Vergif/V

Uit Wikisource
< Vergif(Doorverwezen vanaf Alexander Kielland/Vergif/V)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
IV Vergif van Alexander Lange Kielland

V

VI
[ 97 ]
 

V

Er woonden uilen in het lofwerk van gehouwen steen rondom de hooge spitsboogvensters van het koor van de domkerk en in de vierkante muuropeningen boven in de torens.

Onhoorbaar hadden zij zeshonderd jaar lang rondgevlogen tusschen de vensters van kerk en klooster, van schoorsteen tot schoorsteen, door poorten en holen en in lange nauwe gangen, waar zij geleerde mannen op vilten pantoffels met boeken en perkamenten tegenkwamen.

In storm en in donkere nachten hadden zij op de steenen gezeten voor het kleine boogvenster waardoor een lichtstreep scheen; en hun wild geroep had gemaakt dat de bleeke man daar binnen een kruis sloeg en de oogen van een duistere plaats in Tacitus ophief naar het crucifix aan den witten muur.

[ 98 ] Maar het crucifix werd neergehaald en verstopt; door de lange gangen en langs de uitgesleten wenteltrappen vluchtten bange monniken en naar binnen stormden in huiden gekleede mannen met bloedige bijlen, plunderden kisten en banken, zochten zilveren bekers en heilig vaatwerk bijeen, haalden de monniken te voorschijn en pijnigden hen om de kloosterschatten, zetten den bisschop na door heel den hof, door de geheime gang, tot op het hoogaltaar, waar zij hem neerhieuwen zoodat het bloed langs de steenen in het koor liep.

En de kleine visschersstad, die zich met haar nauwe straten en houten huizen schuchter tegen de kloostermuren aandrukte, brandde geheel af en het vuur vernielde kerken en kapellen.

Maar langzamerhand groeiden die kleine houten huizen weer op; zware boeten en rijke gaven stroomden op nieuw in den bisschopshof; de tienden van zee en van land en de mooie zilveren skillingen moesten denzelfden weg op en het wemelde van vreemde monniken en kanunniken, zoowel vette dikke Engelschen als zwartharige broeders uit het Zuiden met fijne gelaatstrekken.

Macht en geleerdheid deden muren en torens weer verrijzen en wierook vervulde de prachtige kerk, waar de monniken zongen voor de visschers [ 99 ] en boeren, die voorover lagen en mompelden, wat zij niet begrepen.

Er kwamen vreemde schepen aan de kaaien die in goud gestikte miskleeden meebrachten en altaarvaatwerk en kerkeklokken en krachtigen wijn voor de koele kloosterkelders.

Maar in de nauwe straten en in de schuilhoeken achter den boomgaard, daar loerden de monniken op de meisjes; en terwijl de mis gelezen en er gezongen werd boven in de domkerk, waren er een paar lampen ontstoken in den gewelfden kelder onder de bisschoppelijke kapel; en daar werd ook gezongen, terwijl het wijnvat klokte en de meisjes lachten,—en daar dansten de monniken dat de pijen rondvlogen.

Maar de dans nam een eind en de glans verdween en de meisjes vroegen genade voor de dolle monniken. Op een grooten brandstapel midden voor de kerk werden alle dokumenten van het domkapittel verbrand, papieren en perkamenten met groote waszegels en boeken in goudleer of wit kalfsvel; maar alles wat op zilver en goud leek, werd verzameld, afgehouwen, afgetrokken, afgekrabt tot het laatste stofkorreltje dat glans had en in plaats daarvan kwam er kalk van binnen en kalk van buiten en overal kalk—wit als een lijk, droog en koud.

Nu kwam de beste tijd voor de uilen, terwijl [ 100 ] kloosters en kapellen langzaam ineenzakten,—en wat de tijd zoetjes aan deed, dat volvoerden de menschen bij groote stukken. Al heel gauw werden de muren en de oude boomgaarden opgeruimd voor een nieuwe straat; het volgende jaar werd de sierlijke huiskapel van den bisschop neergehaald, omdat de vrouw van den proost zich daar een nieuwe zwijnestal wilde laten inrichten; en ten laatste stond de domkerk weer alleen—gereed om in één te vallen in haar kalktooi; omringd van kleine houten huizen en van al de paapsche heerlijkheid bleef er geen steen of geen perkament over.

Maar iets bleef er toch over in die oude puinhoopen, behalve nog de uilen.

De macht was verdwenen, de geleerdheid was verdwenen, de kalk had al het mooie, dat er was, begraven; maar het latijn kleefde nog aan de plek—de latijnsche school—het eindje touw en de grammatica.

De koorknapen werden schoolknapen of schildknapen en eindelijk zelfs gewone leerlingen; in plaats van één waren er langzamerhand twee kamers noodig en er werd bijgebouwd tegen de oude kloostermuren, tot zij in een nieuwe vierkante schoolkast met naakte muren en ramen van mat glas gezet werden; het eindje touw en de grammatica verhuisden mee daarheen.

[ 101 ] En als de uilen, die ook nu trouw waren meegegaan, in de groote beukenboomen voor de studeerkamer van den rector zaten, dan kromp ook hij in een bij hun wild geschreeuw en dan hief ook hij de oogen op uit Tacitus,—het was nog diezelfde interessante maar duistere plaats.

Want in die vele honderde jaren waarin de geleerde wereld in die schoone en ontwikkelende taal geleefd had, Avas er—zeker wel heel vreemd—toch nooit iets in het latijn voortgebracht dat waard was om gelezen te worden. En precies als voor zes honderd jaar zaten de geleerdste bollen hun hersens nog altijd te breken over die interessante maar duistere plaatsen in Tacitus.

En voort ging het, geslacht op geslacht, naar de mensa rotunda, waar het eindje touw en de grammatica het offer van tijd en vlijt van de jeugd in ontvangst namen om tot vergoeding daarvoor de knapsten onder hen zóó ver te brengen dat ook zij hun hersens mochten breken over Tacitus.

—De beukeboomen waren niet oud in verhouding tot de ruïnen, waartusschen zij opgegroeid waren. Maar zij verhieven toch al langer dan een eeuw hun kronen over de lage houten stad en spreidden zich wijd en zijd uit over den ruimen schoolhof.

En onder hun takken had het vroolijke geluid weerklonken van de jonge geslachten die kwamen [ 102 ] en gingen; de voortdurende wisseling van den dag in de stilte van de tijden en het losgebroken lawaai in het vrije kwartier met honderde kleine voeten die op den grond stampten en een geschreeuw in de lucht als van wilde vogels.

Maar als de dag voorbij was en de docenten al hun tirannie en al hun verveling voor zich zelf mee naar huis hadden genomen, dan werd de schoolhof gevuld met den vrijen arbeid van de geplaagde jeugd.

Alles wat daar aan gebouwen, boomen, trappen en portalen gevonden werd, kreeg leven en een naam. En na het spel van den dag met doode namen en levenlooze vormen, legde de levendige jeugd een fantastisch bestaan vol namen met klank en weerklank in die kleine verdroogde hoofdjes.

Daar werd de wereld omgezeild en schoten er van achter boomen en hoeken van huizen kapers te voorschijn of er lagen roovers op de loer onder de trap. En terwijl het daglicht verminderde en de schemering de herinnering aan de harde dressuur van den dag deed uitslijten, ontwaakten en groeiden de verspilde en ongebruikte krachten; en ridderlijke zin, onverbreekbare vriendschap en heldenmoed vlamden op in kleine wilde vechtpartijen en waagstukken die nooit vergeten werden.

Maar in de stille herfstavonden als het [ 103 ] beukeloof dik onder de boomen lag, voor de storm het nog weggeveegd of de pedel het in zijn kelder bijeen gehaald had,—dan kwamen de Indianen of de stroopers door de schaduwen geslopen,—of het was de Pretendent—de ongelukkige Stuart—die zich door storm en noodweer een weg baande naar het lichtje in de hut van Betty Flannagan.

En als de deur naar den kelder van den pedel dan open ging en het roode licht met een streep in het duister onder de boomen viel, dan zat het daar om het vuur vol rondkoppen in zware laarzen met kappen en ijzeren sporen; hun mantels hingen te drogen om den schoorsteen en de lange zwaarden met kruisgevest stonden tegen den muur op.

De oude Betty nam het ronde houten deksel weg,—zwart gebrand aan alle kanten—en uit den geweldigen pot steeg de sterke geur op van schapenvleesch, kool, aardappels en kruiderijen,—die samen kookten,—het lievelings gerecht van de Hooglanders!

In den rookkelder en onder het heele schoolgebouw waren er verborgen gangen en geheime openingen naar de ontoegankelijke kloosterkelders, waar de moedigsten binnendrongen en van waar zij, met stof en kalk bedekt, terugkwamen. En wat zij vertelden ging verder van klasse tot [ 104 ] klasse en legde onder de gehate school een griezeligen afgrond van oude vreeselijke kloosterhistories en geheime samenkomsten van doode monniken die spookten; lage boogramen met lange strepen van bleek maanlicht.

Maar dit spel hield op als het heel donker werd en de katuilen begonnen te schreeuwen. Dan verzamelden zij zich in dichte groepen en maakten elkaar bang met witte spoken die zij in de schaduw zagen; en van de domkerk met haar hooge torens en uit de zwarte kelders van de monniken kwam er dan zooveel somberheid en angst, dat zij naar huis stormden om hun lessen te leeren.

Het waren mooie groote boomen—de beuken van den schoolhof. Maar één jaar begon die, welke het meest op het Noorden stond, te kwijnen en het volgende jaar ging hij dood; hier en daar in de rij werd een boom ziek en 's winters waaiden er zware takken af die van binnen rot waren.

Allen die verstand hadden van boomen, kwamen in beweging; en er werden allerlei vermoedens geuit en voorslagen gedaan. Sommigen meenden dat de grond om de wortels te zeer was vast gestampt, en wenschten dat die wat omgewerkt zou worden; anderen wilden de stammen afkrabben en nog anderen waren van opinie dat er [ 105 ] niet genoeg licht onder de takken kon komen en dat de toppen gedund moesten worden.

Niemand scheen te willen begrijpen dat de grond te scherp was en dat de boomen oud en rot waren,—zoodat geen kunst ter wereld kon voorkomen dat zij verwelkten en stierven.

Maar evenals de boomen ziekelijk werden, zoo scheen het ook dat er zich over de school zelf en over de jeugd iets drukkends gelegd had, dat alles overschaduwde.

Het eindje touw danste niet langer lustig met de grammatica; het was weggelegd. En het leek of de grammatica na die scheiding wegteerde zooals een weduwe die haar betere helft mist. Het latijn wou niet meer recht aarden, niettegenstaande alle mogelijke moeite; niemand kon er blind voor blijven dat de kennis van die heerlijke taal van jaar tot jaar achteruitging.

En niettegenstaande zij niet half zooveel latijn leerden als voor dertig jaar, zoo zag de jeugd er toch bleek en overspannen uit. Het was om medelijden mee te hebben, die bleekneuzige dwergen, die zich nu met moeite door een allererbarmelijkste dagtaak voortsleepten tot aan het eindexamen—en als men dan dacht aan de jongens die vroeger deponeerden!

De leeraars kwamen en gingen als waren zij opstandelingen. Een droog, knorrig troepje dat [ 106 ] in den loop der jaren zijn eigenaardigheden tot karikaturen ontwikkelde; want hun eenzaam leven bestond uit het zitten op een katheder en het strooien van stof op een jeugd die zij niet begrepen.

Maar er waren er velen die opmerkten dat de studeerende jongens er slecht uitzagen. Van alle kanten van het land kwamen er opmerkingen en klachten; en alle schoolmannen kwamen in beweging, staken den neus in papieren en deden kleine wolken van extrafijn, filologisch stof opvliegen.

Sommigen beweerden dat alles goed zou zijn als de leerlingen maar afzonderlijke banken en lessenaars en groen geschilderde griffelkokers kregen; anderen riepen om een nieuw en meer volmaakt ventilatiesysteem; enkelen beloofden een nieuwen opbloei van geleerdheid en gezondheid voor de lieve jeugd, als het zwaartepunt van het onderwijs maar verlegd werd van het latijn naar het grieksch.

Niemand scheen te willen begrijpen dat het systeem verouderd en de geleerdheid zelf rot was, zoodat geen kunst langer vermocht tegen te gaan dat het levende door het doode verpest werd.

De rector zuchtte menigmaal 's avonds als de maan over den schoolhof scheen en over de stad, die steeds aanwies en op haar wijze gedijde. De [ 107 ] school gedijde niet; eik jaar werd het getal hoopvolle leerlingen voor de latijnsche klassen minder; terwijl er vrij veel knappe jongens waren, die het al vroeg opgaven en naar zee gingen of ergens naar het buitenland om den handel te leeren.

Hij wendde zich af en ging naar buiten in den grooten ouden tuin aan de andere zijde van het huis. Hier had hij een rustig plekje onder een ouden pereboom, waar hij 's zomers 's avonds in gedachten verzonken zat te snuiven. Maar zelfs hier—afgescheiden van de stad en de heele wereld door den hoogen kerkmuur,—zelfs hier vond hij geen vrede voor zijn onrustige gedachten.

Wat trok die hem weinig aan—heel die nieuwe tijd—en wat maakte die verachting voor de klassieke studiën, die zich hier en ginds begon te vertoonen, hem bang, werkelijk bang als een schrede terug naar het barbarendom.

Maar hij wilde den moed niet verliezen; nu stonden zij toch nog—God zij geloofd—zijn oude klassieken! onovertroffen door de. mannen van een latere periode, zich verheffend boven elken tijd, juist zooals die mooie kerk met haar edele schoone lijnen boven de nauwe leelijke visschersstad oprees. En het was als ging er uit de kerk een ademtocht over de ruïne, over de [ 108 ] school, over hem zelf, terwijl hij van de bank opstond. Gesterkt als door een gebed ging hij vol vertrouwen naar zijn studeerkamer om zijn hersens weer te breken over Tacitus.

En de uilen stoorden hem niet; de school en de stad was hun te groot en te lawaaiïg geworden; zij verdwenen op eens en bleven weg.


Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Vergif/V&oldid=49375"