Hebreeuwsch en Arabisch verstond, werden slechts door zeer weinigen beoefend. Daar de vorm dezer talen, die men gemeenlijk de spraakkunst (grammatica) noemt, van dien der klassieke talen zeer verschilt, had men in de kennis dezer talen een middel kunnen vinden tot eene vergelijkende taalkunde, die echter eerst later door de beoefening der Indische talen ontstaan is.
Men heeft de opmerking gemaakt, dat alle op ervaring berustende of dusgenoemde inductive wetenschappen drie verschillende toestanden doorloopen. Door inductie verstaat men het afleiden van algemeene waarheden uit afzonderlijke ervaringen en waarnemingen. Daartoe is in de eerste plaats noodig, dat men ervaringen bijeenzamelt. Zulk een tijdperk, waarin men op zich zelf staande verschijnsels opmerkt en opneemt, kan men het empirische tijdvak noemen. Empirie is ervaringskennis, in tegenoverstelling tot theoretische wetenschap. Een tweede tijdperk is dat, waarin men de verschillende waarnemingen bijeenvoegt of afscheidt, om ze onder grootere en kleinere afdeelingen [ 83 ]te brengen en alzoo gemakkelijker te overzien. Wij geven aan dat tijdperk den naam van het rangschikkende. Eerst na dezen voorbereidenden arbeid kan de theoretische behandeling eener wetenschap aanvangen, hetwelk haar laatste tijdperk is. Men moet zich echter deze verdeeling niet alzoo afgebakend en begrensd voorstellen, alsof deze toestanden elkander in geregelde tijdorde opvolgden en elkander wederzijds uitsloten. Ook in het theoretische tijdvak is men niet ontheven van de verpligting om nieuwe waarnemingen op te zamelen, en elk, die, ook in den meest gevorderden toestand eener ervaringswetenschap, haar zelve wil aanleeren, haar tot zijn waarachtig eigendom wenscht te maken, moet individueel in zekere mate de verschillende tijdperken doorloopen, die het menschelijk geslacht doorloopen heeft, om de wetenschap van hare eerste beginsels tot haren tegenwoordigen toestand op te heffen.
Wij mogen dan in de wetenschap der vergelijkende taalkunde eveneens een tijdperk van ervaring (van opmerking en opteekening van enkele waarnemingen), een rangschikkend en een theoretisch tijdperk veronderstellen, en wanneer wij den nog jeugdigen toestand van dit, eerst laat op het veld der menschelijke wetenschap ontkiemde gewas in aanmerking nemen, dan is het naauwelijks te verwachten, dat het rangschikkend tijdperk thans reeds afgeloopen zou zijn.
Voor dat wij daarom onze lezers met algemeene vraagstukken bezig houden, willen wij hun mededeelen, welke de rangschikkingen zijn, waartoe de vergelijkende taalstudie tot nog toe geleid heeft. Naauwer of meer verwijderd zijn tusschen de verschillende talen de overeenkomsten en verwantschappen, en wij kunnen hier, even als bij organische wezens, van natuurlijke familiën, van orden, van klassen en van hoofdvormen of typen spreken.
Overal, waar vele zaken bij elkander zijn gebragt, wordt een gemakkelijk overzigt eerst mogelijk door rangschikking, en eene slechte is altijd nog te verkiezen boven de verwarring, die uit het volslagen gemis van alle rangschikking ontspruit. Zoo lang als de talen, die men bestudeerde, geene andere waren dan de Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, kon men volstaan met eene verdeeling in gewijde en ongewijde, of in klassieke en Oostersche talen. Het is echter duidelijk, [ 84 ]dat dergelijk eene verdeeling volstrekt onvoldoende is, wanneer men de groote reeks der talen in een enkel zamenstel brengen wil. Eene verdeeling der talen naar de werelddeelen (talen van Azië, van Europa enz.) kan mede geene opheldering geven, en zou hier afscheiden wat te zamen behoort, om ginds weer te vereenigen, wat in der daad geene verwantschap heeft. Het is deze verwantschap, waarop het vooral aan komt. Maar hoe zal die verwantschap gekend worden? Er zijn vooral twee bijzonderheden, twee hoofdpunten, waarop men letten kan, de woorden en de vormen; men kan zijne aandacht vestigen op het woordenboek of op de spraakkunst. En nu is het bij eenig nadenken duidelijk, dat de overeenstemming in spraakkunstige vormen eene meer wezenlijke overeenkomst is dan de gelijkheid of gelijkvormigheid der woorden. Letten wij alleen op de woorden, dan zouden wij b.v, de Engelsche taal met evenveel regt in de nabijheid der Fransche taal, als in de nabijheid der Duitsche taaltakken kunnen plaatsen. Maar de geest en de wetten der taal wijzen aan het Engelsch eene plaats in de nabijheid van de Friesche, de Nederduitsche, de Noordduitsche talen aan en doen ons de Engelsche taal als een der takken van den stam der Germaansche talen beschouwen.
Er zijn, om tot zulk eene algemeene kennis der talen te geraken, nog vele bouwstoffen te verzamelen. Men bezit meer of min uitgebreide woordenlijsten van verschillende volkstammen. In de reisbeschrijvingen van cook en van andere zeevaarders, in de wetenschappelijke werken vooral, die op de, in onze eeuw ondernomen reizen betrekking hebben, vindt men aanteekeningen omtrent de talen, ook van de verst verwijderde volken, van de bewoners der eilanden van de Stille Zuidzee, van de volkstammen in de oorspronkelijke bosschen van Amerika enz. Maar woordenlijsten geven ons dikwerf weinig opheldering. Voorts bezitten wij groote verzamelingen, waaronder vooral de werken van hervas en adelung moeten vermeld worden, in welk laatste het "Onze Vader" in vijfhonderd talen als taalproeve voorkomt. De groote Duitsche wijsgeer leibnitz heeft vooral medegewerkt om op dit onderwerp de algemeene belangstelling te vestigen. In zijne verhandeling over den oorsprong der volken (1712) zegt hij: "De studie der talen moet naar dezelfde beginsels ingerigt worden als de studie der [ 85 ]exacte wetenschappen." Hij wilde zoovele feiten opzamelen, als mogelijk was. Door uitgebreide briefwisseling met reizigers, gezanten en vorsten zocht hij taalproeven uit alle gewesten der aarde bijéén te brengen.
Eenen gewigtigen invloed op de studie der vergelijkende taalkunde heeft vooral de kennis van de oude Indische taal, die men Sanskrit noemt, uitgeoefend. De Aziatische societeit, in 1784 te Calcutta opgerigt, heeft er vooral aanleiding toe gegeven om de aandacht op die taal te vestigen. Sir william jones verklaarde, dat geen taalkundige het Sanskrit, Grieksch en Latijn kon onderzoeken, zonder tot de overtuiging te geraken, dat zij allen van gemeenschappelijken oorsprong waren. Er is eveneens grond om aan te nemen, dat de Germaansche en Keltische en Slavonische talen denzelfden oorsprong hebben gehad, als het Sanskrit, en ook het oude Persisch moet tot dezelfde taalfamilie gebragt worden. In 1808 gaf friedrich schlegel een klein boekdeeltje in het licht over de taal en wijsbegeerte der Indische volken (Ueber Sprache und Weisheit der Indier), waarin de overeenkomst, welke wij bedoelen, eveneens wordt aangetoond, en hetwelk aanleiding gaf, dat men sedert dien tijd van Indo-Europische of beter Indo-Germaansche taaltakken begon te spreken. Thans bezigt men voor den grooten taalstam, dien wij bedoelen, dikwerf den naam van Ariaanschen. De naam Arii, als volksnaam, had betrekking op de bevolking van dat gedeelte van Centraal-Azië, waar de Gihon en Sijoen (de Oxus en Jaxartes) ontspringen. Maar, welke ook de naam zij, waaraan men de voorkeur geve, het is voor ons tegenwoordig oogmerk voldoende op te merken, dat tot deze groote klasse van talen de Indische. Perzische. Keltische. Slavonische en Germaansche behooren, eveneens als de Grieksche taal van onzen tijd, en de Fransche, de Spaansche, de Portugeesche, de Italiaansche taal. Als uitgestorven talen vermelden wij slechts het Sanskrit, het Latijn, de taal van het oude Griekenland en het Gothisch.
Uit deze opnoeming ziet men reeds, 't geen bij nader onderzoek steeds duidelijker wordt, dat de groote verdeelingen, die men voor volkstammen in de natuurlijke geschiedenis van den mensch heeft aangenomen, niet altijd dezelfde zijn als die, tot welke men door het onderzoek en de vergelijking der talen gebragt wordt. Onder [ 86 ]de opgenoemde talen vinden wij er, die aan volkstammen eigen zijn, welke volgens den schedelvorm en andere ligchamelijke kenmerken tot zeer duidelijk onderscheidene afdeelingen behooren. De schedel der Slavonische volken b.v. is kort en breed, die der Germaansche volken smal en lang, of, gelijk de Zweedsche ontleedkundige retzius het uitdrukte, de Slavoniers zijn een brachycephalisch, de Germanen een dolichocephalisch volk.
Doch wij keeren tot de algemeene verdeeling der talen terug en moeten thans de vraag beantwoorden', welke de groote, algemeene hoofdvormen of typen zijn, waartoe de talen kunnen gebragt worden. Even als wij in het dierenrijk door de aanwijzing van cuvier, boven de klassen nog grootere verdeelingen hebben leeren kennen, die als hoofd-onderscheidingen, niet door de mindere of meerdere zamengesteldheid der bewerktuiging, maar door het plan der bewerktuiging bepaald zijn, verwachten wij ook, dat er zulke grondvormen of hoofdklassen bij de talen aanwezig zullen zijn. De nieuwere schrijvers over dit onderwerp nemen gewoonlijk drie hoofdvormen aan[1]. De zamenstellende grondbeginsels der talen, de eenvoudige bestanddeelen der woorden, die men wortels noemt, kunnen a) zelve als woorden gebruikt worden en volkomen onafhankelijk blijven, b) of twee wortels kunnen tot één enkel woord zamensmelten, zoo dat een der wortels zijne zelfstandigheid verliest, of c) beide wortels, die een woord zamenstellen, kunnen hunne zelfstandigheid verliezen. Hetgeen hier van twee wortels gezegd is, geldt ook van drie of vier, het beginsel blijft hetzelfde.
Van den eersten taaltypus kan de Chinesche taal tot voorbeeld verstrekken. Men heeft zoodanig eene taal somtijds eenlettergrepig (monosyllabisch) genoemd. Volgens müller zou men het standpunt, waarop zich zulk eene taal bevindt, het best als dat der wortelwoorden (radical stage) kunnen aanduiden. Er is in zoodanig eene taal geen onderscheid van vorm tusschen een zelfstandig naamwoord, een werkwoord, een bijvoegelijk naamwoord, een bijwoord, en dezelfde wortel kan [ 87 ]b.v. gebezigd worden om groot, grootheid, grootelijks, groot zijn uit te drukken; wat het bepaaldelijk uitdrukt, wordt alleen door de plaats, die het in een zin inneemt, bepaald.
De tweede typus, waar twee of meer wortels zamensmelten om een woord te vormen, waarvan de eene zijne onafhankelijkheid blijft bewaren, en de andere in eenen uitgang verandert, welke geene zelfstandige beteekenis meer bezit, deze tweede typus, zeg ik, heeft den naam van zamengesmolten of aanklevend verkregen. Tot dezen typus behooren vele talen in Azië, de talen der Mongoolsche volken, der Samojeden, der Tungusen. Onder de in Europa gevestigde volken vinden wij dezen typus in de Hongaarsche, de Finsche, de Laplandsche en Turksche taal.
De derde typus, dien men voor den volkomensten houdt, is die der verbuiging. Hier kunnen beide bestanddeelen van het woord, beide wortels, die zamensmelten, verandering ondergaan en beide hunne onafhankelijkheid, hunne zelfstandige beteekenis verliezen. Het is tot dezen typus, dat de, vroeger door ons als Indo-Germaansche talen[2] besproken taalstammen behooren, en het is nu tevens blijkbaar, waarom nieuwere schrijvers tegen deze benaming, even als tegen die van Indo-Europische talen, gewigtige bedenkingen hebben ingebragt. Want in de eerste plaats is het moeijelijk onder den naam van Indo-Germaansche talen de Slavonische of Grieksche talen op te nemen, en evenzeer is het bedenkelijk om de benaming van Indo-Europische talen aan te nemen, daar althans sommige Europische talen niet tot dezen, maar tot den vorigen typus behooren. Het is dan ook daaraan toe te schrijven, dat men den naam van Ariaansche talen thans de voorkeur geeft, die, wanneer hij ook willekeurig gekozen was, echter het voordeel heeft van althans geen verkeerd begrip te doen ontstaan.
De verkeerdelijk dus genoemde Indo-Germaansche talen zijn echter niet de eenige, die tot dezen derden typus behooren. Er wordt ook [ 88 ]nog eene uitgestrekte familie van talen toe gebragt, die men gewoon is de Semitische te noemen, waartoe de Syrische, Hebreeuwsche en Arabische taal behooren, en welke onderling dezelfde of nog grootere verwantschap aanbieden, als die men tusschen de Ariaansche taaltakken heeft opgemerkt. Toen Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch bestudeerd begonnen te worden, kon men niet voorbijzien, dat deze talen met het Hebreeuwsch naauw verbonden waren, en van Latijn en Grieksch in alles verschilden, waarin zij onderling overeenstemden.
Er was een tijd, waarin men meende, dat de Hebreeuwsche taal de oorspronkelijke taal van alle volken geweest zou zijn. Geleerde nasporingen van de zeventiende eeuw werden met eene, door geene teleurstelling verflaauwde volharding uit dit oogpunt ondernomen, tot dat men eerst later tot de vraag gebragt werd, waarmede men wel had mogen beginnen, "waarom moet de Hebreeuwsche taal juist de eerste en oudste aller talen zijn?" Welke de taal was, die het eerste menschenpaar in het paradijs gesproken heeft, wordt ons door de Bijbelsche geschiedverhalen niet gemeld; en, zoo men het verhaal van den torenbouw van Babel in den vroeger gewoonlijk aangenomen zin opvat, is het Hebreeuwsch eerst na de spraakverwarring, die dezen bouw deed staken, ontstaan.
Wij willen over de verdeelingen der talen niet verder uitweiden, en vreezen zelfs, dat sommige onzer lezers reeds geneigd zullen zijn te betwijfelen, of hetgeen wij omtrent de uitkomst der vergelijkende taalstudie hebben medegedeeld wel veel tot opheldering der vraag omtrent den oorsprong der taal kan bijdragen. Indien dit al geheel het geval mogt zijn, dan zouden wij echter nogmaals moeten herinneren, 't geen wij reeds bij den aanvang deden opmerken, dat deze vraag onopgelost blijven kan, zonder dat daarom vergelijkende taal studie hare waarde verliest. Intusschen is het misschien mogelijk uit de medegedeelde uitkomsten van de nasporingen der taalonderzoekers eenige gevolgtrekkingen af te leiden, die het vraagstuk althans nader omschrijven. Wanneer de drie groote afdeelingen der talen als drie verschillende toestanden van ontwikkeling beschouwd worden, dan kan men aannemen, dat oorspronkelijk elke verbuiging of verandering van een woord ontstaan is door een ander daaraan toegevoegd woord, [ 89 ]'t geen dikwerf zoo gewijzigd is, dat het niet meer als zoodanig herkend en eerst door vergelijkend onderzoek weder gevonden kan worden. Max müller heldert dit onder anderen op met een voorbeeld, dat wij te eerder overnemen, omdat het eene taal betreft, die algemeen bekend is. Het is de toekomende tijd in de Fransche taal. Er is geene gelijkheid tusschen het Latijnsch amabo en het Fransch j'aimerai. Hier hebben wij eenen nieuwen grammatischen vorm, die in lateren tijd ontstaan is. Hoe ontstond die uitgang rai? Even als aan een organisch wezen heeft men aan de taal eenen groei en eene ontwikkeling toegedicht, waardoor al de veranderingen als loten en knoppen uit den stam der taal zouden voortspruiten. Anderen hebben menschelijke uitvinding te hulp geroepen, alsof de vorming der taal door eene bijeenkomst, eene vergadering, die daarover als over de grondwetten en inrigting van eenen staat raadpleegde, tot stand was gebragt. Maar om bij ons voorbeeld te blijven, in het Fransch, gelijk in andere Romanische talen, zijn de uitgangen van den toekomenden tijd dezelfde als die van het hulpwerkwoord hebben:
j'ai vinden wij terug in j'aimer-ai
tu as „„„ in tu aimer-as enz.[3].
Wij hebben dan in alle talen slechts met wortels te doen, en deze wortels, de oorspronkelijke bestanddeelen der talen, zijn in de monosyllabische taal der Chinezen zonder verbinding nevens elkander geplaatst. In de agglutinerende talen zijn die bestanddeelen verbonden, maar zóó, dat men de voegen en naden nog duidelijk ziet. Eerst in de verbuigende talen zijn zij zoo innig vereenigd, dat ze slechts door het mikroskoop van den vergelijkenden taalkenner ontdekt kunnen worden, en hunne oorspronkelijke beteekenis dikwerf verloren hebben.
Welke waren nu die oorspronkelijke woorden of wortels, en welke beteekenis hadden zij? Er zijn twee verschillende meeningen omtrent de eerste woorden, die beide slechts eene betrekkelijke en ondergeschikte waarde hebben, en volstrekt geene algemeene toepassing [ 90 ]toelaten. Volgens sommigen zijn de talen haren oorsprong verschuldigd aan natuurklanken. Maar behalve de uitdrukkingen van smart en plotselinge vreugde, van verbazing en verrukking, behalve het Ach! en: O! dat, geschreven, reeds alle uitdrukking verliest, en die uitdrukking alleen verkrijgt door den eigenaardigen toon, waarmede het werd uitgesproken, zijn er toch weinig woorden in de talen, die men tot zulke uitroepingen brengen kan. Dergelijke natuurlijke geluiden, die gemakkelijk door een stamelend kind gevormd worden, schijnen den oorsprong gegeven te hebben aan den naam van vader en moeder, die, van het kind opgevangen, als woorden in de taal werden opgenomen. Het is reeds eene oude opmerking, dat de oorspronkelijke woorden, welke de namen der ouders aanduiden, uit ééne lettergreep of herhaling dier lettergreep bestaan, die uit een lip- of tandletter en de vokaal a zijn zamengesteld[4]. Zoo heeft voor eenige jaren buschmann in een opstel Ueber den Naturlaut (Berlin 1853) tafels uit velerlei talen zamengesteld, waaruit blijkt, dat er gewoonlijk vier typen zijn voor den vader- en moedernaam, pa, ta, ap, at voor den eersten, ma, na, am en an voor den tweeden. Veel kan echter uit deze bron niet worden afgeleid, en door daarin uitsluitend den oorsprong der taal te zoeken, zoude men het eigenaardige der taal miskennen. Anderen hebben gemeend, dat de woorden oorspronkelijk nabootsingen van geluiden waren, doch hoeveel valt er uit te drukken, dat geen geluid geeft? Eenige woorden mogen op die wijze ontstaan zijn, en de naam, dien sommige dieren dragen, moge als nabootsing van hun geluid gevormd zijn, die woorden staan veel meer als uitzonderingen dan als voorbeelden van den gewonen regel in de woordenboeken. Ik herinner hier, onder de namen der vogels, den naam des Koekoeks, in de Nederduitsche, de Hoogduitsche en de klassieke talen.
Het is inderdaad even willekeurig, wanneer men van zulke klanknabootsingen den oorsprong der taal afleidt, als wanneer men dien in uitroepingen, in uitingen van gemoedsaandoeningen en hartstogten wil zoeken. De taal drukt begrippen uit. Mededeeling van smart en vreugde door natuurklanken is ook bij dieren aanwezig. Angstgeschrei en jubelende [ 91 ]vreugdetoonen kunnen wij ook van vogels vernemen, en het gezang der nachtegalen klinkt ons in de stille Meinachten als een Lied ohne Worte tegen, dat alleen tot het gevoel, maar niet tot het verstand spreekt.
De oorspronkelijke wortel-woorden schijnen over 't algemeen benamingen van eigenschappen of aanwijzende woorden geweest te zijn. De eerste maken de grootste meerderheid uit, en kunnen nu eens tot een werkwoord, dan eens tot een naamwoord geworden zijn. Niet geheel vrij van willekeur althans schijnt het te meenen, dat alles aan wortels, die de beteekenis van werkwoorden zouden hebben, zijn ontstaan te danken had, en dat geen naamwoord oorspronkelijk zou kunnen wezen.
De ontleedkunde kan ons met de inrigting der menschelijke stemwerktuigen bekend maken. Zij kan ons in de meerdere of mindere spanning der stembanden, in de grootere of geringere uitgestrektheid, waarin deze deelen trillen kunnen, het verschil van hoogere en lagere toonen, in de bewegingen der deelen, die de mondholte vormen, in de veranderingen, die de tong en lippen bij het vormen van gearticuleerde klanken ondergaan, de geschiktheid tot spreken ophelderen, — omtrent den oorsprong der taal laat zij ons in het duister. De kunstige inrigting van al de deelen in het menschelijk ligchaam, die op de vorming van gearticuleerde klanken betrekking hebben, verdient echter onze bewondering, en de eenvoudigheid van middelen, waarvan de natuur zich hier bediend heeft, valt misschien het sterkst in het oog, wanneer men de onvolkomene uitkomsten nagaat, die een von kempelen verkreeg, toen hij, na jaren nadenken en dikwerf herhaalde pogingen, eindelijk eene dusgenoemde Spraakmachine vervaardigd had.
Het vermogen om te spreken moet door de natuur gegeven zijn, maar de taal is daardoor niet verklaard. Mededeeling onzer gewaarwordingen en gedachten door teekenen is taal in het algemeen, en zoo heeft men de teekenspraak der doofstommen, en in zekeren zin kan afteekening van voorwerpen mede eene taal, — een beeldspraak genoemd worden. Met enkele teekens en letters kan de wiskunde eene geheele reeks van diepzinnige gedachten, als afleiding uit algemeene begrippen omtrent de afgetrokkene voorstelling van hoegrootheid, aanschouwelijk maken. Maar wij hebben in ons geheele opstel [ 92 ]in meer bepaalden zin de menschelijke taal, als voorstelling van gedachten en gewaarwordingen door gearticuleerde klanken, door woorden, beschouwd. Die gearticuleerde klanken maken op zich zelve nog geene taal; sommige vogels — eksters en papegaaijen b.v. — kunnen allerlei menschelijke woorden met treffende gelijkheid nabootsen, maar niemand zal door die zinledige nabootsing tot de meening gebragt worden, dat deze dieren waarlijk spreken, al bezigt hij ook somtijds dit woord, wanneer hij hun geklap bedoelt.
Het groote raadsel ligt derhalve in de keuze, die de mensch gedaan heeft, om de door zijne stem- en spraakwerktuigen gevormde klanken tot teekenen te bezigen, waardoor hij zijne gedachten uitdrukt. Herder, die in zijne, nu voor omstreeks negentig jaren bij de Berlijnsche Akademie der Wetenschappen bekroonde prijsverhandeling over den oorsprong der taal de nabootsing van gehoorde klanken (hij haalt tot voorbeeld het blaten van een schaap aan) als de aanleiding tot vorming der eerste woorden aanneemt, geeft zich vele moeite om aan te toonen, hoe de mensch eene taal, waar hem geen geluid tot voorbeeld was, heeft kunnen uitvinden. Niet alle voorwerpen geven geluid. Hoe hangt gezigt en gehoor, kleur en woord, reuk en klank te zamen? Hij verklaart dit door een' zamenhang in ons denkend wezen. Eigenschappen der voorwerpen kennen wij slechts als aandoeningen van ons sensortum commune. Ik moet echter bekennen, dat al wat door herder hier wordt bijgebragt, en ook zijn betoog, dat het gehoor in het midden staat tusschen andere zinnen in klaarheid en omvang van gewaarwording, de zaak voor mij nog niet tot helderheid heeft gebragt.
Herodotus heeft een verhaal, 't geen ons reeds uit onzen schooltijd bekend is[5], dat psammetichus, om uit te maken, of de Egyptenaren het oudste volk der aarde waren, twee jonggeboren kinderen aan een' herder toevertrouwde, die hen bij de kudde moest opvoeden en onder een afzonderlijk dak laten slapen, terwijl zij op bepaalde tijden door geiten, die hen met hunne melk moesten zogen, werden bezocht. Hij verbood, dat iemand in hunne tegenwoordigheid spreken zou, en gaf last, dat men opletten moest, welken klank zij, nadat zij hun [ 93 ]kinderlijk geschrei tegen spreken konden verwisselen, het eerst zouden doen hooren. Het woord Bekos, 't geen de herder hoorde, werd nu als oorspronkelijk woord beschouwd, en bij onderzoek bleek het, dat de Phrygiers dit woord in hunne taal bezaten om er brood mede aan te duiden. Het verhaal heeft geen groot gezag, en het besluit, dat psammatichus uit zijne proef opmaakte, heeft het nog minder. — De ondervinding leert ons niets omtrent eene taal, die menschen zouden uitdenken, van andere sprekende menschen afgezonderd. Kinderen leeren de taal, die zij hooren, en, reeds voor dat zij spreken, verstaan zij veel van 't geen gesproken wordt. Wanneer zij echter eenmaal beginnen te spreken, dan toonen zij, dat zij met het naamgevend vermogen, 't geen de eerste mensch bezat, evenzeer zijn toegerust, en zij vormen zich voor nieuwe, hun nog niet genoemde voorwerpen, namen van eigen vinding, die meestal volgens attributen der zaken uit den hun reeds bekenden woordenschat ontleend zijn. Zoo vormen zich bij kinderen vele synonymen, en waren zij verder aan zich zelven overgelaten en slechts door andere kinderen omringd, dan zou de door deze kinderen gevormde taal, evenals de talen der nog weinig beschaafde volken, rijk aan synonymen voor dezelfde zaken en toch ook arm aan begrippen zijn.
Het is altijd moeielijk ons het begin van eenige zaak voor te stellen. Max müller heeft volkomen regt, en hij drukt slechts uit, wat ieder, die over de zaak nadenkt, zelf gevoelen moet, wanneer hij zegt: Wanneer wij beproeven ons den eersten mensch als een kind voor te stellen, dat trapsgewijze zijne physische en verstandelijke vermogens ontwikkelt, dan kunnen wij niet begrijpen, hoe hij een enkelen dag kon blijven leven zonder bovennatuurlijke hulp. Wanneer wij ons daarentegen den eersten mensch trachten te denken als volwassen naar ligchaam en geest, dan gaat de voorstelling van een uitwerksel zonder oorzaak, van volwassen zonder groei, de grenzen van onze verstandelijke bevatting te boven. Het is evenzoo met de eerste beginsels der taal[6]).
Zonder ons daarom verder te pijnigen met het nasporen van een [ 94 ]begin, dat buiten onze voorstelling en bevatting ligt, willen wij ten slotte nog een enkelen blik slaan op het eigenlijk wezen der taal. Wij hebben reeds gezegd, dat er geen volk bestaat, hoe weinig ook ontwikkeld, of het bezit eene taal. De taal, zeiden wij, is een algemeen kenmerk van den mensch. Maar wij hebben het een uiterlijk kenmerk genoemd. Aan dat uiterlijke kenmerk beantwoordt een ander, hetgeen niet binnen de waarneming onzer zinnen valt, een kenmerk van den menschelijken geest. En dat kenmerk van den menschelijken geest is het vermogen om algemeene begrippen te vormen. Dat vermogen is de eerste grond der taal, en van daar dan ook, dat het woord rede zoo wel voor het verstandelijk vermogen als voor de spraak gebezigd wordt; hetzelfde woord duidt in velerlei talen beide deze begrippen aan. Sprakeloos en redeloos zijn woorden, die wij in gelijke beteekenis voor het vee, in tegenstelling van den mensch, bezigen. Het Grieksche woord logos heeft eveneens dien tweeledigen zin. Namen, hoezeer teekens van afzonderlijke voorstellingen, berusten op algemeene begrippen. Afgeleid uit eigenschappen der dingen (praedicaten), zijn zij, zonder algemeene begrippen, niet mogelijk. Gedachten en woorden zijn als ziel en ligchaam vereenigd; woorden zijn de ligchamelijke vormen van gedachten.
Men heeft in den laatsten tijd veel vlijt besteed om in ligchamelijke bijzonderheden het onderscheid tusschen den mensch en de digst tot den mensch naderende diervormen te bepalen. Maar, hoezeer er b.v. onderscheid bestaat in den uitwendigen vorm en de betrekkelijke grootte der hersenen, geeft ons het naauwkeurigst onderzoek geene zulke scherpe grenzen op, als sommigen wel willen beweren, tusschen de hersenen van den mensch en die van den chimpanzé, den orang of de gorilla. Het ware onderscheid tusschen mensch en dier is van dien aard, dat het niet afgeteekend, niet gewogen of gemeten, niet bij looden of duimen bepaald kan worden[7]. Het onderscheid ligt in den menschelijken geest.
- ↑ Zie b.v. schele de vere, Outlines of comparative Philology. New-York, 1853, p. 223 en vooral max müller, Lectures on the Science of Language. London, 1861, Svo, aan welk laatste werk wij bij het opstellen dezer proeve veel ontleend hebben.
- ↑ Reeds hamaker zeide in zijne Akademische Voorlezingen over het nut en de belangrijkheid der grammatische vergelijking, enz. Leiden, 1835, bl. 7: "De benaming is hoogst gebrekkig, omdat men niet gewoon is Celten, Grieken, Romeinen of Slavoniërs onder den naam van Germanen, of Perzianen onder dien van Indiërs te begrijpen."
- ↑ In de Provençaalsche taal vinden wij dat af in den toekomenden tijd afgescheiden van de onbepaalde wijs b.v. dir vos ai in plaats van je vous dirai. Er kan dus geen twijfel bestaan, of het Fransch futurum was oorspronkelijk eene zamenstelling en de uitdrukking ik heb te zeggen had daarin de beteekenis verkregen van ik zal zeggen. M, müller, p. 217.
- ↑ Des brosses, Mechanisme des Langues. Tom. 1, p. 231 — 247, aangehaald door gibbon, Decline and Fall of the Roman Empire. Chap. 68, note 23.
- ↑ Histor. Lib. II, C. 2.
- ↑ T. a. pl., p 331.
- ↑ Rolleston, On the Brain of the Orang-Utang. Natural History Review, 1861, p. 215.