Album der Natuur/1862/Zigeuners in Egypte
| Zigeuners in Egypte (1862) door Anne Tjittes Reitsma |
| 'Zigeuners in Egypte,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (elfde jaargang (1862), pp. 382-384 . Dit werk is in het publieke domein. |
DE ZIGEUNERS IN EGYPTE.
Behalve de Joden is er nog slechts één volkstam, die verstrooid door alle landen wandelt, nergens te huis behoort en zich toch overal te huis bevindt en steeds zijne eigenaardige kenmerken in gelaatsvorming, taal en zeden bewaart. Het is het beruchte volkje der Zigeuners, dat door waarzeggen, ketellappen, musiceren en waar de gelegenheid zich aanbiedt, door eene behendige schending van het eigendomsregt zich een onbezorgd levensonderhoud verwerft. Terwijl in Europa nog slechts Hongarije en Spanje Zigeuners in hunne geheele eigenaardigheid kunnen aanwijzen, vindt men ze in de Oostersche landen in hunne volkomene oorspronkelijkheid. De Turken en Persen noemen ze met hun overouden naam Tshinganeh; in Syrië heetten ze Nuwan, in Egypte wordt hun de naam Ghagar gegeven.
In het werk van a. von kremer, Aegypten in seinem gegenwärtigen Zustande, worden aangaande dezen merkwaardigen volkstam belangrijke inlichtingen gegeven.
De Ghagar vormen in Egypte een talrijken stam. Zij vinden hun levensonderhoud, de mannen door als ketellappers, apenleiders, koorddansers of slangenvangers (de Psyllen van Herodotus), de vrouwen door als danseressen, lichtekooijen of waarzegsters het land door te reizen. Behalve den handel in ezels, paarden en kameelen, is bijna de geheele kleinhandel in de handen der Ghagar. Zij doen hunne inkoopen te Kaïro, bezoeken de groote markten te Tanta en in de nabijheid van Beni-Suef. Hier doen zij een aanzienlijken omzet van waren en maken zulke goede winsten, dat rijke Ghagar niet meer tot de zeldzaamheden behooren.
Een ander gedeelte leeft te Kaïro als slangenvangers en slangenetende derwissen. Menig reiziger heeft zeker in Kaïro hunne walgelijke verrigtingen gezien, zonder te vermoeden, dat onder het masker van mohammedaansche derwissen Zigeuners verborgen waren. Deze klasse komt met de europesche reizigers gedurig in aanraking, omdat zij den natuuronderzoekers allerlei soorten van woestijndieren, slangen, hagedissen, woestijnratten, stinkdieren enz., al naar dat men verkiest, [ 383 ]levend of dood, binnen korten tijd weten te leveren. De behendigheid, waarmede zij de slangen vangen, is verrassend. Met een palmboomstaf gewapend, waarmede hij aan de muren en wanden klopt, en met een rietfluitje, waardoor hij de slangen uit hare schuilhoeken lokt, zal de Hawi, zoo noemt men ze, zelden vruchteloos eene huisdoorzoeking doen. Niemand zal het ligt wagen eene kamer te betreden, als de Hawi verklaard heeft, dat zich daarin eene slang bevindt.
De Ghagar zijn in verschillende stammen verdeeld. Zij geven zich echter alle voor echte Arabieren uit, die uit West-Afrika oorspronkelijk zijn. Zij rekenen zich alle zonder uitzondering tot de godsdienstsekte der Malikiten, die in geheel noordwestelijk Afrika onder de vier orthodoxe sekten de heerschende zijn.
De talrijkste stam in Egypte is die, welke den naam Ghawazi draagt. De leden van dien stam noemen zich zelven Beramiken of Bermekiden en schijnen daardoor hun afkomst terug te brengen tot het hoog beroemde vorstengeslacht, dat door Harun-er-Raschid verdreven werd. Zij leiden een echt Bedouïnen-leven, wonen in tenten en trekken van de eene jaarmarkt naar de andere. De meisjes van dezen stam kiezen zonder uitzondering het ligte handwerk van danseressen en, als ze oud zijn, van waarzegsters. Zij trouwen zelden, voordat zij zich eenig vermogen verworven hebben en kiezen dan dikwijls hare eigene slaven tot echtgenooten, die ook na het huwelijk hunne ondergeschikte rol blijven behouden. De voorbeelden, dat zij met eenen dorps-sheik trouwen, zijn niet zeldzaam, en men zegt, dat hare echtelijke trouw dan even naauwgezet is, als haar vroeger gedrag ligtvaardig was.
De Zigeuners uit boven-Egypte noemen zich Saaïdah, dat is lieden uit Saïd. Hunne gelaatstrekken zijn echt Aziatisch, de huidkleur donkerbruin, de oogen schitterend zwart, het haar sluik en insgelijks zwart. De vrouwen tatoueren zich dikwijls met blaauwe kleur op lippen, handen of borst. In de ooren dragen zij groote tinnen hangers, om den hals snoeren van blaauwe en roode glasparelen. Zij waarzeggen door middel van schelpen, naar gelang van de groepen, waarin zij ze werpen. In den zomer, omstreeks den tijd als de Nijl begint te stijgen, ziet men ze in de straten van Kaïro omloopen, [ 384 ]terwijl zij roepen: "wij waarzeggen goede en schoone dingen", of ook "wij vinden verlorene zaken uit". In Kaïro houdt zich een talrijk gezelschap van zulke waarzegsters op, die op de ligtgeloovigheid der ingezetenen speculeren.
Verdere stamnamen zijn Haleb of ook Schahaïni en Tatar, wier vrouwen met waarzeggerij en wier mannen met hoefsmederij en ketellapperij den kost verdienen.
De talrijke klasse van lieden, die met afgerigte apen rondreizen, behoort meest allen tot den Zigeuner-stam, die onder den naam van Kurudati (van kird, een aap) bekend zijn. Tot denzelfden stam behooren de athleten en gymnastische kunstenaars, die bij jaarmarkten en feestelijke gelegenheden hunne kunsten vertoonen.
Alle deze verschillende afdeelingen, in welke de Egyptische Zigeuners verdeeld zijn, spreken dezelfde dieventaal, die zij Sim noemen. Na hunne eigene verklaring zal het woord "Sim" iets verborgens en geheimzinnigs beteekenen. Uit eene verzameling van in die taal gebruikelijke woorden blijkt het buiten twijfel, dat het eene soort van dieventaal is, waarvan zij zich bedienen om van vreemden niet verstaan te worden. Van veel gewigt is het daarbij op te merken, dat zij onder elkander meest Arabisch spreken en het Sim slechts in tegenwoordigheid van vreemdelingen gebruiken. Er komen echter vele woorden in voor, die van vreemden oorsprong en waarschijnlijk van het Westen zijn ingevoerd, vanwaar de Zigeuners voorgeven naar Egypte verhuisd te zijn. Niet geheel onwaarschijnlijk is het, dat welligt vele van deze hun eigene woorden zich uit het Berbersch laten verklaren. Ook vindt men er vele onder, die thans niet meer in gebruik zijn, maar die nog in oud-Arabische woordenboeken worden aangetroffen. Het schijnt echter, dat de oude oorspronkelijke woorden bij hen steeds meer in vergetelheid komen en door nieuw-Arabische vervangen worden.
(Naar petermann's Mittheilungen über wichtige neue Erforschungen auf dem Gesammtgebiete der Geographie, 1862, 2e hft., bl. 41 en v).