Algemeen Dagblad van Nederland/Nummer 571/De Tentoonstelling van Teekeningen, Schetsen, Studiën. enz. van levende meesters, in de kunstzalen der maatschappij "Arti en Amicitiae"

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Tentoonstelling van Teekeningen, Schetsen, Studiën. enz. van levende meesters, in de kunstzalen der maatschappij „Arti en Amicitiae” [4]
Auteur(s) S.K. Jr.
Datum Maandag 8 mei 1871
Titel De Tentoonstelling van Teekeningen, Schetsen, Studiën. enz. van levende meesters, in de kunstzalen der maatschappij „Arti en Amicitiae.” IV.
Krant Algemeen Dagblad van Nederland
Jg, nr ?, 571
Editie, pg [Dag], [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

De Tentoonstelling van Teekeningen, Schetsen, Studiën. enz.

VAN LEVENDE MEESTERS,

in de kunstzalen der maatschappij „Arti en Amicitiae.”

IV.

      De hr. de Graaf heeft ons ditmaal op iets buitengewoons willen vergasten: op eene „episode uit het leven van Beriot”. Hoe interessant die zaak zich hebbe toegedragen, de voorstelling kan ons volstrekt niet boeien, evenmin als ’s mans „Moedersmart”, welke er ontzettend curieus uitziet. De meeste teekeningen, rondom deze twee gegroepeerd, zijn even middelmatig. Alleen de copy van Risz, naar de schilderij van Hobbema, heeft iets meer om ’t lijf.
      Löwenstrom’s etsen bezitten goede qualiteiten. Zij getuigen van ernstige studie en beloven veel. De essenlaan, naar Hackert v. d. Velde behaagt ons echter meer dan ’t Binnenhuis, naar Jos. Israëls, misschien wel daarom, wijl ’t zoo moeilijk valt, Israëls na te bootsen, zelfs voor hemzelven, en de aqua-forte juist niet ’t meest geschikt is om des meesters eigenaardige manier te doen uitkomen. De gravures van Sluijter zijn niet gelukkiger. Ook zij gelijken slechts weinig op de werken van Israëls. Daarbij zijn zij, voor Sluijter althans, zwak en fade behandeld.
      Voor de pifferari van Koelman bestaat maar één woord. Zij zijn prachtig, stout gedacht en uitnemend geteekend, degelijk en positief. Wel vindt men er, die iets afdingen op de kleur, doch het komt ons voor, dat ’t harde der omtrekken alléén ontstaat, wijl de achtergrond niet is bijgeschilderd. Inzonderheid de handen en ’t gezicht zijn goed van vorm, en de geheele behandeling kloek en frappant.
      Gabriëls groote schilderij is even geestig als breed ontworpen. Die overige „groene” producten daarentegen zijn oppervlakkig en ruw. Het tegendeel is waar van de vogels van Stortenbeker, die allerkeurigst mogen heeten.
      Onverwoestelijk-trouw en ijverig is de hr. Dekker. Wáár men ’t oog slaat, overal ontwaart men teekeningen van zijne hand. Jammer slechts, dat de hr. Dekker zoo weinig zorg besteedt aan de behandeling, zich zoo weinig moeite geeft om het waterige en oppervlakkige zijner conceptiën weg te nemen!
      Wilde men tusschen twee kunstenaars van even groote verdienste, de hh. Weissenbruch en Stortenbeker, een vergelijking maken, men zou kunnen zeggen, dat zij, elk op eigen wijze, even kernachtig en karakteristiek: zijn, maar dat Weissenbruch schittert door zijn landschap en Stortenbeker door zijne bevolking. Bij den eersten boeit ons de aanleg, de opvatting, de kleur van veld en wei en stroom, bij den tweede staat de koe en ’t schaap en de herdershond op den voorgrond. Beiden munten uit in ’t zelfde genre, doch elk kiest met keurige eenzijdigheid een deel. Dát is de weg om iets voortreffelijks te leveren. Hij, die, in onze dagen, ’tzij in de kunst of in de wetenschap, stoft op veelzijdigheid; die gelooft dat hij alles kan, is, in ’t wezen der zaak beperkt en kan niets. Nimmer zal hij in staat zijn, een meesterstuk te leveren. Zijne eerzuchtige ijdelheid verlokt hem tot allerlei bochten en sprongen, tot combinatiën en kuiperijen, die hem steeds verder van het doel verwijderen, en den spotlust of den wrevel opwekken van ’t publiek. Wél hem, zoo hij te rechter ure een vriend vindt, die hem wijst op ’t dreigend gevaar. Wél hem, zoo hij ’t oor leent aan die stem, en niet aan de valschvleiende influisteringen van den toomeloozen hartstocht. Die iets wil kunnen, moet het kennen. En men kent iets niet, zonder langdurige, ijverige studie, eene studie, die zich niet tevreden stelt met één enkelen blik, maar aanhoudend peinst en arbeidt, tot kennis is getreden in de plaats van onkunde; tot het halfduister, niet zelden de nevel der verlakte oppervlakkigheid heeft plaats gemaakt voor ’t helder, onbedriegelijk licht der wetenschap!
      Hoevelen onder onze kunstenaars, die wij liever met stilzwijgen voorbijgaan, zouden wij in het eeuwig dwalen en dwarlen, dezen waarschuwenden wenk willen toeroepen! Dat zij toch niet vreezen voor eentoonigheid, zoo zij zich met een beperkten kring vergenoegt. De afwisseling der kunst ontstaat minder uit de veelheid der onervaren vagabondage dan uit de eenheid eener bepaalde, ijverige algesloten werkzaamheid, die alles wikt en weegt en onderzoekt, op eigen baan toepasselijk; en dat wat daarbuiten ligt wel niet over ’t hoofd ziet, maar zich toch ook niet, om een valsch air van „veelzijdigheid”, met de brutaliteit van een razenden Roeland, als door den kus der beschonken muze ontvlamd, rusteloos van ’t eene op ’t andere werpt, letterlijk van den hak op den tak springt, terwijl de gloed van ’t goddelijk licht slechts flikkert tusschen slijk en aardschen gloed, zonder ooit eenig heimwee naar het ideaal te gevoelen! Men wijze ons niet op Rochussen. ’t Is inderdaad wel wanneer eene natie in elke eeuw één zulk een Zondagskind voortbrengt. Een man als Rochussen, zoo rijk gezegend door ’t genie, wordt niet nagevolgd maar bewonderd. Wij hebben hem lief, omdat hij, evenals de ware dichter, „in aller naam uitspreekt hetgeen wij te zamen gevoelen. Wij bewonderen hem, omdat geen onzer in staat is hem te imiteeren. Wij genieten van hem, omdat hij onze eigen ondervinding door de aanraking van zijn tooverstaf gereinigd en wedergeboren, nogmaals in onzen geest doet leven”. Doch waarom zoekt men zoo ver, wat voor de hand ligt. Waarom blijft men niet bij Weissenbruch en Stortenbeker, bij Springer, Israëls, Verveer, die immers juist hun groote beteekenis ontleenen, aan hunne pittige reserve? Waarlijk, de kunstenaar pleegt een groote en grievende zonde, zoo hij naderhand te veel taaks op zijne schouders tast!
      Moge ook Louis Apol dit bedenken! Hij is voorzeker een veelbelovend kunstenaar, die, even als Mar. Heyl, de fraaie natuur tot werkplaats kiest. Toch mag hij nog wel eenigen tijd blijven schetsen en studeeren, alvorens hij zijne teekeningen zulk een gevoel zal weten intestorten als de hr. Heyl. De bijzondere gloed, waardoor die jeugdige kunstenaar zich onderscheidt, spreekt ook uit dat landschap met eenden, al beweren sommigen ook dat het niet in alles met dezelfde zorg is behandeld als de overigen.
      De schetsen van den hr. F. F. Greive zijn hoogstverdienstelijk. Die uitnemende kunstenaar wiens zoon ons op nieuw een ris parelen van het reinste water heeft geschonken, deed in stille bescheidenheid méér voor de Nederlandsche kunst dan de rijks-academie in jaren zal vermogen. Wie toch weet niet, hoevele voortreffelijke artisten in zijn atelier zijn gekweekt? Treurig moest men ’t dan ook noemen, dat zulk een ijverig, conscientieus kunstenaar, zelfs niet in aanmerking is gekomen voor een professoraat!
      De hh. Lingeman en Hilverdink zijn als altijd voortreffelijk. Den heer van Tright daarentegen zagen wij beter, terwijl ook de hr. Schmidt Crans ons een weinig teleurstelt. Zijne figuren zijn ditmaal mager en zonder anatomie, terwijl ’t geheel droog en zwak van kleur schijnt. De hr. v. d. Sande Bakhuizen daarentegen, wien terecht de gouden aanmoedigings-medaille ten deel viel, heeft een meesterstuk geleverd. Ook de hr. Rust verdiende reeds lang ’t bronzen onderscheidingsteeken. De poëtische en toch zoo trotsche behandeling, de zorgvuldige uitvoering en de onverdroten ijver, welke hij aan den dag legt, wekken de levendigste belangstelling — iets dat wij niet altijd kunnen getuigen van de h.h. Zurcher en de la Mar, ofschoon wij gaarne toegeven, dat beiden hun best doen, en vooral in eene gevoelige kleur hunne kracht zoeken.
      Schooner te besluiten dan met Mesdag en Wüst is niet mogelijk. Welk een apotheose! Beiden zijn meesters, wier naam in volgende eeuwen den roem zal uitmaken van de 19de eeuwsche school. En toch, hoe geheel verschillend van karakter! In de teekeningen van Wüst ligt een onbeschrijfelijk ideale stemming, bij Mesdag daarentegen is alles realiteit. Doch hoedanig eene realiteit! Wat forsche kracht, wat eigenaardig leven, welk een breede, treffende toetsslag! Slechts weinigen is ’t gegeven der zee, der eeuwig-ruischende en wisselende zee, zulk een diepte, zulk een kracht te schenken, zonder eenig attribuut, zonder mast of schip, stout en aangrijpend, alleen-sprekend door eigen forsche majesteit. Betooverender tegenstelling dan dat Souvenir uit de wildernis en die Studie van de zee heeft geene enkele tentoonstelling opgeluisterd.
      Met deze regelen sluiten we onze beschouwingen. Menige opmerking hadden we er nog aan toetevoegen, doch wij vreezen te veel te vergen van ’t geduld onzer lezers. Het zij ons slechts vergund op nieuw een woord van dank te brengen aan de Maatschappij, wier initiatief eene dergelijke expositie mogelijk maakte, en onze hooge ingenomenheid te betuigen met des koningskeus, die aan Artis wakker bestuur de toewijzing opdroeg van de studiebeurzen voor aankomende kunstenaars. Was die toewijzing een wenk aan ’t adres der Academie? Strekt het tot verholen afkeuring harer zonderlinge organisatie? Wij weten ’t niet. Dit echter weten wij, dat de keus der jongelieden heeft plaats gehad, en dat wij de hoop koesteren, dat die belangrijke keus in de toekomst moge bijdragen tot de ontwikkeling en den bloei der Nederlandsche kunst.

S. K. Jr.