Vergif/IV

Uit Wikisource
< Vergif(Doorverwezen vanaf Alexander Kielland/Vergif/IV)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
III Vergif van Alexander Lange Kielland

IV

V
[ 67 ]
 

IV

Er had al lang een praatje geloopen over een fabriek die in de nabijheid van de stad zou worden opgericht. Het heette dat het een filiaal was van een groote engelsche zaak in kunstmeststoffen. Maar zij wilden er ook kapitaal uit de stad in hebben; en daar er in de stad niet veel roeping voor iets dergelijks was, kwam er een handig persoon om met de menschen te praten, hen uit te leggen welke opbrengst men verwachten kon, en het bedoelde stuk grond dat al uitgekozen was, te koopen: en naar aanleiding hiervan was er een diner bij Abrahams ouders.

De nieuw aangekomene, Michal Mordtmann geheeten, was zooals de meeste vreemdelingen, aan professor Lövdahl gerecommandeerd.

Maar de professor kende hem ook nog van de universiteit. Mordtmann was indertijd begonnen met in de medicijnen te studeeren. Maar half [ 68 ] toevallig kwam hij naar Engeland waar hij door relaties van zijn vader in kennis raakte met een familie die groote chemische fabrieken bezat.

Heel onverwacht werd hem een goede betrekking daarbij gepresenteerd: hij kreeg lust om het te beproeven en bleef verscheidene jaren in Engeland. Later kwam hij te weten dat die omkeer in zijn plannen lang niet zoo toevallig was geweest, als hij wel meende.

Zijn vader—Isac Mortmann en Co. in Bergen—stond aan het hoofd van een groote speculatieve handelszaak met een vrij grooten omzet; maar welk vast kapitaal er was, wist niemand.

Hij was een levendig, ondernemend handelsman, die er volstrekt niet blij om was dat zijn eenige zoon absoluut dokter wilde worden. Maar Isac Mordtmann en Co. had geleerd om zijn tijd af te wachten en van het juiste oogenblik gebruik te maken. Daarom gaf hij met volkomen berusting zijn zoon den wil, totdat hij zelf die reis naar Engeland op touw zette; het aanbod van de betrekking aan die engelsche fabriek was ook zijn toedoen; en nu had hij in zoo verre gezegevierd, dat zijn zoon een ondernemend man van zaken was geworden en niet een arm districtsdokter, wie weet waar in 't hooggebergte.

Nu was het plan dat Michal de nieuwe fabriek zou aanleggen en besturen. Maar Isac Mordtmann [ 69 ] en Co. had geen groot kapitaal om er in te steken; de engelsche firma die in het prospectus voorgesteld werd als het moederhuis, was voorzichtig; daarom was het zaak het meeste kapitaal te zoeken in de stad waar men het bijzonder gunstige terrein gevonden en al half en half gekocht had.

Dit was dus Michal Mordtmann's opdracht en hij toonde zich dadelijk de rechte man op de rechte plaats. Zijn stijve engelsche wijze van zijn gaf hem iets solieds en vertrouwbaars, wat maakte dat menigeen lust kreeg om zijn geld in de onderneming te steken, hoewel hij er geen greintje van afwist.

Professor Lövdahl was heel voorzichtig met zijn vermogen. Hij kocht liefst buitenlandsche aandeelen of effecten in Kopenhagen en Hamburg; maar hij stak het geld van zijn vrouw zoo min mogelijk in ondernemingen binnen de stad. Er bestond veel te veel wederkeerige verplichting tusschen kooplui met leenen en helpen en teekenen en borgen, dan dat de professor zou wenschen mede in de handelswereld te komen.

Dan zag hij veel liever af van de hooge plaats onder den groothandel die hij zeker gekregen zou hebben als het enorme fortuin van zijn vrouw in de stad zelf belegd werd. Hij trok zijn renten en knipte stilletjes zijn coupons; men wist ten naastenbij wat hij geërfd had van den ouden [ 70 ] Abraham Knorr en hij nam zijn geld weg uit Bergen; maar er waren er velen die trachtten uit te vinden wat hij er mee deed.

Daarom had Michal Mordtmann ook moeite met den professor. De onderneming had toch een wetenschappelijk tintje; iets van chemie en iets van geneeskunde; er was in elk geval niemand in de heele stad die die analyses en al dat phosphorzure gezeur begreep, behalve professor Lövdahl. En zoo lang hij zich achteraf hield, zou het niet goed willen marcheeren.

Intusschen was Mordtmann een voortdurend gast van den huize; en toen hij een veertien dagen in de stad was geweest, gaf de professor een groot diner ter zijner eer.

Mevrouw Lövdahl was erg teleurgesteld in Mordtmann. Hij was een jaar of vier jonger dan zij; maar zij kon zich hem uit Bergen heel goed herinneren als een levendig jongmensch, geestdriftig aanhanger van het oude Noorsch, kampioen voor de vrouw, voor het volk en voor al wat daarmee in betrekking staat.

Nu verscheen hij weer, maar als een stijf Engelschman die den heelen dag rondliep en met vervelende lui over soda en beenderenmeel sprak. Zij had nauwelijks tien woorden met hem gewisseld; en mevrouw Wenche vond hem in verhouding tot zijn leeftijd buitengewoon saai.

[ 71 ] Eerst vandaag was het haar opgevallen dat hij er met zijn Engelsche snit toch goed uitzag te midden van al die alledaagsche menschen, die zij van buiten kende.

Het diner was stijf geweest; er waren alleen heeren en gedeeltelijk nog wel heeren die er anders nooit aan hvis kwamen, maar wier kennismaking van beteekenis kon zijn voor den jongen Mordtmann.

De professor was als altijd vroolijk en vriendelijk geweest; hij had de gezondheid van zijn eeregast gedronken, hem allen mogelijken voorspoed gewenscht in zijn onderneming en de stad gefeliciteerd met een zoo groote en ontwijfelbaar winstgevende industrie.

Maar het hing toch in de lucht dat de professor nog geen enkel aandeeltje genomen had in die ontwijfelbaar winstgevende zaak, hoe zeer hij die ook zat te prijzen en toe te drinken.

Michal Mordtmann voelde dat ook. In zijn antwoord had hij getracht humoristisch te zijn over de langzaamheid en de overdreven voorzichtigheid van de Westkanters; maar hij besloot met te zeggen dat het, als zij eenmaal iets beet pakten, dan ook met stoom ging. Dat wilde hij ook in dit geval hopen, etc.

Het was een toast die in Bergen opgeld zou hebben gedaan; mevrouw Wenche lachte dan [ 72 ] ook een paar maal; maar daarin stond zij bijna alleen; al die gewezen schippers en oude haringzouters—gedeeltelijk van ultra-godsdienstige richting—waren niet vatbaar voor die soort van humor en keken elkaar aan.

Michal Mordtmann stond in een slechte stemming van tafel op; hij voelde dat hij terrein verloren had.

Als hij rondging bij die lui en onder vier oogen met hen praatte, in een kantoortje zoo groot als een kleerkast, dan bleef hij zelf ernstig en dan praatte hij ernstig. Maar nu hij aan dien feestdisch zat en wijn dronk, nu was het lichte Bergensche bloed in beweging gekomen; hij improviseerde zijn amusante verhalen; maar later begreep hij dat hij beter zou hebben gedaan met droog over phosphorzuur te praten, zooals hij oorspronkelijk van plan was geweest.

Het huis door professor Lövdahl bewoond was heel groot en ouderwetsch met een tuin er achter, hoewel het midden in de stad lag. Hij had het van de gemeente gekocht, die het vroeger als feestgebouw gebruikt had, toen er eens een koning of prins door het land reisde.

Het had groote en hooge kamers, waarin de ietwat ouderwetsche meubels die mevrouw Wenche meebracht, goed pasten.

Van avond was de heele ruimte in gebruik [ 73 ] genomen, er waren een vijftig heeren,—zelfs de consultatiekamer van den professor. Hier begon het rijk van den tabaksrook en die vulde langzamerhand ook de andere kamers, maar werd tegengehouden door de portière van mevrouw Lövdahl's zitkamer, waar zij zelf de koffie schonk.

Er stonden verscheidene speeltafeltjes en bij de toddy die dadelijk na de koffie gediend werd, vormden er zich groepen die over ladingen en zoutprijzen discuteerden of de hoofden bij een staken over de nieuwe fabriek.

Michal Mordtmann liep rond en ergerde zich; hij meende overal te merken dat hij een domheid begaan had; en toen hij zich dat eenmaal in het hoofd had gezet, werd het natuurlijk nog veel erger dan het al was.

Maar het speet hem werkelijk geducht. Want een paar dagen geleden had hij zijn vader geschreven dat hij heel veel hoop koesterde. Zou hij nu tot zijn schande moeten bekennen, dat hij aan een diner te ver was gegaan en de menschen van zich had afgeschrikt?

Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met hart en ziel handelsman geworden. Hij lachte als hij er aan dacht, hoe hij eens geestdriftig ijveraar voor het oude Noorsch was geweest en zijn ideaal een leven voor en met het volk!

Het engelsche comfort, met het herhaalde baden [ 74 ] en wasschen en het glimmende witte linnen, had zijn smaak veranderd en hem van het volk gescheiden. En wat er aan leven en vuur in zijn bloed geweest was, dat was—net als bij zijn vader—overgeslagen in een levendigen speculatiegeest, een drang naar een breeden werkkring, om op te klimmen en met veel te doen te hebben.

En aan den anderen kant had de omstandigheid, dat hij reeds nu zulk een diepe verachting gevoelde voor alles waarmee hij tot zijn vijf en twintigste jaar zoo sterk gedweept had, hem een wantrouwen tegen sterken hartstocht in het algemeen ingeboezemd; en hem tevens koud en voorzichtig gemaakt tegenover vrouwen, wat hem heel goed te stade was gekomen.

Hij stond nu in een heel intieme verhouding tot zijn vader; samen hadden zij dat plan voor de fabriek opgemaakt; de zoon dirigent, de vader disponent en tevens middelaar voor het engelsche huis; er waren een heele boel kansen voor een voordeelige exploitatie en—in geval van tegenspoed, dan was het toch maar bijna allemaal vreemd geld wat er mee verloren ging!

Maar als dat vreemde geld nu niet wilde komen!

Michal Mordtmann wierp zijn cigaar weg, dronk een glas grog en ging de kamer van mevrouw Lövdahl binnen.

[ 75 ] De koffie was gediend en het meisje nam juist alles mee naar de keuken. Eenige heeren die niet rookten of die toevallig bij haar waren blijven praten, hadden zich om mevrouw Wenche verzameld; het waren meest ambtenaren en die vrienden van den huize die zich van daag een beetje overkompleet gevoelden in dat bonte gezelschap.

Ik dank u voor uw toast, meneer Mordtmann!" riep mevrouw Wenche vriendelijk; hij boog stijf en zag haar wantrouwend aan.

Hij zocht en vond een plaats in een hoekje van den ruimen salon achter een étagére waar hij in albums begon te bladeren, terwijl het gesprek om mevrouw Lövdahl weer begon.

"Ja, op dat punt kan ik nu eenmaal niet toegeven, rector!" Zei mevrouw Wenche; "u zegt, ik moet er me maar bij neerleggen en hopen"...

"Neen, excuseer, mevrouw! niet met die woorden. Ik zeg dat de ouders alleen hebben te hopen en te vertrouwen, dat het kind met Gods hulp goed terecht zal komen, als zijn onderricht en zijn geestelijke ontwikkeling maar wordt overgelaten aan mannen die wetenschap en ondervinding aan verstandigen wil paren."

"Ja, maar wie staat mij borg voor dien verstandigen wil en al dat andere?"

"Dat doet de Staat; het onderwijswezen van [ 76 ] het land, een voorzichtige regeering. Geloof me, mevrouw! ons onderwijs kan zich meten met dat van alle europeesche landen en staat in een godsdienstig en zedelijk opzicht zeker boven dat van de meeste."

"Ja, maar als ik nu met mijn eigen oogen zie, dat het verkeerd gaat, heelemaal, dol verkeerd! wat moet ik dan doen?"

Ze lachten allemaal goedig om die ijverende mevrouw en zij lachte mee, ofschoon ze in vollen ernst was.

"U is—hm! u is al een heel strenge dame," zeide de rector glimlachend en zijn grooten neus met snuif vullend, "wij mannen van de school zijn hier juist nog al talrijk en we moeten ons wel heel schuldig voelen."

"O excuseer me, heeren! daar heb ik niet aan gedacht; dat weet u immers allemaal, niet waar?"

—zij zag met haar vriendelijk lachje van den een naar den ander, "dat is mijn ongelukzalig Bergensch bloed, zooals Carsten zegt. Als ik eenmaal een idee heb, dan moet ik praten, ronduit praten; en nu heb ik inwendig al lang een vermoeden, dat het met het schoolwezen heel verkeerd loopt."

Van de schoolmannen bevond zich behalve de rector nog in de kamer de docent Abel, die er op gesteld was dat er over gesproken werd, hoe [ 77 ] hij het hof aan mevrouw Wenche maakte, en candidaat Clausen, het hoofd van de volksschool; eerst later kwam adjunct Aalbom binnen.

"Wilt u ons niet eens zeggen, wat er dan zoo heel verkeerd is?"

"Alles—alles, van 't begin tot het einde."

"Vindt u dat ook van de volksschool?" vroeg candidaat Klausen.

"Die ken ik niet; maar waar de scholen voor de kinderen van de gegoeden zoo slecht zijn, daar ben ik er zeker van dat die voor de kinderen van de armen natuurlijk nog veel erger zijn."

Het waren scherpe woorden, die mevrouw Wenche van avond uitte, nog scherper dan gewoonlijk. Maar de goedmoedige en een beetje schalksche glimlach van den rector zegevierde en bleef de algemeene stemming; alles wel beschouwd was het toch maar een vrouw!

"Toch geloof ik, dat ik één ding weet wat mevrouw irriteert," begon de oude rector fijntjes.

"En dat is?"

"Dat u met uw mooie energieke kleine handen niet eens mee kunt ingrijpen in de dingen, dat u eens niet redderen kunt onder de docenten en den rector zelf niet eens de les lezen kunt."

"Ja, ja!" riep mevrouw Wenche, "dat is het juist! Ik zie wel dat u allemaal lacht; maar ik meen het in ernst; het is juist dit, dat ik niets voor [ 78 ] mijn zoon kan doen, terwijl ik toch heel duidelijk zie dat het verkeerd met hem gaat en dat zijn krachten verspild worden."

"Nu, nu, mevrouwtje, we willen hopen dat het nog niet zóó erg is: maar heeft u wel recht om te zeggen, dat u in 't geheel niets voor uw zoon kunt doen, wanneer u vindt dat de school in 't een of ander ongelijk heeft? Eike klacht..."

"O beste rector! hoe kunt u mij op dit punt tegenspreken? U weet toch zelf ook wel dat een kind op een openbare school door driedubbele muren ingesloten wordt, en wee den vader—en nog erger voor de moeder!—die de hand in dat wespennest durft steken."

"Dan behoef ik u maar te zeggen, mevrouw Lövdahl!" viel candidaat Clausen hier in, "dat er bijna geen dag voorbij gaat of ik krijg vier of vijf wijven aan de deur, die hun hart willen luchten over allerlei dat hun lieve kinderen overkomen is."

Excuseer, meneer de directeur! die wijven—zooals het u behaagt te zeggen,—hebben hun kinderen met smart ter wereld gebracht,—wat ik nog nooit van een directeur gehoord heb, en reeds op dien grond alleen hebben zij het recht om naar hun beste vermogen een oog te houden op hun kinderen,—die zij even lief hebben als wij de onze,—wanneer diezelfde kinderen met [ 79 ] geweld overgeleverd worden in de handen van wildvreemde menschen."

"Nu—beware me, dat zou een aardige processie van moeders geven, als men naar al dat gewawel ging luisteren!—dat zou tien directeuren aan den rand van 't graf brengen! "

"Dat is me volmaakt onverschillig," antwoordde mevrouw Wenche droogjes; "moeders hebben het recht en het is hun plicht om hun kinderen op den voet te volgen, zoolang zij dit kunnen—en gave God dat zij dit wilden! al zouden alle schooldirecteuren ook omkomen als ratten en muizen. Excuseer me, candidaat!"

"Maar—maar—maar, mijn beste mevrouwtje!" riep de rector en hij strekte zijn hand smeekend naar haar uit: het is toch immers niet uw meening dat de vaders en moeders troepsgewijs op zouden komen, telkens.—"

"Neen, zeker niet, rector!"—viel mevrouw Lövdahl hem lachend in de rede, terwijl zij vriendschappelijk zijn hand greep: ik meen alleen maar dat ik zoo graag wou, dat er onder ons, ouders, zooveel belangstelling voor de kinderen was: dan zou die belangstelling als zij sterk en levendig werd, zich wel uitdrukking weten te geven in den een of anderen vorm, waardoor wij die toch in zekeren zin alles betalen,—eenigen invloed, eenige controle konden krijgen over datgene [ 80 ] wat er voorvalt achter de dikke schoolmuren."

Procureur Kahrs had rustig zijn Benjaminsportie van het diner zitten te verteeren; terwijl hij zich amuseerde met te luisteren naar dit levendig twistgesprek tusschen zoo geheel onjuridische persoonlijkheden .

Nu er zich langzamerhand een grootere kring in de kamer van de vrouw des huizes verzamelde, begon hij te denken dat het wel het juiste moment kon zijn om een beetje methode en logica in het gesprek te brengen.

"Er was in het laatste antwoord van mevrouw een uiting, die mij aanleiding geeft tot een vraag!" zoo begon hij met een spottenden ernst op zijn rose en blank gezicht;—het was immers maar een vrouw!—"was het niet uw opinie, zeer vereerde mevrouw Lövdahl! dat de belangstelling van de ouders in de kinderen uitdrukking moest vinden in een daadzakelijk uitgeoefenden invloed op de werking en den arbeid van de school?"

"Ja, juist."

"Een vertegenwoordiging—of iets dergelijks — van de belangstelling der ouders."

"Ja, zoo iets zou ik willen hebben."

"Maar—maar—excuseer me, mevrouw!" zei Kahrs nu en hij deed alsof hij erg verlegen was; "maar—maar—die hebben we immers?"

"Zoo?—daar weet ik niets van," antwoordde [ 81 ] mevrouw Wenche en zij werd rood; het gebeurde nog wel eens meer in dergelijke gesprekken dat zij met haar hoofd tegen iets aanliep, waar zij geen vermoeden van had.

"Dat verwondert me, mevrouw, daar u anders zoo heelemaal in die dingen thuis schijnt te zijn en zulk een warme belangstelling voor die vragen koestert. We hebben wel degelijk een uitdrukking daarvoor, dat in de staatsschool ook de ouders vertegenwoordigd zijn—zeker hebben we dat—zooals u weet—den schoolraad."

"Schoolraad?" vroeg mevrouw Wenche onzeker.

Maar vóór dat Kahrs of iemand anders nog de zege had kunnen vervolgen, vroeg een droge, heldere stem:

"Excuseer,—maar heeft iemand van deze heeren ooit een schoolraad in levenden lijve gezien?"

Aller oogen wendden zich naar Michal Mordtmann die daar korrect en op zijn gemak bij de étagére stond; maar toen zijn oogen en die van mevrouw Wenche elkaar ontmoetten, barstte zij uit in haar vroolijken lach.

"Dank, meneer Mordtmann, duizendmaal dank voor uw hulp! —Ja, nu vraag ook ik; wat voor een ding is een schoolraad? Wie is schoolraad van de scholen hier?"

"Maar, mevrouw," riep de rector verlegen, [ 82 ] "weet u dan werkelijk niet dat professor Lövdahl schoolraad is?"

"Carsten?—mijn man? neen, dat is al te mooi. Och, meneer Abel, zou u mijn man eens willen roepen? ik zou hem zoo graag eens zien als schoolraad."

Meneer Abel vloog als een haas door de portière en kwam terug met den professor, die kaarten in de hand hield.

"Wat is dat voor een grap, Wenche?" vroeg hij vroolijk.

"Een heerlijke grap! ze zeggen dat jij schoolraad bent, Carsten!" —

"Ja, zeker ben ik schoolraad."

"Dat jij de uitdrukking bent van de belangstelling der ouders in de kinderen op de school." —

"Ja, heb je dan nooit gezien hoe ik bij de prijsuitdeeling vooraan zit op een stoel met een hoogen rug, naast den burgemeester?" vroeg de professor onvoorzichtig; "maar laat me nu gaan, ik heb mijn handen vol troef."

De andere heeren dachten wel dat de professor een beetje anders geantwoord zou hebben, als hij mee in 't gesprek was geweest. Maar mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:

"Ja, ziet nu eens, wat er van aan is! als ik op het juiste moment dat groote woord niet verdronken had in den lach dien het verdient, [ 83 ] dan zou ik mij misschien, zooals zoo menig ander, verbeelden dat ook op dit punt alles van boven af zoo goed en zoo wijs geregeld is, dat wij geringe menschen en vrouwen alleen maar onzen mond hebben te houden en alles zijn gang te laten gaan. Maar nu zal niemand mij langer—nog eens dank voor uw hulp, meneer Mordtmann!—nu zal niemand mij langer dupeeren met die groote woorden. Nu Carsten schoolraad is, weet ik ook dat die schoolraad niets anders beteekent, dan een schakel in den keten van de administratieve komedie, die ons ten doode knelt en die ons allemaal alleen nog dommer maakt."

"Zacht wat—zacht wat—lieve mevrouw!" begon de rector weer; "er moet toch een administratie zijn! we kunnen niet allen te gelijk besturen!"

"Dat verlang ik ook niet; maar in elke kwestie moeten zij de baas zijn, die er feitelijk de verantwoordelijkheid van dragen; en in de kwestie: behandeling van kinderen, hebben zij de verantwoordelijkheid die zich gepermitteerd hebben om kinderen in de wereld te brengen. Maar in plaats van een aandeel in het schoolwezen dat werkelijk in overeenstemming is met die verantwoordelijkheid, krijgen we die komedie van een schoolraad, die hierin bestaat dat men op een stoel met een hoogen rug zit, naast den burgemeester. En dat [ 84 ] past—ja, hoèzeer past dat niet in ons heele stelsel! De verantwoordelijkheid wordt zoo lang heen en weer geschoven tusschen groote woorden en klinkende titels, tot het eindelijk niet meer mogelijk is om die terug te vinden, wàt men ook doet. Maar zelfs die onverantwoordelijkheden worden opgebouwd tot een ware pyramide, die uitloopt in een spits in zóó hooge mate onverantwoordelijk dat zij heilig is!"

"Koud water in 't bloed, beste mevrouw!" riep procureur Kahrs; zij konden nog lachen, want het was immers maar een vrouw!—Maar eigenlijk moesten zulke woorden toch niet gehoord worden in het huis van een man van zóó'n positie.

Mevrouw Wenche dacht daar niet aan; zij was gewoon om in haar kamer vrij uit te spreken; en haar man was nooit verder gegaan dan het te verzachten en glad te strijken—zoo goed hij kon.

Michal Mordtmann had eerst een poos naar het gesprek van mevrouw Lövdahl geluisterd en daarna kreeg hij een onbedwingbaren lust om mee te doen. Gevoelig en teleurgesteld als hij was, omdat de koopman in hem een nederlaag had geleden, voelde hij den lust in zich opkomen om den ouden vrijheidsman bot te vieren en voor een poos den engelschen vorm af te schudden; de eigenlijke zaak was nu toch verspeeld.

Hij kwam een beetje dichterbij en begon in [ 85 ] zijn mooie afgeronde taal en met een kalmte, in den hoogsten graad irriteerend voor de anderen, in 't bijzonder voor adjunct Aalbom:

"Het is ook mij altijd als iets heel geks, ja eigenlijk onrechtvaardigs voorgekomen, dat juist de school en al wat daar bij hoort, een gesloten arena is, waar slechts de meest uitgezochte geleerdheid en kundigheid vergunning tot strijden heeft; terwijl er voor de vaders en moeders, die toch den duursten inzet voor dit spel leveren, niets anders overblijft, dan een bescheiden plaats als toeschouwer buiten af, waar het hun vergund wordt om naar het taalkundig stof te kijken dat onder den strijd opvliegt."

"Bravo, bravo!" riep mevrouw Wenche verrukt en reikte hem haar beide handen; "wie zou dat van u verwacht hebben? meneer Mordtman, om u de waarheid te zeggen, dacht ik—nu, het komt er ook niet op aan wat ik dacht; ik ben blij dat ik het mis had. Maar kom hier; wij beiden moeten ons aaneensluiten; u ziet, de vijanden staan dicht om ons."

Er waren werkelijk een heeleboel heeren binnen gekomen, zoodat er zich niet alleen een groep om mevrouw Wenche vormde, maar de heele kamer langzamerhand gevuld werd; en verscheidene van de kleinere kooplui;—menschen die niet gewoon waren in groote gezelschappen [ 86 ] te komen, slopen naar binnen en zochten een plaats langs de kanten. Dat levendige twistgesprek interesseerde hen veel meer dan het kaartspel, wat de meesten zelfs afschuwelijk vonden om naar te kijken.

"Maar als u nu niet tevreden zijt met de wijze, waarop de dingen indertijd geregeld zijn,"—procureur Kahrs richtte zich uitsluitend tot mevrouw Lövdahl zonder notitie te nemen van Mordtmann, maar toch op meer vormelijken toon dan eerst; het werd natuurlijk heel wat anders nu een man—een akademisch opgeleid man—mee deed in dergelijke oppervlakkige beschouwingen; "als u zoo ontevreden zijt, mevrouw! bijvoorbeeld met den armen schoolraad, zou u ons dan niet eens de praktische wijze willen uitleggen, waarop u gedacht hadt de ouders deelachtig te maken aan het werk van de school?"

"Ja, graag," antwoordde mevrouw Wenche kalm; ten eerste zou ik willen dat alle vaders en moeders, wier kinderen op dezelfde school gaan, een groote bijeenkomst hielden om te kiezen....

"Excuseer, mevrouw, dat ik u in de rede val," zei Mordtmann onrustig, "maar mag ik, waar u zelf zoo vriendelijk waart een verbond tusschen ons voor te slaan, u als bondgenoot ten sterkste afraden om praktische regels voor de invoering van onze hervorming te geven?"

[ 87 ] "En waarom mag mevrouw dat niet? als het me vergund is dit te vragen;" procureur Kahrs richtte zich hierbij voor het eerst rechtstreeks tot Mordtmann.

"Omdat zij die een ingrijpende hervorming wenschen, nooit moeten beginnen met eenig praktisch voorstel te doen. Want onder de groote menigte die zich tegen elke hervorming verzet, is er zeker wel de een of ander die zulk een praktischen voorslag opneemt en tot een voorwerp van spot of een karikatuur verdraait,—en dan meent daarmeê de ontijdigheid van de heele hervorming bewezen te hebben."

"U zegt: meent bewezen te hebben," riep de procureur pedant; maar ik vergun mij ook te meenen dat de ontijdigheid van een hervorming voldoende is bewezen, wanneer de praktische onuitvoerbaarheid er van in confesso is."

"Ja, natuurlijk! De theorie kan heel mooi zijn—wat! maar breng die 's in praktijk! in praktijk,—jongmensch!" Dat was de blinde darm die eindelijk los kwam; hij was, zooals altijd, ziedend boos, als hij maar van iets hoorde wat naar oppositie leek.

Michal Mordtmann keek met zijn engelsche kalmte naar het verhitte gelaat van den adjunct en wendde zich daarop weer tot den procureur:

"Bij hervormingen van den aard waarvan er [ 88 ] hier sprake is, komt de praktische uitvoering eerst in de tweede plaats en is die in verhouding tot het overige van geen belang; en wie daarmee begint, begint achteraan en verspilt zijn werk. Maar wanneer men het in die hervorming besloten denkbeeld kan maken tot de algemeene overtuiging van zijn tijd,—als het ons in casu kan gelukken om bij de ouders die sterke belangstelling in de school te wekken,—ja, dan zal die belangstelling zich in de praktijk gemakkelijk, natuurlijk en zonder inspanning uiten. Maar zoo lang die belangstelling nog niet gewekt is, heeft het geen nut om te strijden over praktische moeilijkheden en is die wél gewekt, dan zijn er geen praktische moeilijkheden meer om over te strijden."

"O hoe ken ik daar de jeugd uit!—de jeugd van onzen tijd!—wat?" riep de blinde darm; "alleen zooveel mogelijk wat bestaat neerhalen; maar niets opbouwen—wat?—daar bedanken ze voor, want dat kunnen ze niet! dat moeten of wij of de toekomst doen! maar neerhalen—ja, dat is gemakkelijk, wat?"—

"Ja," antwoordde Michal Mordmann, blindelings iets neerhalen—de jeugd bijvoorbeeld,—dat is al heel gemakkelijk. Maar om zóó neer te halen dat er niets bij valt, dat is naar mijn idee even moeilijk als opbouwen. Om alles neer te halen wat mevrouw Lövdahl's schoolhervorming [ 89 ] in den weg staat,—aan den eenen kant luiheid en onverschilligheid,—aan den anderen hoogmoed en eigenwijsheid,—ja, dat blijft zeker een heel bezwaarlijk en moeilijk werk en ik denk dat èn gij èn ik wel ter ruste zullen zijn vóór het gereed komt. Maar toen is het mijn meening en mijn hoop dat dit werk van neerhalen tot stand zal komen."

Ja, er moet neergehaald worden!" riep mevrouw Wenche warm, "en er zal een tijd komen waarin allen het gewetenlooze inzien van geslacht na geslacht op te offeren aan oude veroordeelen en afgeleefde stelregels."

"Hm!" antwoordde procureur Kahrs: we hebben nu een heele boel mooie en gevleugelde woorden gehoord; en het zal wel te vergeefs zijn als ik een eenvoudige praktische vraag doe, vooral omdat het mij dunkt, dat het praktische juist voor de hand ligt."

"Kom, niet zoo scherp, procureur! kom maar voor den dag met uw praktische vraag; nu ik meneer Mordtmann's hulp heb, ben ik niet bang."

"Nu, kort en goed: waarom zendt ge uw kind naar school?—Wat wilt ge dat hij zal leeren?"

""Daar wil ik u met genoegen op antwoorden; en ik zal zoo beredeneerd zijn dat mijn compagnon gerust kan wezen; want hierover heb ikzelf dikwijls nagedacht. Als wij—vaders en moeders—die [ 90 ] zelf hebben gevoeld hoeveel er gevergd wordt, hoeveel men weten moet, om maar eenigszins onzen tijd, onze positie in het leven en voor alles onze roeping als opvoeders van kinderen te begrijpen,—als wij onze kinderen naar school sturen dan is dit natuurlijk met het doel dat zij bij tijds beginnen zullen om die kundigheden te verwerven, waarvan wij bij eigen dure ondervinding weten, dat het leven die eischt."

"En gelooft u niet dat de school in die richting werkt?"

"Neen, het is heel lang geleden sedert ik dat dacht! Zie nu bijvoorbeeld Abraham eens,—maar waar is de jongen van avond?"

De professor die juist binnen kwam, zei dat hij Abraham naar bed had gezonden: "hij vroeg of je hem nog goeden nacht wou komen zeggen."

"Ja, ik zal dadelijk gaan: arme jongen! ik had hem zoo heelemaal vergeten! Maar wat ik zeggen wou: zie nu Abraham eens; hij gaat nu in 't geheel al negen jaar naar die nooit volprezen goede school; en in 't begin ging het goed; maar in de laatste jaren wordt hij, naar mijn meening, hoe langer zoo dommer en hoe langer zoo minder belangstellend. Zoo gauw als hij zijn mond opent, verraadt hij de grootste onwetendheid op het punt van de allergewoonste dingen. En het ergste is nog dat hij het eigenlijk beneden zich schijnt te [ 91 ] achten om werkelijk iets te leeren van de wereld, zooals die om hem heen is."

"Ja, mevrouw," viel Mordtmann in, uw zoon leeft ook in de wereld der wetenschap; hij gaat op naar den hoogen Parnassus van den geest! ik ken dat, ik heb zelf ook dien omweg om den Parnassus gemaakt."

"Wat meent u daarmee,—wat?" vroeg adjunct Aalbom.

"0 dat kan ik je heel goed zeggen: ik ruik lont," zei procureur Kahrs: "meneer Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke beschaving; ik wed dat hij een hekel heeft aan latijn?"

"Ja, zeker heb ik dat."

Nu wilden er velen tegelijk spreken; maar professor Lövdahl nam het woord: "Ge zult toch zeker niet ontkennen in welken hoogen graad de studie van die heerlijke taal den aanleg van den jongen mensch, om streng en logisch te denken, ontwikkelt?"

"Er is maar één ding, professor, dat het latijn voor zoover ik gemerkt heb, bij iedereen zonder uitzondering te weeg brengt; en dat is dat het ons allemaal erg pedant maakt."

"Enkelen van ons—misschien," zei de procureur met een blik die een beetje beschaamd leek. Maar mevrouw Wenche lachtte vroolijk: "Ja, [ 92 ] u hebt gelijk. Van klein kind af, ergerde het me als mijn groote neven met regels latijn aankwamen, waarvan ik zeker wist dat zij geen zin hadden. En zelfs nu nog erger ik mij als oude heeren schalks tegen elkaar lachend, met een brok latijn aankomen."

"Neen, maar dat is toch een onschuldig plezier,—lieve mevrouw!" riep de oude rector nu; hij had zich een oogenblik buiten het gesprek gehouden, dat hem te warm werd: "het mag ons toch wezenlijk wel gegund worden, dat we ons verheugen in dit gemeenschappelijk bezit, dat een soort van vrijmetselarij onder ons is."

"Ja, juist," antwoordde Mordtmann, die zich voorgenomen scheen te hebben om tot het uiterste tegen te spreken: het is juist zoo karakteristiek van de beschaving van den ouden tijd, dat de geleerdheid des te pikanter werd, omdat die beperkt was tot een kleinen kring;—dat het nut, het geluk van geleerd te hebben niet bestond in het weten, maar in het iets te weten wat een ander niet wist. Maar tegenwoordig zijn er gelukkig niet velen meer die hun kinderen naar school zenden om hen in dien zin geleerd te laten worden."

In de pauze die op dit gezegde volgde, stond mevrouw Lövdahl op om haar zoon goeden nacht te gaan zeggen; bovendien werd het tijd voor het souper; het was al laat geworden.

[ 93 ] Er heerschte groote opgewondenheid onder de gestudeerden; terwijl daarentegen enkele oude kooplui elkaar heimelijk toeknikten.

"Ja, als u nu weggaat, mevrouw," zeide procureur die op het laatst heel vurig was geworden, "dan dooft dit interessante gesprek uit. Jammer dat men u niet liet spreken over het praktische, wat er wél geleerd moet worden; zou u mij die vakken niet kunnen opnoemen?"

"Nu," zei mevrouw Wenche: "natuurlijke geschiedenis, geneeskunde, rechten, sterrekunde—"

"Ik geloof dat je daar geneeskunde noemde, Wenche?"

"Ja, natuurlijk—de kennis van het eigen lichaam, van ziekten en geneesmiddelen."

"Neen, maar Wenche; hoe kun je nu denken... "

"Maar, Carsten, zeg je dan zelf niet honderd keer in 't jaar: ja, had die of die in zijn jeugd op zijn oogen gepast, dan zou hij nu niet als een halfblinde stakker, rondloopen. Maar hoe zouden zij op hun oogen kunnen passen, als zij er niet anders van leeren dan: als uw linker oog u ergert, werpt het uit! of op de rest van hun lichaam, wanneer zij leeren dat dit slechts een armelijk en onwaardig omhulsel is voor de onsterfelijke ziel?"

"Maar de rechten?—Wat?—Jurisprudentia? moeten de jongens op school nu ook al het rekken van de wet leeren?" riep de blinde darm; zijn [ 94 ] knorrigheid wies naarmate het gesprek voortging, zonder dat hij iets kon vinden om zich op te wreken.

"Ja, natuurlijk moeten zij bescheid weten in de wetgeving van hun land en leeren op welke wijze en door wie recht en orde gehandhaafd worden. Maar vraag bijvoorbeeld eens aan mijn Abraham,—anders een knappe jongen,—wat eigenlijk een distriktvoogd is:—hij weet er niets van!"

"Maar vraag hem naar curules, aediles, tribuni plebis en meer van de Romeinsche rechtspraak, dan kan hij u die precies uitleggen," zei Mordtmann.

"Ja, kijk, van al dien rommel heeft hij zijn hoofd vol—de stakker! maar van zijn eigen land en staatsinrichting, en zijn strijd om vrijheid..."

"Politiek!—Moeten de jongens ook al politiek leeren?" klonk het veelstemmig en een nieuwe koortsige ijver greep allen aan.

"Natuurlijk! Zeker moeten ze politiek leeren," zei Mordtmann onversaagd.

Er ontstond groote beroering en langzamerhand zelfs verontwaardiging; zelfs mevrouw Wenche keek een beetje bedenkelijk; maar boven allen uit riep de blinde darm met een hooge piepstem: "God beware me! wat?—moeten we nu ook nog dat spektakel hebben dat de jongens politiek debatteeren, alsof ze volwassenen waren?"

"Vindt meneer de adjunct het meer voorkomende [ 95 ] spektakel van volwassenen die als kwajongens politiseeren, zooveel beter?"

Mevrouw Wenche gaf den jongen man een glimlach en haastte zich naar haar zoon. Maar de strijdlustige stemming verdeelde het gezelschap over de andere kamers, waar zij de vreedzame kaartspelers een doodschrik aanjoegen door bij troepjes midden op den vloer te gaan staan debatteeren, terwijl anderen elkaar bij een knoopsgat vasthielden, net als de twee stukken van een gesp,—en kraaiden als hanen, haast met de neuzen tegen elkaar—vuurrood en met verwarde blikken.

Wel was er misschien niemand die totaal meeging met de wilde ideeen van mevrouw Wenche en den vreemde; maar velen vonden toch dat er wel ièts in kon zijn. En allen die latijn kenden, vochten als razenden, omdat zij er niet aan gewend en er boos om waren, dat iemand van hun eigen kudde zijn afval te kennen gaf en dat nog wel in het bijzijn van al die haringschippers en al die kramers.

Het ging onder het heele souper warm toe; en zelfs toen het gezelschap het huis verlaten had, hoorde men langs de straten nog in den stillen nacht: "Hervorming—latijn—schoolraad—politiek—wat?"

Toen Michal Mordtmann de gastvrouw goedendag zei, reikte zij hem beide handen, hem nog [ 96 ] eens warm en vroolijk dankend voor zijn hulp.

Hij antwoordde met eenige hoffelijke woorden, maar zag haar daarbij tegelijkertijd vlak in de oogen. En zij die in langen tijd niet zulk een blik ontmoet had, liet hem los en wendde zich tot de anderen.

Maar toen alle gasten weg waren en haar man zich op zijn gemak neerzette om kranten te lezen, zei mevrouw Wenche: „Maar!—wat heeft die jonge Mordtmann me verrast! en ik die heelemaal geen vermoeden had, wat er in hem stak! We moeten hem maar dikwijls vragen; dat is dan toch eindelijk eens iemand met wien ik praten kan!"

„Och, weet je—ik vind dat je nog al vrij wel met iedereen kunt praten," antwoordde haar man kort; het was hem op het laatst ter ooren gekomen welke onkorrecte gesprekken er in zijn huis gevoerd waren.

„Nu, nu, schoolraad!" zei mevrouw Wenche, terwijl zij de naalden uit haar zwaar haar begon te nemen; maar toen zij het woord schoolraad noemde, begon zij weer te lachen en nog lachend ging zij haar slaapkamer binnen. Professor Lövdahl sprong op; maar daar zij de deur al uit was, mompelde hij alleen maar iets, terwijl hij weer ging zitten.


Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/IV&oldid=49373"