Anoniem/Nieuwe publicaties van het Bauhaus

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nieuwe publicaties van het „Bauhaus”
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 19 december 1925
Titel Nieuwe publicaties van het „Bauhaus”
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 82, 351
Editie, pg Avondblad C, 2
Opmerkingen Bespreking van de reeks Bauhaus-bücher; Lyonel Feininger vermeld als Feininger, Wassily Kandinsky als Kandinsky, László Moholy-Nagy als L. Moholy-Nagy,Frank Lloyd Wright als Wright, Peter Behrens als Behrens, Le Corbusier als Corbusier, Erich Mendelsohn als Mendelssohn, Hans Poelzig als Poelzig, Hendrik Petrus Berlage als Berlage, Bernard Bijvoet als Bijvoet, Cornelis van Eesteren als Van Eesteren, Willem Dudok als Dudok, Johannes Martinus van Hardeveld als Van Hardeveld, Han van Loghem als Van Loghem, Jacobus Johannes Pieter Oud als Oud, Jan Wils als Wils, Gerrit Rietveld als Rietveld, Oskar Schlemmer als Schlemmer
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein
Nieuwe publicaties van het „Bauhaus”.
      Een herinnering aan het boek over de resultaten van het eerste tijdperk van het Bauhaus te Weimar. — Een serie van acht „Bauhaus-bücher”.

      Een medewerker schrijft ons:
      Ter gelegenheid van de bekende „Bauhaus-Woche” te Weimar — de tentoonstelling ter gelegenheid van het vier-jarig bestaan, die door het vele gerucht, dat zij maakte, misschien een stootje meer tot de opheffing gaf — verscheen een boekwerk, waarin de resultaten van het eerste tijdperk van werkzaamheid van het „Bauhaus” waren neergelegd. Te midden van het voortreffelijke werk van „Meister” als Feininger, Klee, Kandinsky, van den directeur: Gropius, e. a. was daarin rijp en groen tezamen gebracht. Werkstukken onder invloed van zich verkeerd uitende bewondering voor de leeraren; gewrochten, begrijpelijk alleen voor hen, die ze als afkooksel van bepaalde kunststroomingen te herkennen wisten; voortbrengselen ook van een trachten naar eenvoud, dat soms goede, soms minder goede en in ’t algemeen maar zellen eenigszins zelfstandige uitwerking gevonden had.
      Dot boek werd eenerzijds zeer geprezen, anderzijds met afschuw verworpen. Voor geen van beide bestond voldoende aanleiding: het was interessant, omdat het in kort bestek de verwarring weergaf, die op het gebied der vormgeving in de beeldende kunsten heerschte; het was interessant ook voor dengene, die dieper zag, omdat het ten slotte toch een innerlijke éénheid openbaarde, waaraan al deze niet gaargestoofde producten — van het werk der „Meister” spreek ik hier niet — onderworpen bleken. Wekte het bij sommigen, die toch al niet te zeker van de zaak der nieuwe kunst waren, opnieuw twijfel, anderen, weer schudde het — zij het wat ruw — wakker, terwijl het met den drang tot het bizarre, dien men er door ontketend waande, achteraf bezien nogal losgeloopen blijkt.
      Intusschen: leek deze eerste publicatie van het „Bauhaus” wat gewelddadig, in den grond was ze toch halfslachtig en veel goede bedoeling moest voor minder goed resultaat genomen worden.
      Anders is het gesteld met de 1e serie der „Bauhaus-bücher”, die thans bij Albert Langen te München het licht gezien heeft. Acht boekjes zijn het, met de volgende titels: No. 1, Internationale Architektur von Walter Gropius; No. 2, Paedagogisches Skizzenbuch von Paul Klee — No. 3, Ein Versuchshaus des Bauhauses — No. 4, Die Bühne im Bauhause — No. 5, Neue Gestaltung von Piet Mondriaan — No. 6, Grundbegriffe der neuen Kunst von Theo van Doesburg — No. 7, Neue Arbeiten der Bauhauswerkstätten — No. 8, Malerei, Photographie, Film von L. Moholy-Nagy.
      In No. 1 wijst Gropius op de overeenkomst, die er op ’t oogenblik bestaat in de abstracte bouwkunst van haast alle landen, hetgeen duidt op het ontstaan eener nieuwe éénheid. De korte inleiding is toegelicht door talrijke mooie foto’s van werk van overal her, waarbij alleen het œuvre van de Bauhaus-jongeren wat ongemotiveerd sterk vertegenwoordigd is. Naast werk van Wright, Behrens, Corbusier, Mendelssohn, Poelzig, e.a. vindt men er overigens uit ons land afbeeldingen van gebouwen van Berlage, Bijvoet en Duiker, van Doesburg en van Eesteren, Dudok, van Hardeveld en Loghem, Oud, Wils en van het belangwekkende huis, dat Rietveld te Utrecht tot stand bracht.
      No. 2 bevat de grondbeginselen, die Klee bij zijn onderwijs toepast: niet on-interessant, maar wat droog en anders dan men verwachten zou van den maker van de zoo gevoelige, wat vreemd-naïeve schilderstukken. Over het „Versuchshaus des Bauhauses”, waaraan No. 3 gewijd is, heeft Augusta de Wit indertijd reeds uitvoerig in dit blad geschreven: het boekje brengt de afbeeldingen met toelichting. No. 4 behandelt het tooneel in het „Bauhaus” en is wat begrensd in zijn opzet door deze beperking. Schlemmer heeft met zijn „Triadisches Ballet”, waarvan reproducties gegeven worden, knappe dingen gedaan; Molnàr (het is niet de tooneel-schrijver!) is dilettantisch in zijn voorstellen en er lijkt over het algemeen hier te veel proefneming zonder basis. Piet Mondriaan geeft in No. 5 een vertaling van zijn „Le néo-plasticisme”, aangevuld met eenige korte artikelen en interessant voor hen, die gaarne iets naders van zijn bedoelingen willen weten. Van Doesburg leverde den tekst voor No. 6: hij schrijft beter dan hij schildert en weet pakkende beelden te kiezen. De „Neue Arbeiten der Bauhauswerkstätten” in No. 7 bewijzen, hoezeer het werk van het „Bauhaus” verbetert: talrijke voorwerpen van dagelijksch gebruik, in dit boekje afgebeeld, beginnen vormen te vertoonen, die in hun simpelheid en logica al naar een algemeenheid wijzen. Ze zijn voor verfijning vatbaar, maar missen het opdringerige, dat onze „kunstnijverheid” zoo hinderlijk maakt. No. 8, „Malerei, Photographie, Film” van L. Moholy-Nagy, stelt de karakteristiek van de photographie en de film als „kunst”. Het betreft hier een haast nog onontgonnen gebied, zoodat er nog veel te experimenteeren is — meer dan in de andere boekjes, waar men dikwijls reeds vastheid van grondslag voor de toekomst bespeurt —, maar het experimenteeren is hier nier een willekeurig zoeken zonder vaste richtlijnen. De pogingen om uit de middelen, die de photographie en de film ter beschikking staan, datgene te halen, wat ze als esthetische mogelijkheden bezitten, heeft tot tal van afbeeldingen geleid, die hoogst merkwaardig ter bezichtiging zijn. De foto’s verkregen door kunststukjes, als herhaling in een beeld van slechts één onderdeel, door uitrekking of inkrimping van bepaalde partijen, door vergrootingen vele, vele malen boven de natuurlijke afmetingen uit, door combinatie van foto’s door verschillende wijzen van verlichting, door weerkaatsing, enz., enz., zijn alle zeer boeiend.
      Ongetwijfeld zullen deze boekjes veel „Anregung” kunnen brengen. Zooals reeds gezegd, missen ze het dilettantisme van het eerste boek en geven veel serieus werk en probeeren. Typographisch zijn ze voortreffelijk verzorgd: goede letter, keurige verdeeling van zwart-wit, prachtige afbeeldingen en frissche omslagen. Moge men in sommige gevallen nog altijd iets teveel van het moderne gistings-proces ervaren, zoo bewijst de typographische behandeling op zichzelf overigens reeds, hoezeer het „Bauhaus” steeds op correctie van het eigen pogen bedacht is.