Algemeen Handelsblad/Jaargang 105/Nummer 34436/Avondblad/Kersttentoonstelling in het Museum Boymans
| ‘Kersttentoonstelling in het Museum Boymans’ door P.K.-n. |
| Afkomstig uit het Algemeen Handelsblad, zaterdag 24 december 1932, Avondblad, derde blad, p. 9. Publiek domein. |
KERSTTENTOONSTELLING IN HET MUSEUM BOYMANS.
NIEUWERE KUNST.
Is het toeval of heeft het een reden? Heeft men misschien overwogen, dat een bezoeker, die niet geheel vreemd in musea en kunstzalen is, Bosboom, Weissenbruch, Gabriel wel kent, tenminste beter dan Charley Toorop, Toon Kelder, Chabot of Koch en dat het dus zaak was, vooral deze jongeren met iets werkelijk goeds voor den dag te doen komen? Zeker is, dat van de Nederlandsche schilders van de vorige en deze eeuw, welke men hier vindt, die jongeren het best vertegenwoordigd zijn.
Toch zijn er stellig ook van ouderen opmerkelijke werken. Van Breitner een zijner belangrijke Amsterdamsche stadsgezichten; van Witsen het merkwaardige „Waterloo Station” (aquarel), de grijze viaduct in welker schaduw drie cabs schuilen; van Karsen „Enkhuizen”, een zijner schilderijen, waar de stilte levend in is gebleven (dat is in lang niet al zijn stille werken zoo)! Het bekende doek „Broek in Waterland” vertegenwoordigt Jan Toorop; een aqurel „Pink op het strand”, van welke de fijne grijsheid, de ruimte en de rust aan Weissenbruch doen denken, Tholen. Van Weissenbruch zelf lijkt „Polderlandschap”, langwerpig paneeltje, heel wat belangrijker dan een aquarel „Visschersschepen bij woelige zee”, doch de laatste zou meer kunnen voldoen als ze beter omlijst was: het gele „goud” van de lijst schaadt stellig den toon. Jan Sluyters heeft hier het blanke „Vrouwelijk naakt”, dat nog niet lang geleden de verrassing was van een tentoonstelling bij Van Lier te Amsterdam en nadien in particulier bezit blijkt te zijn overgegaan, en een scherp expressief heerenportret. Van Kelder ziet men het fijne, blonde kinderfiguurtje, dat hij onlangs bij Kleykamp in Den Haag heeft tentoongesteld en niet alleen daar tot de belangrijkste werken moest worden gerekend, maar in het algemeen tot zijn beste behoort. Een ander kinderportret is van Pijke Koch; als schilderij misschien de gaafste en zuiverste, welke hij nog heeft gemaakt, even krachtig van expressie als bijv. „De Schiettent”, doch in het minst niet zoo meedoogenloos-hard. Een damespartret, eenvoudig, niet zonder distinctie, blijkt van Albert Neuhuys, jongeren neef van den binnenhuisschilder te zijn.
Visionnair en tragisch, aangrijpend is een groot figuurstuk „Knielende man”, door Hendrik Chabot. De meesten van hen, die zijn beteekenis erkennen, waardeeren dezen kunstenaar in het bijzonder als beeldhouwer. Het zal echter stellig niet lang meer duren, of men moet toegeven dat hij als schilder zeker niet minder belangrijk is, wat hij m.i. ook nooit is geweest. Charley Toorop verrast met een groot portretstuk: „Maaltijd der vrienden”, men herkent de schilderes zelf en haar kinderen, Rietveld, A. Roland Holst, John Raedecker met zijn vrouw en zoontje, Wim Oepts, Pijke Koch. De schilderij, die op den dag der opening van de tentoonstelling nog niet eens droog was, zou ook nog niet voltooid zijn; wellicht is het dus raadzaam, het oordeel op te schorten. Nochtans mag men wel zeggen, dat deze groep, zooals ze nu is, veilig de zuiverst evenwichtige, hechtst gebonden compositie kan worden genoemd, die Charley Toorop nog heeft geschilderd, aanmerkelijk veel zuiverder en vaster dan bijv. die der menschen om een kachel in een wachtlokaal, van enkele jaren geleden.
Ook van buitenlanders zijn er werken, die verdienen dat men ze aandachtig beschouwt. Maar ik meet mij beperken. Voor goede stillevens van Vollon, Philippe Rousseau, Fantin Latour en Victoria Dubourg, dat van de laatste geschilderd toen de schilderes nog niet madame Fantin Latour was (maar ik wil er wat om verwedden, dat haar man er, zoo niet vóór het huwelijk, dan toch later in heeft gewerkt); evenals voor landschappen van Corot en Dupré, een vrouweportret door Ribot, een riviergezicht en een haventje van Boudin, moge vermelding volstaan. Interessant is de groep van drie schilderijen door Raffaelli, welke een verrassenden kijk op zijn veelzijdigheid geeft. Ook van Pissarro en Sisley zijn er belangrijke werken; van den laatstgenoemde uit den tijd vóór hij met Monet en Pissarro in aanraking kwam.
Stelde men vorige jaren nagenoeg uitsluitend schilderijen en teekeningen tentoon, ditmaal zijn er ook verscheidene beeldhouwwerken. Van den Hongaar J. C. Csaky een voortreffelijke statuette van Fransche zandsteen, „Moeder en Kind” (een belangwekkende beschouwing van dezen kunstenaar, door A. M. Hammacher, kan men vinden in Elsevier’s Maandschrift van Juni jl.). In een palmhouten vrouwekopje van den nog jongen Franschman René Iché neemt men invloed van oude Egyptische beeldhouwkunst waar, maar men moet erkennen dat de kunstenaar deze op zijn eigen wijze heeft verwerkt. Is het werk van Iché nog nieuw voor ons land, bekend zijn Vermeire, Kolbe en ook Chana Orloff, die nog maar zeer kort geleden te Amsterdam heeft tentoongesteld. Een liggende vrouwefiguur van Polet, van een bijna Fransche gracie, welke wij van Polet niet kenden, herinnert aan Despiau.
DE OUDE KUNST.
Evenals vorige jaren heeft de directeur van het Museum Boymans een Kersttentoonstelling ingericht. Ook dezen keer is hij er in geslaagd een groot aantal belangrijke schilderijen en beeldhouwwerken samen te brengen, nagenoeg alle uit particulier bezit. Enkele werken, welke het museum reeds eenigen tijd in eigendom bezit, doch die nog niet waren tentoongesteld (plaatsgebrek!) zijn er aan toegevoegd. Als altijd is de collectie gesplitst in een gedeelte oude en een grooter deel nieuwere kunst. De tentoonstelling blijft tot 17 Januari open.
Verscheidene van de tentoongestelde werken zijn in ons land niet eerder in het openbaar te zien geweest. O.a. een klein paneel: „Madonna met Kind”, van den Zuid-Nederlandschen meester Jan Provoost en een groot doek: „Het afscheid van Christus en Maria”, door El Greco, hetwelk de eigenaar, de bekende verzamelaar D. G. van Beuningen, eerst onlangs uit Spanje heeft medegebracht. Ofschoon men kan meenen in het paneel van Provoost reeds eenigen invloed van Quinten Massys op te merken, mag men toch aannemen dat dit nog uit den goeden tijd van den meester moet zijn; dus van vóór dat hij, ook onder invloed van Dürer, nieuwere opvattingen dan de hem het meest vertrouwde in toepassing trachtte te brengen, wat geenszins tot zijn voordeel was. Prachtig is het diepe rood van het kleed van Maria; geestig de achtergrond, met een fijn verschiet. Rijk, doch eerder voornaam, dan pralend, warm, maar niet zwaar is ook de kleur van de Greco; werk van schijnbaar oerverwante, toch eigenlijk geheel verschillende geaardheid. Meesterlijk sterk, vloeiend geschilderd, plooien wijde mantels om de twee figuren; têer is het gebaar van de elkander toegereikte handen, zacht en krachtig dat van Christus’ als vermanend opgeheven rechterhand. El Greco heeft deze voorstelling bij herhaling, zeker tenminste driemaal geschilderd. Van de drie bekende doeken zou het hier tentoongestelde, omstreeks 1580 vervaardigd, het oudste zijn.
Uit dezelfde collectie, waar deze Greco en de Provoost toe behooren, zijn een paneeltje van een anoniem Fransch meester der 15de eeuw, een landschapje van Patinier, een „Aanbidding der herders” van Veronese en een doek, „De roof van Proserpina”voorstellende, van Tintoretto afkomstig. Het Fransche paneeltje geeft een beeld van den H. Hieronymus te zien en doordat het in de nabijheid van dat van Patinier hangt, kan men er toe komen aan de voorstellingen van den heilige in een landschap te denken, welke van den meester uit Dinant (zegt Van Mander; volgens Guicciardini: uit Bouvignes) bestaan en het belangrijke verschil tusschen de opvatting van den anoniemen en die van den lateren schilder op te merken. Het schilderijtje van Patinier is in 1929 op de tentoonstelling van oude kunst, in het Rijksmuseum geweest. De Tintoretto vertoont voornamelijk in de bruinen invloed van Titiaan. Merkwaardig is de Veronese, waarvan de compositie aan een triptiek doet denken. Het middenvak met de eigenlijke „Aanbidding”, heeft een voorname geslotenheid, welke de schilder aan Bellini kon hebben ontleend; het rechter „zijluik” echter, waar men een paar jonge mannen en een hond ziet, had de vlotte blijmoedigheid van een Tiepolo kunnen voorspellen.
Talrijker dan die uit de 16de of de 15de eeuw, zijn de zeventiende-eeuwsche werken. Ik noem een kleine Rembrandt, een van die intensief geschilderde studiekoppen ven omstreeks 1645; een complete A. van Ostade, dansende boeren in een herberg-interieur, belangwekkend als figuur- en zedenschildering, zoowel als door détails gelijk een stilleventje op den voorgrond; een winter van Van Goyen; een blank interieur van Judith Leyster; Jan Miense Molenaer en Judith Leyster zelf aan het musiceeren; een fijn mansportretje van Paulus Moreelse, volgens het wapen een lid der familie Moreelse; een grooter portret van een jongen man uit de familie Bor, vroeg werk van Jan de Bray, dat het museum ten geschenke heeft ontvangen; een merkwaardige „Vanitas” van den weinig voorkomenden stillevenschilder Hendrick Andriessen („Manke Heyn”); een, stellig vroege, Avercamp; een landschapje van Jacob Jacobsz. van Geel, in den trant van den Duitschen Romanist Adam Elsheimer; een Pieter van Santvoort en een Van de Venne. Dan zijn er nog twee Saenredam’s: een exterieur van de Maria-kerk te Utrecht en een interieur van de Pieterskerk daar, schier ontroerend teeder van toon en edele rust.