Naar inhoud springen

Algemeen Handelsblad/Jaargang 106/Nummer 34658/Laatste opgravingen te Pompeï

Uit Wikisource
‘Laatste opgravingen te Pompeï. De „Villa dei Misteri” en de „Casa del Menandro”. Twee nieuwe publicaties van groote waarde. Tegenwoordige methode van opgraving’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Algemeen Handelsblad, zondag 6 augustus 1933, Ochtendblad, [eerste blad], [p. 1]. Publiek domein.
[ eerste blad, 1 ]
ITALIË.

LAATSTE OPGRAVINGEN TE POMPEÏ


De „Villa dei Misteri” en de „Casa del Menandro”. Twee nieuwe publicaties van groote waarde.

TEGENWOORDIGE METHODE VAN OPGRAVING.


(Van onzen correspondent.)

Napels, Aug.

Reeds Goethe kon in zijn tijd schrijven, dat nooit een ramp het menschdom had getroffen, die in later tijd bron werd van zooveel vreugde als de uitbarsting van den Vesuvius, die in het jaar 79 na Chr. Pompeï, Herculanum en Stabia van de aarde wegvaagde. Was deze schijnbaar wreede uitspraak (in werkelijkheid is de ondergang van Pompeï, waarbij minder dan 2000 menschen het leven verloren, geen ramp van bijzonder groote afmetingen geweest) omstreeks 1800 reeds waar, hoeveel meer thans, nu de doode stad werkelijk uit haar asch begint te herrijzen.

Het deel van Pompeï, dat Goethe gezien kan hebben, is juist dat gedeelte, dat thans het minst vermag te boeien, wijl er ter plaatse niet veel meer over is dan wat naakte muren, het skelet van de eenmaal levende huizen. In zijn tijd volgde men nog het systeem der „roofopgravingen”: de archaeologen zochten met alle middelen naar „het kunstwerk”, het museumstuk; aan de huizen hechtten zij geen waarde en wanneer zij dit gewenscht oordeelden voor het bereiken van hun doel, braken ze de muren geheel of ten deele af, of hakten er gaten in na verwijdering der wandversiering, voor zoover die uit fresco’s bestond, die geoordeeld werden kunstwaarde te hebben. Op die manier werd wel het museum te Napels zoo ongeloofelijk rijk aan antieke kunstvoorwerpen, dat het nergens ter wereld zijns gelijke heeft, doch Pompeï werd steeds armer. De meer dan duizend antieke wandschilderingen in dit museum (buiten Italië ziet men antiek-Romeinsche fresco’s zoo goed als in ’t geheel niet en te Rome is men op het bezit van de „Nozze Aldobrandine” en een tiental andere composities minstens zoo trots als op de Sixtijnsche kapel) zijn zeker een uiterst kostbaar bezit, doch wanneer ze nog te Pompeï de thans kale baksteenmuren bekleedden, zouden ze toch nog beter tot hun recht komen. Anderzijds moet gezegd worden, dat in het museum de schilderingen niet of althans in geringe mate aan verweerende invloeden blootstaan.

Het tegenwoordige systeem der opgravingen is wel geheel verschillend van het omstreeks 1860 gevolgde. De groote vernieuwer is Giuseppe Fiorelli geweest, die in 1860 tot directeur der opgravingen werd benoemd. De nieuwe werkwijze, die zoo heerlijke resultaten heeft opgeleverd vooral in de allerlaatste jaren is ingewikkeld en men gaat zoo behoedzaam en voorzichtig te werk, dat men trots de moderne werktuigen en het groote aantal arbeiders, dat jaar in jaar uit hier werkzaam is, veel langzamer vordert dan vroeger. Thans is ongeveer drie vijfde gedeelte der stad blootgelegd; men heeft daaraan gewerkt met lange onderbrekingen van 1748 tot heden. Volgens schatting van prof. Maiuri, den tegenwoordigen directeur, zal de opgraving van de resteerende kleinere helft ongeveer nog 250 jaar duren.

De eerste prachtige resultaten van de nieuwe methode vindt men in enkele woonhuizen van rijke kooplieden, het „Domus Vettiorum”, het „huis van den zilveren bruiloft”, het „huis der vergulde liefdegodjes”, het „huis van Lucretius Frontone”, alle tusschen 1895 en 1920 aan het licht gekomen. Het meest pompeuze dier huizen is dat van de gebroeders Vettii, zonder twijfel rijke kooplieden, die hun reeds tamelijk groote woning (het is een dwaze bewering van vele oppervlakkige bezoekers van Pompeï, dat de huizen en vertrekken alle zeer klein zouden zijn) lieten versieren in den reeds meer overdadigen dan fraaien stijl van het vroege keizerrijk. De wandschilderingen zijn alle in den z.g. vierden stijl van Pompeï, d.w.z. ontstaan tusschen 45 en 79 na Chr. en met een fantastische op het pittoreske berekende, doch onmogelijk uitvoerbare architectuur als geschilderde omlijsting der diverse voorstellingen. Vrijwel alle vertrekken hebben hun versiering nagenoeg intact bewaard en die van het groote triclinium met de voorstellingen van spelende liefdegodjes — zij imiteeren in hun spel allerlei menschelijke bezigheden — zijn terecht vermaard. Het groote peristilium van dit huis heeft men vrijwel geheel kunnen herstellen in den staat, waarin de eigenaar het voor 1880 jaar heeft gekend. Van de omringende zuilen is hier en daar de stuc afgevallen, zoodat de fraaie cannelures zichtbaar worden der oude sannitische zuilen, die de Vettii volgens den smaak of wansmaak van hun tijd met kalk hebben bekleed. Alle marmeren en bronzen beeldjes, zuiltjes, fonteintjes en verdere voorwerpen, die de stellig meer protserige dan kunstgevoelige bewoners in hun binnenhof hebben opgesteld, heeft men gelaten op de plaats waar ze gevonden zijn. De waterleiding is hersteld en de hedendaagsche bewaker draait aan precies hetzelfde kraantje om de fonteintjes te laten spuiten dat ook gebruikt werd door den slaaf der Vettii op bevel van zijn meesters, die blijkbaar, evenals de hedendaagsche Italianen, graag met waterspelletjes zich vermaakten.

Overal waar men openingen vond in de aschlaag heeft men daar vloeibaar gips ingegoten en kreeg zoo afgietsels o.a. van de wortels der planten, die in het peristilium groeiden op het oogenblik van de uitbarsting, en thans vindt men een oleander waar eenmaal een oleander stond, laurier en myrthe waar deze „latijnsche” planten groeiden. Het huis der Vettii is een volmaakt voorbeeld van een Romeinsch woonhuis en het is allerminst het eenige.

Het „Huis der vergulde liefdegodjes”, zoo genaamd naar een versieringsmotief bestaande uit glazen schijfjes met bladgoud beplakt, waarin liefdegodjes zeer kunstig zijn uitgesneden, is eveneens kenmerkend voor den smaak der rijk geworden kooplieden, die in Pompeï juist in de laatste jaren van het bestaan der stad de overhand begonnen te nemen.

In het „Huis van Lucretius Frontone” bezitten wij een prachtig voorbeeld van een kleine, doch elegante en smaakvol versierde patriciërswoning, waaraan na het jaar van Christus’ geboorte niet veel meer veranderd schijnt te zijn. Het „Huis van den zilveren bruiloft”, opgegraven in 1893 bij gelegenheid van den zilveren bruiloft van Italië’s Koning, is een voorbeeld van een voorname huizinge uit nog vroeger periode.

Juist dit verschil van bouwstijl met gebruikmaking van verschillend materiaal en verschillende versieringen maakt Pompeï zoo belangwekkend. Men kan er de levenswijze, de bouw- en sierkunst bestudeeren niet alleen van de laatste jaren voor den ondergang der stad doch ook van twee, drie eeuwen vroeger. Niet alleen openbare gebouwen, tempels, badinrichtingen, rijke woningen doch ook krotwoningen, speelholen, gladiatorenkazernen, kroegen, hotels, fabrieken vooral wasscherijen en ververijen voor wollen en linnen stoffen vindt men er. En ook zonder het te weten voelt ieder, die de smalle slopjes betreedt achter het forum, het „steegje met het overhangend balcon”, het „steegje van Eumachius” en het „steegje van het lupanar”, dat hij zich daar in een verdacht buurtje bevindt en als hij de opschriften heeft gelezen, die de gasten – soldaten, tooneelspelers en handwerkslieden – achter lieten in het hotel met uitspanning (de stal is nog duidelijk te herkennen) gehouden door zekeren Sitius Nucerinus, veteraan uit Caesar’s leger in de burgeroorlogen in Africa, begrijpt men, dat dit logement, „De Olifant” geheeten, een inrichting was van lagen rang. Vlak tegenover den ingang van het hotel bevindt zich een nog verdachter huis, en aan kleine gaarkeukentjes „thermopolia” ontbrak het in dit buurtje evenmin als bij ons te Amsterdam in de straten om den Zeedijk.

In de jaren na den oorlog (1920—1930) heeft men, volgens een nog meer geperfectioneerd systeem, er naar gestreefd een geheele oude straat te doen herleven. Dit zijn de z.g. „nieuwe opgravingen”. Men heeft daar niet, of juister nòg niet, de geheele huizen uitgegraven, doch uitsluitend de gevels. Daarbij is men erin geslaagd al de opschriften — reclame van winkeliers, doch vooral verkiezingsmanifesten — te bewaren. Men heeft afgietsels kunnen maken van de oude deuren en aan die gipsafgietsels de bronzen deurversieringen, de sloten, grendels, enz. weer bevestigd. In de winkels ligt de koopwaar uitgestald, zooals men ook in de huizen het keukengerei kan aantreffen op de plaats waar de ongelukkige bewoners het bij hun vlucht achterlieten. De luifels, overhangende balcons en andere resten der bovenverdiepingen worden met groote zorg hersteld.

De allerlaatste opgravingen brengen weer geheele huizen aan het licht. Het fraaiste voorbeeld in de stad van een dergelijke perfecte opgraving is het „Huis van den Menander”, zoo genaamd naar een portret van den Griekschen dichter Menander, dat een der wanden siert. Het is de zeer voorname woning van een man, waarschijnlijk een geleerde, van verfijnde levensgewoonten en goeden smaak. Het huis is gesierd met wandschilderingen, die betrekking hebben op den Trojaanschen oorlog.

De mozaïekvloeren behooren tot de mooiste van Pompeï. Op het oogenblik van de uitbarsting was men bezig dit huis te verbouwen en daarom had de eigenaar zijn groot bezit aan tafelzilver, dat alleen voor feestmaaltijden diende (meer gewoon tafelgerei werd in de keuken van het huis gevonden), in den kelder doen opbergen. Het werd daar in December 1930 gevonden en de 115 fraai bewerkte zilveren voorwerpen van dezen „schat” vormen tegenwoordig een der meest bewonderde verzamelingen in de rijke zalen der „Voorwerpen in edele metalen” van het Napolitaansch Museum. In een der kamers vindt men de gipsafgietsels van de lijken der bewoners. Naast hen ligt een houweel; en een groot gat in den muur getuigt ervan, dat zij, toen de deur der kamer door den aschregen versperd was, getracht hebben zich door den muur een uitweg te banen, wat hen niet mocht gelukken.

Straat in de nieuwe opgravingen te Pompeï: overhangend balkon en een nog functionneerende straatfontein.

Men heeft in dezelfde wijk verscheidene andere fraaie huizen uitgegraven, alle belangrijk en op meesterlijke wijze gerestaureerd, doch verreweg het belangwekkendst is de „Villa der Orfische mysteriën” buiten de stadsmuren. Deze villa en de heerlijke cyclus wandschilderingen, waaraan ze haar naam te danken heeft, was reeds vóór 1930 bekend, doch thans eerst heeft men de geheele woning, verreweg de grootste van Pompeï, met ruim vijftig vertrekken blootgelegd. Er was ook een boerenbedrijf aan verbonden en zoo vinden we hier een op oude sporen zeer overtuigend gereconstrueerde wijnpers in een vertrek, waar tenminste twee dergelijke persen in gebruik waren.

Het belangrijkste is de cyclus prachtig bewaarde fresco’s, tegelijk werken van hooge kunstwaarde en van zeer groote beteekenis voor de kennis der oude beschaving, vooral wat den godsdienst betreft. In vier wandvlakken is de inwijding eener jonge vrouw in de mysteriën van het Orphisme (dienst van Dionysos-Zagreus) voorgesteld. In het geheel zijn er zeven tafereelen met een dertigtal levensgroote figuren, alle uitkomend tegen een rooden ondergrond. Dit is het voornaamste monument van klassieke schilderkunst, dat tot heden bekend werd. Vooral episoden als de catechesi, dat is de voorlezing van het ritueel, of de voorzegging door een ouden Sileen, die de toekomst leest in een wijnbeker, van het lot der in te wijden vrouw, welke den symbolischen dood moet sterven in Zagreus, of de voltrekking van dien dood door de kastijdende vrouwenfiguur, zijn aangrijpend van levensechtheid.

Over deze beide voornaamste opgravingen der laatste periode, de „Villa dei Misteri” en de „Casa del Menandro”, verschenen bij de Italiaansche Landsdrukkerij twee prachtige publicaties van de hand van professor Amadeo Maiuri, den tegenwoordigen directeur der opgravingen. Het zijn wel mee de mooiste boekwerken, die ooit in Italië verschenen zijn en dat wil heel wat zeggen. Vooral de beide deelen over de „Villa dei Misteri” met uitstekend geslaagde kleurenreproducties van alle fresco’s vormen een waardevol bezit. Gezien de uitvoering kan men zelfs den prijs van duizend lire niet hoog noemen.

(Nadruk verboden.)