Naar inhoud springen

Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34165/Avondblad/Nieuwe Nederlandsche boeken

Uit Wikisource
‘Nieuwe Nederlandsche boeken’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Algemeen Handelsblad, zaterdag 26 maart 1932, Avondblad, bijvoegsel, p. 2. Publiek domein.
[ bijvoegsel, 2 ]

NIEUWE NEDERLANDSCHE BOEKEN.


Over Goethe.

ER is de laatste weken in tijdschriften, week- en dagbladen, en in boek-vorm, het een en ander over Goethe gepubliceerd, ook in ons land. Een volledig overzicht geven van de literatuur over Goethe, die in Maart 1932 is ontstaan, zou ondoenlijk zijn, en men vraagt zich af waartoe al deze publicaties dienstig zijn. Wie Goethe kennen wil dient de boeken van Goethe en niet te veel boeken over Goethe te lezen. Bovendien, er bestaat reeds een zeer uitgebreide Goethe-literatuur, die over zijn persoon, zijn leven, zijn karakter en zijn werk, tot in bijzonderheden inlichten kan. Het aantal biografieëen en commentaren is waarlijk niet gering.
De heer C. P. Henning heeft de reeks echter aangevuld met een levensschets welke, als deel VII in de serie „Helden van den Geest” bij Philip Kruseman te ’s-Gravenhage verschenen is.
Een levensschets inderdaad, want een boek van acht vel druks kan niet meer zijn dan een zeer beknopt résumé. De heer Henning heeft zich dan ook onthouden van algemeene beschouwingen en heeft er zich toe moeten bepalen „greepsgewijze uit het overvloedige materiaal te putten.”
Mr. Roel Houwink heeft een nieuwe bijdrage geleverd tot de literatuur over „Faust”. Zijn boek: „Faust als levensspiegel” is bij H. J. Paris te Amsterdam verschenen. Het is de samenvatting van een reeks voordrachten, door hem gehouden voor de Utrechtsche Volksuniversiteit en ontleent daaraan zijn karakter. „Wij willen niet zoeken naar de Faust-idee — schrijft hij, in de inleiding, — en op deze wijze aan het kunstwerk den schijn eener wijsgeerige eenheid en geslotenheid opdringen, die het in werkelijkheid naar onze meening niet bezit en die ook zijn maker nadrukkelijk afgewezen heeft. Wij zouden den zin van het Faust-drama nergens anders willen zoeken dan waar in wezen den zin van elk kunstwerk ligt: in ons mensch-zijn, in ons hangen tusschen hemel en aarde, in ons zwerven tusschen engel en dier. En wanneer wij dan de Faust zouden willen onderscheiden van het gros der ons bekende kunstwerken, zouden wij dat enkel zóó willen doen, dat wij niet van de Faust de een of andere goddelijke openbaring maakten, doch dat wij haar verstonden als één dier zeldzame uitingen van den menschelijken geest, waarin bijkans tot zijn omtrekken ons leven naar alle zijden werd gepeild en.... peilende, geschouwd.”
Als overdruk uit de „Mitteilungen der Akademie zur wissenschaftlichen Erforschung und zur Pflege des Deutschtums” is een studie verschenen van prof. J. H. Scholte over „Goethe und Holland”. De schrijver gaat allereerst na welke invloed door Nederlandsche schrijvers, denkers en kunstenaars op Goethe geoefend is. Holland was voor Goethe het land der vrijheid („Egmont”) en dan het land van de vrije wetenschap. Goethe heeft zeer veel aan Spinoza te danken gehad, al kan men hem geen Spinozist in engeren zin noemen. Prof. Scholte noemt dan verder nog natuur-wetenschappelijke invloeden en weidt uitvoerig uit over Goethe’s belangstelling voor de Nederlandsche schilderkunst. In het tweede hoofdstuk van deze vrij droge studie wordt dan nagegaan welken weerklank Goethe’s werk in Nederland heeft gevonden; het derde is gewijd aan „Goethe und die Gegenwart”.
De redevoeringen welke door de hoogleeraren dr. Th C. van Stockum en dr. F. J. J. Buytendijk den 16en Maart, ter herdenking van Goeth’e sterfjaar, werden uitgesproken in de Aula van de Universitiet te Groningen, zijn als een brochure bij P. Noordhoff te Groningen verschenen. Prof. Van Stockum behandelt „Goethe als dichter en denker”, prof. Buytendijk schrijft over „De beteekenis van Goethe voor de natuurwetenschap van onzen tijd”.

„Rembrandt van Rijn. Het leven en de tijd van Rembrandt van Rijn”, door Hendrik Willem van Loon. — A. W. Sijthoff’s Uitg. Mij. Leiden.

In de korte aankondiging van eenigen tijd geleden werd dit werk al aangeduid als een soort van fictie, in zooverre, dat het werk niet geschreven is door een voorzaat van den heer Van Loon, die als heelmeester Rembrandt zou hebben bijgestaan.
Het werk, dat uit het Engelsch is vertaald door W. A. Kramers, begint met een voorwoord, waarin Jan van Loon, bet-oudovergrootvader van onzen tijdgenoot Van Loon, meedeelt hoe hij er in 1669 toe kwam, het boek te schrijven.
Als de lezer zich er even ingedacht heeft, dat onze tijdgenoot Hendrik van Loon eigenlijk de doctor medicinae Joannis van Loon is, dan kan hij zich veilig aan hem toevertrouwen en in gezelschap van den 17de eeuwschen Van Loon kennis maken met Saskia, met hem gaan in Rembrandts atelier en den schilder bezig zien aan een groot doek, waardoor hij denkt beroemd te zullen worden; maar de groote schilderij deelt het lot van zoovele groote dingen en dikke boeken: Rembrandt wordt de spot van Amsterdam. Het gaat zelfs zoo ver, volgens het boek, dat Hooft den jongen Rembrandt het bezoeken van het Muiderslot ontzegt.
We vernemen dat Vondel afgunstig was op den twintigjarigen jongeren schilder, omdat die rijk en beroemd was, en hem den „Prins der Duisternis” noemde, maar we hooren ook een en ander over de godsdienstige en staatkundige denkbeelden uit den tijd van Rembrandt, we maken kennis met den beroemden Joodschen geleerde, Menasseh ben Israel en tevens vernemen we, dat de joodsche medeburgers die tot ons kwamen, om aan de onverdraagzaamheid hunner Spaansche meesters te ontsnappen, toonden, dat de „kwezelarij niet beperkt is tot een enkele secte of godsdienst.”
Uitvoerig worden de lezers ingelicht over familieleden en tijdgenooten van den schilder, we maken kennis met Baruch d’Espinoza en met iets van diens moeilijkheden en het boek vertelt op bijzonder eenvoudige wijze, niet minder dan 777 groote bladzijden lang, van het leven in den tijd waarin onze „Nachtwacht” geboren werd en daarvoor en daarna.
Het boek geeft tal van reproducties van werken van Rembrandt, ook minder bekende, van stadgezichten enz. Het laat zich vlot lezen en voor hen, die al is het dan wat oppervlakkig, kennis willen maken met het leven der 17e eeuw, is er veel aardigs uit te halen.
Ook de kunsttheorieën van den grooten schilder worden besproken in een hoofdstuk waarin de oude heelmeester vertelt, dat Rembrandt spraakzaam wordt en hem enkele inzichten in zijn kunst gunt, maar de voornaamste bedoeling van den schrijver zal zeker niet geweest zijn, de lezers, de Engelsch sprekende, waarvoor hij het oorspronkelijk schreef, in te lichten omtrent Rembrandts schilders-inzichten.
Busken Huet schreef „Het land van Rembrandt”, men zou Van Loons boek kunnen noemen „De tijd van Rembrandt” en de schrijver doorloopt dien tijd met zevenmijlslaarzen en laat, onderwijl hier en daar stilstaande, belangwekkende dingen zien.

„Jacqueline Vrijlieff”, door J. van den Tempel. — P. N. van Kampen & Zn., Amsterdam.

Dit boek geeft de levensgeschiedenis van Jaantje Vrijlief, die nadat ze op achttienjarigen leeftijd haar ouderlijke woning verlaat, een modezaak begint van haar overgespaarde vijfhonderd gulden. Van af dien tijd noemt ze zich Jacqueline Vrijlieff met twee f’s.
Ze komt uit een eenvoudig werkmansgezin. Haar vader, die vol illusies het leven begon, zag al zijn idealen in rook vervliegen; de moeder, eenmaal het knapste meisje uit haar dorp, veroudert vroeg door het zorgelijke leven op het armoedige bovenhuisje. Van de vier kinderen zijn Jaantje en Willem de twee oudsten. Beiden willen hoogerop; de jongen werpt zich met hart en ziel in de arbeidersbeweging en Jaantje wordt door haar geweldige energie en werkzaamheid eigenares van een der grootste modehuizen in de stad.
„De roman van een gebenedijde” heeft de schrijver dit boek als ondertitel gegeven. Maar of Jacqueline werkelijk gebenedijd is, mag betwijfeld worden. Alles offert ze op aan haar eerzucht, zoowel de liefde voor het ouderlijke huis, als de liefde in haar eigen leven. Voor niets anders si er plaats, dan voor het werk dat ze zich zelf oplegt en dat ze tot een goed einde wil brengen. Het gevolg daarvan is natuurlijk, dat ze van haar geheele familie vervreemdt en dat ze op zes-en-dertig-jarigen leeftijd gaat trouwen met een man, dien ze alleen maar een geschikte partij vindt, meer niet. Want het blijkt uit niets dat ze van hem houdt. Haar ouders zijn intusschen gestorven en bij het graf van haar vader voelt ze pas, hoeveel ze van hem gehouden heeft; nooit eerder had ze tijd om zich daarvan rekenschap te geven. Maar een les is dit niet voor haar, want met honderd gulden in de maand onderhoudt ze haar moeder, en men leest er niets van, dat ze die eens meer opzoekt of dat ze die deelgenoot maakt van haar vreugden of zorgen. Aan de ouders lag dat zeer zeker niet, die waren beiden liefdevolle menschen, die hun kinderen naar hun beste krachten opvoedden.
Als de schrijver het materieele op het oog heeft, ja, dan is Jacqueline ruimschoots gezegend, maar voor de rest....
Het boek is onderhoudend geschreven. Vooral de beschrijvingen van de vergaderingen muntten uit door levendigheid.