Vergif/IX

Uit Wikisource
< Vergif(Doorverwezen vanaf Alexander Kielland/Vergif/IX)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
VIII Vergif van Alexander Lange Kielland

IX

X
[ 167 ]
 

IX.


Abrahams confirmatie was altijd uitgesteld geworden; of liever er was nooit over gesproken.

Want de professor wist maar al te goed dat mevrouw Wenche er zich uit alle macht tegen verzetten zou en van den tijd af toen haar zoon nog heel klein was, had zij gezegd: aangenomen wordt hij nooit.

Haar man had het ontweken en gezwegen; hij dacht: komt tijd, komt zorg; en het was zijn aard niet om iets onaangenaams aan te pakken, zoo lang het zich op de een of andere wijs ontloopen liet. Daarom had hij de zaak laten rusten tot Abraham nu in zijn zestiende jaar ging, wat volgens het gebruik van de stad al heel oud was om aangenomen te worden.

Maar nu in 't najaar moest hij zich laten in schrijven; want hij zou aangenomen worden;— [ 168 ] dat stond even vast bij den professor, als het tegenovergestelde bij zijn vrouw.

Eens op een morgen, terwijl zij zich aankleedden,—Abraham was juist naar school gegaan,—begon de professor kalm en alsof het van zelf sprak: "Ja, nu vind ik dat we Abraham in de volgende maand maar moeten laten inschrijven bij proost Sparre."

"Inschrijven?—bij Sparre?—wat praat je in vredesnaam?" Mevrouw Wenche draaide zich snel om op haar stoel; zij zat voor den spiegel en maakte haar zwaar haar op.

"Voor de aanneming, lieve! je denkt er zeker niet aan, dat hij al gauw zestien jaar is."

"Eerder ben jij het, die er niet aan denkt, dat het altijd een afspraak tusschen ons geweest is om Abraham niet te laten aannemen."

"Een afspraak?—neen, Wenche! dat is het nooit geweest."

"Maar heb ik dan niet honderdmaal gezegd: hij zal niet aangenomen worden?"

"Ja, maar dat is geen afspraak."

"Maar je bent het met me eens geweest; je hebt er nooit een woord tegen gezegd."

"Ik heb geen woord aan de zaak verspild, zoo lang die niet op den voorgrond stond: maar je zult van jou kant moeten toegeven," dat je me genoeg kende om er zeker van overtuigd te zijn, [ 169 ] dat ik zou willen dat mijn jongen aangenomen werd, zooals het hoort en zooals het gebruik is."

"Hoe kun je me aankomen met behoorlijkheid en gebruik, Carsten, in een zaak zoo ernstig als deze!"

"Laten we trachten over die ernstige zaak te spreken zonder heftigheid, lieve Wenche, want heftigheid leidt tot niets goeds. Bedenk ook eens of je wel het recht hebt om je zoon een exceptioneele positie te geven die hem in vele opzichten lastig en hinderlijk kan zijn in zijn leven."

"Het is juist een groote weldaad die ik mijn zoon wil bewijzen, door hem tot een uitzondering te maken te midden van alle andere huichelaars en leugenaars."

"Groote woorden, kleine Wenche! je schijnt te denken dat je zoon nooit anders kan zijn of worden dan een stuk van je zelf."

"Wat bedoel je?"

"Heb je nooit aan de mogelijkheid gedacht dat Abraham Christen kon worden? Ja,—ik weet wel wat je zeggen wilt: je hebt nu eenmaal niet veel geloof in mijn Christendom; maar kun je je niet voorstellen, dat Abraham misschien wel een oprecht Christen kan worden?"

"Ja," antwoordde mevrouw Wenche in gedachten en zij zag voor zich; "daar heb ik dikwijls aan gedacht; en je moet niet denken dat [ 170 ] ik dit zou willen tegenwerken of dat ik dit als een ongeluk voor hem of voor ons zou beschouwen. Het is juist de oprechtheid die mij alles is. Halfheid, leugen en huichelarij—die wil ik beproeven buiten het leven van mijn zoon te houden."

"Ja, maar als je volkomen oprechtheid wilt, dan moet je ook volkomen vrijheid toestaan."

"Dat doe ik ook; hij mag vrij kiezen."

"Neen—neem me niet kwalijk! je geeft hem geen volle vrijheid om te kiezen als je hem uitsluit van een ontwikkelingsgang die heel de verdere jeugd doormaakt,—of als je hem dien laat overspringen."

"Maar juist die ontwikkelingsgang, zooals je het noemt, is precies de poort die tot leugen leidt;—dat is mijn vast geloof."

"Dat betwijfel ik niet, Wenche! en dat kan zeker ook tegen de aanneming aangevoerd worden; maar hier is nu geen sprake van jou geloof, en evenmin van het mijne, maar wel van dat van Abraham. Het is niet omdat ik zelf—hm—" hun oogen ontmoetten elkaar in den spiegel,—"nu, ik heb eenmaal op het punt van godsdienst een anderen aard dan jij, en toch is het niet daarom dat ik mijn zoon in de christelijke leer wensch opgevoed te zien. Maar geen van ons beiden heeft naar mijn meening het recht om hem iets [ 171 ] te onthouden wat hem de keus gemakkelijk, of om hem tot iets te dwingen wat hem de keus onmogelijk zou maken. Hoe zouden wij oprecht tegenover onzen zoon handelen, als wij niet tegen hem kunnen zeggen: wil je de proef met jezelf nemen?—of heb je al bij voorbaat gekozen?"

"Nu verdraai je het, Carsten."

"Neen, dat doe ik niet. Abraham is groot genoeg om te begrijpen wat het zeggen wil; daarom juist heeft hij zoo lang gewacht; laat hem nu zelf kiezen of hij aangenomen wil worden, ja of neen. Ik dacht dat jij, met je sterk gevoel voor vrijheid en recht, dit juist goed moest vinden."

"Nu, goed! Laat hem kiezen!" riep mevrouw Wenche; maar dadelijk daarop voegde zij er bij: "och neen, waartoe zou het dienen? Zulk een jongen! hij zou natuurlijk kiezen om net als de anderen te zijn, al was het maar om rust te hebben; neen, neen, Carsten! het zou een groote zonde van ons zijn als wij onzen zoon met open oogen lieten binnengaan bij de leugen en den schijn."

"Zeg eens, Wenche, hoe lang denk je voort te gaan met voor je zoon te kiezen? ben je van zins om op zijn tijd ook een vrouw voor hem te kiezen?"

"Larie, Carsten! ik ben het juist die er op aandring dat hij vrij zal zijn."

[ 172 ] "Dat is eene rare vrijheid!—als Abraham nu werkelijk wenscht aangenomen te worden—"

"Dan komt dat omdat hij nu nog niet beter weet."

"En als hij nu over eenige jaren nog niet beter weet en een vrouw wil nemen van wie je zeker en vast overtuigd bent—zooals je dat altijd bent—dat zij je zoon grenzeloos ongelukkig zal maken—wat dan?"

"Het is waarlijk een plaag om met jou te praten, Carsten! want je haalt altijd alles dooreen."

"Laten we toch niet noodeloos heftig worden. Ik vond juist dat we nu zoo kalm en goed aan 't praten waren over de kwestie. Maar haal ik alles doorheen? Zou het niet mogelijk zijn dat jij in je groote liefde voor Abraham onwillekeurig iets mengt van die tyrannie,—excuseer me—die onafscheidelijk is van alle liefde? Als je nu eens, in je ijver om hem het beste te geven, altijd voor hem zou willen kiezen? terwijl je toch zoo vaak gezegd hebt, dat het het beste voor een mensch is om zelf te kiezen."

"Ik wil graag kalm zijn, Carsten! en het is niet om onaangenaam te zijn dat ik het zeg: maar het is werkelijk zoo gevaarlijk om met jou te redeneeren; je draait me rond en je wijkt af naar alle kanten. Ik heb er nooit aan gedacht om mijn zoon kalm ter confirmatie te laten [ 173 ] gaan; maar nu geloof ik bijna, dat er iets aan is van wat je zegt."

"Ja, ik geloof dat ik dezen keer het meest in overeenstemming met jou principes ben," antwoordde de professor, die nu heelemaal gekleed was en heen wilde gaan.

"Maar ik verzeker je," riep mevrouw Wenche plotseling toen hij al bij de deur was, "op den morgen dat Abraham naar de kerk moet om die onzalige gelofte af te leggen, wil ik van mijn recht als moeder gebruik maken om hem af te vragen of hij weet wat hij doet; en is hij dan niet volkomen waar of eerlijk, dan zal noch jij, noch de heele priesterschap van de wereld gedaan krijgen, dat mijn zoon opgaat om een leugen te zeggen."

"Daarin kun je doen, zooals je wilt," antwoordde haar man heengaand; komt tijd, komt zorg; voorloopig was hij al verder gekomen dan hij had durven verwachten.

Maar mevrouw Wenche was onrustig en ontstemd; zij had een pijnlijke gewaarwording, dat haar man haar te slim af was geweest met die toestemming voor de aanneming,—de walgelijkste komedie die zij kende.

Zij sprak er met Mordtmann over en hij gaf haar in alles gelijk; hij was zelfs nog heftiger dan zij in zijn woorden; maar overigens kon de [ 174 ] kwestie hem natuurlijk niet zoozeer interesseeren.

Zij nam dus Abraham onder handen en sprak 's avonds, toen de professor naar de club was, eens ernstig met hem.

Zij ontwikkelde voor hem zoo duidelijk en zoo open als zij maar kon, wat zij dacht van die predikanten-uitvinding: de aanneming.

Zij legde hem uit hoe die belofte die zij van onmondige kinderen vorderden en aannamen, niets anders was dan een afschuwelijke komedie met het meest ernstige; dat het niet anders kon zijn, absoluut niet anders kon zijn, bij de wijze waarop het ware christendom zijn eischen aan de wereld stelde, dan dat de jeugd bij scharen het leven werd ingezonden met een groote leugen, erger dan een meineed. Wilde hij dat met open oogen doormaken?—Of had hij zijn keus gedaan?

Mocht het zijn keus zijn om voort te werken zonder vrees voor de menschen en zonder zich een verplichting op te leggen, die alleen bestond om niet nagekomen te worden,—kon hij dat, dan zou zij hem trouw helpen.

Abraham zat met neergeslagen oogen zonder haar te antwoorden, zonder haar in de rede te vallen. Het was hem altijd pijnlijk als men met hem over godsdienstige dingen sprak. Op school werd de godsdienst onderwezen zooals elk ander [ 175 ] vak; en het was alleen maar de rector die in zijn redevoeringen of als er wat heel ergs gaande was, aangrijpend vrome voordrachten hield; de professor gebruikte af en toe wel eens een woord als dit: "je moet Onzen Lieven Heer bidden dat hij je daarvoor bewaart," of iets dergelijks.

Abraham wist wel hoe hij moest staan en kijken als er zoo iets gezegd werd, en kon ook op den juisten toon een antwoord mompelen; maar het was toch altijd onpleizierig zoolang het duurde.

En nu was dit met moeder nog erger; want het gaf niets om haar met de gewone loopjes te antwoorden en den juisten toon die daarbij hoorde, kon zij niet eens verdragen; en wat kon hij nu in ernst zeggen op haar vraag?

Ja, zeker, hij wilde aangenomen worden evenals de anderen; het was hem al lang een ergernis dat hij de laatste van al zijn evenouders was. Het sprak immers vanzelf; en nu kwam zijn moeder en maakte het tot zoo iets vreeselijks, alsof het een keerpunt was.

En terwijl zij voortging met hem zacht en ernstig te vertellen, hoe hij waar en open moest zijn, hetzij in het eene geloof, hetzij in het andere, hetzij in geen geloof, zat hij er over te denken, hoe mal het toch was, dat juist zij zoo sprak.

Zoowel de rector, die toch door iedereen erkend werd als een meer dan gewoon godvruchtig man, [ 176 ] als zijn eigen vader, die ook godsdienstig was,—met mate, juist genoeg om passend te zijn, vond Abraham,—en bovendien alle christelijke menschen in de stad, zij hielden de conflrmatie hoog, ja, zij zouden elk woord tegen die heilige handeling als spot beschouwen.

Maar zijn moeder, die zelf dikwijls gezegd had, dat het er gek uitzag met haar geloof,—en Abraham had, wat nog veel erger was, hierop hooren zinspelen,—dat zij nu dit alles waar zij zelf niet aan geloofde en waarvan zij ook geen recht begrip kon hebben,—dat zij de aanneming nu nog ernstiger en plechtiger op zou nemen dan de geloovigen zelf, dat was hem al heel zonderling; en het was niet vreemd dat hij bij die gedachte een beetje ongeduldig werd. Hoe kon zij, die zelf niet geloofde, vorderingen stellen nog hooger dan de beste onder de geloovigen?

En ook zij werd ongeduldig ten laatste, toen zij zag hoe de jongen daar stijf en stom als een stok bleef zitten.

"Antwoord me, Abraham!—wat kies je? Wil je aangenomen worden, of wil je het niet?"

"Dat weet ik niet," antwoordde Abraham.

Ja, maar dat moet je weten; je bent nu groot genoeg om te begrijpen dat je zelf moet kiezen. Bedenk je een paar dagen; maar ik zeg jou wat ik van morgen ook aan je vader gezegd heb; op [ 177 ] den dag dat je naar de kerk gaat, zul je eerst bij mij opbiechten; en als je dan niet in volle waarheid tegen mij, tegen je moeder, kunt zeggen: ik wil en ik kan die belofte afleggen, dan zul je niet plechtig deelnemen aan dat feest van de leugen, zoo waar ik Wenche heet!"

Een beetje later kwam de professor thuis; zij soupeerden en er werd over andere dingen gesproken. Maar Abraham liep vele dagen rond, zich zelf met die keus plagend.

Ja zeker, hij wilde aangenomen worden; als ze hem op school vroegen of hij van 't najaar naar den dominé ging, dan antwoordde hij: ja. Het was nog een paar weken vóór de inschrijving; zijn moeder vroeg niets, zijn vader evenmin en zoo ging het een tijdlang voort.

Op school was er geen groote variatie; alleen kreeg hij in de nieuwe klasse meer grieksch en latijn. Hij sloot zich hoe langer zoo meer bij Broch aan, van wien hij vroeger niet hield; maar nu zaten zij naast elkaar als de hoogsten van de klasse en Abraham was begonnen vlijtig te zijn.

Kleine Marius had geen spoor achtergelaten. Hij was verdwenen; zijn nummer ingenomen. De stroom sloot zich boven hem en hij werd nooit genoemd, omdat allen hem gauw hadden vergeten. Het dagelijksche werk, in dezelfde kamer, hetzelfde vak, dezelfde uren, dezelfde buurlui, [ 178 ] voorgangers en leeraars, dat alles maakte dat hun gedachten zich nooit bezig hielden met wat niet meer was; en Marius Gottwald leek hun al gauw een klein ventje, dat zij jaren geleden gekend hadden, toen zij zelf klein waren en laag in de school zaten.

De eenige die nog herinnering aan hem behield, was Abraham,—niet alleen die herinnering die hem plaagde en waaraan hij maar zoo min mogelijk dacht.

Maar mevrouw Gottwald die nu niets op de wereld meer te doen had als aan de herinneringen van den lieven kleinen Marius te blijven hangen, klemde zich vast aan diens besten vriend. Als zij maar een tipje van Abraham zag, liep zij naar de deur of tikte zij op het raam. Abraham ontging dat liefst; hij had niet graag dat iemand hem daar binnen zag gaan, en hij vond het ook niet prettig om naar mevrouw Gottwald te luisteren.

Zoodra zij hem op de sofa had laten neerzitten, begon zij over kleinen Marius te praten. Den heelen dag lang kon zij ook geen woord spreken over het eenige wat haar dag en nacht vervulde.

Schuw en teruggetrokken als zij leefde, had zij heelemaal geen vriendinnen. Maar 's avonds kwamen de oude stamgasten,—de sombere gedachten van schaamte en berouw en ootmoed in [ 179 ] die kleine kamer en schikten zich langs den wand en staarden haar aan.

En er was één spook bijgekomen, nog erger dan de andere. Het was het knagende verwijt, dat zij uit ijdelheid haar zoon meer had willen laten leeren dan zijn arm hoofd kon verdragen; maar daar sprak zij nooit over.

Overigens vertelde zij altijd dezelfde geschiedenissen, vroeg of het niet waar was dat Marius de knapste in het latijn was geweest en werd niet moe om te vertellen hoe veel hij van zijn vriend gehouden had, hoe hij dien bewonderde en hoe hoog hij tegen hem opzag:—"ja, het ging zoo ver,"—hier lachte de bleeke vrouw met een dor lachje, "dat ik—dwaas—zelfs jaloersch werd op Abraham Lövdahl. Kijk, hier achter in een van zijn aanteekenboekjes heeft hij met groote letters geschreven: A. L. is de grootste held uit de school. Dat ben jij—dat is u,"—mevrouw Gottwald raakte in de war; ze wist bijna niet of zij wel mocht voortgaan met "jij" tegen Abraham te spreken; hij gedroeg zich zoo stijf en zoo als een groot mensch.

Ook was het haar niet mogelijk van hem gedaan te krijgen dat hij wat langer bleef of een keer meer kwam; tot zij eindelijk uitvond om hem op koek en wijn te trakteeren en dat hielp een beetje.

[ 180 ] Hij kwam nu af en toe uit zich zelf—liefst om schemer—en zat dan geduldig te luisteren naar de oude geschiedenissen en vertelde ook den een en anderen trek uit hun gemeenschappelijk leven, wat de arme mevrouw Gottwald in verrukking bracht.

Maar Abraham sloop bij die bezoeken altijd uit en in; hij begreep heel best dat zijn vader de voortzetting van zijn omgang met de moeder van kleinen Marius allerminst zou goedkeuren.

Maar zestien jaar wordt gemakkelijk overwonnen door koek en sherry.


Intusschen was Michal Mordtmann nog even druk met zijn fabriek die nu gedeeltelijk gereed was. Maar toen de najaarsregen in ernst begon, was het niet zoo aardig meer om elken dag naar buiten te trekken en daarom liet hij in de stad een kantoor voor de fabriek Fortuna inrichten.

Met zijn verhouding tot mevrouw Wenche was hij niet geheel tevreden; het ging al te langzaam—misschien heelemaal niet vooruit. Hij was nu erg verliefd op haar en hij stelde hoogen prijs op zijn verhouding tot een zoo knappe en interessante vrouw met een zoo vrijgevigen man. Dat zij werkelijk ook op hèm verliefd was,—of ten minste half,—dat wist hij zeker; hij had dat tallooze malen aan kleinigheden kunnen merken.

[ 181 ] Er had overigens in den laatsten tijd iets wonderlijks, iets zenuwachtigs, iets ongedurigs over mevrouw Wenche gelegen;—zij kon van een zwijgend staren in de lucht overslaan tot een bijna hinderlijken praatlust.

Mordtmann hield zich overtuigd dat hij de oorzaak van heel die beroering was; en zij was juist in dien tijd zoo mooi en zoo betooverend dat de anders zoo voorzichtige man de heerschappij over zichzelf begon te verliezen.

In plaats van de middagbezoeken was er met de lange herfstavonden een vertrouwelijk, warm praatuurtje in de schemering gekomen bij het roode schijnsel van de kachel. Mevrouw Wenche was gewoon een beetje af en aan om de tafel te loopen, en hij zat op de sofa in het licht van het vuur.

De professor was om dien tijd bijna altijd uit; maar hij kwam ook wel eens thuis en vond hen dan zoo en aan geen van beide kanten was er ooit eenige verlegenheid te bespeuren.

Maar in Michal Mordtmann's bloed was er iets onrustigs, als hij daar zat toe te zien hoe zij kalm en rustig in haar ongeluk liep.

Van avond was zij heel zwaarmoedig gestemd en zij spraken over sterven en allerlei treurige dingen; hij sprak weinig, zij antwoordde met een paar woorden en zij waren het er over eens dat het leven niet veel waarde heeft.

[ 182 ] Maar dat was zijn stemming niet; hij volgde haar maar. Zelf was hij vol ongeduldige afwachting; hij berekende de gevolgen niet langer en kende heelemaal geen gewetensbezwaren; en telkens als zij hem voorbijging, werd het hem moeilijker om haar te laten passeeren zonder op te springen en haar vast te grijpen.

Na een lange pauze bleef zij midden vóór hem staan en keek hem recht in de oogen: "Maar waarom zit ge daar nu, en zegt al wat ge niet eens meent?"

"Ik ben het niet die hier zit en spreek; ik weet niet wat ik zeg, ik weet niet waar ik ben, of wat ik doe; ik weet alleen dat ik het niet langer uit kan houden."

Dat zeggende had hij zijn arm om haar middel gelegd en haar omlaag getrokken, zoodat zij in het volle schijnsel van de kachel op zijn linkerknie zat.

En hij boog zijn hoofd naar haar over en kuste haar op de wang; "we kunnen ons niet langer voor elkaar verstoppen; het is toch waar."

"Ja, het is waar," antwoordde zij moe en legde haar arm op zijn schouder.

Maar een oogenblik later maakte zij zich zacht los en stond op.

"Neen, neen," zei zij, als waren haar gedachten er nog maar half bij. Maar hij sprong op en [ 183 ] wilde haar vast houden met hartstochtelijke woorden zonder samenhang.

"Neen, neen!" riep zij heftig en alsof zij op eens ontwaakte: "raak mij niet aan! ben je gek? denkt ge dat ik twee mannen wil hebben?"

"Maar je bent nu van mij, van mij alleen —"

"Neen, volstrekt niet! bedenk toch—"

"Bedenk zelf hoe vaak wij er over gesproken hebben; hebt ge niet altijd het recht der liefde verdedigd?"

"Nu niet—niet op deze wijze,—breng mij niet in de war, laat mij met vrede; bedenk toch wat wij verstoren; neen, laat het blijven zooals tot nu toe of als dat onmogelijk is, ga dan heen! —Ik smeek er u om, Mordtmann! laat mij met vrede."

"Maar ik—ik!—daar denkt ge niet aan; wat moet er van mij worden?"

Zij nam hem bij den schouder, keerde hem naar het licht en beschouwde zijn gelaat oplettend. Beiden haalden kort en stootend adem; en zijn gezicht was bleek en vertrokken; hij prevelde onverstaanbare woorden en kneep haar handen vast.

"Wat heb ik gedaan?" riep mevrouw Wenche; want de hartstocht in hem was op dit oogenblik zoo duidelijk en zoo waarachtig, dat het haar aangreep en overtuigde; ik heb slecht tegen ons beiden gehandeld."

[ 184 ] "Neen, zeker niet! je hebt gekozen; je bent de mijne; tenzij ge me bedriegt."

"Ik bedrieg u niet, mijn beste vriend."

"Kom dan—doe den stap en word de mijne!"

"Luister naar me, luister naar een verstandig woord; we zijn beiden op dit oogenblik maar half toerekenbaar; nu moet ik, die de oudste ben, raad schaffen."

"O," viel hij haar ongeduldig in de rede; maar zij legde haar hand op zijn mond.

"Ga, ga, beste Mordtmann! en kom over een dag of wat terug—over een paar dagen; wij moeten beiden nadenken en overleggen; laat ons niet in een oogenblikkelijken roes een onafzienbare ellende over ons zelf en anderen brengen. Luister naar mij: ge weet dat ik gelijk heb."

Hij wilde niet luisteren; maar zij dwong hem met smeekgebeden en vriendelijke woorden naar de deur; hier greep hij haar nog eenmaal en kuste haar; daarop vloog hij de deur uit en liep half zinneloos door de voorkamer.

Zij wierp zich op de kanapé en hield de handen voor haar oogen; zijn kus brandde haar; zij beminde hem; er was in haar een pijn die haar vastsnoerde in een gelukzaligen angst en haar gedachten stonden geheel stil bij dat eene.

Zij kon er niet toe komen om aan haar man en aan haar zoon te denken; maar de halfbewuste [ 185 ] angst, waarmede zij een tijdlang gestreden had, vermengde zich smartelijk met een onuitsprekelijke verwarring.

Haar man kwam thuis en ging uit de voorkamer dadelijk zijn studeervertrek binnen. Er was daar een klein kastje in den muur, waarvan hij den sleutel aan zijn sleutelring droeg, en waarin hij allerlei vreemde medicamenten bewaarde; de apotheek was niet erg vertrouwbaar.

De professor zocht verschillende kalmeerende druppels uit, mengde een krachtige dosis daarvan in wat water en dronk die op. Toen bekeek hij zijn gezicht in den spiegel; hij was heel bleek. Nadat hij een oogenblikje zoo gestaan had, deed hij het licht uit en liep door de huiskamer om zich in de slaapkamer te gaan wasschen, wat hij geregeld deed als hij 's avonds van zijn visites thuis kwam.

"Goeden avond, Wenche; steek je de lamp nog niet op?" vroeg hij in het voorbijgaan.

"Jawel," antwoordde zij, zonder zich op de sofa te verroeren.

Abraham hing over zijn boeken. Hij was met Broch op de kamer van Morten Kruse geweest, waarzij rookten en zijn hoofd was warm en hij voelde een prikkelende aandoening van de huid; hij was niet erg lekker.

"Nu, Abraham?" vroeg zijn vader, volgens zijn [ 186 ] gewoonte tusschen de twee kamers op en neer loopend, terwijl hij zijn toilet maakte: "heb je je besluit genomen ten opzichte van de aanneming? het moet gauw zijn, als het dezen keer gebeuren zal of wil je niet?"

"Jawel, ik wou liefst—"

"Nu, je weet, je kunt kiezen; wil je aangenomen worden, dan staat het je vrij. Heb je het aan moeder verteld?"

"Neen; zou u dat niet willen doen?"

"Neen, waarom? Mijn jongen, ga er maar gerust mee naar binnen en zeg het maar: moeder is in de huiskamer."

Abraham ging erg benauwd bij haar binnen.

"Hoor eens, moeder," begon hij, na een poosje bij de kachel gezeten te hebben; "ik geloof toch dat ik naar den dominé ga."

"Ja, dat had ik wel gedacht!" antwoordde mevrouw Wenche bijna hard; zij was zoo oneindig ver weg met haar gedachten.

Maar voor Abraham was dat een slag.

Hoe kon ze het nu zóo opvatten, terwijl zij hem toch zoo lief en openhartig gezegd had, dat hij zelf vrij mocht kiezen. Hij sloop even benauwd weg, als hij gekomen was; en hij begon al bang te worden voor dien morgen, wanneer zijn moeder bij hem zou komen om hem flink in het verhoor te nemen.

[ 187 ] Toen Michal Mordtmann de straatdeur uitvloog, liep hij tegen professor Lövdahl aan, die thuis kwam.

De professor stampte met zijn stok op de steenen en het leek Mordtmann alsof hij wat zeggen wou, maar zich nog inhield. Het kwam hem ook voor, dat het gelaat van den professor een vreemde uitdrukking had, toen hij vluchtig opkeek en groette.

Maar hij was al te zeer vervuld met datgene wat er met mevrouw Wenche gebeurd was. Hij haastte zich dadelijk naar huis en sloot zich op om ongestoord en alleen met zijn geluk te zijn.

Hij wierp zich in een leunstoel, sprong weer op en ging heftig op en neer, zocht het portret op, dat hij van haar had en sprak daar tegen en tot zich zelf;—gelukkig, zonder eenige wolk en trotsch er op dat hij zijn doel bereikt had.

Maar toen zijn bloed een beetje tot bedaren was gekomen, begon hij meer dan eens aan den professor te denken. Deze had er eigenlijk toch heel vreemd uitgezien; dat begon Mordtmann te verontrusten.

Het viel hem in, hoe in alle opzichten dwaas en onvoorzichtig zij zich aangesteld hadden. Maar een paar minuten later en de professor zou hen verrast hebben in een gemoedsbeweging die zij onmogelijk hadden kunnen verbergen.

[ 188 ] De verhouding moest heel anders geregeld worden—als het goed zou zijn;—en dat gaf aan zijn overdenkingen een andere richting.

Hij stak een cigaar op en begon te overleggen.

 

 
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/IX&oldid=49705"