Naar inhoud springen

Album der Natuur/1862/Sprinkhanen

Uit Wikisource
Sprinkhanen (1862) door Alexander Willem Michiel van Hasselt
'Sprinkhanen,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 191-192 . Dit werk is in het publieke domein.
[ 191 ]
 

SPRINKHANEN.

 

 

Het is bekend, dat de sprinkhanen soms in ongeloofelijk groote menigte in het zuidoosten van Europa te voorschijn komen en de grootste verwoestingen aanrigten; maar zelden heeft men ze in zulk eene menigte daar bijeen gezien als in de jaren 1859 en 1860, waarom wij, om althans eenig denkbeeld te geven van dit zonderling en opmerkelijk natuurverschijnsel, het volgende willen mededeelen, zooals wij dit vonden opgeteekend in het Duitsche Tijdschrift die Natur, Januarij 1862, van dr. otto ule en dr. karl müller.

Digte zwermen sprinkhanen stortten zich uit Turkije en de Donauvorstendommen over Bessarabië en Nieuw-Rusland uit. In Bessarabië alleen bedekten in 1859 deze dieren met hunne eijeren eene oppervlakte van 128,000 Pruissische morgens[1] en in de Chersonsche en Taurische gouvernementen was deze oppervlakte nog tweemaal grooter. Geene maatregelen werden in Bessarabië, vooral in de kreits van Chotin, onbeproefd gelaten om dit kwaad te beteugelen. Men groef den bodem om, verzamelde en verbrandde de eijeren, liet in het voorjaar den losgeploegden akker door paarden en runderen vasttrappen. Maar alles te vergeefs. De hoeveelheid was te groot. Niet ver van Chotin werden op eene oppervlakte van 7700 morgens niet minder dan 4425 Pruissische schepels[2] sprinkhaneneijeren opgezameld. Toen de eijeren in Mei 1860 uitkwamen, meende men door opegging van den grond en andere middelen het kwaad reeds te boven te zijn, toen men vernam, dat groote scharen van dit ongedierte van het Chersonsche gouvernement in aantogt waren. Men zag ze twee dagen lang in eene laag van 7 — 8 (oude) duimen dik over eene breedte van 1¼ Duitsche mijl over den Dniester zwemmen en zich verspreiden over de lage streken aan den regteroever dier rivier.

[ 192 ] Toen kwamen de ingezetenen van alle kanten bijeen: Duitschers, Bulgaren, Moldaviërs, Joden en groot- en klein-Russen vereenigden zich om hunne bezittingen met alle man te verdedigen. Binnen korten tijd waren wel 14,000 man tot dit oogmerk bijeen. Maar reeds hadden de sprinkhanen eene oppervlakte lands van wel 4 vierkante mijlen ingenomen. Om hen van de aangrenzende velden af te houden, werden langs de akkers diepe grachten gegraven en deze met een aantal manschappen bezet, welke de zich in die grachten nederstortende sprinkhanen moesten dooden. Het overige der mannen, op alle toegankelijke plaatsen verdeeld, kampte met doorneggen en bezems om de overal uit riet en struiken opkomende vijanden te dooden. Waar de grond vlak genoeg was, vertraden kudden paarden en runderen het ongedierte onder hunne hoeven. Wachten te paard sloegen de bewegingen der sprinkhanen gade, om de manschappen ten spoedigste te roepen naar de plaats, waar de verdedigingslinie gevaar liep doorgebroken te worden. Acht volle dagen duurde de slagting en ¾ der sprinkhanen waren gedood. Toen hadden de overgeblevene hunne laatste vervelling volbragt en op den 9den Julij verhieven zij zich, als volkomen gevleugelde insekten, in de lucht. Toen was natuurlijk alle verdere strijd nutteloos, en het volk werd ontslagen; maar hunne moeite was niet vergeefsch geweest; want, terwijl in het nabij gelegen Chersonsche gouvernement bijna de geheele oogst verloren was gegaan, had zij in Bessarabië bijna niet geleden. De vochtige en koude herfst van 1860 doodde vele sprinkhanen nog vóór dat zij eijeren gelegd hadden en de daarop volgende strenge winter deed eene massa der nog gelegde eijeren omkomen, zoodat het kwaad in 1861 zich niet weder herhaald heeft.

 

 


  1. Elk ongeveer ¼ bunder.
  2. Een Pruissische schepel is ruim 54 N. koppen of iets meer dan een half mud.